Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2002-200328487 nr. 68

28 487
Wijziging van belastingwetten c.a. (Vervolgwijzigingen in samenhang met de Belastingherziening 2001)

nr. 68
GEWIJZIGD VOORSTEL VAN WET

21 november 2002

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in de Wet inkomstenbelasting 2001, de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001, en enige daarmee samenhangende wetten, bijstellingen en technische verbeteringen aan te brengen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wet inkomstenbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:

A. Artikel 1.7 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «anders dan ten behoeve van uitstel van betaling» vervangen door: anders dan op grond van artikel 3.126, eerste lid, onderdeel d, onder 2°, of ten behoeve van uitstel van betaling.

2. Na het tweede lid wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:

3. Aanspraken op periodieke uitkeringen waarvan de uitkeringen zijn ingegaan en waarvan de hoogte van de uitkeringen niet voor de gehele uitkeringsperiode in geldeenheden is vastgesteld, worden gelijkgesteld met aanspraken op vaste en gelijkmatige periodieke uitkeringen indien de aanspraken en uitkeringen voldoen aan bij ministeriële regeling te stellen regels.

B. Artikel 1.7a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel b, wordt «Wet financiering loopbaanonderbreking» vervangen door: Wet arbeid en zorg.

2. In het tweede lid, onderdeel b, vervalt de zinsnede: , tenzij het uitkeringen in verband met bevalling betreffen.

C. In artikel 2.5, tweede lid, wordt «4.18 en 4.25» vervangen door: 4.18, 4.25 en 9.2.

D. In artikel 2.8, tweede lid, wordt «alsmede de daarin begrepen inkomstenbelasting» vervangen door: alsmede het daarin begrepen inkomen uit aanmerkelijk belang.

E. In artikel 2.8, tweede lid, wordt «alsmede het daarin begrepen inkomen uit aanmerkelijk belang in het geval geen beroep kon worden gedaan op de uitzondering van artikel 4.17 in een situatie van overgang krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht en de verkrijger een natuurlijk persoon is die niet in Nederland woonachtig is en met betrekking waartoe geen afrekening op de voet van artikel 4.38 heeft plaatsgevonden» vervangen door: alsmede, indien de verkrijger een natuurlijk persoon is die niet in Nederland woont en de verkregen aandelen of winstbewijzen geen deel uitmaken van het vermogen van een voor zijn rekening gedreven Nederlandse onderneming als bedoeld in artikel 7.2 of tot het resultaat uit een werkzaamheid in Nederland van hem behoren, op grond van artikel 4.16, eerste lid, onderdeel e.

F. In artikel 2.14, vierde lid, wordt «artikel 5.3, vierde lid» vervangen door: artikel 5.3, vijfde lid.

G. Artikel 3.3, zevende lid, wordt vervangen door:

7. Dit artikel is niet van toepassing met betrekking tot directe beleggingen in durfkapitaal als bedoeld in artikel 5.17, voorzover het bedrag van die belegging binnen de begrenzing van artikel 5.16 blijft en die beleggingen voor het overige voldoen aan de ter zake gestelde voorwaarden.

H. Artikel 3.6, vijfde lid, vervalt.

I. Aan Artikel 3.6 wordt een vijfde lid toegevoegd, luidende:

5. Indien de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, worden onderbroken vanwege zwangerschap van de belastingplichtige, worden deze tijdens de periode die overeenkomt met het zwangerschaps- en bevallingsverlof zoals dat geldt voor werkneemsters, voor de bepaling van het aantal gewerkte uren geacht niet te zijn onderbroken.

J. Artikel 3.13 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel e, wordt na «aanspraken op verstrekkingen op grond van de Ziekenfondswet» ingevoegd:, behoudens voorzover de aanspraken als loon zijn aangemerkt.

2. In het eerste lid, onderdeel h, wordt na «te bepalen deel» ingevoegd: , daaronder mede begrepen het geheel,.

K. In artikel 3.22, eerste lid, wordt «, 3.79» vervangen door: , en 3.79.

L. Artikel 3.54a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid, eerste volzin, wordt «eerste lid in verbinding met het derde lid» vervangen door: eerste lid in verbinding met het tweede lid.

2. In het vierde lid, tweede volzin, wordt «staking van een zelfstandig deel» vervangen door: staking van een gedeelte.

M. Artikel 3.65 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, eerste volzin, wordt «de onderneming geacht niet te zijn gestaakt» vervangen door: de onderneming, behalve voor de toepassing van artikel 3.54a, geacht niet te zijn gestaakt.

2. Na het tweede lid wordt, onder vernummering van het derde en vierde lid in onderscheidenlijk vierde en vijfde lid, een nieuw lid ingevoegd, luidende:

3. Bij een omzetting op de voet van het eerste lid vervalt, in afwijking van artikel 3.54a, tweede lid, een negatieve terugkeerreserve zonder dat dit de winst beïnvloedt. Onze Minister houdt bij de bepaling van de omvang van de verkrijgingspijs van de bij de omzetting verkregen aandelen rekening met het vervallen van de negatieve terugkeerreserve.

3. In het vijfde lid, onderdeel d, wordt «aandelen» vervangen door: vermogensbestanddelen.

N. Aan artikel 3.67 wordt, onder nummering van de bestaande tekst als eerste lid, een lid toegevoegd, luidende:

2. De voorwaarde inzake het urencriterium geldt niet bij de extra toevoeging op de voet van artikel 3.69, eerste lid, aanhef en onderdeel b.

O. Artikel 3.69 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel b, wordt na «artikel 3 100» ingevoegd: , eerste lid.

2. In het tweede lid, wordt na «eerste lid» ingevoegd:, onderdeel a,.

P. In artikel 3.71, eerste volzin, wordt voor de punt ingevoegd: , verminderd met het bedrag van een positieve terugkeerreserve als bedoeld in artikel 3.54a en vermeerderd met het bedrag van een negatieve terugkeerreserve als bedoeld in artikel 3.54a.

Q. In artikel 3.73, eerste lid, wordt «artikel 3.67» vervangen door: artikel 3.67, eerste lid.

R. Aan artikel 3.76, derde lid, wordt de volgende volzin toegevoegd: De eerste volzin is niet van toepassing voor de ondernemer die met toepassing van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 een onderneming voortzet of mede voortzet waarbij dit voortzetten een aanvang heeft genomen in het kalenderjaar of in een van de vijf daaraan voorafgaande kalenderjaren.

S. Aan artikel 3.77, tweede lid, wordt de volgende volzin toegevoegd: De eerste volzin is niet van toepassing voor de ondernemer die met toepassing van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 een onderneming voortzet of mede voortzet waarbij dit voortzetten een aanvang heeft genomen in het kalenderjaar of in een van de vijf daaraan voorafgaande kalenderjaren.

Sa. In artikel 3.77 wordt, onder vernummering van het derde en vierde lid tot vierde respectievelijk vijfde lid, na het tweede lid een lid ingevoegd, luidende:

3. Artikel 3.6, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

T. Artikel 3.86 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «voor de per fiets afgelegde reisafstand» vervangen door: voor de fietsafstand.

2. In het tweede lid wordt «voor de per fiets afgelegde reisafstand» vervangen door: voor de fietsafstand.

3. In het derde lid wordt «hoofdzakelijk fietst» vervangen door: hoofdzakelijk de fietsafstand aflegt.

4. In het vierde lid wordt «De per fiets afgelegde reisafstand» vervangen door: «De fietsafstand». Voorts wordt «hoofdzakelijk benutten van de fiets» vervangen door: hoofdzakelijk afleggen van de fietsafstand.

5. Na het vijfde lid wordt, onder vernummering van het zesde lid in het zevende lid, een nieuw lid ingevoegd, luidende:

6. Voor de toepassing van dit artikel en de daarop berustende bepalingen wordt onder fietsafstand verstaan: de afstand tussen de woning of verblijfplaats en de plaats van werkzaamheden gemeten langs de meest gebruikelijke weg van reizen per fiets, die geheel per fiets wordt afgelegd.

