27 025
Nieuwe regelen inzake tuchtrechtspraak in de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie (Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2000)

nr. 200
GEWIJZIGD VOORSTEL VAN WET

24 april 2003

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met de verbreding van de toepassing van het tuchtrecht in de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie wenselijk is het tuchtprocesrecht te herzien;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

HOOFDSTUK I ALGEMEEN

Artikel 1

In deze wet wordt verstaan onder:

a. bedrijfslichaam: een bedrijfslichaam als bedoeld in artikel 66, vierde lid, van de Wet op de bedrijfsorganisatie;

b. het College: het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

HOOFDSTUK II TUCHTRECHTELIJKE MAATREGELEN

Artikel 2

1. De tuchtrechtelijke maatregelen in de zin van artikel 104 van de Wet op de bedrijfsorganisatie, die op overtreding van verordeningen van een bedrijfslichaam kunnen worden gesteld, zijn:

a. berisping;

b. geldboete;

c. openbaarmaking van de uitspraak op kosten van de betrokkene;

d. het onder verscherpte controle stellen van het bedrijf van de betrokkene op zijn kosten voor ten hoogste twee jaren.

2. De maatregel, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, kan slechts worden opgelegd op vordering van de voorzitter van het bedrijfslichaam die de zaak aanhangig heeft gemaakt. De vordering omschrijft de in het kader van de verscherpte controle te nemen maatregelen en bevat een raming van de kosten daarvan.

3. De kosten van de verscherpte controle worden in de uitspraak op een bepaald bedrag geschat.

Artikel 3

De tuchtrechtelijke maatregel van berisping bestaat uit een schriftelijke of mondelinge vermaning tot de betrokkene in verband met het begane feit.

Artikel 4

1. Het bedrag van de geldboete is ten minste € 2,– en ten hoogste € 4 500,–.

2. Indien de waarde van de goederen, met betrekking tot welke een overtreding is begaan, of de waarde van het wederrechtelijk genoten voordeel dat geheel of gedeeltelijk door middel van de overtreding is verkregen, hoger is dan € 1 135,–, kan een geldboete worden opgelegd van ten hoogste € 11 250,–.

3. De geldboete kan geheel of gedeeltelijk voorwaardelijk worden opgelegd.

Artikel 5

1. In de gevallen, waarin het tuchtgerecht de openbaarmaking van zijn uitspraak gelast, bepaalt het tevens de wijze, waarop aan die last uitvoering wordt gegeven.

2. De kosten van openbaarmaking worden in de uitspraak op een bepaald bedrag geschat.

Artikel 6

1 Indien een feit, dat tuchtrechtelijk kan worden afgedaan, wordt begaan door of vanwege een rechtspersoon of een vennootschap, wordt de tuchtrechtelijke vervolging ingesteld en worden maatregelen genomen tegen:

a. die rechtspersoon of die vennootschap,

b. hen, die tot het feit opdracht hebben gegeven of die feitelijk leiding hebben gehad bij het verboden handelen of nalaten, of

c. beiden.

2. Een feit wordt onder meer begaan door of vanwege een rechtspersoon of een vennootschap, indien het begaan wordt door personen, die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking, hetzij uit anderen hoofde handelen in de sfeer van de rechtspersoon of de vennootschap, ongeacht of deze personen ieder afzonderlijk het feit hebben begaan, dan wel bij hen gezamenlijk de elementen van dat feit aanwezig zijn.

3. Indien een tuchtrechtelijke vervolging wordt ingesteld tegen een rechtspersoon of een vennootschap, wordt deze tijdens de vervolging vertegenwoordigd door de bestuurder en, indien er meer bestuurders zijn, door één dezer.

HOOFDSTUK III DE TUCHTGERECHTEN

Artikel 7

1. Een hoofdproductschap, een hoofdbedrijfschap en een product- of bedrijfschap dat geen onderdeel uitmaakt van een hoofdproduct- of hoofdbedrijfschap hebben een tuchtgerecht.

