nr. 201
GEWIJZIGD VOORSTEL VAN WET
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Politiewet
1993 te wijzigen in verband met de aanpassing van de politieklachtregeling
aan hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der
Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en
verstaan bij deze:
ARTIKEL I
De Politiewet 1993 wordt als volgt gewijzigd:
De artikelen 61 tot en met 66 komen als volgt te luiden:
Artikel 61
1. Het regionale college stelt, op voorstel van de korpsbeheerder, nadere
regels vast over de behandeling van klachten over gedragingen van ambtenaren
van politie van het regionale politiekorps.
2. In de regels, bedoeld in het eerste lid, wordt voorzien in:
a. de instelling van een commissie, bestaande uit onafhankelijke leden,
die op de wijze in de regeling te bepalen is belast met de behandeling van
en advisering over in de regeling aangewezen categorieën van klachten
waarbij zo nodig aandacht wordt geschonken aan de in onderdeel c genoemde
aspecten;
b. de registratie van de mondeling en schriftelijk ingediende klachten
en, indien beschikbaar, de daarop genomen beslissingen, alsmede
c. een jaarlijkse publicatie van de geregistreerde klachten en beslissingen,
waarin wordt aangegeven in hoeverre bepaalde klachten wijzen op structurele
tekortkomingen in het functioneren van de politie en waarin, zo nodig, aandacht
wordt geschonken aan de middelen om deze tekortkomingen op te heffen.
3. Hoofdstuk 9, afdeling 3, van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing
op de behandeling van klachten als bedoeld in het tweede lid, onder a. Indien
een commissie over de klacht zal adviseren, deelt de korpsbeheerder dit, in
afwijking van artikel 9:15, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht,
zo spoedig mogelijk aan de indiener van de klacht mede.
4. De korpsbeheerder draagt zorg voor de bekendmaking van de regels, bedoeld
in het eerste lid.
Artikel 62
1. De Raad voor het Korps landelijke politiediensten stelt, op voorstel
van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de regels,
bedoeld in artikel 61, eerste lid, vast ten aanzien van klachten over gedragingen
van ambtenaren van het Korps landelijke politiediensten.
2. Onze Minister van Justitie stelt de regels, bedoeld in artikel 61,
eerste lid, vast ten aanzien van klachten over het optreden van bijzondere
ambtenaren van politie als bedoeld in artikel 43.
3. Artikel 61, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 63
1. Onze Minister van Defensie stelt de regels, bedoeld in artikel 61,
eerste lid, vast ten aanzien van klachten over gedragingen van militairen
van de Koninklijke marechaussee dan wel van enig ander onderdeel van de krijgsmacht,
bij de uitvoering van hun in deze wet omschreven taken.
2. Artikel 61, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 64
1. De korpsbeheerder van het regionale politiekorps waarbij de ambtenaar
van politie is aangesteld over wiens gedraging een klacht is ingediend, draagt
zorg voor de behandeling van deze klacht.
2. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties draagt
zorg voor de behandeling van een klacht die is ingediend over een gedraging
van een ambtenaar van het Korps landelijke politiediensten.
3. Onze Minister van Justitie draagt zorg voor de behandeling van een
klacht die is ingediend over een gedraging van een bijzonder ambtenaar van
politie.
4. Onze Minister van Defensie draagt zorg voor de behandeling van een
klacht die is ingediend over een gedraging van een militair van de Koninklijke
marechaussee dan wel van enig ander onderdeel van de krijgsmacht, bij de uitvoering
van zijn in deze wet omschreven taken.
Artikel 65
1. Een klacht over een gedraging van een ambtenaar van politie of van
een militair van de Koninklijke marechaussee dan wel van enig ander onderdeel
van de krijgsmacht, bij de uitvoering van zijn in deze wet omschreven taken,
wordt ingediend bij de korpsbeheerder binnen wiens regio de gedraging waarover
wordt geklaagd, heeft plaatsgevonden.
2. Een klacht over een gedraging van een ambtenaar van het Korps landelijke
politiediensten kan ook worden ingediend bij Onze Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties.
3. Een klacht over een gedraging van een bijzonder ambtenaar van politie
kan ook worden ingediend bij Onze Minister van Justitie.
4. Een klacht over een gedraging van een militair van de Koninklijke marechaussee
dan wel van enig ander onderdeel van de krijgsmacht, bij de uitvoering
van zijn in deze wet omschreven taken, kan ook worden ingediend bij Onze Minister
van Defensie.
5. De korpsbeheerder, bedoeld in het eerste lid, draagt zorg voor een
onverwijlde doorzending van een klacht over het optreden van een ambtenaar
van politie die is aangesteld bij een ander regionaal politiekorps, aan de
korpsbeheerder van dat regionale politiekorps. Een klacht als bedoeld in het
tweede, derde en vierde lid wordt onverwijld doorgezonden aan Onze Minister
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Onze Minister van Justitie,
onderscheidenlijk Onze Minister van Defensie.
6. Tenzij reeds naar tevredenheid van de klager aan diens klacht tegemoet
is gekomen, wordt van de klacht onverwijld na de ontvangst ervan, afschrift
gezonden aan de burgemeester van de gemeente waar de gedraging waarover wordt
geklaagd, heeft plaatsgevonden, alsmede aan de hoofdofficier van justitie
van de regio binnen welke de gemeente is gelegen waar de gedraging waarover
wordt geklaagd, heeft plaatsgevonden. De burgemeester en de hoofdofficier
van justitie worden in de gelegenheid gesteld over de klacht advies uit te
brengen.
Artikel 66
In afwijking van artikel 9:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht
wordt de klacht afgehandeld binnen tien weken of, indien een commissie als
bedoeld in artikel 61, tweede lid, onder a, is belast met de behandeling van
en advisering over de klacht, binnen veertien weken na de ontvangst van het
klaagschrift.
ARTIKEL II
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat
alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat,
aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven
De Minister van Justitie,
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,