Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum ontvangst
Eerste Kamer der Staten-Generaal2001-200227835 nr. 143b

27 835
Regels inzake stankemissie in ontwikkelingsgebieden (Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelingsgebieden)

27 836
Regels inzake ammoniakemissie uit tot veehouderijen behorende dierenverblijven (Wet ammoniak en veehouderij)

nr. 143b
MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 10 december 2001

1. Inleiding

Met belangstelling hebben wij kennis genomen van het voorlopig verslag dat de vaste commissies voor Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en voor Landbouw, Natuurbeheer en Visserij op 7 december jl. hebben vastgesteld.

Wij stellen vast dat de noodzaak en wenselijkheid van specifieke wetgeving ten aanzien van de emissie van ammoniak en stank door de leden van de verschillende fracties niet ter discussie wordt gesteld. De leden van de VVD-fractie hebben in dat verband met instemming geconstateerd dat het ammoniakbeleid in het wetsvoorstel inzake ammoniak is gebaseerd op emissiebeleid en niet meer op depositiebeleid zoals in de Interimwet ammoniak en veehouderij het geval is. Ook de leden van de fractie van de PvdA stemmen uitdrukkelijk in met deze beleidswijziging. Wel willen de leden van deze fracties nadere informatie en meer duidelijkheid over een aantal onderwerpen die het wetsvoorstel inzake ammoniak betreffen.

De leden van de fractie van het CDA hebben vooral vragen over de wetenschappelijke onderbouwing van de wetsvoorstellen. De leden van de fracties van de ChristenUnie en SGP stellen een aantal specifieke vragen over de inhoud en gevolgen van beide wetsvoorstellen.

In deze memorie van antwoord is voor de beantwoording van de vragen zoveel mogelijk de volgorde van de vragen in het voorlopig verslag aangehouden. Wel worden beide wetsvoorstellen daarbij afzonderlijk behandeld. Eerst (in paragraaf 2) komt de beantwoording van de vragen over het wetsvoorstel terzake van stankhinder aan de orde. In paragraaf 3 worden vervolgens de vragen die betrekking hebben op het wetsvoorstel inzake ammoniak beantwoord. In een enkel geval zijn vragen van verschillende fracties die op hetzelfde onderwerp betrekking hebben, ten behoeve van de beantwoording samen genomen.

Naar ons oordeel is het mogelijk om op grond van de beantwoording van de vragen in deze memorie van antwoord over te gaan tot openbare behandeling van de wetsvoorstellen. In dit verband willen we er – wellicht ten overvloede – op wijzen dat een spoedige totstandkoming van deze wetten, en in samenhang daarmee ook van het bij uw Kamer al geruime tijd aanhangige wetsvoorstel inzake de reconstructie van de concentratiegebieden, dringend gewenst is. Daarbij merken we op dat de regering uw Kamer reeds vergaand tegemoet is gekomen, door het aanvullend ammoniakbeleid bij nota van wijziging1 alsnog te beperken tot 250 meter.

2. Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelingsgebieden

Door de leden van de CDA-fractie worden vraagtekens gezet bij de wetenschappelijke onderbouwing van de cumulatiemethodiek. Daarbij wordt met name gewezen op het hinderbelevingsonderzoek, dat hoofdzakelijk telefonisch is uitgevoerd.

Deze leden vragen of de regering met hen van mening is dat de correctiefactoren die in de cumulatiemethodiek worden gehanteerd fictieve getallen zijn, die niet hoeven te corresponderen met de werkelijkheid.

Wij zijn van mening dat het hinderbelevingsonderzoek wel als wetenschappelijke onderbouwing kan dienen. De onderzoeksmethodiek die is gebruikt, is een methodiek die al jaren in het (industriële) geurhinderbeleid wordt toegepast en ook breed geaccepteerd is. In totaal zijn voor het onderzoek ruim 2700 mensen geënquêteerd. De enquête is een verkorte versie van de enquête die wordt afgenomen in het kader van het Doorlopend Leefsituatie Onderzoek van het CBS; dit is sociaal wetenschappelijk onderzoek dat elk jaar wordt uitgevoerd. De ruim 2700 geënquêteerden waren zorgvuldig geselecteerd: het betrof mensen die in de omgeving van intensieve veehouderijen wonen. Alhoewel geur en de hinder die men daarvan ondervindt een subjectief gegeven zijn, zit de kracht van het onderzoek erin dat dezelfde vragen 2700 maal zijn gesteld. Op deze manier wordt een zo objectief mogelijk beeld van de hinder verkregen.

De correctiefactoren zoals die bij de voorgestelde cumulatiemethodiek moeten worden gehanteerd zijn geen fictieve getallen. Ze volgen uit het hinderbelevingsonderzoek.

De verschillende correctiefactoren die, afhankelijk van het aantal bronnen in de berekening, moeten worden gehanteerd, zijn als volgt te verklaren. In de nota naar aanleiding van het verslag aan de Tweede Kamer2 is al uiteengezet dat een rekenkundige optelling van de hoeveelheden stank van verschillende bedrijven tot een overschatting van de werkelijke stankbelasting leidt. Een te beschermen object wordt namelijk bijna nooit door alle bedrijven tegelijkertijd belast. De bedrijven zullen in de meeste gevallen onder verschillende windrichtingen rondom het te beschermen object zijn gelegen; afhankelijk van de windrichting en andere meteorologische omstandigheden wordt het object op één bepaald moment dus maar dooréén of een beperkt aantal bronnen belast. Om deze overschatting te compenseren werd in de richtlijn van 1996 een correctiefactor van 1,5 gehanteerd, hetgeen betekent dat de door optelling verkregen gecumuleerde stank anderhalf keer groter mag zijn dan de stank veroorzaakt door een individuele bron.

Uit het onderzoek is gebleken dat de correctiefactor groter wordt naarmate het aantal bronnen in de cumulatiesituatie toeneemt, oplopend van 1,5 bij 2–3 bronnen tot maximaal 3 bij meer dan 7 bronnen. Dit gegeven is in de nieuwe rekenmethode verwerkt.

De verschillende correctiefactoren zullen niet in alle individuele gevallen corresponderen met de werkelijkheid. Wel geven ze, in aanmerking genomen dat in het onderzoek bijna 1900 cumulatiesituaties zijn betrokken, een zo goed mogelijke benadering van de werkelijkheid.

Uit het hinderbelevingsonderzoek is gebleken dat cumulatie een zeer complexe materie is. Met de voorgestelde cumulatiemethodiek wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de methodiek die tot op heden moet worden gehanteerd. Deze keus is bewust gemaakt, om zoveel mogelijk continuïteit te behouden voor de praktijk van de vergunningverlening.

Vervolgens vragen de leden van de CDA-fractie of deze wet, gezien de grote impact die ze in praktijk heeft, houdbaar is en of ze maatschappelijk gezien ook te verantwoorden is.

Het wetsvoorstel zal met name voor bewoners van de verspreid liggende niet-agrarische bebouwingen in het buitengebied gevolgen hebben. Deze krijgen immers met het voorliggende wetsvoorstel minder bescherming dan met het huidige beoordelingskader. De impact is echter beperkt aangezien het wetsvoorstel slechts voor een beperkt deel van de reconstructiegebieden zal gelden.

Overigens blijkt uit het reeds genoemde hinderbelevingsonderzoek dat bewoners in gebieden met concentraties van intensieve veehouderij minder hinder ondervinden bij een bepaalde stankbelasting dan bewoners buiten die gebieden. Wij zijn dan ook van mening dat de soepeler normstelling voor de ontwikkelingsgebieden van de reconstructie door sociaal wetenschappelijk onderzoek onderbouwd is.

