Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2001-200228034 nr. 123

28 034
Wijziging van belastingwetten c.a. (Belastingplan 2002 II – Economische infrastructuur)

nr. 123
GEWIJZIGD VOORSTEL VAN WET

15 november 2001

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in het kader van het fiscale beleid voor het jaar 2002 wenselijk is maatregelen te treffen inzake de economische infrastructuur alsmede enkele overige onderwerpen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wet inkomstenbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:

A0. Aan artikel 3.6 wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:

5. Het in het eerste lid vermelde aantal uren van 1225 wordt in het jaar waarin de ondernemer is bevallen van een kind of waarin de zwangerschap door een andere oorzaak ten einde is gekomen, vervangen door 700.

A. Artikel 3.33 wordt vervangen door:

Artikel 3.33 Willekeurige afschrijving op films

1. De in een filmonderneming gemaakte voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen die zijn aangewezen als films in het belang van versterking van de filminfrastructuur in Nederland (filminvesteringen) kunnen door de belastingplichtige willekeurig worden afgeschreven, mits van de totale voortbrengingskosten van de film meer dan de helft betrekking heeft op voortbrenging in Nederland.

2. Bij ministeriële regeling kunnen filminvesteringen worden aangewezen door Onze Minister van Economische Zaken in overeenstemming met Onze Minister en Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.

3. Als filminvesteringen kunnen uitsluitend worden aangewezen investeringen in films die primair zijn bestemd voor vertoning in bioscopen, waarvan de voortbrengingskosten € 15 000 000 niet te boven gaan.

4. Voor de toepassing van dit artikel, artikel 3.42b en artikel 3.47a wordt onder filmonderneming verstaan een onderneming waarvan de feitelijke werkzaamheden uitsluitend of nagenoeg uitsluitend bestaan uit het voortbrengen van films en het exploiteren van zelf voortgebrachte films.

5. Dit artikel vindt slechts toepassing met betrekking tot voortbrengingskosten gemaakt voor 1 januari 2004.

B. In artikel 3.34, tweede lid, vervalt onderdeel b en wordt onderdeel c verletterd tot onderdeel b.

C. In artikel 3.36, tweede lid, onderdeel c, wordt «T&O-bedrijfsmiddelen» vervangen door: filminvesteringen.

D. In artikel 3.37, eerste lid, wordt «T&O-bedrijfsmiddelen» vervangen door: filminvesteringen. Voorts wordt in het eerste lid «een door de belastingplichtige gedaan verzoek» vervangen door: een door of namens de belastingplichtige gedaan verzoek.

E. In artikel 3.40 wordt «kleinschaligheidsinvesteringsaftrek, van energie-investeringsaftrek en van milieu-investeringsaftrek» vervangen door: kleinschaligheidsinvesteringsaftrek, van energie-investeringsaftrek, van milieu-investeringsaftrek en van filminvesteringsaftrek.

F. Na artikel 3.42a wordt ingevoegd:

Artikel 3.42b Filminvesteringsaftrek

1. Indien in een kalenderjaar in een filmonderneming van een medegerechtigde als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, onderdeel a, voortbrengingskosten worden gemaakt ter zake van een film met betrekking waartoe op een door of namens de medegerechtigde gedaan verzoek door Onze Minister van Economische Zaken is verklaard dat sprake is van een filminvestering als bedoeld in artikel 3.33, eerste lid, en dat toekenning van filminvesteringsaftrek terzake past binnen het hiervoor in de rijksbegroting opgenomen bedrag, en de medegerechtigde daarvoor bij de aangifte kiest, wordt een in het tweede lid aangewezen percentage van de voortbrengingskosten ten laste gebracht van de winst over dat jaar (filminvesteringsaftrek), mits van de totale voortbrengingskosten van de film meer dan de helft betrekking heeft op voortbrenging in Nederland.

2. Bij een bedrag aan filminvesteringen in een kalenderjaar van meer dan € 1900 bedraagt de filminvesteringsaftrek 47 percent.

3. Als bedrag aan filminvesteringen wordt ten hoogste in aanmerking genomen het laagste van:

a. met betrekking tot de filmonderneming in totaal een bedrag gelijk aan het bedrag, bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, en

b. per kalenderjaar € 25 000.

Indien de belastingplichtige medegerechtigde is in meer dan een filmonderneming, geldt het in de eerste volzin, onderdeel b, vermelde bedrag, voor al die ondernemingen tezamen.

4. Tot de voortbrengingskosten worden niet gerekend uitgaven voor goederen ter zake waarvan door een derde reeds filminvesteringsaftrek in aanmerking kan worden genomen.

5. Indien bij de aangifte wordt gekozen voor kleinschaligheidsinvesteringsaftrek blijft toepassing van de filminvesteringsaftrek achterwege.

6. Bij ministeriële regeling van Onze Minister van Economische Zaken kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde verklaring.

7. Tegen de in het eerste lid bedoelde verklaring staat beroep open bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Tegen een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven kunnen de belanghebbende en Onze Minister van Economische Zaken beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van de begrippen investeren en bedrijfsmiddelen. Op dit beroep zijn de voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen uitspraken van de gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige toepassing, waarbij het College van Beroep voor het bedrijfsleven de plaats inneemt van een gerechtshof.