U. Artikel 3.91 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het tweede lid, onderdeel a, worden twee onderdelen toegevoegd, luidende:

5°. het verkrijgen of het hebben van een recht een vermogensbestanddeel te verwerven van een in dat lid bedoelde persoon of bedoeld samenwerkingsverband indien de daar tegenover staande verplichting tot diens vermogen van een onderneming of tot diens resultaat uit een werkzaamheid behoort;

6°. het verkrijgen of het hebben van een recht een vermogensbestanddeel te vervreemden aan een in dat lid bedoelde persoon of bedoeld samenwerkingsverband indien de daar tegenover staande verplichting tot diens vermogen van een onderneming of tot diens resultaat uit een werkzaamheid behoort;.

2. Het tweede lid, onderdeel b, onder 5°, wordt vervangen door:

5°. degene, niet zijnde een bloed- of aanverwant in de eerste graad van de rechte lijn, die samen met de belastingplichtige voor het kalenderjaar kan kiezen voor kwalificatie als partner als bedoeld in artikel 1.2, tenzij de belastingplichtige aannemelijk maakt dat geen sprake is van een duurzaam gevoerde gemeenschappelijke huishouding;.

3. In het tweede lid wordt na onderdeel b, onder verlettering van onderdeel c tot onderdeel d, een onderdeel ingevoegd, luidende:

c. indien de belastingplichtige minderjarig is, onder een met de belastingplichtige verbonden persoon mede verstaan: een bloed- of aanverwant in de eerste graad van de opgaande lijn en degene die onder een met die bloed- of aanverwant verbonden persoon als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, wordt verstaan;.

4. Aan het tweede lid wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van het tot onderdeel d verletterde onderdeel c door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

e. onder rechten als bedoeld in onderdeel a, onder 4°, 5° en 6° mede verstaan: rechten waarvan de waarde direct of indirect verband houdt met de waardeverandering van een vermogensbestanddeel of met de wijziging van een factor, zoals de rentestand.

Ua. Artikel 3.91 wordt voorts als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, onderdeel a, onder 3°, wordt «, en» vervangen door een puntkomma.

2. In het tweede lid, onderdeel a, onder 5° en 6°, wordt «een recht» telkens vervangen door: «een recht of een verplichting». Voorts wordt «de daar tegenover staande verplichting» telkens vervangen door: de daar tegenover staande verplichting onderscheidenlijk het daar tegenover staande recht.

3. Aan het tweede lid wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel e door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

f. onder verplichtingen als bedoeld in onderdeel a, onder 5° en 6°, mede verstaan: verplichtingen waarvan de waarde direct of indirect verband houdt met de waardeverandering van een vermogensbestanddeel of met de wijziging van een factor, zoals de rentestand.

V. Artikel 3.92 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het tweede lid, onderdeel a, worden twee onderdelen toegevoegd, luidende:

5°. het verkrijgen of het hebben van een recht, anders dan bedoeld in artikel 10a van de Wet op de loonbelasting 1964, een vermogensbestanddeel te verwerven van een in dat lid bedoelde vennootschap of bedoeld samenwerkingsverband;

6°. het verkrijgen of het hebben van een recht een vermogensbestanddeel te vervreemden aan een in dat lid bedoelde vennootschap of bedoeld samenwerkingsverband;.

2. In het tweede lid, onderdeel b, wordt «artikel 3.91, tweede lid, onderdeel b» vervangen door: artikel 3.91, tweede lid, onderdelen b en c.

3. Aan het tweede lid wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel e door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

f. onder rechten als bedoeld in onderdeel a, onder 4°, 5° en 6° mede verstaan: rechten waarvan de waarde direct of indirect verband houdt met de waardeverandering van een vermogensbestanddeel of met de wijziging van een factor, zoals de rentestand.

Va. Artikel 3.92 wordt voorts als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, onderdeel a, onder 3°, wordt «, en» vervangen door een puntkomma.

2. In het tweede lid, onderdeel a, onder 5°, wordt «een recht, anders dan bedoeld in artikel 10a van de Wet op de loonbelasting 1964,» vervangen door: een recht, anders dan bedoeld in artikel 10a van de Wet op de loonbelasting 1964, of een verplichting.

3. In het tweede lid, onderdeel a, onder 6°, wordt «een recht» vervangen door: een recht of een verplichting.

4. Aan het tweede lid wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel f door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

g. onder verplichtingen als bedoeld in onderdeel a, onder 5° en 6°, mede verstaan: verplichtingen waarvan de waarde direct of indirect verband houdt met de waardeverandering van een vermogensbestanddeel of met de wijziging van een factor, zoals de rentestand.

W. In artikel 3.103, eerste lid, onderdeel a, wordt «artikel 45 van de Algemene Ouderdomswet en artikel 63 van de Algemene nabestaandenwet» vervangen door: de artikelen 35 of 38 van de Algemene Ouderdomswet en de artikelen 63a of 63d van de Algemene nabestaandenwet.

X. In artikel 3.106, eerste en het tweede lid, wordt telkens «3 100,» vervangen door: 3 100, eerste lid,.

Y. In artikel 3.107, eerste lid, wordt telkens «3 100,» vervangen door: 3 100, eerste lid,.

Z. Artikel 3.116 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het vijfde tot en met zevende lid in zesde tot en met achtste lid, wordt een nieuw lid ingevoegd, luidende:

5. Indien bij een belastingplichtige ingevolge het vierde lid een uitkering in aanmerking is genomen ter zake waarvan een conserverende aanslag is opgelegd en de belastingplichtige weer binnenlands belastingplichtig is en in de tussentijd:

a. zich niet een omstandigheid heeft voorgedaan waardoor de woning is opgehouden een eigen woning te zijn in de zin van artikel 3.111;

b. de belastingplichtige niet een voordeel heeft genoten als bedoeld in het eerste lid, en

c. zich niet een omstandigheid heeft voorgedaan als bedoeld in het derde lid,

wordt op diens verzoek het geconserveerde inkomen van het jaar waarin de uitkering in aanmerking is genomen, verlaagd met de waarde van die uitkering voorzover deze waarde tot het geconserveerde inkomen is gerekend. De inspecteur vermindert dienovereenkomstig de conserverende aanslag bij voor bezwaar vatbare beschikking. Rechtsmiddelen tegen deze beschikking kunnen uitsluitend betrekking hebben op de grootte van de vermindering.

2. In het tot achtste lid vernummerde zevende lid, eerste volzin, wordt «Indien een kapitaalverzekering eigen woning is voortgekomen uit een levensverzekering die geen kapitaalverzekering eigen woning was (oude polis), wordt mede als premie ter zake van de kapitaalverzekering eigen woning aangemerkt» vervangen door: Indien een kapitaalverzekering eigen woning is voortgekomen uit een levensverzekering die na 14 september 1999 tot stand gekomen is en die geen kapitaalverzekering eigen woning was wordt, op het moment dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor een kapitaalverzekering eigen woning, mede als premie ter zake van de kapitaalverzekering eigen woning aangemerkt.

AA. Artikel 3.118 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid wordt «Het bedrag genoemd in het eerste lid, eerste volzin, wordt verminderd» vervangen door: De bedragen bepaald op grond van het eerste lid worden verminderd.

