nr. 7b
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 25 oktober 2002
1. De leden van de CDA-fractie hebben met verbazing kennisgenomen van
de nadere memorie van antwoord en dringen bij de regering aan op een betere
beantwoording. Zij stellen daarom een aantal aanvullende vragen.
Voorafgaand aan de beantwoording van die vragen heb ik er behoefte aan
mee te delen, dat het mij op mijn beurt verbaast dat deze leden kennelijk
van mening zijn dat ik in de nadere memorie van antwoord geen goede antwoorden
heb gegeven. Verwarren de vragenstellers hier wellicht niet «betere
beantwoording» met een «meer wenselijke antwoorden» vanuit
hun optiek?
2. Deze leden vragen, gesteund door de overige leden van de commissie,
waaruit zou blijken dat de onderwijskoepels hebben ingestemd met dit wetsvoorstel.
In de nadere memorie van antwoord is niet gesteld dat de onderwijskoepels
met het wetsvoorstel hebben ingestemd. Gesteld is dat de genoemde brief met
instemming van de onderwijskoepels naar de Tweede Kamer is verstuurd. Die
brief bevatte de uitkomsten van het bestuurlijk overleg dat met de koepels
is gevoerd. Ambtelijk is over de concept-brief uitgebreid emailcontact geweest
tussen mijn departement en de ambtelijke vertegenwoordigers van de koepels.
De vertegenwoordigers van de BVE-raad, de HBO-raad en de VSNU hebben mijn
departement bij emails van 30 oktober 2002, ontvangen om respectievelijk
10.06 uur (De laatste conceptbrief is in het bestuur van
de Bve Raad aan de orde geweest en akkoord bevonden.), 11.23 uur (Geen probleem met deze tekst.) en 9.33 uur (Ik heb jullie concept doorgesproken met de voorzitter VSNU en hij gaat akkoord
met jullie voorstel.), laten weten dat hun organisaties met de inhoud
van de brief instemden.
3. De leden van de CDA-fractie vragen voorts met klem om inzage in de
ambtelijke stukken op basis waarvan de minister van OCW is geadviseerd en de notulen van de ministerraad over de bespreking van dit wetsvoorstel.
Zonder tekort te willen doen aan het informatierecht van kamerleden, zullen
deze leden het met mij eens zijn dat in het contact tussen Staten-Generaal
en regering slechts het uiteindelijke regeringsstandpunt, zoals dat door de
verantwoordelijke minister in de beide kamers der Staten-Generaal schriftelijk
of mondeling wordt uitgedragen, relevant is. Ambtelijke adviezen en opvattingen
van individuele ministers, die in de voorbereiding van de totstandkoming van
het regeringsstandpunt een rol hebben gespeeld, zijn in dit verband niet van
betekenis. Het komt het functioneren van de regering als geheel en de eenheid
van het regeringsbeleid niet ten goede als de Kamer kennis kan nemen van alle
interne beraad. Bovendien wijs ik erop dat de notulen van de ministerraad
geheim zijn. Ik meen derhalve aan dit verzoek om informatie niet te kunnen
voldoen.
4. De leden van de CDA-fractie achten de beantwoording van de regering
met betrekking tot de waarborgfondsen niet «to the point» en vragen
waar in de schriftelijke stukken van het wetsvoorstel of in de Handelingen
aandacht is geschonken aan de eventuele verstrekkende consequenties voor de
waarborgfondsen. Tevens vragen zij waaruit blijkt dat deze niet gewoon vergeten
zijn?
De waarborgfondsen zijn zeker niet vergeten. De minister van OCW heeft
op 8 maart 2002 een kabinetsstandpunt op basis van het interdepartementaal
beleidsonderzoek over waarborgfondsen (Waarborgconstructies
in de onderwijssector) aan de Tweede Kamer gezonden, waarin de regering
benadrukt welke rol waarborgfondsen kunnen spelen. In het kader van dit wetsvoorstel
is het afsluiten van leningen een faciliteit waarvan onderwijsinstellingen
gebruik kunnen maken, mits de betrokken vakminister (OCW of LNV) garant staat
of anderszins voldoende zekerheden verschaft tot rentebetaling en tot terugbetaling
van de lening. De deelnemende onderwijsinstellingen hebben zelf de keuze om
desgewenst waarborgfondsen in te zetten bij de verstrekking van zekerheden.
5. De leden van de CDA-fractie vragen zich af of gegeven het amendement
op artikel 45 de aanvankelijke lijsten niet aan de Staten-Generaal in een
AMvB via een voorhangprocedure moeten worden voorgelegd.
Zoals ik in de Nadere memorie van antwoord uiteen heb gezet, dwingt de
tekst van artikel 45, vijfde lid, CW 2001 – zoals deze na amendering
door de Tweede Kamer is komen te luiden – alleen tot toepassen van de
voorhangprocedure, indien rechtspersonen krachtens
AMvB worden aangewezen. De tekst luidt: De voordracht voor een krachtens het
eerste, tweede en derde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur
wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers
der Staten-Generaal is overgelegd.
Deze bepaling impliceert dat voor een aanwijzing bij AMvB de voorhangprocedure bij de Staten-Generaal niet is voorgeschreven
en voor een aanwijzing bij ministeriële regeling
wel. Deze implicatie is op zich ook logisch te verklaren, omdat de aanwijzing
van een rechtspersoon bij AMvB reeds via een adviesaanvraag
bij de Raad van State aan het oordeel van een ander orgaan (in casu de Raad
van State) zal worden onderworpen, waar dat niet het geval is bij een krachtens AmvB (in casu bij ministeriële regeling)
aangewezen rechtspersoon. De procedure van aanwijzing van rechtspersonen wordt
wel erg bureaucratisch als naast de Minister van Financiën in overleg
met de betrokken vakminister ook zowel de Raad van State als beide kamers
der Staten-Generaal zich steeds over de aanwijzing van rechtspersonen zouden
moeten uitspreken. Temeer omdat de criteria op basis waarvan de aanwijzing
zal geschieden, in de memorie van toelichting duidelijk zijn aangegeven.
Overigens sluit de tekst van het bedoelde artikellid niet uit dat een
aanwijzing bij AmvB toch via de voorhangprocedure aan de Staten-Generaal wordt
voorgelegd.
6. De leden van de CDA-fractie vragen om inzage in de correctie op een
eerder aan de onderwijsinstellingen (en eventueel andere instellingen) ten
onrechte verstuurde ambtelijke brief, waarin gesuggereerd werd dat het onderhavige
wetsvoorstel al zou zijn vastgesteld, terwijl het wetsvoorstel nog in behandeling
is bij de Eerste Kamer.
Een kopie van de rondzendbrief die aan de instellingen ter correctie is
verstuurd, is bijgevoegd1. Ik betreur dat de eerdere
brief een onjuiste passage bevatte over de stand van zaken met betrekking
tot het wetsvoorstel. Omdat de brief een uitnodiging voor een kennismakingsgesprek
bevatte, welk gesprek de mogelijkheid zou bieden om informatie te verstrekken
over de praktische toepassing van de op handen zijnde wet, is dezerzijds niet
geoordeeld dat de brief ten onrechte was verstuurd. In de correctiebrief is
dan ook aangegeven dat het op prijs wordt gesteld als het gevraagde gesprek
doorgang zou kunnen vinden.
De Minister van Financiën,
J. F. Hoogervorst.