8. Dit artikel vindt slechts toepassing met betrekking tot voortbrengingskosten gemaakt voor 1 januari 2004.

G. In artikel 3.44 wordt «artikelen 3.41, 3.42 en 3.42a» vervangen door: artikelen 3.41, 3.42, 3.42a en 3.42b.

H. Na artikel 3.47 wordt ingevoegd:

Artikel 3.47a Percentage voor desinvesteringsbijtelling bij film

1. In afwijking van artikel 3.47, eerste lid, wordt bij een filmonderneming van de overdrachtsprijzen van goederen terzake waarvan filminvesteringsaftrek is genoten, een in het tweede lid aangewezen percentage ten bate van de winst over het in dat lid bedoelde jaar gebracht.

2. Bij een overdrachtsprijs in een kalenderjaar van:

meer danmaar niet meer danbedraagt het percentage
60% van het investeringsbedrag 0
60%70% van het investeringsbedrag 3
70%80% van het investeringsbedrag 6
80%90% van het investeringsbedrag12
90%100% van het investeringsbedrag18
100%110% van het investeringsbedrag25
110%120% van het investeringsbedrag33
120%130% van het investeringsbedrag40
130%47

3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt mede als overdrachtsprijs aangemerkt de met de film behaalde omzet.

4. Indien met betrekking tot dezelfde film eerder een overdrachtsprijs is genoten, wordt de actuele overdrachtsprijs verhoogd met de eerdere overdrachtsprijs, en wordt de op basis daarvan berekende desinvesteringsbijtelling verminderd met de eerdere desinvesteringsbijtelling.

I. Artikel 3.52 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel a, onder 3o, wordt «T&O-bedrijfsmiddelen» vervangen door: filminvesteringen.

2. In het eerste lid, onderdeel b, wordt «artikel 3.41, tweede lid, artikel 3.42, derde lid, artikel 3.42a, derde lid, vermelde percentages voor de investeringsaftrek» vervangen door: artikel 3.41, tweede lid, artikel 3.42, derde lid, artikel 3.42a, derde lid, artikel 3.42b, tweede lid, vermelde percentages voor de investeringsaftrek, de in artikel 3.47a vermelde percentages voor de desinvesteringsbijtelling film.

3. Het vijfde lid vervalt.

IA. Artikel 3.63 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na «als bedoeld in het vierde lid» ingevoegd: of vijfde lid.

2. Na het vierde lid wordt, onder vernummering van het vijfde en zesde lid tot het zesde en zevende lid, een lid ingevoegd luidende:

5. Het eerste lid is voorts slechts van toepassing indien de onderneming wordt overgedragen aan een natuurlijk persoon die gedurende de 36 maanden die onmiddellijk voorafgaan aan het tijdstip van de overdracht als werknemer in die onderneming werkzaam is geweest.

3. In het tot zesde lid vernummerde vijfde lid wordt na «de in het vierde lid» ingevoegd: en vijfde lid.

IB. In artikel 3.76, tweede lid, wordt in de tabel de derde kolom vervangen door:

bedraagt de zelfstandigenaftrek 
€ 6 206 
€ 5 770  
€ 5 334  
€ 4 754  
€ 4 339 
€ 3 881  
€ 3 424  
€ 3 010 

J. Artikel 3.77 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt «en bij hem in die periode niet meer dan tweemaal de aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk is toegepast,» vervangen door: en aan hem voor die periode met betrekking tot ten hoogste twee kalenderjaren een S&O-verklaring is afgegeven,.

2. Aan het tweede lid wordt toegevoegd: Een S&O-verklaring die is afgegeven voor een deel van een kalenderjaar wordt aangemerkt als een S&O-verklaring afgegeven met betrekking tot een heel kalenderjaar.

3. In het artikel wordt, onder vernummering van het derde en vierde lid tot vierde respectievelijk vijfde lid, na het tweede lid een lid ingevoegd, luidende:

3. Indien de ondernemer in het kalenderjaar bevalt van een kind of in het kalenderjaar de zwangerschap van de ondernemer door een andere oorzaak ten einde komt, wordt het in het eerste lid genoemde aantal van 625 uur vervangen door 360 uur

K. Artikel 5.18a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid, onderdeel a, wordt de puntkomma vervangen door: of.

2. Onder verlettering van het derde lid, onderdeel c, tot onderdeel b komt het derde lid, onderdeel b, te vervallen.

L. In artikel 10.1, eerste volzin, wordt «3.42a,» vervangen door: 3.42a, 3.42b, tweede lid,.

M. In artikel 10.10, tweede lid, wordt «De artikelen 3.40 tot en met 3.47» vervangen door: De artikelen 3.40 tot en met 3.42a, 3.43 tot en met 3.47.

ARTIKEL II

De Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen wordt als volgt gewijzigd:

A. Artikel 21 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt «en met betrekking tot die periode de S&O-afdrachtvermindering ten hoogste voor twee kalenderjaren heeft toegepast,» vervangen door: en voor die periode met betrekking tot ten hoogste twee kalenderjaren een S&O-verklaring is afgegeven,.

2. Aan het tweede lid wordt toegevoegd: Een S&O-verklaring die is afgegeven voor een deel van een kalenderjaar wordt aangemerkt als een S&O-verklaring afgegeven met betrekking tot een heel kalenderjaar.