2. In het vijfde lid wordt «artikel 3.116, zevende lid» vervangen door: artikel 3.116, achtste lid.

3. Na het vijfde lid wordt, onder vernummering van het zesde en zevende lid in het zevende en achtste lid, een nieuw lid ingevoegd, luidende:

6. Indien bij een belastingplichtige ingevolge artikel 3.116, vierde lid, een uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning in aanmerking is genomen en de belastingplichtige weer binnenlands belastingplichtig is en:

a. zich niet een omstandigheid heeft voorgedaan waardoor de woning is opgehouden een eigen woning te zijn in de zin van artikel 3.111;

b. de belastingplichtige terzake van die kapitaalverzekering eigen woning niet een voordeel heeft genoten als bedoeld in artikel 3.116, eerste lid, en

c. ter zake van die kapitaalverzekering zich niet een omstandigheid heeft voorgedaan als bedoeld in artikel 3.116, derde lid,

wordt het in het eerste lid genoemde bedrag verhoogd met een bedrag gelijk aan de in het derde lid bedoelde vermindering wegens de eerdere toepassing van het eerste lid op die kapitaalverzekering.

4. Het tot zevende lid vernummerde zesde lid wordt vervangen door:

7. Indien één of meer kapitaalverzekeringen eigen woning tot uitkering komt of komen door het overlijden van de partner wordt het op grond van de voorgaande leden vast te stellen bedrag ten behoeve van de langstlevende partner verhoogd met het bedrag dat de overleden partner ter zake van deze kapitaalverzekeringen op grond van de voorgaande leden nog in aanmerking had kunnen nemen onmiddellijk voorafgaande aan zijn overlijden. Deze verhoging kan niet groter zijn dan het totale bedrag dat uit levensverzekering wordt uitgekeerd ten gevolge van het overlijden van de partner.

5. Het tot achtste lid vernummerde zevende lid wordt vervangen door:

8. Indien één of meer kapitaalverzekeringen eigen woning tot uitkering komt of komen door het overlijden van een persoon die geen partner is van de begunstigde, geldt voor de begunstigde ten aanzien van deze verzekeringen in plaats van het op grond van de voorgaande leden vast te stellen bedrag het bedrag dat de overleden persoon ter zake van deze kapitaalverzekeringen op grond van de voorgaande leden nog in aanmerking had kunnen nemen onmiddellijk voorafgaande aan zijn overlijden. Indien verschillende begunstigden een uitkering als bedoeld in de eerste volzin ontvangen, geldt voor de begunstigde onverkort hetgeen daar is bepaald met dien verstande dat het daar bedoelde bedrag dat de overleden persoon nog in aanmerking had kunnen nemen naar rato van de uitkeringen aan onderscheiden begunstigden in aanmerking wordt genomen.

AB. In artikel 3.122 wordt na het tweede lid een lid toegevoegd, luidende:

3. Indien bij een belastingplichtige op grond van artikel 3.116, vierde lid, een uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning in aanmerking is genomen, en zolang:

a. zich niet een omstandigheid voordoet waardoor de woning ophoudt een eigen woning te zijn in de zin van artikel 3.111;

b. de belastingplichtige terzake van die kapitaalverzekering eigen woning niet een voordeel geniet als bedoeld in artikel 3.116, eerste lid, en

c. ter zake van die kapitaalverzekering eigen woning zich niet een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3.116, derde lid,

wordt voor de toepassing van het eerste lid de uitkering uit die kapitaalverzekering eigen woning op grond van artikel 3.116, vierde lid, genegeerd.

AC. Artikel 3.125 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt «onderdeel a» vervangen door: onderdelen a, c en d.

2. In het derde lid wordt na «30 jaar bereikt,» ingevoegd: alsmede voor rechten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c,.

AD. In artikel 3.130, tweede lid, eerste volzin, wordt «3.127, tweede lid» vervangen door: 3.127, tweede en derde lid.

AE. In artikel 3.133, tweede lid, onderdeel a, wordt «artikel 3.124, onderdeel b» vervangen door «artikel 3.124, onderdeel b of onderdeel c». Voorts wordt «artikellid» vervangen door: onderdeel.

AF. Na artikel 3.134, tweede lid, wordt, onder vernummering van het derde, vierde en vijfde lid, in onderscheidenlijk vierde, vijfde en zesde lid, ingevoegd:

3. In de gevallen, bedoeld in het tweede lid, kan, in afwijking van artikel 3.125, eerste lid, de aanspraak zodanig worden gewijzigd dat de uitkeringen onmiddellijk na het tijdstip van de wijziging ingaan en uiterlijk eindigen bij het overlijden van de gewezen echtgenoot.

AG. Artikel 3.142 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de bestaande tekst wordt «geacht nog ten minste twaalf maanden» vervangen door: geacht nog ten hoogste twaalf maanden.

2. Voor de bestaande tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

2. De in het eerste lid genoemde periode van twaalf maanden wordt gekort met de periode waarin inkomsten genoten wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid op de voet van artikel 1.7a, eerste lid, onderdeel a, gelijk zijn gesteld met loon uit tegenwoordige arbeid.

AH. Aan artikel 3.145 wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:

10. In afwijking van het negende lid wordt regelmatig woon-werkverkeer geacht niet voor privé-doeleinden plaats te vinden indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

a. de reisafstand beloopt meer dan 30 kilometer;

b. de belastingplichtige pleegt krachtens een schriftelijk vastgestelde regeling van zijn inhoudingsplichtige, dan wel van zijn inhoudingsplichtige en een of meer andere inhoudingsplichtigen, over een afstand van meer dan 10 kilometer voor zowel de heen- als de terugreis een of meer andere werknemers in de zin van de wettelijke bepalingen van de loonbelasting te vervoeren;

c. de belastingplichtige is het in onderdeel b bedoelde vervoer overeengekomen in een schriftelijk vastgelegde overeenkomst met de in onderdeel b bedoelde inhoudingsplichtige en andere personen, en

d. één van de in het onderdeel b bedoelde inhoudingsplichtigen administreert en houdt voor controle beschikbaar de volgende gegevens:

1°. de in onderdeel c bedoelde schriftelijk vastgelegde overeenkomst;

2°. een lijst met de namen en adressen van de in onderdeel b bedoelde personen, en

3°. een lijst met de dagen, plaatsen en afstanden waarop de regeling, bedoeld in onderdeel b, is toegepast.

AI. In artikel 4.34, vijfde lid, wordt «verminderd met 35%» vervangen door «vermeerderd met 50% van het verlies dat op grond van artikel 14c, derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt aangemerkt als ondernemersverlies in de zin van artikel 3.148, tweede lid, en verminderd met 35%». Voorts wordt aan het vijfde lid de volgende volzin toegevoegd: De waarde van de vermogensbestanddelen vermeerderd met 50% van het verlies wordt tenminste gesteld op nihil.

AJ. Artikel 4.42a, eerste lid, wordt vervangen door:

1. Op verzoek van de belastingplichtige worden de voordelen in verband met de vervreemding in het kader van de ontbinding van een vennootschap met toepassing van artikel 14c, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, niet in aanmerking genomen.

AK. Artikel 5.3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid vervallen de derde, vierde en vijfde volzin.

2. Aan het derde lid wordt een volzin toegevoegd, luidende: De tweede volzin is uitsluitend van toepassing indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 wordt geacht het gehele kalenderjaar die partner te hebben gehad.

3. Na het derde lid wordt, onder vernummering van het vierde lid tot vijfde lid, een lid ingevoegd, luidende:

4. Het derde lid, eerste volzin, aanhef en onderdeel b, en tweede volzin zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige en zijn partner bij het doen van aangifte gezamenlijk verzoeken om, onverminderd artikel 2.17, tweede lid, bij een van hen, of bij beiden tezamen, een rendementsgrondslag aan te geven die € 5000 hoger is dan het bedrag van de rendementsgrondslag indien het derde lid, eerste volzin, aanhef en onderdeel b, geen toepassing zou vinden. Indien de waarde in het economische verkeer van alle overige verplichtingen van de belastingplichtige en zijn partner tezamen minder bedraagt dan € 5000, wordt het in de eerste volzin genoemde bedrag van € 5000 gesteld op het bedrag van deze lagere waarde. Op het in de eerste volzin bedoelde verzoek kan niet worden teruggekomen.