Voorliggend wetsvoorstel is ons inziens, ondanks de impact die het zal hebben, dus houdbaar en maatschappelijk gezien ook zeker te verantwoorden.

Voorts vragen de leden van de fractie van het CDA of de regering de bewering kan onderbouwen dat er geen vaste relatie bestaat tussen de reductie van de ammoniakemissie en de reductie van de geuremissie.

In opdracht van de ministeries van LNV en VROM voert het onderzoeksinstituut IMAG uit Wageningen een stalmeetprogramma uit, dat tot doel heeft om in beeld te brengen wat de geuremissie van de verschillende stalsystemen is. Dit meetprogramma is in 1996 opgestart om de geuremissiefactoren die zijn opgenomen in de Richtlijn Veehouderij en Stankhinder 1996, die voornamelijk waren gebaseerd op toen geldende, deskundige inzichten, verder te onderbouwen.

Het meetprogramma loopt nog steeds, maar van de metingen die in de periode 1996–1999 zijn uitgevoerd is inmiddels een overzichtsrapportage1 verschenen, waarmee de door de ons gedane bewering wordt onderbouwd. Uit de metingen blijkt namelijk dat een reductie van de ammoniakemissie geenszins vanzelfsprekend hoeft te resulteren in een reductie van de geuremissie. Hoewel in veel gevallen sprake is van een positieve correlatie (reductie van de ammoniakemissie geeft ook reductie van de geuremissie), kan deze correlatie in sommige gevallen ook volledig afwezig zijn. Een vaste correlatie tussen de reductie van ammoniak en geur (bijv. 90% reductie van de ammoniakemissie leidt «automatisch» tot 90% reductie van de geuremissie) is dus niet gevonden. Eén van de verklaringen hiervoor is dat ammoniak slechts één van de stoffen in de mest is die geurhinder veroorzaakt. Staltechnieken die specifiek zijn gericht op het reduceren van de ammoniakemissie hoeven niet tegelijkertijd andere, geurhinder veroorzakende stoffen te reduceren.

In vervolg op bovenstaande vraag, vragen de leden van de CDA-fractie zich af waarom niet wordt voorgesteld geuremissienormen bij het emissiepunt vast te stellen.

In de brief over het nieuwe beoordelingskader voor stankhinder aan de Tweede Kamer van 1 augustus jongstleden1 hebben wij aangegeven dat wij voornemens zijn om in de toekomst, op basis van het alara-principe, emissie-eisen aan geur uit stallen te stellen. Hiervoor geven wij in de brief de volgende reden. Hoewel de mate waarin er sprake is van stankhinder voornamelijk wordt bepaald door de aanwezigheid van gevoelige objecten in de nabijheid van een veehouderij, zal er in de Nederlandse situatie, gezien de kleinschaligheid en verwevenheid van functies in het landelijk gebied (agrarische bedrijvigheid naast wonen en recreatie) in de praktijk vrijwel altijd sprake zijn van stankhinder als gevolg van agrarische activiteiten. Met het oog op de bescherming en verbetering van de kwaliteit van het leefmilieu achten wij het dan ook noodzakelijk zo mogelijk stankreducerende technieken toe te passen.

Bovengenoemd meetprogramma, voor het in beeld brengen van de geuremissie uit verschillende stalsystemen, is echter nog niet afgerond. Zodra er een voldoende compleet beeld is van de verschillende, met name geur-emissiearme stalsystemen, bestaat het voornemen om de AMvB huisvesting, waarin emissie-eisen worden gesteld aan stallen voor het aspect ammoniak, uit te breiden met emissie-eisen voor stank. Daarbij zal een integrale afweging van beide milieu-aspecten plaatsvinden. Op basis van de huidige stand van zaken, is de verwachting dat een dergelijke aanpassing van de AMvB huisvesting in de loop van 2003 zijn beslag kan krijgen.

Naast het in de toekomst stellen van geuremissie-eisen aan stallen, zal het stellen van afstandseisen nodig blijven om onaanvaardbare stankhinder te voorkomen.

Voorts stellen de leden van de fractie van het CDA een tweetal vragen die op beide wetsvoorstellen betrekking hebben. Omdat daarbij het accent ligt op het wetsvoorstel inzake ammoniak worden deze vragen in paragraaf 3 beantwoord.

De leden van de fracties van de ChristenUnie en de SGP constateren dat het wetsvoorstel zich beperkt tot een deel van de reconstructiegebieden. Zij vragen waarom niet is gekozen voor een landelijke regeling, eventueel met een regionaal gedifferentieerde normstelling, omdat zij vrezen voor rechtsongelijkheid.

Indertijd is ervoor gekozen versneld een wettelijke regeling voor een deel van de reconstructiegebieden tot stand te brengen om zodoende de voortgang van de reconstructie niet te belemmeren. De landelijke herziening van het beoordelingskader voor stank uit stallen zou nog te lang duren. Gekozen is voor regeling in een specifieke wet zodat bij het opstellen van reconstructieplannen, dus ver voor het moment dat daadwerkelijke vergunningverlening aan veehouderijen moet plaatsvinden, al zekerheid bestaat over de mogelijke locaties voor veehouderijen.

In voorliggend wetsvoorstel is een soepeler beoordelingskader voor de ontwikkelingsgebieden van de reconstructie opgenomen dan het beoordelingskader dat nu moet worden toegepast. Voor een minder strenge beoordeling in deze gebieden is gekozen om een succesvolle uitvoering van de reconstructie mogelijk te maken.

Inmiddels is de Tweede Kamer bij brief van 1 augustus jongstleden1 geïnformeerd over onze beleidsvoornemens betreffende de vernieuwing van het beoordelingskader voor stank uit stallen voor «de rest van Nederland». Het beoordelingskader dat hierin wordt voorgesteld, is strenger dan dat in voorliggend wetsvoorstel. Tevens wordt voorgesteld om het nieuwe beoordelingskader vorm te geven door middel van een nieuwe richtlijn. Bij de behandeling van voorliggend wetsvoorstel was de Tweede Kamer echter van mening dat ook het beoordelingskader voor de rest van Nederland in een wet moet worden vastgelegd. In verband daarmee heeft de Kamer de motie Meijer c.s.1 aangenomen. In het debat met de Tweede Kamer hebben wij reeds aangegeven bereid te zijn aan deze wens van de Kamer tegemoet te komen.

3. Wet ammoniak en veehouderij

De leden van de CDA-fractie zetten vraagtekens bij de wetenschappelijke onderbouwing van het wetsvoorstel.

Allereerst vragen de leden van de CDA-fractie zich af, in hoeverre de gegevens over de huidige concentraties van ammoniak in de buitenlucht het gevolg zijn van monitoring. Op basis van het rapport «Ammoniak de feiten» (1995) gaan zij er vanuit dat de concentraties van ammoniak op 8 plaatsen in Nederland worden gemeten, waarna via het OPS-model de verdeling van de concentraties ammoniak in de Nederlandse atmosfeer wordt berekend. Zij verzoeken om aan te geven, in hoeverre de volgens het model berekende gegevens gestaafd kunnen worden met meetgegevens.

Het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML) van het RIVM bestaat uit 8 meetpunten, waar uurgemiddelde ammoniakconcentraties worden bepaald. Deze meetpunten zijn dusdanig gekozen dat zij een zo goed mogelijk beeld van de landelijke concentratieverdeling geven. Uit statistische analyse blijkt dat op basis van de 8 meetpunten betrouwbare uitspraken gedaan kunnen worden over de maand en jaargemiddelde ammoniakconcentratieverdeling over Nederland. De uurgemiddelde waarden zijn via de internetsite van het RIVM vrij toegankelijk (http://www.lml.rivm.nl/).

