Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2003-200428197 nr. B

28 197
Aanpassing van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, het Wetboek van Strafrecht en de Wet op de economische delicten ter uitvoering van richtlijn nr. 2003/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, de interne markt (PbEG L 178) (Aanpassingswet richtlijn inzake elektronische handel)

B
VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR JUSTITIE1

Vastgesteld 5 februari 2004

Het voorbereidend onderzoek heeft de commissie aanleiding gegeven tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.

Inleiding

De leden van de CDA-fractie hadden met instemming van dit wetsvoorstel kennisgenomen. Zij stelden vast dat het bij dit wetsvoorstel gaat om een complexe problematiek. Deze leden hadden waardering voor de wijze waarop de regering zich in de uitvoerige memorie van toelichting had ingespannen om de verschillende relevante aspecten, verbonden aan de hier aan de orde zijnde problematiek, uiteen te zetten. De leden van de CDA-fractie hadden nog wel een aantal vragen en opmerkingen, waarbij zij met name ook wilden ingaan op hetgeen aangaande dit wetsvoorstel naar voren is gebracht in de navolgende artikelen:

– «Contracteren op basis van de Wet elektronische handel« van mr A. M. van Hekesen, Ondernemingsrecht 2002-9;

– «wetsvoorstel Elektronische handel: gemiste kansen bij elektronisch contracteren?« van mr S. J. H. Gijrath & R. J. Kolthek, computerrecht december 2002.

Zij zagen met belangstelling de reactie van de minister op onderstaande vragen en opmerkingen tegemoet.

De leden van de VVD-fractie hadden met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Helaas valt wederom te constateren dat implementatie van een richtlijn, thans richtlijn nr. 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt (PbG L 178), wederom lang, te lang op zich laat wachten. Hoewel thans een vlotte voortgang van het wetsvoorstel gewenst is, hadden de leden van de VVD-fractie nog een aantal vragen, waarop zij graag een antwoord van de minister zouden ontvangen.

Inhoud wetsvoorstel

Algemeen

Is de Wet Telecommunicatie, zoals deze thans in de Eerste Kamer voorligt, in overeenstemming met het onderhavige wetsvoorstel, zo vroegen de leden van de VVD-fractie.

Artikelen 2: 117 en 227

De wet voorziet in een wijziging van de artikelen 117 en 227 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, zo vervolgden de leden van deVVD-fractie. Aan de eis van schriftelijkheid van de volmacht wordt tevens voldaan indien de volmacht elektronisch is vastgelegd. Uiteraard zal de vennootschap moeten controleren of de volmacht waarop de gevolmachtigde zich beroept, is afgegeven door de aandeelhouder die de gevolmachtigde vertegenwoordigt. Bij schriftelijke volmachten kan deze controle eenvoudig geschieden door overlegging van de schriftelijke volmacht. Hoe stelt de minister zich een dergelijke controle bij een elektronisch vastgelegde volmacht voor? Valt onder de elektronisch vastgelegde volmacht tevens een elektronische image van een in oorsprong schriftelijke volmacht, die is opgeslagen op een opslagmedium zoals een diskette, een cd-rom, een memory-stick etc.? Waarom worden aan de elektronische volmacht niet de eisen gesteld die op grond van art. 6:227a, lid 1 BW gelden voor de gelijkstelling van een elektronische overeenkomst met een overeenkomst in schriftelijke vorm?

Artikel 3:15d

Op grond van artikel 3:15d, lid 1, sub d BW dient degene die voor zijn activiteit een vergunning behoeft, gegevens toegankelijk te maken over de bevoegde toezichthoudende autoriteit. De ratio van deze informatieverplichting is dat afnemers van de diensten zich bij klachten kunnen wenden tot de toezichthouder. Vallen hieronder ook de certificatiedienstverleners die zich in verband met de uitgifte van gekwalificeerde certificaten aan het publiek krachtens artikel 2.1, lid 3 Telecommunicatiewet bij de OPTA dienen te laten registreren?

Krachtens artikel 3:15d, lid 2 BW dient de dienstverlener zo mogelijk aan te geven welke belastingen zijn inbegrepen in de prijs. De leden van de VVD-fractie vroegen of zij deze bepaling aldus mogen begrijpen dat daaruit niet de verplichting voortvloeit om aan te geven welke belastingen er niet in de prijs zijn inbegrepen.

