Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2001-200227874 nr. 316a

27 874
Wijziging van de Opiumwet

nr. 316a
VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT1

Vastgesteld 28 mei 2002

Het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel gaf de commissie aanleiding tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.

De leden van de CDA-fractie konden instemmen met de omzetting van het verlofstelsel uit de Opiumwet naar een ontheffingenstelsel in aansluiting op het wetsvoorstel 26 883 (Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur). Evenzeer konden zij zich vinden in het geven van regels voor de teelt van hennep voor geneeskundige en wetenschappelijke doeleinden. Dat nam niet weg dat deze leden aangaande het wetsvoorstel nog enkele vragen hadden.

In de eerste plaats stelden de leden van de CDA-fractie een vraag over de taak en positie van de Inspectie voor de Volksgezondheid. De inspectie is belast met de naleving van de voorwaarden van de ontheffing en de bepalingen van de Opiumwet.

Anderzijds is daar artikel 8f waarin expliciet gemaakt wordt dat de houder wiens ontheffing wordt ingetrokken zich van de middelen dient te ontdoen. Als een van de mogelijkheden daartoe kan de ontheffinghouder met de regionaal inspecteur overeenkomen de voorraden aan de inspecteur over te doen (memorie van toelichting blz. 7, beschouwingen ten aanzien van de artikelen 8b tot en met 8f). Is het niet op zijn minst verwarrend dat de toezichthouder ook als opkoper kan fungeren en naast zijn publiekrechtelijke inspectietaak ook een civielrechtelijke opdracht kan realiseren? Is dit niet temeer vreemd nu sinds 1 januari 2001 het Bureau voor Medicinale Cannabis als monopolist voor de teelt en het opkopen van alle cannabis in de markt is gezet? Past deze regeling op deze wijze wel in de wet nu juist dit wetsvoorstel gerelateerd wordt aan het niet vermengen van functies respectievelijk integriteit (aansluiting bij de Wet Bibob)?

Indien het wetsvoorstel wet is geworden, zal een drietal instanties belast zijn met het toezicht op de naleving daarvan. Het BMC controleert de telers waar het de nakoming van de gesloten overeenkomst betreft. De Inspectie voor de Gezondheidszorg ziet toe op de naleving van de voorwaarden van de ontheffing en de bepalingen van de Opiumwet. In de derde plaats voegt artikel 8j daaraan nog de ambtenaren van de belastingdienst (douane) toe. Afgezien nog van de noodzaak voor helderheid in de richting van de betrokken burgers of instanties over de vraag wie waar optreedt/mag optreden, leek het deze leden ook overigens wenselijk dat er een duidelijke taakafbakening wordt vastgelegd. Dat doet de wet nu niet. Is de regering eveneens van oordeel dat dit wel had moeten gebeuren en dat de afweging in de memorie van toelichting («dat de Inspectie voor de Gezondheidszorg en de Belastingdienst/Douane in bespreking zijn over een te sluiten convenant dat de onderlinge afstemming van werkzaamheden zal regelen») daartoe niet voldoende waarborgen geeft? Deze vraag werd voor de leden van de CDA-fractie nog versterkt nu artikel 8k (ook) aan de ambtenaren van de Inspectie voor de Volksgezondheid uitdrukkelijk opsporingsbevoegdheid verleent.

Volgens artikel 8, lid 1 van het wetsvoorstel is het verbod tot onder meer het verkopen en verstrekken van een middel niet van toepassing op apothekers, apotheekhoudende artsen en dierenartsen. Artikel 8, lid 1 adc, 1e noemt expliciet dezelfde beroepsgroepen. Het tweede lid van artikel 5 daarentegen noemt de sectoren geneeskunst, tandheelkunde en diergeneeskunde binnen welke beroepsuitoefeningen ontheffingen in een AMvB kunnen worden geregeld. Vanwaar de incongruentie dat de sector tandheelkunde niet voorkomt in de artikelen 5, lid 1 en 8, lid 1?

Tenslotte stelden deze leden een vraag over de inhoud van artikel 3a, waar het betreft de wijzigingsmogelijkheid van de lijsten I en II. Artikel 3 bepaalt dat die lijsten, die onderdeel van de wet zijn, bij AMvB kunnen worden gewijzigd ten aanzien van middelen die onder de werking van het Psychotrope Stoffen Verdrag zijn gebracht. De Raad van State ontraadt een dergelijke wetswijziging bij lagere regeling. In de nota naar aanleiding van het verslag stelt de regering dat hij met de Raad van State van oordeel is dat dit systeem zoveel mogelijk vermeden zou moeten worden. Verder laat hij weten dat het systeem «naar onze mening zou moeten kunnen». Deze leden achtten de aldus geformuleerde argumentatie voor deze keuze minimaal en deelden de bedenkingen van de Raad van State. Ook de kunstgreep van een verplichte voorhangprocedure in beide Kamers nam hun bezwaren niet weg. Deze leden waren van oordeel dat het kiezen van de weg om een lagere regeling de wet te laten wijzigen staatsrechtelijk ongepast is. Acht de regering het niet de moeite waard alsnog te zoeken naar een meer passende wijzigingsregeling en is zij bereid op dit punt met aanvullende wijzigingswetgeving te komen?

De leden van de fractie van GroenLinks vroegen allereerst of het niet juister ware geweest dit wetsvoorstel aan het parlement voor te leggen na parlementaire goedkeuring van de Wet Bibob. Waarom heeft de regering niet voor die volgorde gekozen?

In hoeverre is uit onderzoek gebleken dat AIDS- en HIV-patiënten baat hebben bij het gebruik van cannabis, zo vroegen deze leden vervolgens. Maakt cannabis deel uit van het ziekenfondspakket? Zo neen, is de regering dan bereid cannabis voor medicinale doeleinden in het ziekenfondspakket op te nemen?

Is het juist dat een verbod bestaat op verkoop van «poppers» voor recreatief gebruik? De leden van de GroenLinks-fractie vroegen de regering nu deze stof niet op bijgevoegde wettelijke lijst van onder de Opiumwet vallende stoffen voorkomt, op welk besluit en op welke overwegingen een eventueel wettelijk verbod op handelingen met deze stof dan wel berust.

De voorzitter van de commissie,

Ter Veld

De griffier van de commissie,

Janssen


XNoot
1

Samenstelling:

Boorsma (CDA), Werner (CDA), Van Leeuwen (CDA) (plv. voorzitter), Van den Berg (SGP), Ter Veld (PvdA) (voorzitter), Dees (VVD), Hessing (D66), Ruers (SP), Dupuis (VVD), Stekelenburg (PvdA), Van Schijndel (GL) en Swenker (VVD).