Daarnaast is van september 2000 tot september 2001 een verdichting van het Landelijke Meetnet Luchtkwaliteit uitgevoerd, waarbij in een 15 x 15 km meetgrid op 159 plaatsen over heel Nederland de maandgemiddelde concentraties zijn gemeten. De resultaten van dit onderzoek, dat nog niet is afgesloten, zullen ondermeer worden gebruikt om te bepalen waar het LML het beste uitgebreid kan worden.

Vervolgens wijzen de leden van de fractie van het CDA op verschillende onzekerheden, vermeld in wetenschappelijke rapporten. Ze vragen in het licht daarvan hoe wij met deze onzekerheden in het beleid omgaan en waarop gelet op deze onzekerheden onze stelling is gebaseerd, dat er dusdanige mate van wetenschappelijke consensus bestaat, dat deze een voldoende basis vormt voor de in het wetsvoorstel opgenomen maatregelen.

Gelet op de inhoud van het wetsvoorstel kan het antwoord op de vragen betreffende de wetenschappelijke basis worden toegespitst op twee deelvragen:

1) is voldoende wetenschappelijk onderbouwd, dat hoge stikstofdepositie een nadelig effect op de kwetsbare natuur heeft, en

2) is voldoende wetenschappelijk onderbouwd, dat op een afstand tot 250 meter van de bron de depositie per oppervlakte-eenheid veel hoger is dan op grotere afstanden.

Het antwoord op beide vragen is naar onze mening zondermeer bevestigend.

Sinds het verschijnen van «Ammoniak de feiten» in 1995 zijn er vele onderzoeken gedaan naar de emissie, verspreiding, depositie en gevolgen van ammoniak. Recent zijn door het RIVM in het kader van de evaluatie van de verzuringsdoelstellingen de laatste wetenschappelijke inzichten in de nadelige effecten van zure- en stikstofdepositie bij overschrijding van de kritische depositieniveaus in kaart gebracht. Deze zijn verwerkt in de overzichtpublicatie van het thema verzuring en grootschalige luchtverontreiniging «Op weg naar duurzame niveaus voor gezondheid en natuur»1. Deze wetenschappelijke inzichten bevestigen dat hoge stikstofdeposities een nadelig effect op kwetsbare natuur hebben en vormen aldus voldoende basis voor de in het wetsvoorstel opgenomen maatregelen.

Overigens merken wij nog op, dat wat betreft de effecten van ammoniakdepositie de wetenschappelijke onderbouwing ook in Europees verband als voldoende wordt beschouwd om te besluiten tot het vastleggen van afrekenbare landelijke emissieplafonds voor ammoniak, om zo de belasting van de natuur die onder andere het gevolg is van ammoniakdepositie te beperken.

Er bestaat geen twijfel over het feit, dat wanneer gekeken wordt naar het aandeel van de ammoniakemissie uit een puntbron, dat in opeenvolgende schillen van 250 meter rondom die puntbron deponeert, de depositie in de eerste schil (0 tot 250 meter) verreweg het hoogst is. Deze depositie bedraagt gemiddeld iets meer dan 10% van de totale emissie. De depositie in de tweede schil (250 tot 500 meter) bedraagt ongeveer 5% van de totale emissie. Deze percentages zijn wel enigszins afhankelijk van lokale en momentane omstandigheden. De grote onzekerheden, waar de leden van de CDA-fractie naar verwijzen, hebben echter geen betrekking op bovengenoemde percentages.

Het hoge aandeel van de depositie in de eerste schil rondom een puntbron heeft samen met het beperkte oppervlak van deze schil tot gevolg, dat de depositie per oppervlakte-eenheid hier veel hoger is dan op grotere afstanden. De in de memorie van toelichting in paragraaf 2.5 opgenomen grafiek2 illustreert dit.

Bij de opsomming van de wetenschappelijke rapporten wordt door de leden van de CDA-fractie onder andere ook de conclusie aangehaald van het ECN rapport «Analyse van de stikstofproblematiek in Nederland», dat ontwikkeling van een gemakkelijk te meten of te bepalen indicator voor de in het milieu gebrachte hoeveelheid reactief stikstof in een bepaalde regio een belangrijke voorwaarde is voor toepassing van stikstofplafonds in het beleid. Wellicht ten overvloede wijzen wij erop, dat deze stelling betrekking heeft op emissieplafonds die betrekking zouden hebben op de totale hoeveelheid reactief stikstof uit alle bronnen (waaronder stallen, mestaanwending en weide-emissies) die binnen een regio in het milieu mag komen en die afgestemd zouden zijn op het niet overschrijden van kritische limieten. Deze stellingname kan niet worden geprojecteerd op de bedrijfsemissieplafonds van dit wetsvoorstel, die uitsluitend betrekking hebben op stalemissies van ammoniak (emissies uit huisvestingssystemen). Voor deze emissieplafonds vormen de emissiefactoren per dierplaats, zoals die op dit moment reeds worden gebruikt onder de Interimwet ammoniak en veehouderij, een handhaafbare en controleerbare indicator.

DE LEDEN VAN DE CDA-FRACTIE VRAGEN ZICH IN DIT VERBAND AF, OF DE REGERING HET VERANTWOORD VINDT OM DEZE WETGEVING TE BASEREN OP, IN HUN OGEN, FICTIEVE GEGEVENS.

In het licht van bovenstaande antwoorden mag duidelijk zijn, dat naar onze mening de huidige wetenschappelijke inzichten zonder meer voldoende basis vormen voor het wetsvoorstel. Deze inzichten beschouwen wij daarbij zeker niet als fictieve gegevens, maar als een verantwoorde weergave van de realiteit.

De leden van de CDA-fractie vragen voorts, in hoeverre de recente onderzoeksgegevens met betrekking tot ammoniakemissie van melkkoeien al in het systeem zijn verwerkt.

Met deze nieuwe gegevens wordt reeds rekening gehouden.

Bij de berekening van de nationale ammoniakemissie van melkrundvee wordt al uitgegaan van waarden, die goed overeenkomen met de recente onderzoeksgegevens. Deze onderzoeksgegevens hebben ook een doorslaggevende rol gespeeld bij de beslissing om onder een aantal condities, welke bij de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer zijn besproken ondermeer naar aanleiding van de motie ter Veer c.s., af te zien van de verplichting van emissiearme stallen voor melkrundvee. Uitgaande van deze beslissing zal het ontwerp-Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij voorafgaand aan de toezending aan de Raad van State dienovereenkomstig worden aangepast. Binnen het wetsvoorstel vormden de nieuwe gegevens aanleiding voor het aanpassen van het emissieplafond voor melkrundvee, waarbij het plafond van 800 kg, dat nog berekend was uitgaande van de oude emissiegegevens, vervangen is door een plafond, dat verwijst naar de ammoniakemissie bij een in de wet aangegeven aantal melkkoeien en vrouwelijk jongvee. Op deze wijze werken de nieuwe inzichten over de ammoniakemissie, nadat ze zijn verwerkt in de ministeriële regeling op grond van de wet, automatisch door in de berekening van het plafond.

De leden van de CDA-fractie vragen ook, of de regering, beter dan tot nu toe, kan aangeven wat precies in dezen onder het begrip «kwetsbaar» moet worden verstaan en wat het verschil is tussen kwetsbare en zeer kwetsbare gebieden.