Waarom is ervoor gekozen om in art. 272a en art. 634, lid I, sub c geen verwijzing op te nemen naar art. 15d, lid 3, zo vroegen de leden van de CDA-fractie. Kan daardoor niet de indruk ontstaan dat ten aanzien van deze artikelen niet is vereist dat het gaat om diensten van de informatiemaatschappij? In art. 227b en art. 227c wordt immers wet expliciet naar art. 15d, lid 3 verwezen.

Artikel 3:15e

Is de minister met de leden van de VVD-fractie van mening dat bij de meeste commerciële websites het commerciële karakter van de communicatie reeds als zodanig herkenbaar is, zodat de houder van de website geen verdere actie behoeft te ondernemen om te voldoen aan het bepaalde in art. 3:15e, lid 1, sub a BW?

Artikel 6:196

Ervan uitgaande dat een exploitant van een internet chatbox een dienst van de informatiemaatschappij verricht, kan hij zich tevens beroepen op de uitsluiting van aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:196c, lid 1 BW voor onrechtmatige uitingen in deze chatbox?

Is de conclusie juist dat van de voorwaarden voor uitsluiting van aansprakelijkheid bij caching als vermeld in artikel 6:196c, lid 3 BW de eerste vier voorwaarden met name betrekking hebben op de mogelijke aansprakelijkheid jegens de houder van de gecachte website, terwijl de laatste voorwaarde betrekking heeft op de aansprakelijkheid jegens een derde die schade lijdt tengevolge van de inhoud van de gecachte website? Moet uit het bepaalde in art. 6:196c, lid 3 BW worden afgeleid dat de minister ervan uitgaat dat er bij doorgifte van een verouderde gecachte website een overeenkomst tot stand komt tussen de abonnee van internet service provider (ISP) en de houder van de website op grond van de verouderde gegevens, waarbij de vraag rijst of houder van de website de schade kan verhalen op de ISP? Is de minister met de leden van de VVD-fractie van mening dat de vragen of er in dat geval een overeenkomst tot stand komt en, zo ja, wat de inhoud van deze overeenkomst is (en de daaruit voortvloeiende vraag of de houder van de website überhaupt schade heeft geleden), dienen te worden beantwoord aan de hand van het toepasselijke recht?

Artikel 6:227a

In art. 227a, lid 1 worden vier eisen gesteld waaraan moet worden voldaan om een overeenkomst die langs elektronische weg tot stand is gekomen gelijk te stellen met een geldige schriftelijke overeenkomst in de gevallen waarin zo'n schriftelijkheid uit de wet voortvloeit, zo constateerden de leden van de CDA-fractie. In de memorie van toelichting wordt gesteld dat het niet ondenkbaar is dat in een concreet geval gelijkstelling op zijn plaats is ook indien niet aan elk vier de voorwaarden is voldaan. Deze nuancering blijkt echter in het geheel niet uit de wettekst. Daar immers is sprake van vier cumulatieve voorwaarden. Leidt de in de memorie van toelichting gegeven nadere toelichting aldus niet tot de onwenselijke situatie dat het op voorhand niet duidelijk is voor contractspartijen of een elektronisch gesloten overeenkomst aan alle vier criteria dient te voldoen om gelijk te worden gesteld met de schriftelijke overeenkomst, zo vroegen deze leden.

Waarom is ervoor gekozen de gelijkstelling niet uit te breiden tot alle rechtshandelingen die verband houden met een elektronische gesloten overeenkomst? Zo bepaalt art. 6:82 BW dat een schuldenaar in gebreke dient te worden gesteld door een schriftelijke aanmaning. Betekent dit dat, ook al verloopt alle communicatie verband houdende met een elektronisch gesloten overeenkomst op elektronische wijze, toch een ingebrekestelling nog steeds schriftelijk dient te geschieden?

Het eerste criterium van art. 227a vereist dat een overeenkomst raadpleegbaar is door partijen. In de memorie van toelichting wordt gesteld dat de overeenkomst op een zodanige wijze dient te worden vastgelegd dat partijen in staat zijn om de inhoud daarvan «ter latere kennisneming» te ontsluiten en te bewaren, is het ook niet van belang dat een langs elektronische weg te sluiten overeenkomst net als een schriftelijke overeenkomst, tevens raadpleegbaar is vóór of op het moment van het sluiten van de overeenkomst. Voorts vroegen de leden van de CDA-fractie in welke vorm de overeenkomst raadpleegbaar moet zijn. Waarom is er niet voor gekozen vast te leggen dat daartoe een overeenkomst op een toegankelijke duurzame gegevensdrager moet worden vastgelegd?