AKa. Artikel 5.4 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel b, wordt «artikel 4.2A.1.1 van het Burgerlijk Wetboek» vervangen door «artikel 13 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek» en wordt «artikel 4.3.3.11, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek» vervangen door «artikel 80, eerste lid, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek».

2. In het tweede lid wordt «als bedoeld in de artikelen 4.2A.1.7 en 4.2A.1.9 van het Burgerlijk Wetboek» vervangen door «als bedoeld in de artikelen 19 en 21 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek» en wordt «artikel 4.2A.1.1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek» vervangen door «artikel 13, eerste lid, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek».

3. In het derde lid wordt «artikel 4.2A.1.1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek» vervangen door: artikel 13, eerste lid, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek.

4. In het vierde lid wordt «bedoeld in de artikelen 4.2A.1.7 en 4.2A.1.9 van het Burgerlijk Wetboek» vervangen door: bedoeld in de artikelen 19 en 21 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek.

AL. Na artikel 5.5, tweede lid, wordt, onder vernummering van het derde tot vierde lid, een lid ingevoegd, luidende:

3. Het verzoek, bedoeld in het tweede lid, kan uitsluitend worden gedaan indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad.

AM. Na artikel 5.6, tweede lid, wordt een lid toegevoegd, luidende:

3. Het verzoek, bedoeld in het tweede lid, kan uitsluitend worden gedaan indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad.

AN. Na Artikel 5.13, derde lid, wordt een lid toegevoegd, luidende:

4. Het verzoek, bedoeld in het derde lid, kan uitsluitend worden gedaan indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad.

AO

1. In artikel 5.14, tweede lid, onderdeel a, wordt «de Wet toezicht kredietwezen 1992» vervangen door: van de Wet toezicht kredietwezen 1992.

2. In artikel 5.14, derde lid, onderdeel b, wordt «bij verklaring» vervangen door: bij ministeriële regeling of verklaring.

AP. Artikel 5.15 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, onderdelen a en b, wordt «geheel of nagenoeg geheel» vervangen door: hoofdzakelijk.

2. In het tweede lid, onderdeel a, wordt «de Wet toezicht kredietwezen 1992» vervangen door: van de Wet toezicht kredietwezen 1992.

3. In het derde lid wordt «Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Buitenlandse Zaken en Onze Minister van Ontwikkelingssamenwerking» vervangen door: Onze Minister van Buitenlandse Zaken in overeenstemming met Onze Minister van Financiën.

4. In het zesde lid vervalt: en Onze Minister van Ontwikkelingssamenwerking.

AQ. In Artikel 5.16 wordt na het derde lid, onder vernummering van het vierde tot vijfde lid, een lid ingevoegd, luidende:

4. Het verzoek, bedoeld in het derde lid, kan uitsluitend worden gedaan indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad.

AR. Artikel 5.18a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, onderdelen a en b, wordt «geheel of nagenoeg geheel» vervangen door: hoofdzakelijk.

2. In het tweede lid, onderdeel a, wordt «kredietinstellingen als bedoeld in de Wet toezicht kredietwezen 1992» vervangen door: kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet toezicht kredietwezen 1992.

3. In het derde lid, wordt «Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen» vervangen door: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen in overeenstemming met Onze Minister van Financiën.

AS. Artikel 5.21 wordt vervangen door:

Artikel 5.21 Waardering effecten

Voor de waardering van effecten die zijn opgenomen in enige bij ministeriële regeling aangewezen prijscourant wordt de waarde in het economische verkeer op de einddatum gesteld op de slotnotering die is vermeld in de prijscourant die betrekking heeft op die einddatum, dan wel, indien er geen prijscourant is die betrekking heeft op die einddatum, de slotnotering die is vermeld in de prijscourant die betrekking heeft op de laatste beursdag voorafgaande aan de einddatum. De waardering van zodanige effecten op de begindatum wordt gesteld op de slotnotering van het voorafgaande kalenderjaar. Indien artikel 5.3, vijfde lid, van toepassing is, wordt de waarde in het economische verkeer op de begindatum gesteld op de slotnotering die is vermeld in de prijscourant die betrekking heeft op de laatste beursdag voorafgaande aan de begindatum.

AT. Aan artikel 6.2 wordt toegevoegd:

4. Voor de toepassing van het eerste en het derde lid wordt het inkomen uit werk en woning en het inkomen uit aanmerkelijk belang bepaald zonder rekening te houden met te conserveren inkomen.

AU. Vervallen

AV. In artikel 6.17, tweede lid, wordt «de belastingplichtige» vervangen door: de persoon.

AW. In artikel 6.24, vierde lid, wordt «artikel 2.17, zesde lid,» vervangen door: artikel 2.17, zevende lid,.

AX. In artikel 6.28, tweede lid, wordt «onder 2°» vervangen door: onder 3°.

AY. In artikel 6.37 wordt «bij ministeriële regeling» vervangen door: door Onze Minister.

AZ. In artikel 6.39, derde lid, wordt «artikel 2.17, zesde lid,» vervangen door: artikel 2.17, zevende lid,.

BA. Artikel 7.2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, onderdeel a, wordt «dat is het bedrag van de gezamenlijke voordelen die worden verkregen uit een onderneming» vervangen door: dat is de belastbare winst, bedoeld in de artikelen 3.2 en 3.3 uit een onderneming.

2. In het derde lid, wordt de tweede volzin vervangen door: Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel c, is artikel 1.2, derde lid, onderdeel b, niet van toepassing en wordt onder werkzaamheid in Nederland mede verstaan het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen als bedoeld in de artikelen 3.91 en 3.92 aan het in Nederland gevestigde deel van een onderneming, werkzaamheid of vennootschap.

BB. Het in artikel 8.13, tweede lid, genoemde bedrag wordt vervangen door: € 341.

BC. Artikel 9.2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, onderdeel b, wordt «een positie in aandelen, winstbewijzen of winstdelende obligaties» vervangen door: een positie in aandelen, winstbewijzen of geldleningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Voorts wordt «zijn positie in soortgelijke aandelen, winstbewijzen of winstdelende obligaties» vervangen door: zijn positie in soortgelijke aandelen, winstbewijzen of geldleningen.

2. Na het zesde lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

7. Voor buitenlandse belastingplichtigen wordt, in afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel b, als voorheffing aangewezen de geheven dividendbelasting die betrekking heeft op bestanddelen van het verzamelinkomen.

BD. Artikel 9.3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vijfde lid wordt «meer loonbelasting zal worden geheven dan» vervangen door: het gezamenlijke bedrag van de voorheffingen meer zal belopen dan.

2. Het zevende lid wordt vervangen door:

7. Indien artikel 9.1, derde lid, toepassing vindt, wordt in dit artikel onder inkomstenbelasting verstaan het gezamenlijke bedrag van de inkomstenbelasting en de premie voor de volksverzekeringen.

BE. In artikel 9.4, zevende lid, wordt «9.1, tweede lid» vervangen door: 9.1, derde lid.

BF. In artikel 10.1, eerste lid, vervalt «9.2».

ARTIKEL II

Hoofdstuk 2 van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel I, onderdeel B, eerste lid, wordt «kalenderjaren 2000 tot» vervangen door: kalenderjaren 2001 tot.

B. Artikel I, onderdeel Dd, wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «waaruit hij in het kalenderjaar 2001 winst uit onderneming genoot» vervangen door: waaruit hij reeds voor 16 juli 2002 winst uit onderneming genoot.

2. In het tweede lid, onderdeel a, wordt «voor 1 januari 2002 is ontstaan» vervangen door «voor 16 juli 2002 is ontstaan». Voorts wordt «op 31 december 2001 bestaande schriftelijke overeenkomst» vervangen door: op 15 juli 2002 bestaande schriftelijke overeenkomst.