De regering maakt in dit wetsontwerp geen onderscheid tussen wat kwetsbare en wat zeer kwetsbare gebieden zijn. Het onderscheid kwetsbaar – zeer kwetsbaar werd onder andere gemaakt in het bestuurlijk afsprakenkader van maart 2000 (Pact van Brakkestein).

De termen «kwetsbaar» en «zeer kwetsbaar» geven aan welke natuur in welke mate door de ammoniakdepositie wordt aangetast. Als «zeer kwetsbaar» (kritische depositiewaarde kleiner dan 1400 mol stikstof per hectare per jaar) gelden: natte en droge heide, hoogvenen, vennen, duinen, bepaalde bostypen (vooral loofbossen en de kruidenvegetatie daarin), stuifzanden, alsmede bepaalde graslandtypen.

Als «kwetsbaar» (kritische depositiewaarde tussen 1400 en 2400 mol stikstof per hectare per jaar) gelden: multifunctionele bossen, struwelen en (natte) schraallanden. De huidige depositieniveaus liggen voor 90% van het areaal natuur nog ver boven deze kritische waarden.

De leden van de fractie van het CDA merken op dat veehouders met een bedrijf binnen 250 meter van een kwetsbaar gebied te maken krijgen met de beperkingen van het aanvullend zoneringsbeleid en hun veehouders, buren, die op bijvoorbeeld 260 meter afstand van zo'n gebied gevestigd zijn niet. In dat verband vragen deze leden of de regering hun mening deelt dat dit maatschappelijk gezien terecht ontzettend veel vragen en onbegrip oproept.

De keuze voor een zoneringsbeleid, of dat nu betrekking heeft op een zone van 250 meter of 500 meter, impliceert dat er onderscheid wordt gemaakt tussen veehouderijen binnen en buiten die zones. Wij kunnen ons voorstellen dat dit beleid vragen oproept, maar constateren tegelijkertijd dat voor het depositiebeleid, waarbij de beperkingen voor veehouderijen variëren afhankelijk van de afstand tot een kwetsbaar gebied, in het geheel geen maatschappelijk draagvlak bestaat. Door dit aanvullend beleid te beperken tot de kwetsbare gebieden die binnen de EHS liggen en een zone van 250 meter daar rondom, waarbij bovendien een zekere uitbreiding van intensieve veehouderijen nog mogelijk is en ten aanzien van grondgebonden veehouderijen een soepeler regime wordt gehanteerd, heeft de regering naar onze mening maximaal rekening gehouden met de belangen van de veehouderij.

Met betrekking tot de begrenzing van de EHS en van de kwetsbare gebieden vragen de leden van de CDA-fractie of de provincies daarbij gelijke criteria gebruiken en of die criteria wel voldoende zwaarwegend zijn voor dergelijke maatregelen?

De begrenzing door de provincies van de EHS (kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en reservaat- en beheersgebieden) vindt plaats op basis van bestuurlijke afspraken t.a.v. het landelijk te realiseren areaal. Dit mede op grond van de beschikbaar gestelde middelen. Het Natuurbeleidsplan en het Structuurschema Groene Ruimte (SGR) zijn daarvoor richtinggevend. Leidend is de bruto EHS zoals vastgelegd in het SGR; provincies mogen slechts in beperkte mate van de bruto EHS afwijken.

De provincies spelen geen rol bij de selectie van de kwetsbare gebieden binnen deze EHS. Welke de kwetsbare gebieden zijn volgt rechtstreeks uit de selectiecriteria uit de Uitvoeringsregeling ammoniak en veehouderij. Deze zijn zowel gebaseerd op voor verzuring gevoelige bodemtypen, als op de gevoeligheid voor de vermesting.

Ook vragen de leden van de fractie van het CDA of er nieuwe zones met beperkingen bijkomen als de EHS wordt uitgebreid en wat de gevolgen dan zullen zijn voor de betreffende veehouders.

De koppeling van het aanvullend ammoniakbeleid aan de EHS brengt met zich mee dat bij uitbreiding van de EHS in beginsel ook het aantal kwetsbare gebieden kan toenemen. Omdat ten aanzien van kwetsbare gebieden de selectiecriteria uit de Uitvoeringsregeling ammoniak en veehouderij blijven gelden, zal dit echter alleen het geval zijn voorzover deze uitbreiding bestaande natuurgebieden betreft, dat wil zeggen gebieden die zijn aangelegd of begrensd vóór 1 mei 1988. Alleen in die gevallen kunnen veehouderijen die bij inwerkingtreding van de wet niet met beperkingen worden geconfronteerd, alsnog met deze beperkingen te maken krijgen. Wijziging van de EHS door de provincies zal evenwel steeds via een zorgvuldige procedure plaatsvinden. Daarbij zullen ook de gevolgen voor de betrokken veehouderijen in beschouwing worden genomen. Overigens zal naar onze verwachting het aantal bedrijven dat na in werking treden van de wet onder het aanvullend zoneringsbeleid valt eerder afnemen dan toenemen. Dit omdat in 2002 de begrenzing van de EHS nog niet overal definitief zal zijn vastgesteld, waardoor in die gevallen de bruto-EHS van het SGR als referentiekader moet worden gehanteerd. Bij een latere begrenzing van de EHS zal het aantal kwetsbare gebieden en daarmee ook het aantal veehouderijen dat daarvan beperkingen ondervindt, afnemen.

In dat verband vragen de leden van de fractie van het CDA of er geen andere mogelijkheden zijn om verschraling in dergelijke gebieden te bewerkstelligen?

Voor bepaalde bestaande natuurterreinen zijn als tijdelijke maatregel effectgerichte maatregelen mogelijk, zoals maaien, plaggen en begrazen. Daarmee kan in zekere mate verschraling worden bewerkstelligd, maar tegen extra beheerskosten.

TEVENS VRAGEN DE LEDEN VAN DE CDA-FRACTIE IN VERBAND DAARMEE OF HET AMMONIAKEMISSIEBELEID OP DEZE MANIER NIET WORDT GEBRUIKT OM RO-BELEID TE BEDRIJVEN.

Het ammoniakemissiebeleid kent twee sporen. Ten eerste de generieke emissiebeperkende eisen van het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij. Hier is geen sprake van ruimtelijk beleid.

Ten tweede het aanvullend ammoniakbeleid van het wetsvoorstel. Voor bestaande bedrijven richt dit beleid zich op het binnen bepaalde grenzen houden van de emissie, waarbij bedrijfsuitbreiding niet onmogelijk wordt gemaakt. Daardoor is ook hier geen sprake van ruimtelijk beleid.

Voor nieuwe bedrijven leidt het uitgangspunt van geen toename van de ammoniakemissie op dit moment feitelijk tot een oprichtingsverbod, omdat nog geen staltechnieken beschikbaar zijn die in het geheel geen ammoniakemissie zouden veroorzaken. Dit is milieubeleid met een ruimtelijk neveneffect.

De leden van de CDA fractie stellen verder vragenderwijs vast dat het vanwege de deugdelijkheid van deze wetgeving toch niet te accepteren is dat grondgebonden en niet grondgebonden bedrijven gelijk worden behandeld.

De leden van de PvdA-fractie vragen in dit verband of de regering van zins is de scheiding tussen de niet-grondgebonden en de grondgebonden veehouderij, zoals blijkens de opvatting van de Tweede Kamer gewenst, verder door te voeren.

Wij wijzen er op dat het wetsvoorstel juist een onderscheid beoogt tussen grondgebonden en niet grondgebonden bedrijven. Zo zijn er geen beperkingen opgelegd aan het uitbreiden van een aantal diercategorieën die in het algemeen grondgebonden worden gehouden. Ook is er een vrijstelling voor de biologische landbouw.