In art. 227a, lid 1 wordt tevens gesteld dat de authenticiteit van de overeenkomst in voldoende mate moet zijn gewaarborgd. Waarom is er niet voor gekozen te bepalen dat een langs elektronische weg gesloten overeenkomst dient te worden vastgelegd in een elektronisch bestand dat voorzien is van een elektronische handtekening?

In verband met het derde criterium, zijnde dat het moment van totstandkoming van de overeenkomst met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld, wordt in de memorie van toelichting gezegd dat het bij het sluiten van de overeenkomst door middel van elektronische post voldoende is dat vastgesteld kan worden op welk tijdstip de aanbieder de elektronische aanvaarding van zijn aanbod heeft ontvangen In diezelfde memorie van toelichting wordt echter gezegd dat een bewijs van ontvangst van elektronische post gemakkelijk te manipuleren is door contractspartijen met enige technische kennis, zo vervolgden deze leden. Had, mede gelet daarop, niet overwogen moeten worden te bepalen dat er sprake moet zijn van een elektronische handtekening onder een overeenkomst in combinatie met de vastlegging van die overeenkomst op een toegankelijke duurzame gegevensdrager?

In art. 227a, lid 1 is voorts vastgelegd dat de identiteit van partijen met voldoende zekerheid dient te kunnen worden vastgesteld. Hoe zit het met die identiteitsvraag indien geen formele vormvereisten, zoals ondertekening van de desbetreffende schriftelijke overeenkomst, van toepassing zijn? In het hiervoor vermelde tijdschriftartikel van Gijrath c.s. wordt gesteld dat er juist bij elektronische marktplaatsen zoals veilingsites, behoefte kan bestaan dat de identiteit van een partij niet (meteen) kenbaar is. Zelfs indien een deelnemer op een marktplaats met een andere deelnemer een on-line overeenkomst sluit, kan hij de behoefte hebben zijn identiteit niet kenbaar te maken. Zijn dergelijke overeenkomsten dan per definitie niet rechtsgeldig? Geldt dit laatste ook in situaties waarin gebruik wordt gemaakt van afspraken met de beheerder van de marktplaats over de totstandkoming van de overeenkomst en de uitvoering van de daaruit resulterende contractuele verplichtingen?

Ten aanzien van artikel 6:227a, lid 1, sub b wordt in de memorie van toelichting op pagina 53–54 opgemerkt, aldus de leden van deVVD-fractie, dat partijen ter uitvoering van dit voorschrift de elektronische overeenkomst op zodanige wijze dienen vast te leggen dat de authenticiteit van de overeenkomst in voldoende mate is gewaarborgd. Dient hierbij onder «de overeenkomst» te worden verstaan de elektronische communicaties betreffende (eventueel de uitnodiging tot het doen van een aanbod,) het aanbod en de aanvaarding? Vloeit hieruit voort dat een dienstverlener die gebruikmaakt van internet voor het elektronisch sluiten van overeenkomsten waarvoor een wettelijk vormvereiste geldt, voor een gelijkstelling van de elektronische overeenkomst met een overeenkomst in schriftelijke vorm tevens een kopie van zijn website dient te bewaren en op zodanige wijze dient op te slaan dat de authenticiteit daarvan in voldoende mate is gewaarborgd? Waarom zouden deze waarborgen alleen betrekking hebben op de opgeslagen communicaties? Ligt het niet voor de hand om dezelfde eis te stellen aan het transport van de betreffende communicaties over het communicatienetwerk? Zo zou naar de mening van de leden van deze leden ten aanzien van bepaalde elektronische communicaties via internet wellicht voor een gelijkstelling met een geschrift de eis kunnen worden gesteld dat de dienstverlener zorgdraagt voor een beveiligde verbinding tussen hem en de wederpartij door middel van een Secure Socket Layer (SSL, te herkennen in de url aan de afkorting https).

Artikel 6:227b

De bewoordingen van art. 227b, lid 1 laten de mogelijkheid open, aldus de leden van de CDA-fractie, dat ook aan de verplichting tot informatieverstrekking is voldaan indien de informatie wordt verstrekt nà de order, doch vóór de acceptatie daarvan. Door acceptatie van de order komt immers de overeenkomst pas tot stand. Bestaat op dit onderdeel een verschil tussen de richtlijn en het wetsvoorstel?