3. Het in het tweede lid vermelde percentage van «60» wordt vervangen door: 70.

B. Aan artikel 24 wordt, na het achtste lid, een nieuw lid toegevoegd, luidende:

9. Artikel 3.77, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is van overeenkomstige toepassing.

ARTIKEL III

De Wet op de dividendbelasting 1965 wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 1 wordt in het eerste lid «winstbewijzen en winstdelende obligaties van in Nederland gevestigde naamloze vennootschappen» vervangen door: winstbewijzen van en geldleningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 aan in Nederland gevestigde naamloze vennootschappen.

B. In artikel 2 wordt «obligaties» vervangen door: geldleningen.

C. Artikel 3, eerste lid, onderdeel f, komt te luiden:

f. vergoedingen op geldleningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969;.

ARTIKEL IV

De Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt als volgt gewijzigd:

A. Artikel 6 wordt vervangen door:

Artikel 6

Wij behouden ons voor onder daartoe te stellen voorwaarden van de belasting vrij te stellen lichamen waarbij het streven naar winst – opgevat met inachtneming van de aftrekken van artikel 9, eerste lid, onderdelen i en j, in verbinding met het vierde en vijfde lid van dat artikel – hetzij geheel ontbreekt, hetzij van bijkomstige betekenis is, en bij welke:

a. de behartiging van een algemeen maatschappelijk belang op de voorgrond staat, of

b. de behartiging van een sociaal belang op de voorgrond staat en de winst hoofdzakelijk wordt behaald met behulp van arbeid die door natuurlijke personen om niet of naar een loon dat in belangrijke mate lager is dan hetgeen in het economische verkeer gebruikelijk is, wordt verricht.

B. Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vierde lid, wordt «3.15, eerste, tweede en vijfde lid» vervangen door: 3.15, eerste, tweede, derde en vijfde lid.

2. Na het zesde lid wordt, onder vernummering van het zevende tot en met tiende lid in achtste tot en met elfde lid, ingevoegd:

7. Voor de toepassing van artikel 3.42b van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt voor medegerechtigde als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, onderdeel a, van die wet gelezen belastingplichtige. Voorts wordt voor de toepassing van artikel 3.42b, vijfde lid, met kleinschaligheids-investeringsaftrek gelijkgesteld energie-investeringsaftrek en milieu-investeringsaftrek.

C. Na artikel 8a wordt ingevoegd:

Artikel 8b

1. Indien een lichaam, onmiddellijk of middellijk, deelneemt aan de leiding van of het toezicht op, dan wel in het kapitaal van een ander lichaam en tussen deze lichamen ter zake van hun onderlinge rechtsverhoudingen voorwaarden worden overeengekomen of opgelegd (verrekenprijzen) die afwijken van voorwaarden die in het economische verkeer door onafhankelijke partijen zouden zijn overeengekomen, wordt de winst van die lichamen bepaald alsof die laatstbedoelde voorwaarden zouden zijn overeengekomen.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien een zelfde persoon, onmiddellijk of middellijk, deelneemt aan de leiding van of aan het toezicht op, dan wel in het kapitaal van het ene en het andere lichaam.

3. De in het eerste en tweede lid bedoelde lichamen nemen in hun administratie gegevens op waaruit blijkt op welke wijze de in dat lid bedoelde verrekenprijzen tot stand zijn gekomen en waaruit kan worden opgemaakt of er met bettrekking tot de totstandgekomen verrekenprijzen sprake is van voorwaarden die in het economische verkeer door onafhankelijke partijen zouden zijn overeengekomen.

Artikel 8c

1. Bij het bepalen van de winst blijven buiten aanmerking de door de belastingplichtige van onderscheidenlijk aan lichamen of natuurlijke personen die behoren tot het concern waarvan de belastingplichtige deel uitmaakt, ontvangen en betaalde:

a. renten ter zake van rechtens dan wel in feite direct of indirect samenhangende geldleningen, of

b. royalty's ter zake van rechtens dan wel in feite direct of indirect samenhangende rechtsverhoudingen, indien door de belastingplichtige met betrekking tot die geldleningen of rechtsverhoudingen per saldo geen reële risico's worden gelopen.

2. Een belastingplichtige wordt met betrekking tot samenhangende geldleningen geacht reële risico's te lopen indien het eigen vermogen dat passend is ter dekking van de risico's ten minste bedraagt het laagste van de volgende bedragen:

a. 1% van het bedrag van de uitstaande geldleningen, of

b. € 2 000 000.

De belastingplichtige dient aannemelijk te maken dat dit bedrag aan eigen vermogen aanwezig is ter dekking van de desbetreffende risico's en dat dit wordt aangetast als deze risico's zich manifesteren.

3. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, wordt tot de winst van de belastingplichtige gerekend een met inachtneming van artikel 8b te bepalen vergoeding voor de door de belastingplichtige uitgeoefende functies die betrekking hebben op de samenhangende geldleningen of rechtsverhoudingen.

4. Onder een concern wordt verstaan: de belastingplichtige tezamen met de met hem verbonden lichamen en verbonden natuurlijke personen, bedoeld in artikel 10a, vierde onderscheidenlijk vijfde lid.

D. Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid komt onderdeel b te vervallen, onder verlettering van de onderdelen c tot en met i tot b tot en met h.