3. In het derde lid, onderdeel a, wordt «in het kalenderjaar 2001» vervangen door: in de periode van 1 januari 2001 tot 16 juli 2002.

4. In het vierde lid wordt «voor het kalenderjaar 2001» vervangen door: voor de periode van 1 januari 2001 tot 16 juli 2002.

C. In artikel I, onderdeel O, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In de aanhef van het eerste lid wordt na «Wet op de inkomstenbelasting 1964» ingevoegd: , voorzover die regels niet in strijd komen met het bepaalde in artikel 3.109 van de Wet inkomstenbelasting 2001,.

2. In het eerste lid, onderdeel d, wordt de zinsnede na de komma vervangen door: mits de daarbij overeengekomen premiebetalingen op of na 14 september 1999 niet zijn verhoogd.

3. In het tweede lid wordt «als premies in aanmerking» vervangen door «als persoonlijke verplichtingen in aanmerking». Voorts wordt, onder vervanging van de punt aan het slot door een komma, toegevoegd: of voorzover de daarvoor betaalde premies voldoen aan het eerste lid, onderdeel d.

4. In het derde lid wordt «als premies in aanmerking» vervangen door: als persoonlijke verplichtingen in aanmerking.

D. In artikel I, onderdeel P, eerste lid, wordt «als premies in aanmerking» vervangen door: als persoonlijke verplichtingen in aanmerking.

E. In artikel I, onderdeel Q, tweede lid wordt «als premies in aanmerking» vervangen door: als persoonlijke verplichtingen in aanmerking.

F. In artikel I, onderdeel R, wordt aan het eerste lid, onder vervanging van de punt aan het slot door een komma, toegevoegd: dan wel voorzover de daarvoor betaalde premies voldoen aan onderdeel O, eerste lid, onderdeel d.

G. In artikel I, onderdeel AN, worden na het eerste lid, onder vernummering van het tweede en derde lid tot vierde en vijfde lid, twee leden ingevoegd, luidende:

2. Voor een belastingplichtige met een partner in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt op gezamenlijk verzoek van de belastingplichtige en zijn partner het maximale bedrag van de vrijstelling van de belastingplichtige ingevolge het eerste lid verhoogd met het bedrag van de vrijstelling van de partner ingevolge het eerste lid en wordt de vrijstelling van de partner verminderd tot nihil. Het verzoek wordt gedaan bij de aangifte van de belastingplichtige. Op het verzoek kan niet worden teruggekomen.

3. Het tweede lid is uitsluitend van toepassing indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 van de Wet inkomstenbelasting 2001 geacht wordt te hebben gehad.

H. In artikel I, onderdeel AO, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het eerste lid wordt «het in artikel 3.118, eerste en zesde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 genoemde bedrag» vervangen door: het op grond van artikel 3.118 van de Wet inkomstenbelasting 2001 bepaalde bedrag.

2. In het tweede lid vervalt onderdeel b en worden de onderdelen c en d geletterd in onderscheidenlijk b en c.

I. Artikel I, onderdeel AP, wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «artikel 3.118, eerste en zesde lid» vervangen door: artikel 3.118, eerste en zevende lid.

2. Na het vierde lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

5. Indien artikel 3.118, vijfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 met betrekking tot een levensverzekering van de belastingplichtige toepassing vindt, worden de in artikel 26a, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en in hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AN, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 genoemde bedragen ten aanzien van hem verhoogd met een bedrag gelijk aan de in het derde en vierde lid bedoelde vermindering wegens de eerdere toepassing van artikel 3.118, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 op deze verzekering.

J. Artikel I, onderdeel ATa, wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt «de tijdelijke verhoging van de algemene heffingskorting, de korting voor maatschappelijke beleggingen, de korting voor beleggingen in durfkapitaal en de maximering van de gecombineerde heffingskorting op grond van artikel 8.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001» vervangen door: de tijdelijke verhoging van de algemene heffingskorting, de korting voor maatschappelijke beleggingen, de korting voor beleggingen in durfkapitaal, de toetrederskorting en de maximering van de gecombineerde heffingskorting op grond van artikel 8.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

2. In het derde lid, wordt «minder bedraagt dan € 4395» vervangen door «minder bedraagt dan het in de tweede volzin vermelde bedrag». Voorts wordt na de eerste volzin een volzin toegevoegd, luidende: Het in de eerste volzin bedoeld bedrag bedraagt voor het kalenderjaar 2001 € 4395 en voor de kalenderjaren 2002 tot en met 2005 € 4785.

3. Na het vijfde lid wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:

6. Artikel 8.7, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is van overeenkomstige toepassing op het deel van de standaardheffingskorting dat betrekking heeft op de tijdelijke verhoging van de algemene heffingskorting.

ARTIKEL III

De Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt als volgt gewijzigd:

In artikel 16, tweede lid, onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt «of een voorlopige teruggaaf» vervangen door: , een voorlopige teruggaaf of een voorlopige verliesverrekening.

ARTIKEL IV

De Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 8, eerste lid, wordt «3.13, eerste lid, onderdelen a en g» vervangen door: 3.13, eerste lid, onderdelen a en h.

AA. Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onderdeel h, vervalt.

2. In het eerste lid wordt na onderdeel f, onder verlettering van onderdeel g in onderdeel h, een nieuw onderdeel ingevoegd luidende:

g. de bedragen aan meer in aanmerking te nemen loon als omschreven in artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964, in situaties van een aanmerkelijk belang in de belastingplichtige, behoudens indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat over die bedragen bij degene die deze bedragen volgens genoemd artikel geniet per saldo een belasting naar het inkomen wordt geheven die naar Nederlandse maatstaven redelijk is;.

3. In het tweede lid wordt in de onderdelen a en b, de zinsnede «De aflossingsdatum is meer dan 10 jaar gelegen na het tijdstip van het aangaan van de geldlening» vervangen door: De lening heeft geen vaste aflossingsdatum of een aflossingsdatum die meer dan 10 jaar is gelegen na het tijdstip van het aangaan van de lening.

B. Artikel 10a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, eerste volzin, wordt «teruggaaf van gestort kapitaal of kapitaalstorting» vervangen door «teruggaaf van gestort kapitaal, kapitaalstorting, aflossing of verstrekking van een geldlening die bij de schuldenaar feitelijk functioneert als eigen vermogen in de zin van artikel 10, eerste lid, onderdeel d». Voorts wordt in de derde volzin «schuldig gebleven kapitaalstorting indien die storting» vervangen door: schuldig gebleven kapitaalstorting of verstrekking van een geldlening als bedoeld in de eerste volzin, indien die storting of verstrekking.

2. In het tweede lid, onderdeel a, wordt «of een teruggaaf van gestort kapitaal» vervangen door: , een teruggaaf van gestort kapitaal of een aflossing van een geldlening die bij de schuldenaar feitelijk functioneert als eigen vermogen in de zin van artikel 10, eerste lid, onderdeel d,.

3. In het tweede lid, onderdeel b, wordt «aandelen, bewijzen van deelgerechtigdheid of lidmaatschapsrechten in» vervangen door: aandelen, winstbewijzen, bewijzen van deelgerechtigdheid of lidmaatschapsrechten in of schuldvorderingen die bij de schuldenaar feitelijk functioneren als eigen vermogen in de zin van artikel 10, eerste lid, onderdeel d, op.

4. In het vierde lid, aanhef, wordt na «13ba,» ingevoegd: 13bb,.

BA. Aan artikel 10c wordt een lid toegevoegd, luidende:

4. Voor de toepassing van dit artikel wordt met een aandeel als bedoeld in het eerste lid gelijk gesteld een recht om een zodanig aandeel te verwerven alsmede een recht waarvan de waarde direct of indirect verband houdt met de waardeverandering van een zodanig aandeel.

C. Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, tweede volzin, wordt vervangen door: Indien een deelneming of een deel daarvan is vervreemd of verkregen tegen een prijs welke geheel of ten dele bestaat uit een recht op een of meer termijnen waarvan het aantal of de omvang in het jaar van de vervreemding of de verkrijging nog niet vaststaat, behoren bij de vervreemder de waardeveranderingen van dat recht en bij de verkrijger de waardeveranderingen van de met dat recht corresponderende verplichting tot de voordelen uit hoofde van de deelneming. De tweede volzin is van overeenkomstige toepassing bij aanpassingen van de prijs waartegen is vervreemd of verkregen; voorts is die volzin van overeenkomstige toepassing op de houder van een deelneming van wie door de vennootschap waarin de deelneming wordt gehouden, aandelen zijn ingekocht.

2. In het derde lid, eerste volzin, onderdeel b, wordt «op grond van artikel 10, eerste lid, onderdeel d» vervangen door: in de zin van artikel 10, eerste lid, onderdeel d, maar met uitzondering van de situaties die rechtens dan wel in feite overeenkomen met de situaties, bedoeld in het vierde lid, onderdelen a en b, van dat artikel. Voorts vervalt «op grond van het tweede lid».

3. In het derde lid, tweede volzin, wordt «indien» vervangen door: voorzover. Voorts wordt voor de punt aan het slot van die volzin ingevoegd: , omdat aldaar de schuld bij de schuldenaar wordt behandeld als eigen vermogen.

D. Artikel 13b, zesde lid, vervalt.

E. Na artikel 13ba wordt ingevoegd:

Artikel 13bb

1. Indien een schuldvordering, waarbij de schuld bij de schuldenaar in de zin van artikel 10, eerste lid, onderdeel d, feitelijk functioneert als eigen vermogen, door de belastingplichtige of door een ander is afgewaardeerd ten laste van in Nederland belastbare winst en de schuldvordering inmiddels onder een deelneming wordt begrepen, vindt de deelnemingsvrijstelling geen toepassing op positieve voordelen uit hoofde van die deelneming tot het bedrag van de afwaardering. Voorzover een afgewaardeerde schuldvordering als bedoeld in de eerste volzin is voldaan door het uitgeven van aandelen, winstbewijzen, lidmaatschapsrechten of bewijzen van deelgerechtigdheid of is prijsgegeven, is de eerste volzin van overeenkomstige toepassing.

2. Indien in enig jaar zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 13c, tweede lid, tweede volzin, wordt de belastingplichtige geacht in dat jaar voor de toepassing van het eerste lid uit hoofde van de in dat lid bedoelde deelneming positieve voordelen te hebben genoten tot het bedrag van de in dat lid bedoelde afwaardering. De eerste volzin is niet van toepassing voorzover op de voet van het eerste lid reeds positieve voordelen uit hoofde van die deelneming zijn uitgesloten van de deelnemingsvrijstelling.

3. Het tweede lid vindt geen toepassing ter zake van een omstandigheid als bedoeld in artikel 13c, tweede lid, tweede volzin, onderdelen a, b, of c, indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat is vervreemd aan een niet met hem verbonden lichaam, onderscheidenlijk dat een niet met hem verbonden lichaam een belang bij de winst heeft verworven.

4. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing ingeval:

a. een afgewaardeerde schuldvordering als bedoeld in het eerste lid, in het kader van een bedrijfsfusie, juridische splitsing of juridische fusie als bedoeld in artikel 14, onderscheidenlijk 14a of 14b, door schuldvermenging teniet gaat;

b. de schuldenaar van een afgewaardeerde schuldvordering als bedoeld in het eerste lid met de belastingplichtige deel gaat uitmaken van een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 15 of 15a.

In deze gevallen worden de in het tweede lid bedoelde voordelen geacht te zijn genoten op het tijdstip onmiddellijk voorafgaande aan de bedrijfsfusie, de juridische splitsing, de juridische fusie, respectievelijk het ingaan van de fiscale eenheid. De eerste volzin is niet van toepassing voorzover positieve voordelen uit hoofde van die deelneming reeds zijn uitgesloten van de deelnemingsvrijstelling.

F. In artikel 13d, tweede lid, onderdeel d, wordt «artikel 13, tweede lid» vervangen door «artikel 13, derde lid». Voorts wordt voor de punt aan het slot ingevoegd: ,vermeerderd met de bedragen die met betrekking tot deze schuldvordering ingevolge artikel 13bb tot de winst zijn gerekend.

G. Aan artikel 13h wordt een volzin toegevoegd, luidende: De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing bij schuldvorderingen die bij de schuldenaar feitelijk functioneren als eigen vermogen in de zin van artikel 10, eerste lid, onderdeel d.

H. Artikel 13j wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vierde lid, onderdeel a, wordt «in splitsende- en verkrijgende rechtspersonen heeft» vervangen door: in de splitsende en verkrijgende rechtspersonen heeft.

2. Voorts wordt een lid toegevoegd, luidende:

6. Het tweede, derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing bij schuldvorderingen die bij de schuldenaar feitelijk functioneren als eigen vermogen in de zin van artikel 10, eerste lid, onderdeel d.

I. Aan artikel 13k wordt een lid toegevoegd, luidende:

7. Het tweede, derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing bij schuldvorderingen die bij de schuldenaar feitelijk functioneren als eigen vermogen in de zin van artikel 10, eerste lid, onderdeel d.

J. Artikel 15 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «onderdeel h» vervangen door: onderdeel g.

2. In het vierde lid wordt «welke verband houden met de verwerving van aandelen in die dochtermaatschappij» vervangen door: welke verband houden met de verwerving van aandelen of winstbewijzen in die dochtermaatschappij dan wel schuldvorderingen op die dochtermaatschappij die bij de dochtermaatschappij-schuldenaar feitelijk functioneren als eigen vermogen in de zin van artikel 10, eerste lid, onderdeel d.

K. In artikel 15a, tweede en vierde lid, wordt «onderdeel h» vervangen door: onderdeel g.

L. In artikel 15c wordt «de hiervoor bedoelde inwonerschap» vervangen door: het hiervoor bedoelde inwonerschap.

M. In artikel 15e, vierde lid, onderdeel b, wordt na «gelden worden belegd die aan hem» ingevoegd: , anders dan als eigen vermogen,.

N. In artikel 16, derde lid, wordt «bij ministeriële regeling» vervangen door: door Onze Minister.

O. In artikel 25, tweede lid, onderdeel b, wordt «een positie in aandelen, winstbewijzen of winstdelende obligaties» vervangen door: een positie in aandelen, winstbewijzen of geldleningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Voorts wordt «zijn positie in soortgelijke aandelen, winstbewijzen of winstdelende obligaties» vervangen door: zijn positie in soortgelijke aandelen, winstbewijzen of geldleningen.

ARTIKEL V

De Wet op de loonbelasting 1964 wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 15a, eerste lid, onderdeel j, wordt «op jaarbasis» vervangen door: per kalenderjaar.

B. In artikel 19a, eerste lid, onderdeel f, onder 2°, wordt na «door toepassing van artikel» ingevoegd: 19b, ofwel artikel.

C. In artikel 19d wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van de eerste volzin door een puntkomma, na onderdeel b een nieuw onderdeel ingevoegd, luidende:

c. voor een tijdelijk in Nederland wonende of werkzame werknemer en die regeling voldoet aan artikel 1.7, tweede lid, onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001, mits de opbouw van het pensioen of de voorziening voor vervroegde uittreding ingevolge die regeling tijdelijk in Nederland wordt voortgezet en het pensioen of de voorziening voor vervroegde uittreding reeds was verzekerd bij een pensioenfonds of lichaam als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdelen c of f, in een periode waarin de werknemer niet in Nederland woonde of niet in Nederland een dienstbetrekking vervulde.

