Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2001-200227836 nr. 144

27 836
Regels inzake ammoniakemissie uit tot veehouderijen behorende dierenverblijven (Wet ammoniak en veehouderij)

nr. 144
GEWIJZIGD VOORSTEL VAN WET

22 november 2001

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels te stellen met betrekking tot beslissingen inzake vergunningen krachtens de Wet milieubeheer, voorzover het betreft de ammoniakemissie uit dierenverblijven van veehouderijen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel 1

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

ammoniakemissie: emissie van ammoniak, uitgedrukt in kg NH3 per jaar;

dierenverblijf: al dan niet overdekte ruimte waarbinnen dieren worden gehouden;

dierplaats: deel van een huisvestingssysteem, bestemd voor het houden van één dier;

ecologische hoofdstructuur: ecologische hoofdstructuur, als bedoeld in het Natuurbeleidsplan (Kamerstukken II 1989/90, 21 149, nrs. 2–3), zoals deze is begrensd door het provinciaal bestuur, of, voorzover deze begrenzing nog niet heeft plaatsgevonden, zoals deze is aangegeven in een plan als bedoeld in artikel 2a, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening;

emissiefactor: bij of krachtens ministeriële regeling vastgestelde ammoniakemissie per dierplaats, behorende bij een daarbij aangewezen diercategorie en huisvestingssysteem;

huisvestingssysteem: gedeelte van een dierenverblijf, waarin dieren van één diercategorie op dezelfde wijze worden gehouden;

kwetsbaar gebied: gebied dat als zodanig is aangemerkt krachtens artikel 2;

maximale emissiewaarde: ammoniakemissie per dierplaats, die ingevolge een voorschrift gesteld krachtens artikel 8.44 van de Wet milieubeheer bij een diercategorie ten hoogste mag plaatsvinden;

melkrundvee:

1°. melkvee met bijbehorend vrouwelijk jongvee, dat overwegend wordt gehouden voor de melkproductie, met inbegrip van dieren die in de mestperiode worden gemolken, tijdens de lactatie worden gemest dan wel zijn drooggezet en worden afgemest, en

2°. vrouwelijk vleesvee ouder dan 2 jaar met bijbehorend vrouwelijk jongvee, dat op een met melkvee vergelijkbare manier wordt gehouden voor de vleesproductie en het voortbrengen en zogen van kalveren;

melkrundveehouderij: veehouderij die uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor het bedrijfsmatig houden van melkrundvee;

Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

veehouderij: inrichting, die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoort en is bestemd voor het kweken, fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren;

vergunning: vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer.

2. Voor de berekening van de ammoniakemissie van een veehouderij wordt het aantal dieren dat in de veehouderij aanwezig mag zijn, vermenigvuldigd met de emissiefactoren.

3. Totdat een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.44 van de Wet milieubeheer, waarbij maximale emissiewaarden zijn vastgesteld, van kracht is, geldt voor de toepassing van deze wet als maximale emissiewaarde de waarde die als zodanig is vastgesteld bij ministeriële regeling. Voor een diercategorie waarvoor geen maximale emissiewaarde is vastgesteld, geldt als maximale emissiewaarde de emissiefactor behorende bij het betrokken huisvestingssysteem.

Artikel 2

1. Als kwetsbaar gebied worden aangemerkt gebieden die deel uitmaken van de ecologische hoofdstructuur, en:

a. onmiddellijk voorafgaand aan het vervallen van de Interimwet ammoniak en veehouderij als voor verzuring gevoelig krachtens artikel 1, tweede lid, van de Interimwet ammoniak en veehouderij waren aangemerkt, of

b. waarop onmiddellijk voorafgaand aan het vervallen van de Interimwet ammoniak en veehouderij een convenant als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b, van de Uitvoeringsregeling ammoniak en veehouderij van toepassing was, met ingang van het tijdstip waarop dat convenant niet meer van toepassing is.

2. Voor de toepassing van het eerste lid stellen gedeputeerde staten bij besluit vast welke gebieden in hun provincie deel uitmaken van de ecologische hoofdstructuur, voorzover dat onderscheidenlijk op zodanige wijze als noodzakelijk is om te kunnen vaststellen welke van de in het eerste lid, onder a of b, bedoelde gebieden als kwetsbaar moeten worden aangemerkt. Een zodanig besluit gaat vergezeld van een of meer kaarten.