2. Aan het eerste lid worden, onder vervanging van de punt aan het slot door een puntkomma, twee onderdelen toegevoegd, luidende:

i. bij een lichaam welker werkzaamheid uitsluitend of nagenoeg uitsluitend is gericht op de behartiging van een algemeen maatschappelijk belang of waarvan de werkzaamheid uitsluitend of nagenoeg uitsluitend is gericht op de verkrijging van gelden die ingevolge de statuten van het lichaam of op grond van een schriftelijke overeenkomst zullen worden uitgekeerd aan een instelling als bedoeld in artikel 16, eerste of derde lid: de uitgaven ten bate van het algemeen maatschappelijk belang alsmede de uitkeringen aan die instelling, tenzij als gevolg van deze aftrek ernstige concurrentieverstoring zou optreden;

j. bij een lichaam waarbij de behartiging van een algemeen maatschappelijk belang op de voorgrond staat of een lichaam waarbij de behartiging van een sociaal belang op de voorgrond staat en de winst hoofdzakelijk wordt behaald met behulp van arbeid die door natuurlijke personen om niet of naar een loon dat in belangrijke mate lager is dan hetgeen in het economische verkeer gebruikelijk is, wordt verricht: de kosten die met betrekking tot die personen aftrekbaar zouden zijn indien hun beloning plaats zou vinden op basis van het minimumloon, verminderd met de werkelijke kosten, tenzij als gevolg van deze aftrek ernstige concurrentieverstoring zou optreden.

3. In het tweede lid wordt «letter h» vervangen door: onderdeel g.

4. In het derde lid wordt «onderdeel i» vervangen door: onderdeel h.

5. Er worden drie nieuwe leden toegevoegd, luidende:

4. Voorzover een lichaam als bedoeld in het eerste lid, onderdeel j, aannemelijk maakt dat in het economische verkeer met betrekking tot een in dat onderdeel bedoelde persoon een hoger loon dan het minimumloon gebruikelijk is, worden de daar bedoelde aftrekbare kosten berekend op basis van dat hogere loon.

5. De aftrek van het eerste lid, onderdeel j, wordt slechts in aanmerking genomen voorzover deze meer bedraagt dan de aftrek van het eerste lid, onderdeel i. Indien de berekening van de belastbare winst door de aftrekken van het eerste lid, onderdelen i en j, zou leiden tot een negatief bedrag, blijft de aftrek ingevolge die onderdelen beperkt tot een zodanig bedrag dat geen negatief bedrag ontstaat. Indien voor aftrek van de aftrekken van het eerste lid, onderdelen i en j, de berekening van de belastbare winst reeds leidt tot een negatief bedrag, vinden die aftrekken geen toepassing.

6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorwaarden worden gesteld met betrekking tot de toepassing van het eerste lid, onderdelen i en j.

E. Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder verlettering van de onderdelen d tot en met g tot e tot en met h, wordt na onderdeel c een nieuw onderdeel ingevoegd, luidende:

d. vergoedingen op een geldlening alsmede waardemutaties van de lening, indien de lening onder zodanige voorwaarden is aangegaan dat deze feitelijk functioneert als eigen vermogen van de belastingplichtige. Hiervan is sprake indien zich met betrekking tot de geldlening – rechtens dan wel in feite – een omstandigheid voordoet als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, b of c;.

2. Onder aanduiding van de bestaande tekst als eerste lid, worden drie nieuwe leden toegevoegd, luidende:

2. De in het eerste lid, onderdeel d, bedoelde omstandigheden zijn:

a. de hoogte van de vergoeding op de geldlening is volledig afhankelijk gesteld van de winst of van de uitdeling van winst van de belastingplichtige of van een met de belastingplichtige verbonden lichaam als bedoeld in artikel 10a, vierde lid. De aflossingsdatum is meer dan 10 jaar gelegen na het tijdstip van het aangaan van de geldlening;

b. de hoogte van de vergoeding op de lening is gedeeltelijk afhankelijk gesteld van de winst of van de uitdeling van winst van de belastingplichtige of van een met de belastingplichtige verbonden lichaam als bedoeld in artikel 10a, vierde lid. Het niet van de winst afhankelijk gedeelte van de vergoeding bedraagt op het moment dat de vergoeding wordt overeengekomen minder dan de helft van de marktrente die geldt voor leningen met eenzelfde looptijd maar waarvan de vergoeding niet winstafhankelijk is. De aflossingsdatum is meer dan 10 jaar gelegen na het tijdstip van het aangaan van de geldlening;

c. de hoogte van de vergoeding is niet afhankelijk gesteld van de winst of van de uitdeling van winst van de belastingplichtige of van een met de belastingplichtige verbonden lichaam als bedoeld in artikel 10a, vierde lid, maar de verschuldigdheid van de vergoeding is daarvan wel afhankelijk gesteld. De lening is achtergesteld en heeft geen vaste aflossingsdatum of een aflossingsdatum die meer dan 50 jaar is gelegen na het tijdstip van het aangaan van de geldlening.

3. Op het moment dat er een wijziging wordt overeengekomen in de vergoeding van een geldlening, wordt beoordeeld of gedurende de resterende looptijd het eerste lid, onderdeel d, op de geldlening van toepassing is. Bij een verschuiving van de aflossingsdatum naar een later tijdstip wordt voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel d, de geldlening geacht vanaf het tijdstip van totstandkoming van de geldlening die nieuwe aflossingsdatum te hebben gehad.

