Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2002-200328665 nr. 107c

28 665
Wijziging van de Elektriciteitswet 1998 ten behoeve van de stimulering van de milieukwaliteit van de elektriciteitsproductie

nr. 107c
NADER VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR ECONOMISCHE ZAKEN1

Vastgesteld 9 mei 2003

Na lezing van de memorie van antwoord bestond binnen de commissie nog behoefte tot het stellen van enkele nadere vragen en het maken van enkele nadere opmerkingen.

De leden van de CDA-fractie hadden met veel belangstelling kennis genomen van de memorie van antwoord bij dit wetsvoorstel. Ondanks de soms uitvoerige beantwoording van de vragen in eerste termijn hadden deze leden bij sommige punten behoefte aan wat meer duidelijkheid. Dit gold m.n. voor de mechanische opwekking van energie, zoals genoemd in art. 1 lid 6 van het wetsvoorstel. Gegeven dat artikel kan de minister bij ministeriële regeling subsidie beschikbaar stellen voor deze energie-opwekking. Wordt daaraan reeds uitwerking gegeven, zo vroegen deze leden zich af en zo ja, hoe wordt dat dan geregeld? Zo nee, waarom niet?

De vragen inzake de opwekking van duurzame elektriciteit achter de meter werden naar de mening van deze leden nog niet afdoende beantwoord. Art. 95 behoeft in dezen wat nadere toelichting. Als de consument ook zelf stroom opwekt, moet dat volgens de memorie van antwoord eenduidig gemeten kunnen worden, zulks met behulp van een meter die voldoet aan de Meetcode.

Is volledig separaat meten wel – relatief gemakkelijk – mogelijk? Wat zijn de kosten voor de deels zelf producerende consument, als aan de meetcode moet worden voldaan? Waarom zou een terugdraaiende meter niet aan de Meetcode kunnen voldoen? Stelt de meetcode wel haalbare, dus betaalbare eisen aan de kleinere consument/producent?

De beantwoording inzake de problematiek van de zgn. vollasturen was naar de mening van deze leden niet overtuigend. Signalen uit het veld van producenten maakten duidelijk dat plaatsing van windturbines op het land door deze systematiek onmogelijk zouden worden gemaakt. Wil de regering daarop opnieuw ingaan? Wil de regering daarbij ook betrekken de bemerkingen dienaangaande van Wind Constructors International? Stichting De Koepel spreekt in dit kader van ongewenste sturing van turbinekeuze, turbines die dezelfde hoeveelheid energie leveren en 20% meer (lees langer) subsidie ontvangen. De leden van de CDA-fractie wilden ook hierop commentaar ontvangen.

De memorie van antwoord geeft aan op blz. 8 dat de subsidie voor investeringen anderhalf jaar voor deze bedragen gelden, zal worden vastgesteld. De leden van de CDA-fractie vroegen zich af of dat wel voldoende tijdig is voor investeringen in bijv. nieuwe centrales voor afvalverwerking. Waarom kiest de regering niet voor drie jaar?

Voor energie uit afvalverwerking wordt een rendementseis gesteld van 26% bruto met inachtneming van het eigen gebruik voor de installatie. De Vereniging van Afvalverwerkers schreef dat met de huidige rendementseis, zoals toegepast in de concept-ministeriële regeling, hooguit 2 of 3 van de mogelijke uitbreidingen van AVI's in aanmerking zullen komen voor subsidie. De leden van de CDA-fractie nodigden de staatssecretaris dringend uit de ministeriële regeling zo vast te stellen dat energie-opwekking uit afvalverwerking grote prioriteit krijgt en houdt.

Inzake de visgeleidingssystemen zou volgens de memorie van antwoord in april 2003 een stuk aan de Tweede Kamer worden aangeboden met de reactie van drie betrokken ministeries, w.o. Economische Zaken.

De kleden van deze fractie deden een dringend beroep op de staatssecretaris om deze reactie als bijlage bij de nadere memorie van antwoord te voegen. Is er overigens sinds 1 januari 2003 al gebruik gemaakt van milieu-investeringsaftrek voor visgeleidingssystemen?

Is er reeds overleg met België en Duitsland om Maas en Rijn en Schelde van deze systemen te voorzien, ook vóór de Nederlandse grens?