Voorts kent het wetsvoorstel een soepele regeling voor binnen de zones gelegen melkrundveebedrijven. Deze regeling houdt in dat melkrundveebedrijven die binnen de zones zijn gelegen tot een in de wet vastgelegde omvang kunnen groeien zonder dat de beperkingen bij bedrijfsuitbreiding van het wetsvoorstel van toepassing zijn. De regering heeft deze regeling voor de melkrundveebedrijven in het wetsvoorstel opgenomen omdat deze bedrijven door het toepassen van beweiding een waardevolle bijdrage kunnen leveren aan het landschap en omdat er bij deze bedrijven meestal sprake is van een zekere mate van grondgebondenheid. Deze grondgebondenheid uit zich veelal in de noodzaak tot het beschikbaar hebben van een zeker areaal grond in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting, waarmee wordt voorkomen dat een te grote veedichtheid (in de zones rond de te beschermen natuurgebieden) ontstaat.

De regering erkent dat ook melkrundveebedrijven die slechts in beperkte mate of zelfs in het geheel niet grondgebonden zijn, van deze regeling gebruik kunnen maken.

De leden van de CDA-fractie merken terecht op dat de ministers (in de nota naar aanleiding van het verslag van de Tweede Kamer) hebben laten weten dat de regeling in dezen niet optimaal is, maar dat vanwege het spoedeisend karakter uitstel totdat een betere regeling tot stand is gekomen, ongewenst is. In de nota naar aanleiding van het verslag van de Tweede Kamer, waaraan de leden van de PvdA-fractie kennelijk refereren, heeft de regering willen aangeven inderdaad bereid te zijn een regeling tot stand te brengen waarbij het onderscheid tussen grondgebonden en niet-grondgebonden veehouderij beter tot uiting komt.

De leden van de CDA-fractie vragen de regering voorts welke problemen er zouden ontstaan als het vervallen van de Interimwet ammoniak en veehouderij enige tijd zou worden uitgesteld.

Het nogmaals verlengen van de Interimwet ammoniak en veehouderij is niet (meer) mogelijk en naar onze mening ook ongewenst. Voor een verlenging van de Interimwet is een wetswijziging nodig en dat is thans niet meer realistisch. Verlenging van de Interimwet is ook ongewenst. Op de eerste plaats bestaat er een breed maatschappelijk draagvlak om het depositiebeleid zo spoedig mogelijk te vervangen door een beleid waarbij de emissiebenadering centraal staat. In dat verband willen we deze leden er op wijzen dat de vaste commissie voor Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in uw Kamer, de minister van VROM bij de verlenging van de Interimwet in 1999 uitdrukkelijk heeft verzocht om de duur van de verlenging van de Interimwet zo beperkt mogelijk te laten zijn en alles in het werk te stellen om op de kortst mogelijke termijn een nieuwe ammoniakwet in te dienen (brief van 8 juli 1999). Op de tweede plaats merken we op dat een snelle inwerkingtreding van de nieuwe wet niet alleen noodzakelijk is met het oog op het reconstructieproces in de concentratiegebieden, maar ook vanwege het feit dat de ontwikkeling van veehouderijen in kwetsbare gebieden en de zones daaromheen feitelijk al sinds 8 december 2000 op slot zit, dit ten gevolge van de regeling in het wetsvoorstel ter voorkoming van ongewenst anticiperen. Het nog langer voortduren van deze situatie achten wij maatschappelijk niet aanvaardbaar.

In dit verband willen we er voorts op wijzen dat een deel van de (inter-)gemeentelijke ammoniakreductieplannen inmiddels zijn vervallen, zodat een eventuele verlenging van de Interimwet voor die gevallen ook geen adequate oplossing zou zijn. Voorts zal bij een niet tijdige inwerkingtreding van onderhavig wetsvoorstel, als gevolg van het vervallen van de Interimwet, per 1 januari de Wet milieubeheer ook van toepassing worden op het aspect ammoniak, hetgeen zal leiden tot veel uitvoeringsproblemen en complexe juridische overgangssituaties.

De leden van de CDA-fractie vragen zich daarnaast af of de ministers bekend zijn met de neutraliserende werking van ammoniak in de lucht, of daar in het milieubeleid rekening mee gehouden wordt en of er gezien het toestaan van de toevoeging van ammoniak aan uitlaatgassen niet met twee maten gemeten wordt.

Het is bekend dat ammoniak in de atmosfeer reacties aangaat onder vorming van ammoniumzouten. Dit neemt echter niet weg dat bij depositie van deze verbindingen op de bodem dezelfde nadelige vermestende en verzurende gevolgen optreden als bij de depositie van ammoniak. Er is geen sprake van meten met twee maten, omdat de toevoeging van ammoniak aan uitlaatgassen van grote stookinstallaties is bedoeld om stikstofoxiden te reduceren tot het onschadelijke stikstofgas (N2).

De leden van de CDA-fractie vragen ook of de regering de opvatting van deze leden deelt dat er een materiële relatie bestaat tussen de wetsvoorstellen voor ammoniak en stank en de Wet reconstructie concentratiegebieden.

Deze opvatting delen wij. Voor de voorgestelde Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelingsgebieden geldt dat het wetsvoorstel per definitie uitsluitend in krachtens de Reconstructiewet concentratiegebieden aangewezen landbouwontwikkelings- en extensiveringsgebieden van toepassing zal zijn. De werkingssfeer van de voorgestelde Wet ammoniak en veehouderij is niet beperkt tot de reconstructiegebieden. Samen met de in voorbereiding zijnde AMvB huisvesting vormt deze wet het nieuwe wettelijke instrumentarium voor ammoniak dat in heel Nederland gaat gelden.

Beide wetsvoorstellen beogen evenwel een ten opzichte van de vigerende regels eenvoudiger en inzichtelijker systeem waarbij met het oog op de planvorming en uitvoering in het kader van de reconstructie meer duidelijkheid vooraf kan worden geboden omtrent locaties waar vestiging of uitbreiding van veehouderijen mogelijk dan wel onmogelijk is. Omgekeerd vormt de Reconstructiewet voor de concentratiegebieden een kader om bedrijven die in het kader van de ammoniak- en stankregelgeving op hun huidige locatie geen ontwikkelingsmogelijkheden hebben elders perspectief te bieden.

De leden van de CDA-fractie vragen naar een kosten-/batenanalyse van de voorliggende wetsvoorstellen.

Op de kosten en baten van het wetsvoorstel Wet ammoniak en veehouderij is uitgebreid ingegaan in hoofdstukken 6, 7 en 8 van de memorie van toelichting van dat wetsvoorstel1. Door het beperken van de zonering van 500 meter tot 250 meter worden de effecten voor het bedrijfsleven gunstiger dan in de memorie van toelichting is aangegeven. Belangrijk effect van het wetsvoorstel is, dat voor de meeste bedrijven (bedrijven buiten de zones, de meeste melkveebedrijven en bedrijven waar dieren grondgebonden worden gehouden) toename van de emissie op bedrijfsniveau mogelijk wordt, zonder dat daartoe saldering met andere veehouderijen behoeft te worden toegepast, zoals dat onder de Interimwet ammoniak en veehouderij het geval was. Daarmee komt een eind aan de praktijk van handel in «ammoniakrechten». Voor de uitbreidende bedrijven betekent dit een belangrijke kostenbesparing. Ervan uitgaande dat ongeveer 43 000 bedrijven met de beperkingen van de Interimwet werden geconfronteerd (te weten alle veehouderijen binnen 3 kilometer van voor verzuring gevoelige gebieden), betekent dit bij een zone van 250 meter voor ongeveer 36 000 veehouderijen een potentieel voordeel ten opzichte van het regime van de Interimwet. Dit aantal ligt ongeveer 7000 bedrijven hoger dan bij een zone van 500 meter. De hiermee gepaard gaande baten voor het bedrijfsleven zijn niet betrouwbaar te berekenen. Deze zijn namelijk enerzijds afhankelijk van het aandeel van de bedrijven dat in de toekomst daadwerkelijk voor uitbreiding zal kiezen, de mate van uitbreiding, en de prijs die bij saldering voor de ammoniakrechten betaald zou moeten worden.