Artikel 6:277b, lid 1 BW legt een aantal informatieverplichtingen op aan de dienstverlener, zo vervolgden de leden van deVVD-fractie. De aldaar genoemde gegevens dienen voor het sluiten van de overeenkomst te worden verstrekt aan de afnemer van de dienst. Mag uit het gebruik van het woord «verstrekken» worden afgeleid dat hier, anders dan ter nakoming van artikel 3:15a BW, niet kan worden volstaan met een hyperlink naar een pagina op de website waar de betreffende gegevens zijn opgenomen? Kan de minister uiteenzetten op welke wijze artikel 6:227b, lid 1 BW dient te worden toegepast in het geval dat een communicatie op een website dient te worden beschouwd als een uitnodiging tot het doen van een aanbod? Letterlijke toepassing van deze bepaling zou inhouden dat de dienstverlener in dat geval kan volstaan met het verstrekken van deze informatie eerst nadat de wederpartij op basis van de uitnodiging een aanbod heeft gedaan. Dit leek deze leden niet in overeenstemming met de bedoeling van deze bepaling om de wederpartij te beschermen. Is de minister het met de leden van de VVD-fractie eens dat de meeste dienstverleners gegevens omtrent de overeenkomst (bijv. de bestelling naar aanleiding van een openbaar aanbod op internet) zullen opslaan voor bewijsdoeleinden? Volgt daarmee uit artikel 6:227b BW dat al deze dienstverleners de wederpartij toegang tot deze gearchiveerde overeenkomsten moeten geven? Is de veronderstelling juist dat voor een houder van een website geen verplichtingen voortvloeien uit artikel 6:227b, lid 1, sub d BW indien overeenkomsten alleen kunnen worden gesloten in de taal waarin de website is opgesteld?

De leden van de CDA-fractie merkten vervolgens op dat in het tijdschriftartikel van Van Hekesen wordt betoogd dat art. 227b, lid 1, sub b de dienstverlener de keuze lijkt te laten de overeenkomst al dan niet te archiveren en de wederpartij in staat te stellen deze later te raadplegen zolang de dienstverlener maar aangeeft of de overeenkomst wordt gearchiveerd en of de gearchiveerde overeenkomst door de wederpartij kan worden geraadpleegd. Daarentegen verplicht art: 227b, lid 2 de dienstverlener wel om voor of bij het sluiten van de overeenkomst de voorwaarden daarvan, niet zijnde de algemene voorwaarden, bedoeld in art, 6:231 BW, op een zodanige wijze ter beschikking te stellen dat deze door de wederpartij kunnen worden opgeslagen en voor hem toegankelijk zijn ten behoeve van latere kennisneming. Wat dient in dit verband verstaan te worden onder het begrip «de voorwaarden van de overeenkomst, niet zijnde de algemene voorwaarden»? Bevat dit alle voorwaarden van de overeenkomst met uitzondering van de algemene voorwaarden? Op grond van art. 6:234, lid 1, sub c BW dient de dienstverlener voorts de algemene voorwaarden op een zodanige wijze ter beschikking te stellen dat deze door de wederpartij kunnen worden opgeslagen. Het samenstel van bovengenoemde voorwaarden en de algemene voorwaarden vormen de totale overeenkomst. Betekent dit dat van de keuzeruimte die in art. 227, lid 1, sub b lijkt te worden gegeven, feitelijk niets overblijft? Hoe moeten overigens de desbetreffende voorwaarden worden opgeslagen als een overeenkomst wordt gesloten door uitwisseling van bijvoorbeeld sms-berichten? De meeste mobiele telefoons zijn immers niet ingericht op een (permanente) opslagfunctie voor sms-berichten.

Wat moet worden verstaan ondereen gedragscode zoals bedoeld in art. 227b, lid 1, sub c? Gaat het daarbij om gedragscodes die gericht zijn op de zelfregulering van elektronische handelsactiviteiten en meer in het bijzonder op de activiteiten waarop de overeenkomst betrekking heeft? Is het zo dat, voor zover deze gedragscodes juridisch bindend zijn, deze in feite reeds deel uitmaken van de voorwaarden zoals bedoeld in art. 227b, lid 2?