De leden van de PvdA-fractie namen met belangstelling, maar toch ook enige teleurstelling kennis van het antwoord van de staatssecretaris. Op onderdelen bevredigt de beantwoording van de staatssecretaris zeker, voor het totaal geldt dat echter niet. Zo trekt de staatssecretaris de conclusie dat duurzame energie in veel gevallen goedkoper opgewekt kan worden in het buitenland. In een aantal gevallen is dat zeker waar. Zo draaien er in Duitsland, Oostenrijk en Polen een aantal waterkrachtcentrales die gebouwd werden aan het einde van de 19e eeuw en die niet alleen een onschatbare bijdrage leverden en leveren aan het milieu, maar evenzeer aan de inkomsten van de eigenaren. Dat stimuleren hier volmaakt overbodig is, spreekt vanzelf. Het is echter bepaald niet altijd zo dat produceren in het buitenland goedkoper is. Dat geldt zeker voor windturbines die in de afgelopen jaren gebouwd zijn c.q. nog gebouwd gaan worden. In een aantal gevallen is door Nederlandse partijen besloten te investeren in het buitenland om zo gebruik te maken van de aldaar bestaande mogelijkheden om milieuvriendelijke productie tot stand te brengen. Onder 4.4 van de memorie van antwoord zegt de staatssecretaris het voorbeeld van de meeste landen van de EU te volgen, door uitsluitend productie-installaties op Nederlands grondgebied in aanmerking te laten komen voor subsidies. In welke landen volgt men deze beleidslijn niet? De staatssecretaris stelt dat, als Nederland eenzijdig subsidie zou geven aan buitenlandse producenten, dat Nederland wel de kosten heeft, maar niet de voordelen. Dat roept bij de PvdA-fractie de volgende vragen op: geldt deze redenering ook voor Nederlandse ondernemingen die in het buitenland investeren, en volledig eigenaar blijven van de productiemiddelen? Als Nederland straks groene stroom in het buitenland moet bijkopen om aan de EU-overeenkomsten te voldoen, is deze wijze van handelen dan nog steeds goedkoper? Nederlandse investeringen zijn de laatste tijd naar het buitenland weggelekt doordat er binnen Nederland te weinig mogelijkheden waren om tot de bouw van nieuwe milieuvriendelijke productie te komen. Gaat dat nu beter? De leden van deze fractie hebben bijvoorbeeld vernomen dat het ministerie van Verkeer & Waterstaat voorlopig geen medewerking verleent aan het behandelen van aanvragen met betrekking tot windenergie in afwachting van het verschijnen van de 5e Nota R.O.. Is deze informatie juist? Zo ja, hoe staat het dan eigenlijk met de door de staatssecretaris genoemde interdepartementale samenwerking? Denkt de staatssecretaris dat het mogelijk is nog dit jaar te komen tot een zodanige integratie en stroomlijning van processen, dat de reden van het uitwijken naar het buitenland; het gebrek aan mogelijkheden hier, daadwerkelijk verdwijnt?

Nog drie kleine vragen: Intomart kwam in 1999 in haar onderzoek naar switchgedrag van consumenten tot de conclusie dat 45% van de consumenten wilde overstappen op Groen Stroom indien de prijs iets hoger was dan die van grijze stroom. In hoeverre zijn deze conclusies in 2003 representatief? Welke concrete resultaten heeft het BLOW-convenant inmiddels opgeleverd? Wanneer zijn de resultaten van het onderzoek naar alternatieve systemen voor de vollasturen beschikbaar?

Tot slot: Het is toch eigenaardig dat deze stimuleringsregelingen binnen de EU op nationaal niveau getroffen worden, en blijkbaar ook door nationaal belang bepaald, terwijl het milieu toch bij uitstek landsgrensoverschrijdend is. Is de staatssecretaris bereid deze zaak nader op de Europese agenda te zetten? Deze leden zeiden de antwoorden met belangstelling tegemoet te zien.

De leden van de fractie van GroenLinks zeiden niet tevreden te zijn met het antwoord van de regering op de commissiebrede vraag «via welke toetsbare tussenstappen het doel van 9% duurzame elektriciteitsproductie bereikt kan worden (zie p.4 MvA). In feite zegt de regering dat ze zich nergens op wil vastleggen. Dat is gezien de ervaring dat een groot aantal milieubeleidsvoornemens in de praktijk niet gehaald worden, te mager. Wat is er eigenlijk mis om als politiek doel te formuleren dat met het instrumentarium dat de MEP ons biedt al in 2006 5 of 6 procent van de elektriciteitsproductie in ons land duurzaam zal moeten zijn? Dergelijke ambities maken het voor het parlement ook mogelijk om de regering te controleren. Door zich nergens toe te verplichten maakt de regering deze controle een stuk moeilijker.