4. Ingeval een geldlening is verkregen van een lichaam waarmee de schuldenaar is gelieerd in de zin van artikel 8b, wordt voor de toepassing van het tweede lid geacht sprake te zijn van een van de winstafhankelijke vergoeding, indien rechtens dan wel in feite:

a. geen vergoeding op de geldlening is overeengekomen, of

b. een vergoeding is overeengekomen die in belangrijke mate afwijkt van de vergoeding die in het economische verkeer door onafhankelijke partijen zou zijn overeengekomen.

F. In artikel 10a, vierde lid, wordt «Voor de toepassing van dit artikel en de artikelen 10c» vervangen door: Voor de toepassing van dit artikel en de artikelen 10, 10b.

G. Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na de eerste volzin ingevoegd: Indien een deelneming is vervreemd tegen een prijs welke geheel of ten dele bestaat uit een recht op een of meer termijnen waarvan het aantal of de omvang in het jaar van de vervreemding nog niet vaststaat, behoren bij de vervreemder de waardeveranderingen van dat recht en bij de verkrijger de waardeveranderingen van de met dat recht corresponderende verplichting tot de voordelen uit hoofde van de deelneming.

2. Het derde lid, eerste volzin, wordt vervangen door:

Onder een deelneming wordt begrepen:

a. een daarmee verband houdend bezit aan winstbewijzen;

b. een schuldvordering die bij de schuldenaar op grond van artikel 10, eerste lid, onderdeel d, feitelijk functioneert als eigen vermogen, indien de belastingplichtige op grond van het tweede lid een deelneming heeft in de schuldenaar.

De eerste volzin, aanhef en onderdeel b, is met betrekking tot een schuldvordering op een niet in Nederland gevestigd lichaam, slechts van toepassing indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat in het andere land bij de schuldenaar de vergoeding op die schuldvordering bij de belastingheffing over de winst buiten aanmerking blijft.

3. In het derde lid wordt de bestaande tweede volzin inspringend op een nieuwe regel geplaatst.

GA. Aan artikel 13b wordt toegevoegd:

6. Voorzover een schuldvordering, op een lichaam waarin de belastingplichtige of een met hem verbonden lichaam een deelneming heeft en waarop bij de schuldenaar artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van toepassing is, is afgewaardeerd ten laste van in Nederland belastbare winst van de belastingplichtige of een ander lichaam, vindt de deelnemingsvrijstelling geen toepassing op positieve voordelen uit die schuldvordering tot het bedrag van de afwaardering.

H. In artikel 13d, tweede lid, vervalt de zinsnede «– vermeerderd met de bedragen die met betrekking tot vorderingen op die deelneming ingevolge artikel 13b of 13ba tot de winst zijn gerekend alsmede met de positieve voordelen uit hoofde van die deelneming waarop de deelnemingsvrijstelling op grond van artikel 13c of artikel 13h geen toepassing heeft gevonden –». Voorts wordt aan dat lid toegevoegd: Onder het voor de deelneming opgeofferde bedrag worden mede begrepen:

a. de bedragen die met betrekking tot vorderingen op die deelneming ingevolge artikel 13b of 13ba tot de winst zijn gerekend;

b. de positieve voordelen uit hoofde van die deelneming waarop de deelnemingsvrijstelling op grond van artikel 13c of artikel 13h geen toepassing heeft gevonden;

c. de waardeveranderingen van een met de deelneming verband houdende verplichting als bedoeld in artikel 13, eerste lid, tweede volzin;

d. het voor een schuldvordering die ingevolge artikel 13, tweede lid, onder een deelneming wordt begrepen, opgeofferde bedrag, verminderd met het bedrag van afwaarderingen van de schuldvordering ten laste van in Nederland belastbare winst van de belastingplichtige.

I. Aan artikel 13g wordt toegevoegd:

3. In afwijking van het eerste en tweede lid wordt een bezit in een vennootschap die is gevestigd in een andere Lidstaat, welk bezit ter belegging wordt gehouden, niet met een deelneming gelijkgesteld indien:

a. de bezittingen van die vennootschap onmiddellijk of middellijk hoofdzakelijk bestaan uit belangen in één of meer niet in een Lidstaat gevestigde vennootschappen, en

b. die belangen, indien de belastingplichtige deze rechtstreeks zou hebben gehouden, niet als deelneming zouden worden aangemerkt.

4. Voorzover op een in het derde lid bedoeld belang in een niet in een Lidstaat gevestigde vennootschap, indien de belastingplichtige dit rechtstreeks zou hebben gehouden, artikel 28b, eerste lid, van toepassing zou zijn, waardeert de belastingplichtige de aandelen in de in de andere Lidstaat gevestigde vennootschap op de waarde in het economische verkeer.

5. Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat het houden van de in die leden bedoelde belangen door tussenkomst van een vennootschap die is gevestigd in een Lidstaat, in overwegende mate is ingegeven door andere overwegingen dan het ontgaan of uitstellen van belastingheffing.

IA. Aan artikel 15 worden twee leden toegevoegd:

6. Indien tot de winst van een fiscale eenheid winst uit een buitenlandse onderneming of uit een in het buitenland gelegen onroerende zaak behoort en de laatstgenoemde winst voor de vermindering van belasting ingevolge voorschriften ter voorkoming van dubbele belasting tot een hoger bedrag in aanmerking zou worden genomen dan het gezamenlijke bedrag dat in aanmerking zou zijn genomen bij afwezigheid van de fiscale eenheid, als gevolg van het feit dat er in het laatste geval financieringskosten toerekenbaar zijn aan de buitenlandse onderneming of de in het buitenland gelegen onroerende zaak die bij de fiscale eenheid niet tot uitdrukking komen, wordt, in afwijking van het eerste lid, de vermindering berekend alsof deze financieringskosten wel bij de fiscale eenheid tot uitdrukking komen, met dien verstande dat voor de berekening van de vermindering ten minste in aanmerking wordt genomen het hiervoor bedoelde gezamenlijke bedrag.