Van bedrijven binnen de zones, die aan het gecorrigeerd emissieplafond moeten voldoen, mag de emissie bij uitbreiding onder het wetsvoorstel niet toenemen. Deze bedrijven kunnen alleen uitbreiden door toepassing van verdergaande technieken dan de stand der techniek. Ten opzichte van de Interimwet worden de mogelijkheden van deze bedrijven om uit te breiden beperkter. De hiermee gepaard gaande extra lasten voor deze bedrijven zijn niet betrouwbaar te becijferen. Deze zijn afhankelijk van het aantal bedrijven die daadwerkelijk uitbreidingsplannen hebben, en de lasten die onder de Interimwet – als referentiesituatie – met de betreffende uitbreidingen gepaard zouden gaan.

In de memorie van toelichting is ook een schatting gegeven van de gevolgen voor administratieve lasten. Door de beperking van de zonering tot 250 meter zal de daarin becijferde besparing van de administratieve lasten gunstiger uitvallen.

Ook wanneer in plaats van met de Interimwet vergeleken wordt met het regime van de Wet milieubeheer, welke na het vervallen van de Interimwet bij het ontbreken van een wettelijke voorziening voor beoordeling van ammoniakemissie ook voor die beoordeling zou gelden, zijn de bedrijfseffecten gunstig. Belangrijke rol daarin speelt het vervallen van de individuele omgevingstoetsing voor de meeste bedrijven, wat niet alleen een vereenvoudiging betekent, maar naar verwachting ook tot een afname van het aantal bezwaren en beroepen tegen verleende milieuvergunningen zal leiden.

Wat betreft het wetsvoorstel inzake stankhinder is in de memorie van toelichting (hoofdstuk 8)2 reeds aangegeven dat er ten opzichte de huidige regelgeving geen wijziging optreedt in de financiële gevolgen voor de veehouderijen. De wijzigingen in het wetsvoorstel ten gevolge van de aangenomen amendementen hebben geen invloed op de financiële gevolgen.

De leden van de VVD fractie vragen, waarom naar de mening van de regering aanvullend beleid gewenst is, en waarom dit gewenst is in de mate en vorm zoals in het wetsvoorstel opgenomen.

Op de wenselijkheid van het aanvullend beleid is reeds uitgebreid ingegaan in de memorie van toelichting op het wetsvoorstel (paragraaf 2.5)1 en de nota naar aanleiding van het verslag (paragraaf 2.3)2.

Voornaamste reden is het waarborgen, dat de landelijke inspanningen op het gebied van emissiebeperking daadwerkelijk leiden tot verlaging van de depositie op kwetsbare gebieden, en dat deze inspanningen niet ongedaan worden gemaakt door vestiging en uitbreiding van bedrijven in de directe nabijheid van deze gebieden.

Aanvullend beleid is ook wenselijk om te voorkomen, dat aanvullende individuele toetsen op grond van Europese regelgeving in een groot aantal gevallen zou leiden tot aanvullende beperkingen, dit in het licht van de wens om aan alle betrokkenen zo veel mogelijk duidelijkheid voorafgaand aan de vergunningprocedure te bieden.

Tenslotte voorkomt het aanvullend beleid, dat voor de noodzakelijke bescherming van de kwetsbare natuur een te zware last wordt gelegd op het instrumentarium van de ruimtelijke ordening, hetgeen het geval zou zijn, indien vestiging en uitbreiding van bedrijven in de directe nabijheid van de kwetsbare natuur eerst via de milieuregelgeving zou worden toegestaan, en later via het ruimtelijk spoor weer zou moeten worden gecorrigeerd.

De keuze om het aanvullend beleid vorm te geven middels een landelijk uniforme zonering, zonder differentiatie in typen kwetsbare gebieden en zoneafstanden, was het gevolg van de wens om een eenvoudig en robuust aanvullend beleid, en de standpunten die met betrekking tot eerdere voorstellen door de verschillende fracties in de Tweede Kamer naar voren zijn gebracht.

Wij hebben daarbij in eerste instantie gekozen voor een zonebreedte van 500 meter. Naar aanleiding van de tijdens de Tweede Kamer behandeling ingebrachte standpunten hebben wij de zonebreedte beperkt tot 250 meter. Deze inperking betekent een iets hoger milieurisico, dat door ons aanvaardbaar wordt geacht, omdat in veel bestemmingsplannen vestiging en uitbreiding van intensieve veehouderijen reeds aan beperking is gebonden. Bovendien blijft voor de grotere intensieve veehouderijen buiten de zones een aanvullende toetsing conform Europese richtlijnen bestaan en kan binnen reconstructiegebieden via de situering van extensiveringsgebieden waar nodig aanvullende bescherming van de kwetsbare gebieden worden gerealiseerd.

De leden van de VVD-fractie vragen vervolgens naar de milieuwinst van de zones van 250 meter rondom kwetsbare natuurgebieden in de EHS, en naar een vergelijking daarvan met de milieuwinst indien deze zones slechts rond zeer kwetsbare natuurgebieden zouden worden ingesteld. Zij vragen, in hoeverre dit verschil naar de mening van de regering rechtvaardigt, dat het wetsvoorstel uitgaat van zonering rondom alle kwetsbare gebieden.

Zoals reeds aangegeven, heeft de zonering van het wetsvoorstel voornamelijk een preventieve functie, namelijk het voorkomen van depositietoename op de kwetsbare gebieden als gevolg van nieuwvestiging en uitbreiding van bedrijven in de zones. Gelet op de grote invloed van de ammoniakemissie op korte afstanden is bij het ontbreken van zonering het risico van depositietoename groot. Het risico van depositietoename verschilt gemiddeld genomen niet wezenlijk rondom gebieden met verschillende kritische niveaus. De depositie veroorzaakt door bronnen binnen de 250 meter zones zijn namelijk zo hoog, dat reeds een beperkt aantal bronnen (of zelfs een enkele grotere bron) een blijvende substantiële overschrijding van de kritische waarden in (een deel van) van zowel de zeer kwetsbare als de overige kwetsbare gebieden.

Overigens verschilt de exacte mate van het risico van gebied tot gebied, onder meer afhankelijk van de grootte van het gebied en het aantal bedrijven in de zones.

Het beperken van de zonering tot de zeer kwetsbare gebieden zou aldus betekenen, dat de overige kwetsbare gebieden niet tegen bovenbeschreven risico zouden zijn beschermd. Naast het milieuhygiënische risico zou dat ook betekenen, dat de overige doelstellingen van het wetsvoorstel – het voorkomen dat aanvullende Europese toetsen in veel gevallen tot aanvullende beperkingen leiden, en het niet leggen van een te zware druk op het ruimtelijke instrumentarium – rondom de overige kwetsbare gebieden niet zouden kunnen worden gerealiseerd. Dit zou naar onze overtuiging leiden tot een situatie, waarbij door het ontbreken van zonering in het wetsvoorstel allereerst ruimte voor nieuwvestiging of uitbreiding van bedrijven rondom de overige kwetsbare gebieden zou worden gesuggereerd, welke ruimte er voor een deel van de bedrijven als gevolg van individuele toetsing op grond van Europese richtlijnen uiteindelijk niet zou blijken te zijn. Bedrijven die niet met deze individuele toetsing op grond van Europese richtlijnen worden geconfronteerd zouden zich wel feitelijk kunnen vestigen of uitbreiden, wat tot onaanvaardbare depositieniveaus zou kunnen leiden.