D. In artikel 22a, tweede lid, aanhef, wordt «loon uit tegenwoordige dienstbetrekking» vervangen door: loon uit tegenwoordige arbeid.

E. In artikel 26b wordt «artikel 28, eerste lid» vervangen door: artikel 28.

F. In artikel 28 vervallen het tweede lid alsmede de aanduiding «1.» voor het eerste lid.

G. Artikel 29 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid wordt «artikel 28, eerste lid» vervangen door: artikel 28.

2. In het vierde lid wordt «artikel 28, eerste lid» vervangen door: artikel 28.

H. Artikel 31 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid, onderdeel a, onder 4°, vervalt «niet in geld genoten».

2. In het derde lid, onderdeel b, onder 1°, vervalt «niet in geld genoten».

I. In artikel 35, derde lid, onderdeel d, wordt na «aanspraken ingevolge de Ziektewet,» ingevoegd: de Wet arbeid en zorg,.

J. In artikel 35g, derde lid, onderdeel d, wordt na «aanspraken ingevolge de Ziektewet,» ingevoegd: de Wet arbeid en zorg,.

ARTIKEL VI

De Invorderingswet 1990 wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 9, tweede lid, vervalt «in de inkomstenbelasting».

B. Artikel 25 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het zesde lid wordt vervangen door:

6. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling, mits voldoende zekerheid is gesteld, voor belastingaanslagen betreffende de inkomstenbelasting die is verschuldigd door de toepassing van artikel 3.116, vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001. Het uitstel wordt beëindigd:

a. indien zich een omstandigheid voordoet waardoor de woning ophoudt een eigen woning te zijn in de zin van artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001;

b. indien de belastingschuldige een voordeel geniet als bedoeld in artikel 3.116, eerste lid, van die wet;

c. indien zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3.116, derde lid, van die wet.

2. In het achtste lid wordt de eerste volzin vervangen door: Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling voor de duur van tien jaar, mits voldoende zekerheid is gesteld, voor belastingaanslagen betreffende de inkomstenbelasting die is verschuldigd door de toepassing van artikel 4.16, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomstenbelasting 2001 indien de verkrijger een natuurlijk persoon is die niet in Nederland woont en de verkregen aandelen of winstbewijzen geen deel uitmaken van het vermogen van een voor zijn rekening gedreven Nederlandse onderneming als bedoeld in artikel 7.2 van die wet of behoren tot het resultaat uit een werkzaamheid in Nederland van hem, of door de toepassing van artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h, of van artikel 7.5, vierde, vijfde of zevende lid, van die wet.

3. In het vijftiende lid wordt «dertiende lid» vervangen door: veertiende lid.

4. In het achttiende lid, eerste volzin, wordt «zesde en achtste lid» vervangen door: zesde, achtste en zeventiende lid.

C. Artikel 44 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, tweede volzin, wordt «bepaald naar de verhouding waarin de belastbare inkomsten uit eigen woning» vervangen door «bepaald naar de verhouding waarin het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden, bedoeld in de artikelen 3.91, eerste lid, onderdelen a en b, en derde lid, en 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001, de belastbare inkomsten uit eigen woning». Voorts wordt in die volzin «het inkomen uit sparen en beleggen» vervangen door: het belastbare inkomen uit sparen en beleggen.

2. In het tweede lid, eerste volzin, wordt «belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang» vervangen door: inkomen uit aanmerkelijk belang vóór vermindering met de persoonsgebonden aftrek.

D. In artikel 44a, tweede lid, wordt «premies» vervangen door: premies alsmede het over die premies behaalde rendement, bedoeld in artikel 3.137 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

ARTIKEL VII

De Wet op de dividendbelasting 1965 wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 3a, vierde lid, wordt «indien de activa die bij de splitsing overgaan op de andere rechtspersoon hoofdzakelijk, onmiddellijk of middellijk, bestaat uit» vervangen door: indien de activa die bij de splitsing overgaan op de andere rechtspersoon hoofdzakelijk, onmiddellijk of middellijk, bestaan uit.

B. Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «opbrengsten van aandelen en winstbewijzen» vervangen door «opbrengsten van aandelen, winstbewijzen en geldleningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969». Voorts wordt «die aandelen of winstbewijzen» vervangen door: die aandelen, winstbewijzen en geldleningen.

2. In het tweede lid wordt «de opbrengst van aandelen in en winstbewijzen ten laste van» vervangen door: de opbrengsten van aandelen in, winstbewijzen ten laste van en geldleningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 verstrekt aan.

3. In het derde lid, onderdeel b, wordt «een positie in aandelen, winstbewijzen of winstdelende obligaties» vervangen door «een positie in aandelen, winstbewijzen of geldleningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969». Voorts wordt «zijn positie in soortgelijke aandelen, winstbewijzen of winstdelende obligaties» vervangen door: zijn positie in soortgelijke aandelen, winstbewijzen of geldleningen.

C. In artikel 4a, eerste lid, wordt «aandelen en winstbewijzen» vervangen door: aandelen, winstbewijzen en geldleningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

D. Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, tweede volzin, wordt «vennootschap» vervangen door: rechtspersoon.

2. In het tweede lid, tweede volzin, wordt «rechtspersoon» vervangen door: vennootschap.

ARTIKEL VIII

De Wet op belastingen van rechtsverkeer wordt als volgt gewijzigd:

Artikel 35, vijfde lid, wordt vervangen door:

5. Voor de effecten die zijn opgenomen in een prijscourant, aangewezen krachtens artikel 5.21 van Wet inkomstenbelasting 2001, wordt de waarde in het economische verkeer gesteld op de slotnotering die is vermeld in de prijscourant die betrekking heeft op de dag waarnaar de waarde moet worden bepaald, dan wel, indien geen prijscourant betrekking heeft op die dag, de slotnotering die is vermeld in de prijscourant die betrekking heeft op de laatste beursdag voorafgaande aan de dag waarnaar de waarde moet worden bepaald.

ARTIKEL IX

De Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 14, vierde lid, onderdeel c, wordt «het Centrum voor werk en inkomen» vervangen door «de Centrale organisatie werk en inkomen». Voorts wordt «een werkloze zonder startkwalificatie is» vervangen door: een werkloze is.

B. In artikel 24, eerste lid, vierde volzin, wordt «€ 6 806 703» vervangen door: € 7 941 154.

C. Aan artikel 24 wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:

9. Artikel 3.6, vijfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is van overeenkomstige toepassing.

ARTIKEL X

De Wet financiering volksverzekeringen wordt als volgt gewijzigd:

Artikel 15, vierde lid, vervalt.

ARTIKEL XI

De Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt als volgt gewijzigd:

In artikel 22h wordt «Nederlandse valuta» vervangen door: euro's

ARTIKEL XII

De Wet van 14 december 2001 tot wijziging van belastingwetten c.a. (Belastingplan 2002 I – Arbeidsmarkt en inkomensbeleid) (Stb. 640) wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel IA, onderdeel B, wordt «€ 372» vervangen door: € 515.

B. In artikel X, tweede lid, vervalt telkens «derde lid,».

ARTIKEL XIII

De Wet van 14 december 2001 tot wijziging van belastingwetten c.a. (Belastingplan 2002 II – Economische infrastructuur) (Stb. 641) wordt als volgt gewijzigd:

A. Artikel VI wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt «in het kalenderjaar 2001» vervangen door: in de periode van 1 januari 2001 tot 16 juli 2002.

2. In het tweede lid wordt «in het kalenderjaar 2001» vervangen door «in de periode van 1 januari 2001 tot 16 juli 2002». Voorts wordt «dat kalenderjaar» vervangen door: die periode.

B. Artikel VIIB wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef wordt «(herziening regime fiscale eenheid, 26 856)» vervangen door: (herziening regime fiscale eenheid) (26 854).