7. Het zesde lid vindt geen toepassing voorzover de belastingplichtige aannemelijk maakt dat de in dat lid bedoelde financieringskosten in het andere land bij de berekening van de belastbare grondslag niet in aftrek worden toegelaten.

IB. Aan artikel 15a wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:

7. Het bepaalde in artikel 15, zesde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.

J. Artikel 15c wordt vervangen door:

Artikel 15c

1. Indien een belastingplichtige voor de toepassing van deze wet of een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting dan wel de Belastingregeling voor het Koninkrijk niet meer wordt aangemerkt als inwoner van Nederland, worden de bestanddelen van zijn vermogen waarvan de voordelen dientengevolge niet meer begrepen worden in de belastbare winst, op het tijdstip onmiddellijk voorafgaande aan het ophouden van het hiervoor bedoelde inwonerschap geacht te zijn vervreemd tegen de waarde in het economische verkeer.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de vermogensbestanddelen die bij een fiscale eenheid afkomstig zijn van een dochtermaatschappij indien zich ten aanzien van die dochtermaatschappij een omstandigheid voordoet als bedoeld in het eerste lid.

K. Artikel 15d wordt vervangen door:

Artikel 15d

Voordelen die niet reeds uit anderen hoofde in aanmerking zijn genomen, worden gerekend tot de winst van het jaar waarin de belastingplichtige ophoudt in Nederland belastbare winst te genieten. In dat geval worden de bestanddelen van zijn vermogen voor de toepassing van de desinvesteringsbijtelling geacht te zijn vervreemd tegen de waarde in het economische verkeer.

L. Artikel 16, derde lid, wordt vervangen door:

3. Giften aan niet in Nederland gevestigde instellingen die voor het overige voldoen aan de in het eerste lid, eerste volzin, omschreven voorwaarden, worden aangemerkt als aftrekbare giften voorzover de instellingen daartoe bij ministeriële regeling zijn aangewezen.

LA. 1. In artikel 17a wordt, onder verlettering van de onderdelen c tot en met e in d tot en met f, een onderdeel ingevoegd luidende:

c. schuldvorderingen op een in Nederland gevestigde vennootschap indien de gerechtigde tot de schuldvordering een aanmerkelijk belang als bedoeld in artikel 17, derde lid, onderdeel b, in de vennootschap heeft;.

2. In het tot onderdeel f verletterde onderdeel e wordt «als bedoeld in onderdeel d» vervangen door: als bedoeld in onderdeel e.

M.1. In artikel 18, eerste lid, wordt «achtste lid» vervangen door: zevende en negende lid.

Voorts wordt «9 tot en met 14b en artikel 15b» vervangen door: 8b tot en met 14b en de artikelen 15b, 15d en 15e.

2. Aan het eerste lid wordt een zin toegevoegd, luidende: Artikel 3.66 van de Wet inkomstenbelasting 2001 is hierbij van overeenkomstige toepassing.

N. Artikel 20a wordt als volgt gewijzigd:

1. Het vierde lid wordt als volgt gewijzigd:

a. De aanhef wordt vervangen door: Het eerste lid is voorts niet van toepassing op een verlies dat is geleden in een jaar waarin de bezittingen van de belastingplichtige gedurende ten minste negen maanden niet grotendeels uit beleggingen bestonden, mits:

b. Onderdeel a vervalt, onder vernummering van de onderdelen b en c in a en b.

2. Onder vernummering van het vijfde tot en met tiende lid in zevende tot en met twaalfde lid, worden na het vierde lid twee leden ingevoegd, luidende:

5. Voor de toepassing van het vierde lid, onderdelen a en b, blijven werkzaamheden die in samenhang met de in het eerste lid bedoelde wijziging zijn aangevangen, buiten beschouwing.

6. Een verlies waarop het vierde lid van toepassing is, is slechts verrekenbaar met de belastbare winst onderscheidenlijk het Nederlandse inkomen van een jaar waarin de bezittingen van de belastingplichtige gedurende ten minste negen maanden niet grotendeels bestaan uit beleggingen.

3. In het tot negende lid vernummerde zevende lid wordt «dat lid» vervangen door: het eerste lid.

4. In het tot tiende lid vernummerde achtste lid, onderdeel c, wordt «bedoeld in het vierde lid, onderdelen b of c» vervangen door: bedoeld in het vierde lid, onderdelen a of b.

5. In het tot elfde vernummerde negende lid wordt «het vierde lid, onderdelen b of c» vervangen door: het vierde lid, onderdelen a of b. Voorts wordt «de voorwaarde van onderdeel a» vervangen door: de voorwaarde in de aanhef.

O. In artikel 22 wordt «35 percent» vervangen door: 34,5 percent. Voorts wordt «30 percent» vervangen door: 29 percent.

OA. In artikel 25a, eerste lid, wordt na «vastgesteld» ingevoegd: , dan wel een aanslag wordt vastgesteld op nihil,.

P. In artikel 28 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het tweede lid, onderdeel d vervalt «wonende natuurlijke personen en».