Artikel 6:227b, lid 2 BW verplicht de dienstverlener om de voorwaarden van de overeenkomst, niet zijnde algemene voorwaarden, op zodanig wijze voor of bij het sluiten van de overeenkomst ter beschikking te stellen dat zij kunnen worden opgeslagen. De leden van de VVD-fractie vroegen of hier kan hier worden volstaan met een webpagina waarop de betreffende voorwaarden zijn vermeld en die aan de wederpartij wordt gepresenteerd voor het sluiten van de overeenkomst door het aanklikken van de «ok»-knop. Is de minister het ermee eens dat deze bepaling in een internetomgeving in de praktijk een wassen neus zal blijken te zijn? Immers, het recht op ontbinding vervalt krachtens het vijfde lid van dit artikel zodra de betreffende informatie door de dienstverlener alsnog is toegezonden. Indien de dienstverlener ervoor zorgt dat er direct na ontvangst van de bestelling via email een ontvangstbevestiging wordt verstuurd waarin tevens de kernbedingen van de overeenkomst zijn opgenomen, zal de wederpartij door het uitermate korte tijdverloop tussen de bestelling en de bevestiging van ontvangst (enkele seconden) praktisch niet de mogelijkheid hebben om de overeenkomst te ontbinden.

In art. 227b, lid 4 wordt bepaald dat een overeenkomst, die tot stand is gekomen onder invloed van het niet naleven van de verplichtingen tot het verstrekken van informatie als bedoeld in a, c en d, vernietigbaar is. Uit art. 3:52, lid 1, sub d BW volgt dat vernietiging kan plaatsvinden tot drie jaar nadat de bevoegdheid tot vernietiging aan de wederpartij ten dienste is komen te staan. Brengt echter de redelijkheid niet met zich mee, zo vroegen de leden van de CDA-fractie, dat de wederpartij, indien zij van dit recht gebruik wenst te maken, de overeenkomst onverwijld nadat zij op de hoogte is geraakt van het feit dat deze onbedoeld is gesloten, moet vernietigen? Kan voormelde vernietiging in bepaalde gevallen ertoe leiden dat de overeenkomst wordt vernietigd, terwijl de prestatie reeds is geleverd en de prestatie naar haar aard niet meer ongedaan kan worden gemaakt? In het hiervoor vermelde tijdschriftartikel wordt in dit verband als voorbeeld genoemd een kraslot dat via elektronische weg wordt verkregen.

Artikel 6:227c

In art. 227c, lid 1 wordt gesteld dat de dienstverlener de wederpartij passende, doeltreffende en toegankelijke middelen ter beschikking moet stellen waarmee de wederpartij voor de aanvaarding van de overeenkomst van de door hem niet gewilde handelingen op de hoogte kan geraken en waarmee hij deze kan herstellen. Blijkens de memorie van toelichting ziet de herstelmogelijkheid niet alleen op invoerfouten doch ook op ongewilde bedieningshandelingen. Betekent dit dat de wederpartij ook een bestelling die is geplaatst door het (gepretendeerd) «per ongeluk klikken op de bestelbutton» nog kan rechtzetten, zo vroegen deze leden. Indien het antwoord bevestigend luidt, hoe verhoudt zulks zich tot de tekst van lid 1 van dit artikel, waarin is bepaald dat de herstelmogelijkheid slechts geldt totdat de overeenkomst is tot stand gekomen?

Kan de minister uiteenzetten hoe artikel 6:227c, lid 1 BW dient te worden toegepast in het geval er sprake is van een communicatie op internet die dient te worden gekwalificeerd als een uitnodiging tot het doen van een aanbod, zo vroegen de leden van de VVD-fractie. In dat geval vindt immers de aanvaarding plaats door de verlener van de dienst van de informatiemaatschappij en niet door diens wederpartij.

In het tijdschriftartikel van mr Van Hekesen wordt betoogd, zo vervolgden de leden van de CDA-fractie, dat de richtlijn aangaande het moment van totstandkoming van elektronisch gesloten overeenkomsten aanknoopt bij het begrip order. De reikwijdte van art. 227c, lid 2 lijkt echter veel ruimer te worden door het gebruik van de algemene begrippen aanbod en aanvaarding, aangezien onder dat laatste immers ook valt de aanvaarding van 4 algemene voorwaarden die van toepassing zijn op de toegang tot en het gebruik van de website. De schrijver betoogt mede aan de hand van enige voorbeelden dat dit tot een aantal praktische problemen kan leiden. Gaarne ontvingen deze leden enig commentaar op deze stelling.