2. Het tuchtgerecht oordeelt over feiten waarop een tuchtrechtelijke maatregel is gesteld:

a. bij verordening van het bedrijfslichaam waarvoor het is ingesteld dan wel, indien het een hoofdproductschap of hoofdbedrijfschap betreft, van een bedrijfslichaam dat van dat hoofdproductschap of hoofdbedrijfschap onderdeel uitmaakt, voor zover in die verordening die bevoegdheid niet aan een ander tuchtgerecht is toebedeeld;

b. bij verordening van een ander bedrijfslichaam, voor zover bij die verordening het tuchtgerecht daartoe is aangewezen;

c. bij of krachtens de wet.

3. De aanwijzing van een tuchtgerecht als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, behoeft de instemming van het bedrijfslichaam waarvoor dat tuchtgerecht is ingesteld.

Artikel 8

Een tuchtgerecht heeft een voorzitter, leden en een secretaris.

Artikel 9

1. De voorzitter en de secretaris voldoen aan de vereisten voor benoeming zoals vermeld in artikel 1d van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren.

2. De voorzitter wordt voor de tijd van zes jaren op voordracht van het bestuur van het betrokken bedrijfslichaam bij koninklijk besluit benoemd.

3. De leden en de secretaris worden voor de tijd van zes jaren door het bestuur van het betrokken bedrijfslichaam benoemd.

4. De secretaris en de leden zijn voor hun werkzaamheden voor het tuchtgerecht uitsluitend verantwoording schuldig aan het tuchtgerecht.

Artikel 10

1. De voorzitter, de leden en de secretaris zijn geen lid van het bestuur van of werknemer bij enig bedrijfslichaam of lichaam als bedoeld in artikel 110 van de Wet op de bedrijforganisatie.

2. Tussen de voorzitter, de leden en de secretaris mag niet bestaan een duurzaam samenwerkingsverband terzake van ondernemingen die onder het betrokken bedrijfslichaam ressorteren of een verhouding van werkgever tot werknemer.

Artikel 11

De voorzitter, de leden en de secretaris zijn verplicht tot geheimhouding van de gegevens waarover zij bij de uitoefening van hun taak de beschikking krijgen en waarvan zij het vertrouwelijke karakter kennen of redelijkerwijs moeten vermoeden, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hen tot mededeling verplicht of uit hun taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit.

Artikel 12

1. De voorzitter, de leden en de secretaris wordt in ieder geval ontslag verleend met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin zij de leeftijd van zeventig jaren hebben bereikt. Zij kunnen op eigen verzoek tussentijds worden ontslagen.

2. De voorzitter, de leden en de secretaris kunnen worden ontslagen op de gronden aangegeven in de artikelen 46c, tweede lid, 46d, tweede lid, 46l, eerste en derde lid, en 46m van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en indien zij wegens ziekte ongeschikt zijn voor hun taak, mits de ongeschiktheid twee jaar onafgebroken heeft geduurd en herstel binnen zes maanden na de termijn van twee jaar redelijkerwijs niet is te verwachten.

Artikel 13

1. De voorzitter, de leden en de secretaris ontvangen een bezoldiging van het betrokken bedrijfslichaam.

2. De opgeroepen getuigen en deskundigen ontvangen ten laste van het betrokken bedrijfslichaam een vergoeding overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Wet tarieven in strafzaken.

3. De Sociaal-Economische Raad stelt de bezoldiging, bedoeld in het eerste lid,bij verordening vast. Zodanige verordening behoeft de goedkeuring van de betrokken Ministers. De goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 14

1. De artikelen 8 tot en met 13 zijn van overeenkomstige toepassing op de plaatsvervangers van de voorzitter, de leden en de secretaris.

2. De artikelen 23 en 24 zijn van overeenkomstige toepassing op de plaatsvervangers van de voorzitter en de leden.

HOOFDSTUK IV HET TUCHTGEDING IN EERSTE AANLEG

Artikel 15

1. De voorzitter van het bedrijfslichaam, dat de desbetreffende verordening heeft vastgesteld, maakt de zaak binnen een redelijke termijn na de constatering van de overtreding bij het tuchtgerecht aanhangig door middel van een schriftelijke verklaring.