2. In onderdeel f wordt na «genoteerd» toegevoegd: en het lichaam niet beschikt over een vergunning op grond van de Wet toezicht beleggingsinstellingen.

3. In onderdeel g wordt na «genoteerd» toegevoegd: of het lichaam beschikt over een vergunning op grond van de Wet toezicht beleggingsinstellingen.

ARTIKEL V

De Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 2, onderdeel b, wordt «Lid-Staat» vervangen door: Lidstaat.

B. Artikel 5, tweede, derde, vierde en vijfde lid, komen te luiden:

2. Onze Minister stelt degene van wie de inlichtingen afkomstig zijn en die in Nederland woont of is gevestigd, in kennis van zijn besluit tot inwilliging van het verzoek om inlichtingen. Bij de kennisgeving geeft Onze Minister een omschrijving van de te verstrekken inlichtingen en vermeldt hij de bevoegde autoriteit van wie het verzoek afkomstig is.

3. Bij een besluit als bedoeld in het tweede lid geldt, in afwijking van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht, uitsluitend als belanghebbende degene tot wie de kennisgeving van het besluit is gericht.

4. Tenzij dringende redenen daartoe aanleiding geven, wordt aan de inwilliging van het verzoek om inlichtingen geen uitvoering gegeven dan na tien dagen na de dagtekening van de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid.

5. Indien dringende redenen daartoe aanleiding geven, kan Onze Minister, in afwijking van artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht, aan de inwilliging van het verzoek om inlichtingen uitvoering geven voordat degene van wie de inlichtingen afkomstig zijn, daarvan in kennis is gesteld. Alsdan vindt de kennisgeving zo spoedig mogelijk plaats, doch niet later dan vier maanden na het begin van de uitvoering.

C. Artikel 7, tweede lid, komt te luiden:

2. Onze Minister stelt degene van wie de inlichtingen afkomstig zijn en die in Nederland woont of is gevestigd, in kennis van zijn besluit de inlichtingen te verstrekken. Bij de kennisgeving geeft Onze Minister een omschrijving van de te verstrekken inlichtingen en vermeldt hij de bevoegde autoriteit aan wie de inlichtingen zullen worden verstrekt. Artikel 5, derde tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

D. Artikel 8, eerste lid, wordt vervangen door:

1. Onze Minister laat door een ambtenaar van de rijksbelastingdienst zo nodig een onderzoek instellen ten behoeve van het verstrekken van inlichtingen, bedoeld in de artikelen 5, 6 of 7.

E. Aan artikel 9 wordt een lid toegevoegd, luidende:

3. Indien een ambtenaar van de rijksbelastingdienst een onderzoek instelt in aanwezigheid van ambtenaren van een andere staat aan wie Onze Minister toestemming heeft verleend als bedoeld in het eerste lid, geeft Onze Minister, in afwijking van artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht, aan de inwilliging van het verzoek om inlichtingen uitvoering voordat degene van wie de inlichtingen afkomstig zijn, daarvan in kennis is gesteld. Alsdan vindt de kennisgeving zo spoedig mogelijk plaats, doch niet later dan vier maanden na het begin van de uitvoering.

F. In artikel 11 wordt «degenen die niet voldoet» vervangen door: degene die niet voldoet.

G. In artikel 15, vierde lid, vervalt «; op het verzoek is het bepaalde in artikel 5 van overeenkomstige toepassing».

ARTIKEL VI OVERGANGSRECHT IN VERBAND MET ARTIKEL I ONDERDEEL F

1. Met betrekking tot een onderneming die valt onder de werkingssfeer van hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel Dd, eerste lid, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001:

a. wordt voor investeringen in films waarvan de voortbrengingskosten in belangrijke mate zijn gemaakt in het kalenderjaar 2001 het in artikel 3.42b van de Wet inkomstenbelasting 2001 genoemde percentage van de filminvesteringsaftrek, vervangen door 25 en de verklaring, bedoeld in artikel 3.42b, eerste lid, van die wet geacht te zijn verstrekt;

b. vindt voor desinvesteringen van investeringen waarvoor 25 percent filminvesteringsaftrek is genoten, artikel 3.47a, eerste lid, van laatstgenoemde wet geen toepassing.

2. Indien in het kalenderjaar 2001 door een participant in een samenwerkingsverband als omschreven in hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel Dd, tweede lid, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 kleinschaligheidsinvesteringsaftrek als bedoeld in artikel 3.41 van de Wet inkomstenbelasting 2001 is genoten met betrekking tot investeringen in films waarvan de voortbrengingskosten niet in belangrijke mate zijn gemaakt in dat kalenderjaar, wordt deze kleinschaligheidsinvesteringsaftrek voor de toepassing van artikel 3.47a, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 aangemerkt als filminvesteringsaftrek als bedoeld in artikel 3.42b van die wet. Het bedrag van de desinvesteringsbijtelling, bedoeld in artikel 3.47a van de laatstgenoemde wet, kan in dat geval niet meer belopen dan het totaal van de bedragen die terzake van de investering als kleinschaligheidsinvesteringsaftrek en filminvesteringsaftrek in aanmerking zijn genomen.

ARTIKEL VII OVERGANGSRECHT INKOMSTENBELASTING

1. Voor toepassing over het kalenderjaar 2002 wordt het in de laatste kolom van de in artikel 3.41, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 opgenomen tabel als tweede vermelde percentage verhoogd met 1,5 procentpunten.

