nr. 213a
VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN
EN SPORT1
Het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel heeft de commissie aanleiding
gegeven tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende
vragen.
De leden van de CDA-fractie hadden kennisgenomen
van de onderhavige wetswijziging, waarover zij een aantal vragen hadden. De
vragen betroffen uitsluitend het door de Tweede Kamer ingebrachte amendement
met betrekking tot de verplichting voor de klachtencommissie om ernstige klachten
te melden aan de met het toezicht belaste ambtenaar, in casu het staatstoezicht
op de gezondheidszorg. De minister van VWS heeft de Tweede Kamer dit amendement
ontraden. Graag zouden de leden van de CDA-fractie de argumenten en overwegingen
van de minister vernemen die hem tot dit standpunt hebben gebracht. In de
Handelingen van de Tweede Kamer hadden zij slechts summiere overwegingen aangetroffen.
Graag nodigden deze leden de minister uit alsnog zijn stellingname uitvoerig
te beargumenteren.
Heeft over de verplichting overleg plaatsgevonden met betrokken partijen,
zo vervolgden deze leden. Wat is de zienswijze van die partijen op dit punt?
Wat is het oordeel van de patiëntenverenigingen, de beroepsorganisaties
en koepels van zorginstellingen? Zijn er rapporten c.q. studies bekend of
adviezen uitgebracht waarin de meldingsplicht voor de klachtencommissies onderwerp
van studie c.q. advies is geweest? Zo ja, wat was dan over het algemeen het
oordeel? De leden van de CDA-fractie hadden een brief ontvangen van de KNMG
(De Koninklijke Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst), waarin zij
wijst op de nadelen en risico's die aan de verplichting verbonden zijn en
waarin wordt gewezen op de schadelijke werking die deze verplichting kan hebben
op het inhoudelijk functioneren van de commissie, de behandeling van de klachten
en de afhandeling van de klachten en vooral het oplossen en wegnemen van de
oorzaken van de klacht. Deelt de minister die zienswijze?
Wat wordt eigenlijk met de verplichte melding beoogd, zo vroegen de leden
van de CDA-fractie. Wordt beoogd dat er door de inspectie beter op wordt
toegezien dat de klacht goed wordt behandeld en dat maatregelen worden c.q.
zijn genomen om herhaling te voorkomen? Of wordt beoogd te bezien of tuchtrechtelijke
c.q. strafrechtelijke procedures jegens de beklaagde moeten worden in gang
gezet? Graag vernamen de leden van de CDA-fractie de opvatting van de minister.
Wat is het oordeel van de Inspectie zelf over deze verplichte melding?
De leden van de CDA-fractie waren met name geïnteresseerd in de vraag
of de verklaringen en alles wat de beklaagde in de loop van de klachtenbehandeling
heeft gezegd of verklaard en is vastgelegd in documenten en interne rapporten
van het interne onderzoek dat naar aanleiding van de klacht is gedaan, ook
in het dossier van de melding moeten worden opgenomen c.q. door de Inspectie
kunnen worden opgeëist en zo deel kunnen gaan uitmaken van de stukken
voor de tuchtrechter c.q. strafrechter. De vraag is dan of de rechtsbescherming
van de beklaagde wel voldoende gewaarborgd is. Hoe ziet de minister dit? Vermeden
moet worden, zo meenden deze leden, dat aldus de klachtenbehandeling onderdeel
gaat worden van een strafrechtelijk c.q. tuchtrechtelijk onderzoek. Dat zal
het werk van de klachtencommissie en de afhandeling van de klacht in een totaal
andere context plaatsen en het proces van een vertrouwelijke afhandeling van
klachten zeer beïnvloeden. Dit geldt temeer, aldus deze leden, daar in
de toelichting als criterium wordt genoemd voor ernstige klachten: klachten
die bij het tuchtcollege tot het opleggen van een maatregel zouden leiden.
Ziet de minister deze risico's en zo ja, wat denkt hij daaraan te kunnen
doen? Kan de minister informatie geven over hoe dit in vergelijkbare situaties
op andere beleidsterreinen of in andere sectoren is geregeld? Zijn interne
verklaringen en onderzoeken vanwege de directie om misstanden op te heffen
opeisbaar door de functionarissen die met het gerechtelijk onderzoek zijn
belast?
Tenslotte stelden de leden van de CDA-fractie nog de vraag of de klager
melding bij de klachtencommissie kan afdwingen. Immers het begrip «ernstig»
kan door de klager heel anders worden geïnterpreteerd dan door de commissie.
Hoe wordt gehandeld in geschillen daarover?
De leden van de VVD-fractie hadden met belangstelling
en deels instemming het wetsvoorstel gelezen. In zijn oorspronkelijke vorm
zou het wetsvoorstel op volledige instemming van de fractie kunnen rekenen.
Het is een goede zaak om instellingen te verplichten calamiteiten aan de Inspectie
te melden. Het is tragisch dat de instellingen kennelijk hiertoe verplicht
moeten worden en het niet steeds op eigen initiatief al doen. De wet legt
nu terecht die verplichting op. Minder gelukkig waren de leden van de VVD-fractie
met de bij amendement eveneens aan klachtencommissies opgelegde plicht tot
melding van calamiteiten. Gaarne zouden deze leden de minister de volgende
vragen willen voorleggen.
Welke mogelijkheden zijn er voor de inspectie of de wetgever deze verplichting
(voor de instelling en de klachtencommissie) af te dwingen? Het is immers
vaak onmogelijk voor buitenstaanders er achter te komen wat in een zorginstelling
aan calamiteiten plaatsvindt. Is de minister van mening dat de kerntaak van
de klachtencommissie overeind kan blijven (namelijk het bemiddelen tussen
hulpvrager en hulpverlener naar aanleiding van een klacht), nu er voor de
hulpverlener de zekerheid is, dat de commissie melding maakt van een calamiteit
aan de Inspectie? De leden van de VVD-fractie maakten zich zorgen over het
verlies aan openheid en het verlies van het vaak informele karakter van klachtenafhandeling,
die nu voor partijen redelijk bevredigend verloopt. Zou het (gezien de mediërende
taak van de klachtencommissie) niet meer voor de hand liggen een
melding van een ernstige gebeurtenis over te laten aan de beslissing daaromtrent
van de klachtencommissie zelf? Zal de bereidheid van de instelling zelf om
te melden niet afnemen, nu de klachtencommissie de wettelijke plicht heeft
opgelegd gekregen tot melding van ernstige zaken en de instelling het als
het ware aan de klachtencommissie kan overlaten om te melden?
Is het de minister bekend wat de mening is van de klachtencommissies zelf
over dit amendement? Is de minister bereid dit nader te onderzoeken, zo vroegen
deze leden tot besluit.
De leden van de VVD-fractie zagen met bijzondere belangstelling uit naar
het antwoord van de minister.
De voorzitter van de commissie,
Ter Veld
De griffier van de commissie,
Janssen