2. De verklaring vermeldt de feiten waarvoor een tuchtrechtelijke maatregel wordt gevraagd. Bij de verklaring worden alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan het tuchtgerecht overgelegd.

Artikel 16

1. De betrokkene wordt binnen een termijn van ten hoogste acht weken nadat de zaak bij het tuchtgerecht aanhangig is gemaakt opgeroepen om op een door de voorzitter te bepalen dag en uur ter zitting te verschijnen.

2. De oproeping wordt ten minste twee weken voor de dag van de zitting aan de betrokkene gezonden en vermeldt de plaats van de zitting.

3. De oproeping gaat vergezeld van een afschrift van de in artikel 15 bedoelde verklaring en van alle op de zaak betrekking hebbende stukken.

4. De oproeping houdt in:

a. de namen, het beroep en de woonplaats van de ter zitting opgeroepen getuigen en deskundigen;

b. de mededeling, dat de betrokkene bevoegd is getuigen en deskundigen ter zitting mede te brengen.

Artikel 17

1. Het tuchtgerecht kan bevelen dat de betrokkene, dan wel, in het geval bedoeld in artikel 6, derde lid, een bestuurder in persoon verschijnt.

2. Indien de betrokkene, dan wel de bestuurder, wiens persoonlijke verschijning is bevolen, niet op de oproeping verschijnt, kan het tuchtgerecht de officier van justitie bij de rechtbank, binnen welker rechtsgebied het tuchtgerecht zitting houdt, verzoeken de betrokkene, dan wel de bestuurder ter terechtzitting van het tuchtgerecht te dagvaarden en daarbij te voegen een bevel tot medebrenging.

Artikel 18

1. De zitting is openbaar.

2. Het tuchtgerecht kan bepalen dat de behandeling van de zaak geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren plaatsvindt indien een openbare behandeling een goede rechtspleging of de belangen van de betrokkene ernstig zou schaden.

3. Het tuchtgerecht houdt zitting met drie of vijf leden, onder wie de voorzitter of een plaatsvervangend voorzitter.

Artikel 19

1. De voorzitter heeft de leiding van de zitting.

2. De secretaris houdt aantekening van het verhandelde ter zitting.

3. De secretaris maakt een proces-verbaal op van de zitting, indien het tuchtgerecht dit ambtshalve dan wel op verzoek van de betrokkene of de voorzitter van het betrokken bedrijfslichaam bepaalt en indien hoger beroep wordt ingesteld.

4. Het proces-verbaal bevat de namen van de voorzitter en de leden die de zaak behandelen, die van partijen en van hun vertegenwoordigers of gemachtigden die op de zitting zijn verschenen en van degenen die hen hebben bijgestaan, en die van de getuigen, deskundigen en tolken die op de zitting zijn verschenen.

5. Het proces-verbaal houdt een vermelding in van hetgeen op de zitting met betrekking tot de zaak is voorgevallen.

6. Het proces-verbaal wordt door de voorzitter en de secretaris ondertekend.

7. Aan het proces-verbaal kunnen overgelegde pleitnotities worden gehecht.

8. Het tuchtgerecht kan bepalen dat de verklaring van een partij, getuige of deskundige geheel in het proces-verbaal zal worden opgenomen. In dat geval wordt de verklaring onverwijld op schrift gesteld en aan de partij, getuige of deskundige voorgelezen. Deze mag daarin wijzigingen aanbrengen, die op schrift worden gesteld en aan de partij, getuige of deskundige worden voorgelezen. De verklaring wordt door de partij, getuige of deskundige ondertekend. Heeft ondertekening niet plaats, dan wordt de reden daarvan in het proces-verbaal vermeld.