Op grond van art. 227c, lid 3 geldt de eis als vastgelegd in lid 2 niet voor overeenkomsten die uitsluitend tot stand zijn gekomen door de uitwisseling van e-mails of een soortgelijke vorm van elektronische communicatie. In de praktijk zou dit betekenen dat een dienstverlener wel een bevestiging van ontvangst moet sturen als de wederpartij een bestelling plaatst in reactie op een aanbod op een website, maar niet indien de bestelling een reactie is op een door de dienstverlener verstuurde e-mail met daarin een aanbod. Beide overeenkomsten zijn echter elektronisch tot stand gekomen door de aanvaarding van een e-mail van de wederpartij. Door mr Hekesen wordt betoogd dat deze gekozen systematiek in de praktijk tot problemen zal leiden. Welke regel geldt bijvoorbeeld als de dienstverlener de wederpartij een e-mail stuurt met daarin een aanbod waarin wel alle essentiële informatie is opgenomen, maar waar voor verdere productinformatie naar de website wordt verwezen. Maakt het in dit verband nog uit of de verwijzing plaatsvindt door middel van een hyperlink of slechts door een tekstuele verwijzing?

Kan de minister de verhouding tussen artikel 6:227c, lid 3 BW en artikel 3:37, lid 3 BW uiteenzetten, zo vroegen de leden van deVVD-fractie. En waarom wordt dezelfde bepaling uit artikel 6:227c BW niet van overeenkomstige toepassing verklaard op elektronische berichten als de vernietigingsverklaring ex artikel 6:227b, lid 4, de ontbindingsverklaring ex artikel 6:227c, lid 5 BW en de elektronische ontbindingsverklaring ex art. 6:267, lid 1 BW?

In art. 227c, lid 5 is bepaald dat een overeenkomst die tot stand komt onder invloed van het niet naleven van de verplichting tot het geven van de omschreven herstelmogelijkheden, vernietigbaar is, zo vervolgden de leden van de CDA-fractie. Indien deze verplichting niet is nagekomen wordt de overeenkomst vermoed onder invloed daarvan tot stand te zijn gekomen. Dit laatste rechtsvermoeden is opgenomen om de wederpartij in zijn bewijspositie tegemoet te komen. Daarvoor moet echter, alvorens de dienstverlener wordt toegelaten te bewijzen dat de bestelling niet ongewild is geplaatst, eerst komen vast te staan dat de website niet aan de eisen zoals bedoeld in art. 227c, lid 1 voldoet. Dit betekent derhalve dat de wederpartij altijd eerst za1 moeten aantonen dat de website niet aan die eisen voldoet. Is het denkbaar en in de praktijk vaak ook wel veel redelijker, dat van de dienstverlener zal worden gevergd dat hij aannemelijk maakt dat zijn website wel aan de eisen van lid.1 voldoet?

Artikel 6:234

Is het juist dat zolang art. 6:247 BW en art. 6:235 BW niet zijn aangepast, de verplichtingen in art. 6:234 lid 1 sub c niet gelden voor alle internationale en voor veel nationale business-to-business situaties? In art, 234 lid 1 sub c is aangegeven dat de wederpartij de algemene voorwaarden moet kunnen opslaan. Het desbetreffende onderdeel omschrijft echter niet hoe de algemene :voorwaarden ter beschikking moeten worden gesteld. Is het voldoende om op de website een algemene voorwaarden-(hyperlink) button op te nemen of moet de wederpartij uitdrukkelijk langs de algemene voorwaarden worden geleid en zich – bijvoorbeeld door middel van een OK-button – uitdrukkelijk met toepasselijkheid akkoord te verklaren? In het voorgestelde nieuwe art. 234 lid 1 sub c wordt voorts aangegeven dat voor de toepasselijkheid van algemene voorwaarden onder omstandigheden ook volstaat dat voor de totstandkoming van de overeenkomst aan de wederpartij bekend wordt gemaakt waar van de voorwaarden langs elektronische weg kan worden kennis genomen. Deze leden vroegen zich af op welke wijze aldus gewaarborgd blijft dat de wederpartij steeds de algemene voorwaarden zal aantreffen zoals deze golden op het moment dat de overeenkomst werd gesloten. Algemene voorwaarden kunnen immers gewijzigd worden, waarbij het voor de wederpartij bezwaarlijk kan zijn om aan te tonen dat andere voorwaarden langs elektronische weg te raadplegen waren op het moment dat hij de overeenkomst sloot. Dit probleem doet zich niet voor bij algemene voorwaarden die gedeponeerd worden bij de Kamer van Koophandel. Dan immers staat exact vast welke versie van de algemene voorwaarden op enig moment gedeponeerd was en vanaf welk tijdstip gewijzigde algemene voorwaarden zijn gedeponeerd.

