Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Eerste Kamer der Staten-Generaal2003-200424797 nr. A

24 7971
Wijziging van de regels betreffende de verwerking van justitiële gegevens en het stellen van regels met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens in persoonsdossiers (Wet justitiële gegevens)

A
BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 27 april 2004

Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel justitiële gegevens heb ik aan Uw Kamer toegezegd nader in te gaan op de keuze voor de competentie van de bestuursrechter in zaken betreffende de verklaring omtrent het gedrag. Tijdens de plenaire behandeling is aan de orde gesteld of het niet meer voor de hand zou liggen de strafrechter in dezen bevoegd te verklaren. In deze brief wil ik u daarover nader informeren.

De beslissing omtrent de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag is een beschikking met als gevolg dat de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is. Op dezelfde wijze als bij het instellen van beroep tegen vele andere besluiten die worden genomen na een afweging van strafrechtelijke gegevens, kan tegen een afwijzende beslissing met betrekking tot de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag uiteindelijk ook beroep worden ingesteld bij de bestuursrechter.

Ter adstructie van het bovenstaande dienen te volgende voorbeelden.

De bestuursrechter oordeelt over beslissingen die betrekking hebben op de betrouwbaarheid van beleidsbepalers op grond van de Wet toezicht effectenverkeer 1995. Daarbij speelt een weging van strafrechtelijke gegevens een belangrijke rol (zie bv. CBb 6 juni 2002, AB 2003, 151 en CBb 18 april 2002, AB 2002, 199).

Ook kan de bestuursrechter oordelen over de wegingen van strafrechtelijke gegevens in het kader van de vergunningverlening op grond van de Wet milieubeheer. Zo werd bij de beoordeling van het functioneren van de organisatie van de afvalstoffenverwijdering mede betrokken de integriteit van de bedrijfsvoering (zie AbRvS 4 september 2002, AB 2002, 429).

Er zijn veel meer regelingen waarbij voor de verkrijging van een vergunning of erkenning een eis van integriteit of betrouwbaarheid wordt gesteld. Voor de beoordeling van deze eis wordt met name rekening gehouden met strafrechtelijke gegevens. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de drank- en horecavergunning, bij de erkenning voor het omgaan met wapens en munitie alsmede bij de verlening van een vergunning aan een particulier beveiligingsbedrijf (zie artikel 3 van het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet juncto 8 van de Drank- en Horecawet; artikel 8 van de Regeling wapens en munitie juncto artikel 9 van de Wat wapens en munitie en artikel 4 van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus).

Bijzondere aandacht aan het gebruik van strafrechtelijke gegevens in bestuursrechtelijk verband wordt gegeven in de Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (BIBOB). Bepaalde vergunningen en subsidies kunnen worden geweigerd op de zogenaamde BIBOB-grond. Dit betekent dat de aanvraag om verlening van de betreffende vergunning of subsidie kan worden geweigerd, indien er een ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om criminele activiteiten te faciliteren (zie artikel 3 van de Wet BIBOB). Dit gevaar wordt voor een groot deel in kaart gebracht aan de hand van strafrechtelijke gegevens. In beroep zal de bestuursrechter zich een oordeel moeten vormen over de weging van deze strafrechtelijke gegevens.

Ook in het kader van het verlenen van vergunningen op grond van lagere regelgeving, zoals Algemene Plaatselijke Verordeningen kunnen strafrechtelijke gegevens meewegen bij de vraag of de vergunningverlening verantwoord is. Als voorbeeld kan genoemd worden de weigering van een ventvergunning aan een persoon met een strafrechtelijk verleden (zie Afdeling rechtspraak RvS 26 juli 1993, AB 1994, 2) Een ander voorbeeld betreft de weigering van de afgifte van de verklaring van geen bezwaar wegens criminele antecedenten. Een dergelijke verklaring is vereist alvorens een vennootschap te kunnen oprichten (zie CBb 25 april 2002, AB 2002, 237).

Alle voornoemde voorbeelden betreffen besluiten waarbij de bestuursrechter in beroep de bevoegde rechter is. De bestuursrechter zal dus in al die gevallen de weging van strafrechtelijke gegevens moeten beoordelen.

Het ligt in het verlengde van deze voorbeelden om ook een afwijzende beschikking met betrekking tot de verklaring omtrent het gedrag door de bestuursrechter te laten toetsen.

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner


XNoot
1

De vorige stukken inzake dit wetsvoorstel zijn gedrukt onder EK nrs. 306, 306a en 306b (vergaderjaar 2001–2002).