nr. 138c
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
In aansluiting op eerdere correspondentie met de minister van Landbouw,
Natuurbeheer en Visserij (zie Kamerstuk I, 2002–2003, 28 688, nr. 138)
heeft de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit1 opnieuw schriftelijk overleg gevoerd met de minister.
Van dit overleg brengt zij als volgt verslag uit.
De griffier van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
Nieuwenhuizen
Aan de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij
Van de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 14 mei 2003
Binnen de vaste commissie voor Landbouw, Natuurbeheer en Visserij bestaat
wederom behoefte u omtrent een aspect van de Reconstructiewet concentratiegebieden
een enkele vraag en opmerking voor te leggen.
In uw brief van 27 januari 2003 (zie 28 688, EK nr. 138) verwijst
u naar het voornemen van het kabinet tot wijziging van de Onteigeningswet.
De commissie meent, dat deze vergelijking niet tot de door u getrokken conclusie
leidt. De bedoeling is immers onderscheid te maken tussen het bestuursrechtelijk
te toetsen titelbesluit tot onteigening enerzijds en de door de civiele rechter
uit te spreken onteigening en de door de civiele rechter vast te stellen onteigeningsvergoeding
anderzijds. De commissie meent dat dit ook het model bij de reconstructie
zou moeten zijn. Het titelbesluit, eventueel ook het reconstructieplan, wordt
getoetst door de bestuursrechter. Deze beoordeelt – conform het karakter
van het bestuursrecht – de afwegingen op het punt van ruimtelijke ordening,
milieu, natuurbeheer en andere bestuurlijke doelstellingen, alsmede de op
deze punten gevolgde procedure. De toets van de toewijzing van eigendom, erfdienstbaarheden,
opstalrechten, hypotheekrechten e.d. is vervolgens een zaak van de civiele
rechter, evenals de vaststelling van de geldelijke vergoedingen. De civiele
rechter treedt niet in de bovengenoemde bestuurlijke afwegingen.
De commissie ziet uw reactie op het bovenstaande tegemoet.
De griffier van de commissie,
B. Nieuwenhuizen
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 4 juli 2003
De vaste commissie voor Landbouw, Natuurbeheer en Visserij heeft mij bij
brief van 14 mei 2003 naar aanleiding van mijn brief van 27 januari 2003 (Kamerstukken
I 2002/03, 28 688, nr. 138) met betrekking tot de Reconstructiewet concentratiegebieden
een enkele vraag en opmerking voorgelegd. De commissie meent dat de civiele
rechter dient te oordelen over de in het ruilplan opgenomen toewijzing van
eigendom, erfdienstbaarheden, opstalrechten, hypotheekrechten en dergelijke.
Blijkens de brief van de minister van Justitie van 29 november 2001
(Kamerstukken II 2001/02, 24 036, nr. 239) staat in de voorgestelde
onteigeningsprocedure tegen het door een bestuursorgaan genomen titelbesluit
beroep open bij de bestuursrechter, waarna de civiele rechter de onteigening
uitspreekt en de hoogte van de schadevergoeding uitspreekt. Het vonnis wordt,
als het onherroepelijk is, ingeschreven in de openbare registers en daarmee
gaat de eigendom over.
In het stelsel van de Reconstructiewet concentratiegebieden, zoals deze
wet komt te luiden, indien het bij de Eerste Kamer aanhangige voorstel van
wet tot wijziging van de Reconstructiewet concentratiegebieden (opdragen van
de rechtsbescherming bij de lijst der geldelijke regelingen aan de burgerlijke
rechter) tot wet wordt verheven, staat tegen het ruilplan beroep open bij
de bestuursrechter en tegen de vaststelling van de lijst der geldelijke regelingen
beroep bij de civiele rechter. In dit stelsel stelt de rechter niet de nieuwe
eigendomsverhoudingen vast. De Reconstructiewet concentratiegebieden schrijft
in artikel 90 voor dat, zodra het ruilplan onherroepelijk vast staat, een
door gedeputeerde staten aan te wijzen notaris de ruilakte opstelt. Met de
inschrijving van deze akte in de openbare registers worden de in de akte omschreven
onroerende zaken en beperkte rechten verkregen (artikel 91, tweede lid).
Op grond van het advies van de Raad van State bij het oorspronkelijke
voorstel voor de Reconstructiewet concentratiegebieden (Kamerstukken II 1998/99,
26 356) is een scherp onderscheid gemaakt tussen het optreden van het
bestuur en de rechtsbescherming tegen dat optreden. Aanvankelijk is daarbij
uitgegaan van de hoofdregel dat tegen overheidsoptreden rechtsbescherming
bij de bestuursrechter open dient te staan.
Immers, het gaat bij herverkaveling, evenals bij onteigening, niet op
geschillenbeslechting tussen burgers onderling, maar om toetsing van overheidsingrijpen
ter realisering van overheidsbeleid. De Reconstructiewet concentratiegebieden
voorziet daarom thans in rechtsbescherming bij de bestuursrechter tegen het
ruilplan en de lijst der geldelijke regelingen. Naar aanleiding van de discussie
over het MDW-rapport Onteigeningswet is in de Eerste Kamer de vraag gesteld
of de civiele rechter niet beter geschikt zou zijn deze rechtsbescherming
te bieden. In het kader van de Onteigeningswet heeft de regering met betrekking
tot het vaststellen van de schadeloosstelling geconcludeerd dat er argumenten
bestaan om rechtsbescherming aan de civiele rechter op te dragen. Om deze
reden heeft de toenmalige minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij
aan de Eerste Kamer toegezegd te bevorderen dat bij de Reconstructiewet concentratiegebieden
de rechtsbescherming tegen de lijst der geldelijke regelingen eveneens aan
de civiele rechter wordt opgedragen. Met het thans aanhangige voorstel van
wet wordt deze toezegging gestand gedaan.
Het ruilplan is een besluit waarmee gedeputeerde staten uitvoering geven
aan de doelstellingen van de wet en het reconstructieplan, daarbij de belangen van de eigenaars en rechthebbenden uit het blok zo veel mogelijk
ontziend. Hierbij is sprake van een belangenafweging, waaruit volgt dat de
toewijzing van eigendom, erfdienstbaarheden, opstalrechten, hypotheekrechten
e.d. per definitie het resultaat is van een bestuurlijk oordeel. Daarom is
de rechtsbescherming tegen het ruilplan, inclusief de toewijzing van eigendom
en gebruiksrechten opgedragen aan de bestuursrechter. Parallel hieraan is
bij de in voorbereiding zijnde onteigeningsprocedure het oordeel dat een bepaald
perceel noodzakelijk is voor de realisering van overheidsbeleid onderdeel
van het titelbesluit, waartegen eveneens bestuursrechtelijke rechtsbescherming
openstaat.
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
C. P. Veerman