Bovenstaande effecten van het ontbreken van zonering rondom de overige kwetsbare gebieden vormt naar onze mening voldoende rechtvaardiging voor zonering ook rondom deze gebieden, en dus voor de keuze om alle kwetsbare gebieden middels het wetsvoorstel te beschermen.

De leden van de VVD fractie vragen voorts naar de consequenties voor de veehouderijbedrijven in de te zoneren gebieden, zowel direct bij het onverhoeds ingaan van de conceptwet als voor het voortbestaan op langere termijn.

Allereerst merken wij op, dat voor de bedrijven in de zones naar onze mening geen sprake kan zijn van het onverhoeds ingaan van beperkingen. Al vanaf het begin van het ammoniakbeleid gelden voor bedrijven op een zo korte afstand van kwetsbare gebieden beperkingen. Zoals wij reeds in de Nadere memorie van antwoord met betrekking tot het wetsvoorstel Reconstructiewet concentratiegebieden hebben aangegeven, moet het de betrokken ondernemers reeds duidelijk zijn, dat de groei van de veestapel zo al mogelijk, alleen onder strikte voorwaarden zal kunnen plaatsvinden. Ook de inhoud van deze voorwaarden kan geen verrassing zijn. Dat wij voornemens zijn om in het nieuwe ammoniakbeleid binnen de zones te werken met emissieplafonds hebben wij immers reeds op 7 september 2000 kenbaar gemaakt, en sindsdien meerdere malen herhaald, onder meer ook in de brief van 8 december 2000 betreffende de regeling tegen ongewenst anticiperen, welke specifiek op de bedrijven in de zones is gericht.

Direct na het in werking treden van het wetsvoorstel verandert er in beginsel voor de meeste bedrijven niets – ze kunnen blijven produceren binnen de geldende milieuvergunning. Alleen bij bedrijven, die ondanks de aangekondigde regeling tegen ongewenst anticiperen na 8 december 2000 het aantal dieren hebben uitgebreid, kan de vergunning met ingang van de dag waarop het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij in werking treedt, vervallen. De bedrijven hebben dan wel de mogelijkheid om een nieuwe vergunning aan te vragen, welke conform het wetsvoorstel wordt beoordeeld.

Bij een eventuele bedrijfsaanpassing moeten na het ingaan van het wetsvoorstel de bedrijven rekening houden met de beperkingen, die daaruit voortvloeien. Beperkingen gelden daarbij alleen, wanneer het aantal dieren van een van de diercategorieën wordt uitgebreid. Is dat niet het geval, dan mag de bedrijfsaanpassing worden doorgevoerd, ook al zou deze toename van de ammoniakemissie betekenen. Hierdoor is het bijvoorbeeld zonder beperkingen mogelijk om bij gelijkblijvend aantal dieren over te schakelen op welzijnsvriendelijker huisvesting, ook wanneer die een hogere ammoniakemissie met zich mee brengt.

Wanneer het aantal dieren van een van de diercategorieën wel toeneemt, zijn de beperkingen afhankelijk van de in de veehouderij te houden dieren en de wijze waarop deze worden gehouden.

Voor melkveebedrijven houdt het wetsvoorstel in, dat bij uitbreiding rekening moet worden gehouden met het emissieplafond, dat afgeleid is van een bedrijf met 110 melkkoeien en bijbehorend jongvee. Gelet op de huidige grootte van de bedrijven betekent dit plafond, dat de meeste melkveebedrijven nog ruime uitbreidingsmogelijkheden hebben.

Voor overige overwegend grondgebonden gehouden dieren, waaronder ook dieren die biologisch worden gehouden, staat het wetsvoorstel uitbreiding zonder beperkingen toe.

De meeste beperkingen bevat het wetsvoorstel in het geval van uitbreiding van het aantal intensief gehouden dieren. Uitbreiding is dan alleen mogelijk binnen het gecorrigeerde emissieplafond. Op langere termijn zullen ondernemers, die het aantal intensief te houden dieren uit wensen te breiden, de keuze moeten maken, of een uitbreiding binnen het gecorrigeerde plafond in hun situatie bedrijfseconomisch mogelijk is.

Ook vragen de leden van de VVD-fractie wat de overwegingen zijn om in het kader van deze conceptwet het aanvullende beleid alleen voor kwetsbare gebieden in de EHS en niet voor kwetsbare gebieden buiten de EHS van toepassing te laten zijn. Ontstaat hierdoor in de toekomst mogelijk rechtsongelijkheid tussen bedrijven die zich enerzijds binnen en anderzijds buiten de EHS bevinden.

Het wetsvoorstel beoogt – zoals de hier aan het woord zijnde leden zelf al aangeven – ten opzichte van het algemene ammoniakbeleid, gericht op een generieke beperking van de ammoniakemissie, een aanvullende bescherming te bieden voor verzuringsgevoelige natuur- en bosgebieden. Met de beperking tot de verzuringsgevoelige gebieden binnen de EHS, zoals wij met de provincies en de VNG in het kader van het «Pact van Brakkestein» zijn overeengekomen, is in het wetsvoorstel een evenwicht gevonden tussen het belang van de bescherming van verzuringsgevoelige natuur enerzijds en het belang van ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw anderzijds. De EHS als samenhangend netwerk van natuurgebieden verdient bij het behouden en verbeteren van de natuur- en milieukwaliteiten ten opzichte van andere natuurgebieden prioriteit, aangezien daarmee het grootste deel van de in ons land te beschermen biodiversiteit op duurzame wijze kan worden gegarandeerd. In dat verband kan naar ons oordeel ook niet worden gesproken van rechtsongelijkheid tussen bedrijven binnen en buiten de EHS, in die zin dat gelijke gevallen ongelijk zouden worden behandeld. Het wetsvoorstel heeft alleen betrekking op kwetsbare gebieden binnen de EHS en niet daarbuiten, juist omdat deze gebieden binnen het natuurbeleid een andere positie innemen dan de gebieden buiten de EHS.

Ten slotte vragen de leden van de fractie van de VVD of de regering kan aangeven wat de verschillen voor de beoogde reconstructie in de zgn. reconstructiegebieden zijn tussen zonering van kwetsbaar en zeer kwetsbaar?

Terugbrengen van de gebiedsaanwijzing onder het wetsvoorstel ammoniak en veehouderij van kwetsbare tot alleen de zogenaamde zeer kwetsbare gebieden zou ertoe leiden dat het aantal bedrijven dat te maken krijgt met de beperkingen voortvloeiend uit deze wet zou afnemen van de nu geschatte 7000 in de zone rond kwetsbare gebieden tot ca. 4500 bedrijven in de zone rond zeer kwetsbare gebieden. Voor de kwetsbare gebieden (natuur met een kritische depositiewaarde 1400 tot 2400 mol) zou daardoor echter, zoals hiervoor aangegeven, een te hoog milieurisico ontstaan.