2. In het eerste lid wordt «Onderdeel Ba» vervangen door: Onderdeel C.

3. In het tweede lid wordt «onderdeel Ba» vervangen door «onderdeel C». Voorts wordt «Bb» vervangen door: Ca.

4. In het derde lid wordt «onderdeel D» vervangen door: onderdeel E.

5. In het vierde lid wordt «onderdeel G» vervangen door «onderdeel H». Voorts wordt «onderdeel H» vervangen door «onderdeel Ha». Tenslotte wordt «H» vervangen door: Ha.

6. In het vijfde lid wordt «onderdeel M» vervangen door: onderdeel L.

7. In het zesde lid wordt «onderdeel N» vervangen door: onderdeel M.

8. In het zevende lid wordt «onderdeel Na» vervangen door: onderdeel N.

ARTIKEL XIV

De wijzigingen ingevolge de Wet van 14 december 2001 tot wijziging van belastingwetten c.a. (Belastingplan 2002 II Economische infrastructuur) (Stb. 641) in de Wet op de dividendbelasting 1965 en de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 zijn, in afwijking van artikel VIII, vijfde lid, van de Wet van 14 december 2001 (Stb. 641), tevens van toepassing op geldleningen die zijn aangegaan voor 1 januari 2002 , indien op of na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet:

a. de voorwaarden waaronder de geldlening is aangegaan zodanig worden gewijzigd dat de lening in de zin van artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, bij de schuldenaar feitelijk gaat functioneren als eigen vermogen; of

b. ingeval het reeds een geldlening in de zin van artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 betreft:

10. de aflossingsdatum van de lening wordt verschoven naar een later tijdstip; of

20. een andere rechtspersoon in de plaats treedt van de schuldenaar, tenzij dit geschiedt in het kader van een fusie of splitsing waarbij de daarbij behaalde winst op de voet van artikel 14, 14a of 14b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 buiten aanmerking blijft.

ARTIKEL XV

In de Wet van 16 november 2001 tot vaststelling van regels voor overgangs-, en invoeringsrecht voor de totstandkoming van de Wet Arbeid en Zorg (Invoeringswet Arbeid en Zorg) (Stb. 2001, 568) vervalt in Hoofdstuk 4 artikel XXXIII.

ARTIKEL XVA

In de Wet van 20 juni 2002 tot wijziging van de Wet toezicht kredietwezen 1992 in verband met de invoering van bedrijfseconomisch toezicht op instellingen voor elektronisch geld (Stb. 2002, 330), vervalt artikel Vf, lid 3.

ARTIKEL XVI

A. Indien het bij koninklijke boodschap van 25 oktober 1999 ingediende voorstel van wet houdende wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 c.a. (herziening regime fiscale eenheid) (26 854) kracht van wet verkrijgt en in werking treedt voor de onderhavige wet, wordt artikel IV, onderdeel J, van de onderhavige wet vervangen door:

J. Aan artikel 15ad, eerste lid, wordt een volzin toegevoegd luidende: Voor de toepassing van de eerste volzin worden met aandelen gelijkgesteld, winstbewijzen en schuldvorderingen die bij de schuldenaar feitelijk functioneren als eigen vermogen in de zin van artikel 10, eerste lid, onderdeel d.

B. Indien het bij koninklijke boodschap van 25 oktober 1999 ingediende voorstel van wet houdende wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 c.a. (herziening regime fiscale eenheid) (26 854) kracht van wet verkrijgt en in werking treedt na de onderhavige wet, wordt in die wet in artikel I, onderdeel L, aan artikel 15ad, eerste lid, een volzin toegevoegd luidende: Voor de toepassing van de eerste volzin worden met aandelen gelijkgesteld, winstbewijzen en schuldvorderingen die bij de schuldenaar feitelijk functioneren als eigen vermogen in de zin van artikel 10, eerste lid, onderdeel d.

ARTIKEL XVIA

Indien het bij koninklijke boodschap van 17 september 2002 ingediende voorstel van wet houdende wijziging van enkele belastingwetten c.a. (Belastingplan 2003 deel II – overig fiscaal pakket) (28 608) kracht van wet verkrijgt, vervalt, alvorens die wet in werking treedt, in ARTIKEL XXXIVA van die wet het tweede lid.

ARTIKEL XVII

1. Onder toepassing van artikel 16 van de Tijdelijke Referendumwet treedt deze wet in werking met ingang van 1 januari 2003.

2. In afwijking van het eerste lid werken artikel I, onderdelen A, eerste lid, D, F, L, eerste lid, N tot en met O, Q, U, tweede en derde lid, V, tweede lid, W tot en met AD, AF, AJ, AK, eerste en derde lid, AT, AW, AX, AZ, BE en BF, artikel II, onderdelen A, C, tweede lid en derde lid, D tot en met I, en J, derde lid, artikel IV, onderdeel A, en artikel VI, onderdeel C, terug tot en met 1 januari 2001.

3. In afwijking van het eerste lid werkt artikel I, onderdeel B, terug tot en met 1 december 2001.

4. In afwijking van het eerste lid werkt artikel I, onderdeel AP, eerste lid, terug tot en met 31 december 2001.

5. In afwijking van het eerste lid werken artikel I, onderdelen H, I, Sa, AH, AV en BB, artikel II, onderdelen B en J, eerste en tweede lid, artikel IV, onderdelen AA, eerste en tweede lid, J, eerste lid, en K, artikel V, onderdelen E, F, G, I en J, artikel IX, artikel X, artikel XI, artikel XII en artikel XIII, onderdeel B, terug tot en met 1 januari 2002.

6. In afwijking van het eerste lid werken de wijzigingen van artikel VII, onderdelen A, B en C, terug tot en met 1 januari 2002 en zijn voor het eerst van toepassing op leningen die zijn aangegaan na 31 december 2001.

7. In afwijking van het eerste lid werkt artikel XIII, onderdeel A, terug tot en met 16 juli 2002.

8. In afwijking van het eerste lid werkt artikel VII, onderdeel D, terug tot en met 26 juli 2002.

9. In afwijking van het eerste lid werkt artikel I, onderdelen C, U, eerste lid en vierde lid, V, eerste lid en derde lid, en BC, terug tot en met de datum waarop het voorstel van wet Wijziging van belastingwetten c.a. (Vervolgwijzigingen in samenhang met de Belastingherziening 2001) bij koninklijke boodschap aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal is aangeboden.

10. In afwijking van het eerste lid treedt artikel I, onderdelen J, tweede lid, en AR, in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

11. De wijzigingen ingevolge artikel IV, onderdelen AA, derde lid, C, tweede en derde lid, en E, zijn voor het eerst van toepassing op leningen die zijn aangegaan na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.

12. De wijzigingen ingevolge artikel IV, onderdelen AA, derde lid, C, tweede en derde lid, en E, zijn voorts van toepassing op geldleningen die zijn aangegaan voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, indien op of na dat tijdstip:

a. de voorwaarden waaronder de geldlening is aangegaan zodanig worden gewijzigd dat de lening in de zin van artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, bij de schuldenaar feitelijk gaat functioneren als eigen vermogen; of

b. ingeval het reeds een geldlening in de zin van artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 betreft:

10. de aflossingsdatum van de lening wordt verschoven naar een later tijdstip; of

20. een andere rechtspersoon in de plaats treedt van de schuldenaar, tenzij dit geschiedt in het kader van een fusie of splitsing waarbij de daarbij behaalde winst op de voet van artikel 14, 14a of 14b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 buiten aanmerking blijft.

13. Artikel IV, onderdeel C, eerste lid, werkt terug tot en met 1 januari 2002 en is van toepassing bij vervreemding, verkrijging of inkoop van deelnemingen op of na die datum.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Staatssecretaris van Financiën,