Daarbij viel het de leden van de fractie van GroenLinks op dat de regering onduidelijk is over het precieze politieke doel. Tijdens het overleg in de Tweede Kamer beaamde de staatssecretaris volmondig dat de 9 procent een productiedoelstelling is. In zijn memorie van antwoord spreekt de staatssecretaris echter over het feit dat de Europese richtlijn slechts verplicht tot 9 procent duurzaam elektriciteitsverbruik in 2010. Dat laatste is dus het minimale doel, maar niets staat de regering in de weg om ambitieuzer te zijn en de 9 procent als productiedoelstelling na te streven en daar haar beleid op af te stellen. Daarom wilden de leden van de fractie van GroenLinks graag helderheid over de precieze doelstelling: is het nu 9 procent productie of 9 procent verbruik? En als dat laatste het doel is waarom sprak de staatssecretaris dan in de Tweede Kamer zo nadrukkelijk over een 9 procent productiedoelstelling?

Wat de leden van de fractie van GroenLinks verbaasde is dat de regering niet in staat is om tussendoelstellingen te formuleren, maar wel werkt met tussentijdse ramingen, zoals duidelijk wordt op p.15 van de memorie van antwoord. Daar staat: Op grond van een raming van de groei van de productie van duurzame elektriciteit die voor subsidie in aanmerking komt is een raming gemaakt van het benodigde budget. Op basis daarvan is het jaarlijkse tarief tot en met 2006 geraamd. Dit tarief loopt op van 34 euro per jaar in 2003 tot 40 euro per jaar in 2006». Kennelijk is de regering wel in staat om voor 2006 een raming te maken over de groei van de productie. De leden van de fractie van GroenLinks zouden graag over de exacte inhoud van deze raming geïnformeerd willen worden.

Ontevreden zijn de leden van de fractie van GroenLinks ook over het antwoord van de regering op de vraag waarom het niet mogelijk zou kunnen zijn dat installaties in het buitenland waar uitsluitend voor Nederlands gebruik groene stroom wordt geproduceerd toch voor subsidie in aanmerking komen. Die mogelijkheid is nu uitgesloten. Het antwoord van de regering achtten de leden van de fractie van GroenLinks volkomen ontoereikend. De regering zegt dat als Nederland zou subsidiëren, ze wel de kosten heeft, maar niet de voordelen. Dat is onbegrijpelijk, want de regering zou in dat geval niet anders doen dan de productie van groene stroom subsidieren die uitsluitend voor de Nederlandse markt wordt gemaakt, maar alleen niet op Nederlands grondgebeid. Waarom zou dat – in het geval van productie uitsluitend gericht op de Nederlandse markt – niet kunnen? Waarom zouden Nederlandse producenten niet in het buitenland een installatie mogen neerzetten die uitsluitend voor Nederland duurzame elektriciteit produceert? Wat is daar mis mee?

Zoals bekend is het de GroenLinks-fractie een doorn in het oog dat er nog steeds geen nadere onderverdeling is gemaakt van biomassa. De regering heeft toegezegd hier snel met nadere voorstellen te komen. Hoe ver is de regering daarmee gevorderd? Kan de regering haar woord gestand doen en in mei 2003, bij voorkeur nog vóór de plenaire behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer met een standpunt komen? En kan de regering nog eens nader preciseren waarom dat onderscheid niet eerder dan 1 januari 2004 in de subsidieringsystematiek geëffectueerd kan worden. Waarom niet per 1 juli 2003?

Het lid van de Onafhankelijke Senaatsfractie (OSF) vroeg hoe de staatssecretaris het Duitse systeem beoordeelt waarbij duurzame energie de gehele levensduur van windturbines wordt gestimuleerd: in de eerste jaren meer, en in de latere jaren minder. Wordt hiermee niet een betere prikkel gegeven om een zo goed mogelijke turbine te bouwen en deze zo lang mogelijk rendabel in bedrijf te houden, met begrensde subsidie?

Wordt zonne-energie niet effectiever gestimuleerd als het budget wordt overgeheveld naar de EPR-regeling?

Ziet de staatssecretaris, zo vroeg dit lid tot slot, kans om de besluitvorming over MEP-subsidiebedragen voor ingediende projecten zodanig te versnellen dat voorkomen kan worden dat door onzekerheid verdere vertragingen rond investeringen in duurzame energie optreden?

De voorzitter van de commissie,

Luijten

De griffier van de commissie,

Nieuwenhuizen


XNoot
1

Samenstelling: Stevens (CDA), Van Leeuwen (CDA), Schoondergang-Horikx (GL), Van den Berg (SGP), Hofstede (CDA), (plv.voorzitter), Bierman (OSF), Luijten (VVD), (voorzitter), Ruers (SP), Terlouw (D66), Bierman-Beukema toe Water (VVD), Doesburg (PvdA), Kneppers-Heijnert (VVD) en Maas-de Brouwer (PvdA).