3. Voorzover binnen een provincie of een deel van een provincie het in het tweede lid bedoelde besluit niet is bekend gemaakt, worden in die provincie of dat deel van die provincie als kwetsbaar gebied aangemerkt alle gebieden, bedoeld in het eerste lid onder a en b.

4. Bij een wijziging van de begrenzing van de ecologische hoofdstructuur die gevolgen kan hebben voor het aanmerken van de in het eerste lid, onder a of b, bedoelde gebieden als kwetsbaar gebied, wijzigen gedeputeerde staten tegelijkertijd ook het in het tweede lid bedoelde besluit. Deze wijziging wordt tegelijk met de wijziging van de begrenzing bekend gemaakt.

Artikel 3

1. Bij beslissingen inzake de vergunning voor de oprichting of verandering van een veehouderij betrekt het bevoegd gezag de gevolgen van ammoniakemissie uit de tot de veehouderij behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze die is aangegeven bij of krachtens de artikelen 4 tot en met 7.

2. Het eerste lid geldt niet voor de gevolgen voor het milieu die veroorzaakt worden door directe opname uit de lucht van ammoniak door planten en bomen.

3. Het eerste lid geldt evenmin voor voorschriften die worden gesteld met toepassing van de artikelen 8.11, 8.44, 8.45 of 8.46 van de Wet milieubeheer.

4. Het eerste lid geldt – onverminderd artikel 7 – evenmin bij het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 7.35 van de Wet milieubeheer met betrekking tot een veehouderij, bij de voorbereiding waarvan krachtens hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer een milieu-effectrapport dient te worden gemaakt.

Artikel 4

1. Een vergunning voor het oprichten van een veehouderij wordt geweigerd, indien een tot de veehouderij behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in een kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied.

2. Indien geen van de tot de veehouderij behorende dierenverblijven geheel of gedeeltelijk is gelegen in een kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied, wordt een vergunning voor het oprichten van een veehouderij geweigerd, indien de veehouderij onder de reikwijdte van Richtlijn nr. 96/61/EG van de Raad van de Europese Unie van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (PbEG L 257) valt en de ammoniakemissie uit de dierenverblijven een belangrijke verontreiniging veroorzaakt.

Artikel 5

1. In afwijking van artikel 4, eerste lid, wordt een vergunning niet geweigerd met het oog op de ammoniakemissie uit de tot de veehouderij behorende dierenverblijven, indien de veehouderij al was opgericht en onmiddellijk voorafgaand aan het ontstaan van de vergunningplicht onder de werking van een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.40 van de Wet milieubeheer viel, en:

a. het aantal dieren per diercategorie niet hoger is dan overeenkomstig de betrokken algemene maatregel van bestuur onmiddellijk voorafgaand aan het ontstaan van de vergunningplicht aanwezig mocht zijn,

b. het aantal dieren van een of meer diercategorieën hoger is dan het aantal, bedoeld onder a, maar de ammoniakemissie niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie uit de tot de veehouderij behorende dierenverblijven die de veehouderij onmiddellijk voorafgaand aan het ontstaan van de vergunningplicht zou mogen veroorzaken, indien de emissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde,

c. de veehouderij onmiddellijk voorafgaand aan het vervallen van de Interimwet ammoniak en veehouderij een melkrundveehouderij was, van uitsluitend melkrundvee het aantal dieren hoger is dan het aantal bedoeld onder a, en de ammoniakemissie na de uitbreiding niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie die een melkrundveehouderij met 110 stuks melkvee en 77 stuks vrouwelijk jongvee in geval van oprichting zou veroorzaken, indien de ammoniakemissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde,

d. het aantal schapen of paarden hoger is dan bedoeld onder a.

e. het aantal dieren dat wordt gehouden overeenkomstig de regels die krachtens artikel 2 van de Landbouwkwaliteitswet zijn gesteld ten aanzien van de biologische productiemethoden, hoger is dan bedoeld onder a, of

f. het aantal dieren dat wordt gehouden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer, hoger is dan bedoeld onder a.

2. In afwijking van artikel 4, eerste lid, wordt een vergunning eveneens niet geweigerd, indien in de veehouderij dieren worden gehouden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer.