2. Voor toepassing over het kalenderjaar 2002 worden in artikel 3.76, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, de in de tabel opgenomen bedragen aan zelfstandigenaftrek verhoogd met € 152.

ARTIKEL VIIA OVERGANGSRECHT VENNOOTSCHAPSBELASTING

Artikel 8c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 vindt ten aanzien van een belastingplichtige voor de vennootschapsbelasting aan wie met betrekking tot in dat artikel bedoelde rentebedragen of royaltybedragen bij het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 21 december 2000, nr. RTB2000/3227M, zekerheid is verleend tot en met 31 december 2005 over de toepassing van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 zoals deze op 31 maart 2001 luidde, geen toepassing zolang, doch uiterlijk tot en met 31 december 2005, die belastingplichtige handelt overeenkomstig de aan die verstrekte zekerheid verbonden voorwaarden.

ARTIKEL VIIB

Indien het bij koninklijke boodschap van 25 oktober 1999 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 c.a. (herziening regime fiscale eenheid, 26 856) tot wet wordt verheven en op een later tijdstip in werking treedt dan deze wet, wordt artikel I van die wet als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel Ba wordt als volgt gewijzigd:

a. In het eerste lid wordt «onder vernummering van het vierde tot en met tiende lid tot vijfde tot en met elfde lid» vervangen door: onder vernummering van het vierde tot en met elfde lid in vijfde tot en met twaalfde lid.

b. In het tweede lid wordt «in het tot negende lid vernummerde achtste lid» vervangen door: in het tot tiende lid vernummerde negende lid.

2. Na onderdeel Ba wordt een nieuw onderdeel ingevoegd, luidende:

Bb. In artikel 8c, vierde lid, wordt «vierde onderscheidenlijk vijfde lid» vervangen door: vierde lid in verbinding met het zesde lid, onderscheidenlijk vijfde lid.

3. In onderdeel D wordt «tweede volzin» vervangen door: vierde volzin.

4. Na onderdeel G wordt een onderdeel H ingevoegd, luidende:

H. In artikel 13e, eerste lid, wordt «artikel 13d, achtste lid, vervangen door: artikel 13d, negende lid.

5. In het in onderdeel M voorgestelde artikel 15ac, derde lid, wordt «artikel 9, eerste lid, onderdeel h» vervangen door: artikel 9, eerste lid, onderdeel g.

6. Het in onderdeel N voorgestelde artikel 15a, eerste tot en met zevende lid, wordt als volgt gewijzigd:

a. In het eerste lid wordt «onder vernummering van het vijfde en zesde lid in zevende onderscheidenlijk achtste lid» vervangen door: onder vernummering van het vijfde tot en met zevende lid in achtste tot en met tiende lid.

b. In het vierde lid wordt «artikel 9, eerste lid, onderdeel h» vervangen door: artikel 9, eerste lid, onderdeel g.

c. In het zesde lid wordt «artikel 9, eerste lid, onderdeel h» vervangen door: artikel 9, eerste lid, onderdeel g.

d. In het tot tiende lid vernummerde negende lid wordt «Het bepaalde in artikel 15, zesde en zevende lid» vervangen door: Het bepaalde in artikel 15ac, vijfde en zesde lid.

7. Onderdeel Na vervalt.

8. Onderdeel O wordt vervangen door: In artikel 18, eerste lid, wordt «vijfde, zevende en negende lid» vervangen door: zesde, achtste, tiende en twaalfde lid.

ARTIKEL VIII INWERKINGTREDING

1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2002.

2. In afwijking van het eerste lid treedt artikel I, onderdeel K, in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

3. In afwijking van het eerste lid treden artikel I, onderdelen A tot en met IA, onderdeel J, derde lid, en onderdelen L en M, artikel II, onderdeel B, en artikel IV, onderdeel B, tweede lid, en artikel VI (overgangsbepaling in verband met artikel I, onderdeel F) in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat zo nodig terugwerkende kracht heeft tot 1 januari 2002.

4. Artikel I, onderdelen IB en L, vindt toepassing nadat artikel 10.1 van de Wet IB 2001 bij het begin van het kalenderjaar 2002 is toegepast.

5. De wijzigingen ingevolge artikel III, artikel IV, onderdeel D, eerste lid, E, F, G, tweede lid, GA en H, met betrekking tot het daarin opgenomen onderdeel d van artikel 13d, tweede lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, zijn voor het eerst van toepassing op leningen die zijn aangegaan na 31 december 2001.

6. De wijzigingen ingevolge artikel IV, onderdeel G, eerste lid, en H, met betrekking tot het daarin opgenomen onderdeel c van artikel 13d, tweede lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, zijn voor het eerst van toepassing op vervreemdingen van deelnemingen na 31 december 2001.

7. Artikel IV, onderdeel LA en M, tweede lid, werkt terug tot en met 1 januari 2001.

8. Artikel IV, onderdeel O, vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2002.

9. De wijzigingen ingevolge artikel IV, onderdeel P, tweede en derde lid, vinden op verzoek van de belastingplichtige toepassing met ingang van 1 januari 2001.

10. De wijzigingen ingevolge artikel V vinden voor het eerst toepassing met betrekking tot besluiten tot het verstrekken van inlichtingen die worden genomen na 31 december 2001.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Staatssecretaris van Financiën,