Artikel 20

1. Het tuchtgerecht kan de behandeling ter zitting schorsen.

2. In dat geval bepaalt het tuchtgerecht zo spoedig mogelijk het tijdstip waarop de behandeling wordt hervat en stelt de secretaris de betrokkene en de voorzitter van het bedrijfslichaam hiervan op de hoogte. Het tweede tot en met het vierde lid van artikel 16 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 21

1. Het tuchtgerecht sluit het onderzoek ter zitting, wanneer het van oordeel is dat het is voltooid.

2. Voordat het onderzoek ter zitting wordt gesloten, hebben de betrokkene en de voorzitter van het bedrijfslichaam het recht voor het laatst het woord te voeren.

3. Zodra het onderzoek ter zitting is gesloten, deelt de voorzitter mee wanneer uitspraak zal worden gedaan.

Artikel 22

1. De betrokkene kan, tenzij het tuchtgerecht beveelt, dat hij in persoon zal verschijnen, zich op de terechtzitting doen vertegenwoordigen door een advocaat, indien deze aldaar verklaart daartoe bepaaldelijk gevolmachtigd te zijn, of wel door een daartoe bij bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigde.

2. Het tuchtgerecht kan weigeren bepaalde personen, die niet zijn advocaat, als gemachtigde toe te laten. Bij zodanige weigering houdt het tuchtgerecht de zaak tot de volgende zitting aan.

3. Het tuchtgerecht stelt de betrokkene van de aanhouding en de reden daarvan in kennis en roept hem tevens op om op de voor de zaak bepaalde nadere zitting in persoon of bij een andere gemachtigde tegenwoordig te zijn.

4. De betrokkene kan zich te allen tijde door een raadsman doen bijstaan.

5. Het tuchtgerecht kan weigeren bepaalde personen, die niet zijn advocaat, als raadsman toe te laten. Bij zodanige weigering houdt het tuchtgerecht op verzoek van de betrokkene de zaak tot een volgende zitting aan.

Artikel 23

Op verzoek van de betrokkene kan de voorzitter of elk van de leden die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de onpartijdigheid van het tuchtgerecht schade zou kunnen lijden. De artikelen 513 tot en met 515 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 24

Op grond van feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 23 kan de voorzitter of een lid die een zaak behandelt, verzoeken zich te mogen verschonen. De artikelen 517, tweede en derde lid, tot en met 518 van het Wetboek van strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 25

1. Het tuchtgerecht kan ambtshalve of op verzoek van de betrokkene of de voorzitter van het bedrijfslichaam getuigen oproepen.

2. Ieder, die als getuige is opgeroepen, is verplicht voor het tuchtgerecht te verschijnen. Artikel 17, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

3. Met betrekking tot het horen van de getuigen en hun recht van verschoning zijn de artikelen 217 tot en met 220 van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing.

4. De voorzitter van het tuchtgerecht kan bepalen dat getuigen niet zullen worden gehoord dan na het afleggen van de eed of de belofte. Zij leggen in dat geval de eed of de belofte af dat zij zullen zeggen de gehele waarheid en niets dan de waarheid.

Artikel 26

1. Het tuchtgerecht kan ambtshalve of op verzoek van de betrokkene of de voorzitter van het bedrijfslichaam deskundigen benoemen, ten einde het gerecht voor te lichten, zo nodig, met opdracht een onderzoek in te stellen en het gerecht een verslag uit te brengen.

2. De deskundige is verplicht zijn taak onpartijdig en naar beste weten te verrichten. Ten aanzien van deskundigen en hun verhoor zijn de artikelen 217 tot en met 220 van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing.

3. Het tuchtgerecht kan de deskundige geheimhouding opleggen.

Artikel 27

1. Het tuchtgerecht doet schriftelijk uitspraak.

2. De uitspraak houdt in de beslissing omtrent het opleggen van de tuchtrechtelijke maatregel, de gronden en de voorschriften waarop zij berust.

3. Het tuchtgerecht spreekt de beslissing, bedoeld in het tweede lid, in het openbaar uit.

4. In afwijking van het eerste lid kan het tuchtgerecht na sluiting van het onderzoek ter zitting onmiddellijk mondeling uitspraak doen.

