nr. 35a
NADER VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR JUSTITIE1
Vastgesteld: 9 december 2002
Na lezing van de memorie van antwoord bestond binnen de vaste commissie
voor Justitie nog behoefte de regering enkele vragen en opmerkingen voor te
leggen.
De leden van de CDA-fractie dankten de minister
voor de uitgebreide beantwoording in de memorie van antwoord. Niettemin hadden
zij nog een aantal vragen.
Kan de minister aangeven hoe de leerstukken van de uitwendige, formele
en materiële bewijskracht zich laten toepassen op met en zonder een certificaat
verstuurde documenten, voorzien van een elektronische handtekening, die rechtsgevolgen
kunnen hebben en op die certificaten zelf? Hierbij ware te onderscheiden tussen
elektronische handtekeningen met gekwalificeerd en gewoon certificaat.
Kan het risico dat een web-site uit de lucht is in algemene voorwaarden
zo worden geregeld, dat de certificatiedienstverlener iedere aansprakelijkheid
uitsluit?
Kan de minister uiteenzetten waarom straks aan de toegankelijkheid van
de web-site van de certificatiedienstverlener hogere eisen worden gesteld
dan aan de toegankelijkheid van het handelsregister, het kadaster of het repertorium
van de notaris?
Zou de minister de opsomming van de elementen van de kern van de prestatie
van de certificatiedienstverlener op pagina 7 willen voltooien? De leden van
de CDA-fractie hadden er begrip voor als de minister vervolgens de opsomming
niet enumeratief verklaart, maar het «enzovoort» in de memorie
van antwoord vraagt nog wel verduidelijking.
Kan de minister nog aangeven hoe de bij de Europese Commissie gemelde
gegevens toegankelijk zullen zijn voor advocaten en gerechtsdeurwaarders en
in welke talen (zie blz. 9)?
Om te zien of een certificaat niet is ingetrokken zal een ontvanger steeds
de Certification Revocation List moeten raadplegen. Ook dat is niet gebruikersvriendelijk.
Zou die statusinformatie niet verplicht – op het oog technisch eenvoudig
te koppelen – bij het gekwalificeerde certificaat moeten /kunnen worden
meegeleverd?
Kan de minister nog eens nader ingaan op de overweging om art 6:110 niet
te hanteren. In dit verband merkten de leden van de CDA-fractie op, dat het
verschil tussen een gekwalificeerde schuldaansprakelijkheid met een omkering
van de bewijslast enerzijds en een risicoaansprakelijkheid anderzijds een
voorbeeld is van «law in the books». Dat de bewijslast conform
de Richtlijn in art 196b is geregeld valt niet direct in te zien.
Men moet als CSP alle voorwaarden die in de AMvB zullen worden genoemd,
tegenover iedere chicane uitputtend kunnen aantonen.
Ware het niet wenselijk om hier te denken aan een standaardregeling?
Voor de identiteitscontrole bij het gekwalificeerde certificaat zullen
veel eisen worden gesteld. Dat betekent een ingewikkelde AMvB en een aantal
ministeriele regelingen. Ware het niet wenselijk, dat de AMvB wordt voorgehangen?
Tot slot vroegen de leden van de CDA-fractie hoe het staat met de voorlichting,
vooral omdat het wenselijk is, dat ook het MKB met gekwalificeerde handtekeningen
zal gaan werken?
De leden van de VVD-fractie hadden naar aanleiding
van de memorie van antwoord van 25 oktober jl. nog enkele vragen aan
de Minister.
Op bladzijde 10 van de memorie van antwoord wordt ingegaan op de vraag
wanneer er sprake is van certificaten die zijn afgegeven aan het publiek.
De minister geeft aan dat naar zijn oordeel voor het antwoord op deze vraag
twee criteria van belang zijn: de omvang van de groep waaraan certificaten
worden uitgegeven en het toepassingsgebied.
Hij komt op basis van deze criteria tot de conclusie dat er sprake is
van het uitgeven van certificaten aan het publiek, indien de certificaten
niet alleen in het verkeer met de uitgevende onderneming of instelling kunnen
worden gebruikt, maar ook in het verkeer met andere ondernemingen of instellingen.
Reden hiervoor zou zijn dat in dat geval zowel de groep gebruikers niet beperkt
is in omvang als het toepassingsgebied niet beperkt is tot een besloten groep.
Zou de minister aan de hand van de volgende voorbeelden wat meer duidelijkheid
kunnen verschaffen over het antwoord op de vraag wanneer het toepassingsgebied
is beperkt tot een besloten groep?
Voorbeeld 1: In een franchisegroep geeft de franchisegever certificaten
uit. Deze certificaten kunnen worden gebruikt in het elektronische verkeer
met alle zelfstandige ondernemingen die deel uitmaken van de franchisegroep.
Voorbeeld 2: Een financieel concern bestaat uit een aantal banken, verzekeraars,
leasemaatschappijen en effecteninstellingen. De moedermaatschappij van deze
ondernemingen geeft certificaten uit die kunnen worden gebruikt in het elektronische
verkeer met alle onderdelen van het concern.
Voorbeeld 3: Een beheerder van een internet marktplaats geeft certificaten
uit aan ondernemingen die een overeenkomst tot deelneming aan de marktplaats
hebben gesloten met de beheerder. Deze certificaten kunnen worden gebruikt
in het elektronische verkeer met alle ondernemingen die zijn aangesloten bij
de marktplaats en via de marktplaats zaken met elkaar doen.
Voorbeeld 4: Een onafhankelijke derde (Trusted Third Party, TTP) heeft
een systeem opgezet dat beoogt ondernemingen een zekere mate van vertrouwen
te geven bij het doen van zaken met hun onbekende ondernemingen in het buitenland.
Aan het systeem kan worden deelgenomen indien men een daartoe strekkende overeenkomst
heeft gesloten met de TTP. Deelnemende ondernemingen krijgen van de TTP een
certificaat dat zij kunnen gebruiken in het elektronische verkeer met andere
ondernemingen die deelnemen aan het systeem. Daarnaast verleent de TTP andere
diensten aan de deelnemende ondernemingen, zoals het op verzoek verstrekken
van een creditrating van de wederpartij.
De voorzitter van de commissie,
Van de Beeten
De (wnd.) griffier van de commissie,
Nieuwenhuizen