Artikel 6

1. Een vergunning voor het veranderen van een veehouderij wordt geweigerd, indien de aanvraag betrekking heeft op een uitbreiding van het aantal dieren van een of meer diercategorieën en een tot de veehouderij behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in een kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied.

2. Indien geen van de tot de veehouderij behorende dierenverblijven geheel of gedeeltelijk is gelegen in een kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied, wordt een vergunning voor het veranderen van een veehouderij geweigerd, indien de veehouderij onder de reikwijdte van Richtlijn nr. 96/61/EG van de Raad van de Europese Unie van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (PbEG L 257) valt, en de toename van de ammoniakemissie uit de dierenverblijven als gevolg van de uitbreiding een belangrijke toename van de verontreiniging veroorzaakt.

Artikel 7

1. In afwijking van artikel 6, eerste lid, wordt de vergunning niet geweigerd, voorzover:

a. de ammoniakemissie uit de dierenverblijven na de uitbreiding niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie die de veehouderij voorafgaand aan de uitbreiding:

1°. zou mogen veroorzaken indien de emissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde, of

2°.op grond van eerder verleende nog geldende vergunningen mocht veroorzaken, indien deze lager is dan de ammoniakemissie, als bedoeld onder 1°, of

b. de veehouderij onmiddellijk voorafgaand aan het vervallen van de Interimwet ammoniak en veehouderij een melkrundveehouderij was, de uitbreiding uitsluitend melkrundvee betreft en de ammoniakemissie na uitbreiding niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie die een melkrundveehouderij met 110 stuks melkvee en 77 stuks vrouwelijk jongvee in geval van oprichting zou veroorzaken, indien de ammoniakemissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde,

c. de uitbreiding schapen of paarden betreft,

d. de uitbreiding dieren betreft die worden gehouden overeenkomstig de regels die krachtens artikel 2 van de Landbouwkwaliteitswet zijn gesteld ten aanzien van de biologische productiemethoden, of

e. de uitbreiding dieren betreft die worden gehouden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer.

2. Voor het bepalen van de ammoniakemissie uit de dierenverblijven die de veehouderij voorafgaand aan de uitbreiding zou mogen veroorzaken, wordt de ammoniakemissie van de dieren waarvoor eerder vergunning is verleend met toepassing van het eerste lid, onder b tot en met e, dan wel artikel 5, eerste lid, onder c tot en met f, niet meegerekend.

Artikel 8

Artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer is niet van toepassing op het veranderen van een veehouderij, indien het veranderen betrekking heeft op een uitbreiding van het aantal dieren van een of meer diercategorieën en een tot de veehouderij behorend dierenverblijf na de uitbreiding geheel of gedeeltelijk is gelegen in een kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied.

Artikel 9

Een ministeriële regeling krachtens deze wet wordt vastgesteld door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.

Artikel 10

1. Een vergunning die is aangevraagd op of na 8 december 2000 en voor het in werking treden van deze wet is verleend, vervalt met ingang van de dag waarop een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.44 van de Wet milieubeheer, waarbij maximale emissiewaarden zijn vastgesteld, in werking treedt, indien:

a. de vergunning betrekking heeft op:

1°. het oprichten van een veehouderij, of

2°. het veranderen van een veehouderij, inhoudende een uitbreiding van het aantal dieren van een of meer diercategorieën, en

b. een tot de veehouderij behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in een voor verzuring gevoelig gebied als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Interimwet ammoniak en veehouderij dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied.

2. Indien een melding als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, onder b, van de Wet milieubeheer is gedaan op of na 8 december 2000 en met betrekking daartoe voor het in werking treden van deze wet het bevoegd gezag een verklaring heeft afgegeven als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, onder c, van de Wet milieubeheer, vervallen de rechtsgevolgen van die melding en die verklaring met ingang van de dag waarop een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.44 van de Wet milieubeheer, waarbij maximale emissiewaarden zijn vastgesteld, in werking treedt, indien:

a. de melding betrekking heeft op het veranderen van een veehouderij, inhoudende een uitbreiding van het aantal dieren van een of meer diercategorieën, en

b. een tot de veehouderij behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in een voor verzuring gevoelig gebied als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Interimwet ammoniak en veehouderij dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied.