5. Van de mondelinge uitspraak wordt door de secretaris een proces-verbaal opgemaakt.

6. De uitspraak wordt onverwijld aan de betrokkene en de voorzitter van het bedrijfslichaam gezonden.

Artikel 28

1. Indien naar het oordeel van de voorzitter van het tuchtgerecht geen tuchtmaatregel of geen andere tuchtmaatregel dan een berisping of een geldboete van ten hoogste € 225 dient te worden opgelegd, kan de voorzitter de zaak zonder zitting afdoen. Artikel 27 is van overeenkomstige toepassing.

2. Tegen de uitspraak, bedoeld in het eerste lid, kan de betrokkene of de voorzitter van het bedrijfslichaam binnen zes weken na verzending van de uitspraak verzet doen. In dat geval vervalt de uitspraak en wordt de zaak verder overeenkomstig de artikelen 16 tot en met 27 behandeld.

Artikel 29

1. Tegen de betrokkene die ter zitting niet is verschenen of, ingeval zijn persoonlijke verschijning niet is bevolen, zich niet heeft laten vertegenwoordigen, wordt verstek verleend.

2. Tegen de bij verstek gegeven uitspraak kan de betrokkene binnen zes weken na verzending van de uitspraak verzet doen. In dat geval wordt de zaak overeenkomstig de artikelen 16 tot en met 27 behandeld. Indien de betrokkene opnieuw niet ter zitting verschijnt, wordt in afwijking van het eerste lid niet opnieuw verstek verleend.

Artikel 30

1. Op gezamenlijk verzoek van de voorzitter van het bedrijfslichaam en de eigenaar van het bedrijf waar de maatregel is opgelegd, kan het tuchtgerecht besluiten om de sanctie van het verscherpt toezicht op te heffen.

2. De artikelen 16, 18 tot en met 27 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de beslissing van artikel 27, tweede lid ziet op het toe- of afwijzen van het verzoek.

3. Tegen de uitspraak op het verzoek staat geen hoger beroep open.

HOOFDSTUK V HET BEROEP

Artikel 31

1. De betrokkene dan wel de voorzitter van het bedrijfslichaam kan binnen zes weken na de verzending van de uitspraak van het tuchtgerecht hoger beroep instellen bij het College, tenzij tegen die uitspraak verzet kan of kon worden gedaan.

2. De voorzitter van het bedrijfslichaam kan voorts hoger beroep instellen tegen een uitspraak bij verstek, tenzij de betrokkene verzet doet. Het hoger beroep kan worden ingesteld binnen zes weken nadat de termijn voor het doen van verzet ongebruikt is verstreken.

Artikel 32

1. Het hoger beroep wordt ingesteld door het indienen van een beroepschrift bij het College.

2. Het beroepschrift is ondertekend en bevat de gronden van het beroep.

3. De griffier zendt binnen een week na ontvangst van het beroepschrift een afschrift daarvan aan het tuchtgerecht en aan de betrokkene, dan wel de voorzitter van het bedrijfslichaam.

Artikel 33

Het tuchtgerecht doet binnen drie weken na ontvangst van het afschrift van het beroepschrift, bedoeld in het derde lid van het voorgaande artikel, de stukken toekomen aan de griffier van het College.

Artikel 34

1. Als het beroep kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, kan het College of de president zonder nader onderzoek door het College uitspraak doen. De uitspraak wordt onverwijld aan de betrokkene, het tuchtgerecht en de voorzitter van het bedrijfslichaam gezonden.

2. Tegen de uitspraak, bedoeld in het eerste lid, kan de betrokkene dan wel de voorzitter van het bedrijfslichaam binnen zes weken na de verzending van de uitspraak verzet doen bij het College. Artikel 32 is van overeenkomstige toepassing.

3. Het College verklaart het verzet niet-ontvankelijk, ongegrond of gegrond. Indien het verzet gegrond wordt verklaard, vervalt de uitspraak. De laatste zin van het eerste lid is van toepassing.

4. Als het beroep kennelijk niet-ontvankelijk of ongegrond is, kan het College het verzet niet-ontvankelijk of ongegrond verklaren, echter niet dan na de betrokkene dan wel de voorzitter van het bedrijfslichaam in de gelegenheid te hebben gesteld te worden gehoord.