Artikel 6:234

De leden van de VVD-fractie merkten op dat het nieuwe artikel 6:234 lid 1 sub c BW de mogelijkheid biedt om algemene voorwaarden elektronisch ter beschikking te stellen indien de overeenkomst langs elektronische weg tot stand is gekomen. In de praktijk komt het regelmatig voor dat een dienstverlener op zijn website de mogelijkheid biedt om een bepaalde dienst aan te vragen. Denk bijvoorbeeld aan het openen van een rekening-courant bij een bank of het sluiten van een verzekeringsovereenkomst bij een verzekeraar. Alsdan zal de overeenkomst na goedkeuring van de aanvraag door de dienstverlener op schriftelijke wijze tot stand komen. Heeft de dienstverlener alsdan voldaan aan het bepaalde in artikel 6:233 sub b BW, waaruit voortvloeit dat hij de wederpartij een redelijke mogelijkheid moet hebben verschaft om van de algemene voorwaarden kennis te nemen?

Artikel V

Is het juist dat een Nederlandse dienstverlener die een dienst van de informatiemaatschappij verricht in een andere lidstaat, zich op grond van artikel V van de wet slechts heeft te houden aan in Nederland geldende regels zoals die met betrekking tot witwassen van geld (melding ongebruikelijke transacties), identificatie bij dienstverlening, regelen betreffende effectendienstverlening etc.? Is het juist dat op basis van de toepasselijke regels betreffende internationaal privaatrecht dient te worden bepaald welk recht van toepassing is voor de beoordeling van de vraag of een internet service provider (ISP) aansprakelijk is, in het geval hij niet voldoet aan de voorwaarden voor uitsluiting van aansprakelijkheid als neergelegd in artikel 6:196c BW, zo vroegen de leden van de VVD-fractie.

Artikel V en VI

Onder verwijzing naar het gestelde op pag. 11 van de nota naar aanleiding van het verslag, vroegen de leden van de CDA-fractie vervolgens of de minister zich al nadere gedachten heeft gevormd over de vraag in welk wetboek en onder welk artikelnummer de artikelen V en VI zullen worden ondergebracht. De thans gehanteerde systematiek is toch in feite erg onpraktisch indien men zich de vraag stelt hoe een uitgever van bijvoorbeeld de Schuurman-Jordens editie de hier aan de orde zijnde artikelen in zijn serie zou moeten opnemen. De desbetreffende uitgever kan toch bezwaarlijk in die serie de aanpassingswet richtlijn inzake elektronische handel opnemen, bestaande uit uitsluitend deze twee artikelen waarbij dan alle overige artikelen van dit wetsvoorstel te vinden zijn in de onderscheiden wetboeken c.q. wet die door dit wetsvoorstel gewijzigd zullen worden.

Artikel VII

De in art. VII gehanteerde terminologie lijkt ertoe te leiden dat deze wet vanaf enig tijdstip in zijn geheel onmiddellijke werking zal hebben en derhalve ook onverkort van toepassing zal zijn op alle overeenkomsten die voor het moment van inwerkingtreding reeds tussen partijen elektronisch zijn gesloten. Houdt dat in dat de in dit wetsvoorstel neergelegde sancties zoals bijvoorbeeld de mogelijkheid een overeenkomst te vernietigen indien niet aan bepaalde voorwaarden is voldaan, ook zullen gelden voor overeenkomsten gesloten voor het moment van inwerkingtreding van deze wet? Had terzake niet op bepaalde onderdelen eerbiedigende werking moeten zijn voorzien?

De voorzitter van de commissie,

Van de Beeten

De griffier van de commissie,

Janssen


XNoot
1

Samenstelling: Holdijk (SGP), Wagemakers (CDA), Rosenthal (VVD), Kohnstamm (D66), Witteveen (PvdA), De Wolff (GL), Van de Beeten (CDA) (voorzitter), Broekers-Knol (VVD), Kox (SP), Soutendijk-v. Appeldoorn (CDA) en Westerveld (PvdA).