3. In afwijking van het eerste en het tweede lid vervalt de vergunning niet, respectievelijk vervallen de rechtsgevolgen van de melding en de verklaring niet, indien:

a. geen van de tot de veehouderij behorende dierenverblijven is gelegen in een kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied,

b. de ammoniakemissie uit de dierenverblijven die ingevolge de vergunning is toegestaan, niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie die de veehouderij op 8 december 2000:

1°. zou mogen veroorzaken indien de emissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde, of

2°. op grond van eerder verleende nog geldende vergunningen mocht veroorzaken, indien deze lager is dan de ammoniakemissie als bedoeld onder 1°,

c. de veehouderij op 8 december 2000 een melkrundveehouderij was, de uitbreiding van het aantal dieren ten opzichte van het aantal op 8 december 2000 uitsluitend melkrundvee betreft en de ammoniakemissie na uitbreiding niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie die een melkrundveehouderij met 110 stuks melkvee en 77 stuks vrouwelijk jongvee in geval van oprichting zou veroorzaken, indien de ammoniakemissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde,

d. de uitbreiding schapen of paarden betreft,

e. de uitbreiding dieren betreft die worden gehouden overeenkomstig de regels die krachtens artikel 2 van de Landbouwkwaliteitswet zijn gesteld ten aanzien van de biologische productiemethoden, of

f. de uitbreiding dieren betreft die worden gehouden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer.

4. In afwijking van artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer mag een veehouderij dan wel een verandering van de veehouderij waarvoor de vergunning is vervallen op grond van het eerste lid, dan wel waarvoor de rechtsgevolgen van de melding en de verklaring zijn vervallen op grond van het tweede lid, overeenkomstig die vergunning of melding in werking worden gehouden tot twaalf weken na het tijdstip van het vervallen van de vergunning of van de rechtsgevolgen van de melding en de verklaring, en indien binnen deze termijn een aanvraag om de voor de bedoelde oprichting of verandering van de veehouderij vereiste vergunning is ingediend, vervolgens tot acht weken na het tijdstip waarop de beschikking op die aanvraag in werking is getreden.

5. Bij de beslissing op een aanvraag als bedoeld in het vierde lid, wordt de vergunning geweigerd, indien het aantal dieren van een of meer diercategorieën meer bedraagt dan het aantal dieren dat op 8 december 2000 in de veehouderij mocht worden gehouden.

6. In afwijking van het vijfde lid wordt de vergunning niet geweigerd, indien:

a. geen van de tot de veehouderij behorende dierenverblijven is gelegen in een kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied,

b. de ammoniakemissie uit de dierenverblijven niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie die de veehouderij op 8 december 2000:

1°. zou mogen veroorzaken indien de emissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde, of

2°. op grond van eerder verleende nog geldende vergunningen mocht veroorzaken, indien deze lager is dan de ammoniakemissie als bedoeld onder 1°,

c. de veehouderij op 8 december 2000 een melkrundveehouderij was, de uitbreiding van het aantal dieren ten opzichte van het aantal op 8 december 2000 uitsluitend melkrundvee betreft en de ammoniakemissie na uitbreiding niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie die een melkrundveehouderij met 110 stuks melkvee en 77 stuks vrouwelijk jongvee in geval van oprichting zou veroorzaken, indien de ammoniakemissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde,

d. de uitbreiding schapen of paarden betreft,

e. de uitbreiding dieren betreft die worden gehouden overeenkomstig de regels die krachtens artikel 2 van de Landbouwkwaliteitswet zijn gesteld ten aanzien van de biologische productiemethoden, of

f. de uitbreiding dieren betreft die worden gehouden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer.

7. Het eerste lid is niet van toepassing, indien tegen een vergunning als bedoeld in dat lid binnen de daarvoor gestelde termijn beroep is of wordt ingesteld. Het beroep wordt afgedaan met inachtneming van het bij of krachtens deze wet bepaalde.

8. Het zevende lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een melding als bedoeld in het tweede lid.

9. Indien de aanvraag van een vergunning voor een veehouderij is ingediend voor 8 december 2000 blijft het voor dat tijdstip geldende recht van toepassing tot het tijdstip waarop de beschikking op de aanvraag onherroepelijk is geworden.

Artikel 11

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 12

Deze wet wordt aangehaald als Wet ammoniak en veehouderij.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad wordt geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,