5. De uitspraak op het verzet wordt onverwijld aan de betrokkene, het tuchtgerecht en de voorzitter van het bedrijfslichaam gezonden.

Artikel 35

1. Tenzij artikel 34, eerste lid wordt toegepast, bepaalt de president de dag voor de behandeling van de zaak. Betrokkene en de voorzitter van het bedrijfslichaam worden uitgenodigd om op een in de uitnodiging te vermelden plaats en tijdstip op een zittting van het College te verschijnen..

2. Voor de behandeling ter terechtzitting worden de processtukken gedurende ten minste een week ter griffie of elders ter kosteloze inzage voor de betrokkene en de voorzitter van het bedrijfslichaam danwel voor hun gemachtigden nedergelegd. De nederlegging wordt door de griffier tijdig ter kennis van de betrokkene en van de voorzitter van het bedrijfslichaam gebracht.

3. De in het vorige lid bedoelde termijn kan met toestemming van de betrokkene en de voorzitter van het bedrijfslichaam worden verkort.

4. Is de termijn niet in acht genomen, dan bepaalt het College een nieuwe rechtsdag, tenzij de betrokkene in persoon of bij gemachtigde is verschenen. In dit laatste geval kan op zijn verzoek uitstel worden verleend.

5. In de gevallen, waarin op de terechtzitting de behandeling van de zaak voor een bepaalde tijd wordt uitgesteld of geschorst, wordt geen nieuwe kennisgeving gedaan.

Artikel 36

Op het rechtsgeding zijn de artikelen 18 tot en met 26 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de «de betrokkene» telkens wordt gelezen: de betrokkene of de voorzitter van het bedrijfslichaam.

Artikel 37

Aan de betrokkene of de voorzitter van het bedrijfslichaam dan wel aan hun gemachtigden en aan de raadsman wordt de gelegenheid gegeven het woord te voeren en de gronden van het beroep toe te lichten.

Artikel 38

Na de behandeling van de zaak ter terechtzitting bepaalt de voorzitter de dag voor de uitspraak, tenzij het College onmiddellijk mondeling uitspraak doet.

Artikel 39

1. Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk, ongegrond of gegrond.

2. Indien het College niet voldoende is ingelicht, kan het bevelen, dat de behandeling der zaak op een nader te bepalen datum zal worden hervat.

Artikel 40

1. Indien het College het beroep gegrond verklaart, vernietigt het de uitspraak van het tuchtgerecht. In dat geval doet het College de zaak zelf af of verwijst haar naar het betrokken tuchtgerecht om haar af te doen met inachtneming van de beslissing van het College.

2. Indien een nader onderzoek noodzakelijk is en het College de zaak zelf afdoet, geschiedt de oproeping overeenkomstig artikel 16.

Artikel 41

1. Het College doet schriftelijk uitspraak.

2. De uitspraak houdt in de beslissing omtrent het opleggen van de tuchtrechtelijke maatregel, de gronden en de voorschriften waarop zij berust.

3. Het College spreekt de beslissing, bedoeld in het tweede lid, in het openbaar uit.

4. In afwijking van het eerste lid kan het College na sluiting van het onderzoek ter zitting onmiddellijk mondeling uitspraak doen.

5. Van de mondelinge uitspraak wordt door de griffier een proces-verbaal opgemaakt.

6. De uitspraak wordt onverwijld aan de betrokkene, de voorzitter van het bedrijfslichaam en het tuchtgerecht gezonden.

HOOFDSTUK VI DE TENUITVOERLEGGING

Artikel 42

De tenuitvoerlegging van uitspraken van een tuchtgerecht en van het College geschiedt op last van de voorzitter van het bedrijfslichaam. De voorzitter van het bedrijfslichaam kan niet van tenuitvoerlegging afzien, tenzij met goedkeuring van de voorzitter van het College.

Artikel 43

Een uitspraak wordt niet ten uitvoer gelegd voordat zij onherroepelijk is.

Artikel 44

1. De voorzitter van het bedrijfslichaam brengt binnen twee weken na het onherroepelijk worden van de uitspraak van het tuchtgerecht of van het College ter kennis van de betrokkene, binnen welke termijn hij de opgelegde geldboete, of de kosten van openbaarmaking van de uitspraak moet voldoen. Deze termijn kan op ten hoogste twee maanden worden gesteld en kan telkens worden verlengd, maar mag ook na verlenging niet langer zijn dan twee jaren.

2. Bij gebreke van volledige betaling binnen de in het eerste lid bedoelde termijn wordt het niet betaalde bedrag ingevorderd op dezelfde wijze als de heffingen, bedoeld in artikel 126, eerste lid van de Wet op de bedrijfsorganisatie. Artikel 127 van die wet is van overeenkomstige toepassing.

3. Het eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de kosten van de verscherpte controle, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel d, met dien verstande dat de termijn voor de kennisgeving van de betalingstermijn eerst aanvangt nadat de kosten zijn gemaakt.

Artikel 45

Indien in strijd met artikel 42 van tenuitvoerlegging wordt afgezien of indien de in artikel 44 gestelde termijnen niet in acht worden genomen, is artikel 99, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en tweede lid, van Wet op de bedrijfsorganisatie van overeenkomstige toepassing.

Artikel 46

Voorzover in enig jaar de ontvangsten uit geldboeten de kosten van de tuchtrechtspraak overtreffen, geeft het bestuur van het betrokken bedrijfslichaam aan het saldo een bijzondere bestemming, welke de instemming behoeft van de Sociaal-Economische Raad.

HOOFDSTUK VII SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN

Artikel 47

1. Op de behandeling van op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aanhangige tuchtzaken blijft de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie van toepassing.

2. Naar aanleiding van overtredingen die zijn begaan voor de inwerkingtreding van deze wet, kunnen slechts de tuchtrechtelijke maatregelen bepaald in de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie worden opgelegd.

Artikel 48

De Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie wordt ingetrokken.

Artikel 49

Artikel 13 van de Landbouwkwaliteitswet komt te luiden:

Artikel 13

1. Bij overtreding van bij of krachtens een landbouwkwaliteitsbesluit gestelde regelen kunnen een of meer van de volgende tuchtrechtelijke maatregelen worden opgelegd:

a. berisping;

b. geldboete;

c. het stellen van de betrokkene onder verscherpte controle op zijn kosten voor ten hoogste twee jaren;

d. openbaarmaking van de uitspraak op kosten van de betrokkene.

2. De controle-instelling regelt bij reglement de samenstelling en bevoegdheid van haar organen die de tuchtrechtspraak uitoefenen, alsmede de rechtsgang van het tuchtrechtelijk geding, een en ander met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regelen.

3. De artikelen 1, onderdeel b, 3 tot en met 6, 21 tot en met 25, 27 tot en met 41, 42, eerste lid, en 44 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2002 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat onder «de voorzitter van het bedrijfslichaam» en «bedrijfslichaam» in die artikelen telkens moet worden verstaan: de controle-instelling.

4. De controle-instelling geeft aan de opbrengsten van de geldboeten een bijzondere bestemming, welke de goedkeuring van Onze Minister behoeft.

5. In afwijking van artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan tegen een besluit van een tuchtgerecht of een centraal tuchtgerecht, ingesteld door een controle-instelling, geen bezwaar worden gemaakt.

Artikel 50

Artikel 44 van de Loodsenwet komt te luiden:

Artikel 44

De artikelen 1, onderdeel b, 3, 4, eerste lid, 5, 31 tot en met 43 en 44 eerste lid, van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2002 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:

a. van artikel 4, eerste lid, slechts de minimumboete van overeenkomstige toepassing is;

b. onder «de voorzitter van het bedrijfslichaam» in die artikelen telkens moet worden verstaan: de algemene raad of het bestuur van een regionale corporatie.

Artikel 51

Indien artikel I, onderdelen X, Y, en Z, onderdeel 2, en artikel XIV, vierde lid, van de Wet van 3 april 1999 tot wijziging van de Wet op de bedrijfsorganisatie en enige andere wetten (Stb. 1999, 253) in werking treden, wordt de Wet op de bedrijfsorganisatie als volgt gewijzigd:

A

In artikel 95, derde lid, wordt de eerste volzin vervangen door: Niet gedelegeerd wordt de bevoegdheid tot het vaststellen van verordeningen als bedoeld in artikel 93, eerste lid, en artikel 126, eerste lid, noch die tot het vaststellen van nadere voorschriften omtrent bij zo'n verordening geregelde onderwerpen, noch die tot het vaststellen ingevolge artikel 124, derde lid, van het bedrag der inkomsten en uitgaven.

B

Aan artikel 104 wordt een vierde lid toegevoegd luidende:

4. Het recht om een tuchtrechtelijke maatregel te vorderen verjaart in twee jaren. De artikelen 71, eerste lid, en 72, van het Wetboek van Strafrecht zijn van overeenkomstige toepassing.

C

Artikel 113 komt als volgt te luiden:

Artikel 113

Indien bij een verordening als bedoeld in artikel 110 een lichaam is ingesteld, kan bij die verordening aan het bestuur van dat lichaam uitsluitend mandaat worden verleend van de bevoegdheid van de deelnemende bedrijfslichamen om bij een verordening als bedoeld in de artikelen 93, eerste lid, en 126, eerste lid, regelen te stellen.

Artikel 52

De Gezondheids- en welzijnswet voor dieren wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 108a komt te luiden:

Artikel 108a

1. Bij toepassing van artikel 108, eerste en tweede lid, kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur dan wel bij ministeriële regeling worden bepaald dat tuchtrechtelijke maatregelen worden gesteld op overtreding van de bij die maatregel of regeling genoemde nadere regelen die door het bestuur van het betrokken bedrijfslichaam of samenwerkingslichaam krachtens artikel 108, eerste lid, bij verordening als bedoeld in artikel 108, tweede lid, zijn of worden gesteld, voorzover handelen in strijd met deze nadere regelen als overtreding strafbaar is gesteld.

2. De artikelen 1, onderdeel b, 2, 3 tot en met 6, 15 tot en met 44, eerste lid en 46 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2002 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de in artikel 46 genoemde instemming dient te worden verkregen van Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.

3. Onverminderd artikel 114, eerste lid, kan bij algemene maatregel van bestuur, dan wel bij ministeriële regeling, worden bepaald dat met het toezicht op de naleving van de nadere regels waarvoor tuchtrechtelijke maatregelen zijn of worden opgelegd, de bij besluit van het betrokken bedrijfslichaam of samenwerkingslichaam aangewezen personen zijn belast. Dit besluit behoeft de goedkeuring van Onze Minister. Onze Minister kan het betrokken bedrijfslichaam of samenwerkingslichaam een aanwijzing geven omtrent het aanwijzen van toezichthouders en de wijze waarop toezicht wordt uitgeoefend.

B

In artikel 114, eerste lid, wordt de zinsnede «Onverminderd artikel 108a, vijfde lid,» vervangen door: Onverminderd artikel 108a, derde lid,.

Artikel 53

1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

2. Artikel 7, eerste lid, treedt voor een bedrijfslichaam in werking

a. zodra in een verordening van het bedrijfslichaam, dan wel, indien het een hoofdproductschap of hoofdbedrijfschap betreft, van een bedrijfslichaam dat van dat hoofdproductschap of hoofdbedrijfschap onderdeel uitmaakt, feiten zijn aangewezen waarop een tuchtrechtelijke maatregel is gesteld, tenzij bij die verordening overeenkomstig artikel 7, tweede lid, onderdeel b, een ander tuchtgerecht is aangewezen, dan wel

b. zodra het bedrijfslichaam dan wel een daarbij aangesloten bedrijfslichaam bij of krachtens de wet wordt belast met de handhaving van bepalingen, op de overtreding waarvan een tuchtrechtelijke maatregel is gesteld.

Artikel 54

Deze wet wordt aangehaald als: Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2002.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister van Justitie,

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

De Minister van Economische Zaken,

Naar boven