Het inperken van de gebiedsaanwijzing tot de zeer kwetsbare gebieden zou er niet toe leiden dat in de reconstructie veel speelruimte zou ontstaan rond de kwetsbare gebieden. Gelet op de meervoudige doelstellingen van de reconstructie is het onwenselijk en onwaarschijnlijk dat in het gebied direct grenzend aan de overige kwetsbare natuur ontwikkelingsmogelijkheden geboden worden aan intensieve veehouderijbedrijven. Gelet op gewenste natuurontwikkeling en vanuit het oogpunt van preventie is het gewenst dat ook ontwikkeling van grote, intensieve veehouderijbedrijven vlakbij de overige kwetsbare natuurgebieden tegengegaan wordt. Ook op basis van de Europese richtlijnen is het onwaarschijnlijk dat vlakbij de overige kwetsbare natuurgebieden grootschalige ontwikkelingen in de veehouderij mogelijk zijn.

De leden van de PvdA fractie vragen, of het voorziene generieke ammoniakbeleid na het vervallen van de Interimwet voldoende is om de in internationaal verband afgesproken emissiedoeleinden ten aanzien van ammoniak te halen.

De verwachte nationale ammoniakemissie in 2010 als gevolg van het generieke ammoniakbeleid, dat overigens niet in onderhavig wetsvoorstel is vervat, maar – waar het emissies uit stallen betreft – in de AMvB huisvesting, is voorafgaand aan de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer berekend op 103 tot 119 kiloton, waarvan de landbouw 89 tot 105 kiloton voor haar rekening neemt. De grote marge in deze verwachting is voornamelijk het gevolg van onzekerheid over succes van het mestbeleid, met name waar het gaat om mestafzetcontracten.

Naar aanleiding van de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer hebben wij besloten de verplichting tot het toepassen van emissiearme stallen bij melkrundvee te laten vervallen, waardoor in beginsel minder emissiereductie via stalmaatregelen plaatsvindt. Het is van cruciaal belang, dat dit gecompenseerd wordt door extra resultaten op het gebied van voermaatregelen en beweiding.

Onder deze voorwaarde verwachten wij dat de nationale resultaatsverplichting van 128 kiloton welke voortvloeit uit de NEC-richtlijn nog gehaald kan worden. Wij zitten evenwel ruim boven de inspanningsverplichting van 100 kiloton die wij hebben geformuleerd in het NMP 4.

Het onderhavig wetsvoorstel heeft in beginsel een beperkt effect op de nationale emissie.

Door de inperking van de zones wordt het risico groter, dat deze emissie verkeerd ten opzichte van de kwetsbare natuur is gesitueerd. Zoals wij elders in deze memorie hebben aangegeven bij de beantwoording van vragen van de leden van de VVD-fractie achtten wij dit risico aanvaardbaar.

De leden van de PvdA-fractie vragen vervolgens, of in aanvulling van het generieke beleid het nodig wordt geacht specifiek voor bepaalde gebieden aanvullend beleid te voeren dat niet op emissie is gericht maar in feite voorwaardelijk is t.a.v. te stichten of te ontwikkelen bedrijven.

Wij achten het in aanvulling op het generieke emissiebeleid noodzakelijk om zowel aanvullend beleid te voeren gericht op emissie, als ook aanvullend beleid te voeren dat niet op emissie is gericht maar – zoals de leden van de PvdA fractie aangeven – in feite voorwaardelijk is ten aanzien van te stichten of te ontwikkelen bedrijven.

Het aanvullend beleid gericht op emissie heeft bestaande vergunde rechten als uitgangspunt en wordt vormgegeven door middel van onderhavig wetsvoorstel. Voor nieuwe bedrijven binnen de zones komt dit beleid overigens neer op een oprichtingsverbod, dit omdat nog geen stalsystemen beschikbaar zijn welke in het geheel geen emissie zouden veroorzaken.

Het voorwaardelijk beleid dat niet emissie als primaire invalshoek heeft, maar de vestiging of uitbreiding van bedrijven als zodanig, krijgt gestalte via de ruimtelijke ordening en het instrumentarium van de reconstructie. Inzet hiervan is vooral noodzakelijk in de kwetsbare gebieden zelf, en in de directe nabijheid van vooral de zeer kwetsbare gebieden, daar waar het generieke emissiebeleid in samenhang met het op emissie gerichte beleid op grond van onderhavig wetsvoorstel als gevolg van het respecteren van bestaande rechten onvoldoende milieuresultaat oplevert. Binnen de reconstructiegebieden krijgt dit aanvullend beleid voor in ieder geval de intensieve veehouderij invulling door de aanwijzing van extensiveringsgebieden, waarbinnen nieuwvestiging, hervestiging en uitbreiding van intensieve veehouderijen, voorzover nog mogelijk, in kader van de reconstructie onmogelijk zal worden gemaakt. Binnen de reconstructie worden daarnaast ook maatregelen genomen ter bevordering van de beëindiging of verplaatsing van intensieve veehouderijen die zijn gelegen in de begrensde reservaats- en natuurontwikkelingsgebieden, de bestaande bos- en natuurgebieden en de extensiveringsgebieden, naar buiten al deze gebieden gelegen locaties.

Ook vragen de leden van de fractie van de PvdA of duidelijkheid kan worden verschaft over de aantallen bedrijven die door de in de Tweede Kamer aangenomen amendementen zullen worden getroffen en of het mogelijk de daardoor ontstane problemen met het in de Reconstructiewet voorziene financiële instrumentarium op te lossen.

De Tweede Kamer heeft voor het wetsvoorstel ammoniak en veehouderij een amendement aangenomen dat inhoudt dat vergunningaanvragen van veehouders ingediend voor 8 december 2000 zullen worden afgehandeld conform de regels in het huidige rechtsregime (motie Oplaat)1. De regering heeft geen cijfers over het aantal bij gemeenten uitstaande vergunningaanvragen ingediend voor 8 december 2000 die naar verwachting op 1 januari a.s. niet zijn afgehandeld. Wij verwachten echter niet dat dit tot problemen zal leiden, welke door inzet van reconstructiemiddelen moeten worden opgelost.

Van de amendementen op het wetsvoorstel met betrekking tot de stankemissie van veehouderijen in ontwikkelingsgebieden is niet aan te geven hoeveel bedrijven hier uiteindelijk door getroffen worden. Het gaat immers om gebieden die nog aangewezen moeten worden.

Wordt het met de motie Ter Veer c.s. ingezette beleid niet strijdig geacht met de herkoppeling die in het wetsvoorstel reconstructie wordt beoogd tussen grondgebonden en niet-grondgebonden primaire productie, vragen de leden van de PvdA-fractie.

Naar ons oordeel is er geen directe relatie is tussen de motie Ter Veer c.s. en de herkoppeling tussen grondgebonden en niet-grondgebonden sectoren.

De motie ter Veer vraagt om af te zien van de eis tot toepassen van de emissiearme stallen bij nieuwbouw in de melkveehouderij, indien beweiding wordt toegepast en de ureumuitscheiding beneden de norm is. De regering heeft in het debat met de Tweede Kamer aangegeven hier positief tegenover te staan als met de sector goede afspraken kunnen worden gemaakt over het implementeren van voermaatregelen en het toepassen van beweiding. Weidegang en voermaatregelen leiden echter niet per definitie tot een grondgebonden landbouw.

De Reconstructiewet beoogt niet als zodanig een koppeling tussen grondgebonden en niet-grondgebonden sectoren. De Reconstructiewet beoogt om zowel grondgebonden als niet-grondgebonden sectoren op een zo gunstig mogelijke plek perspectief te bieden.

De leden van de fractie van PvdA vragen de regering voorts of de kritiek van de Raad van State ten aanzien van het zoneringsbeleid met de nu aangebrachte veranderingen en de in de Tweede Kamer aangebrachte amendering voldoende ondervangen.

Op een tweetal punten is het wetsvoorstel als gevolg van de behandeling in de Tweede Kamer alsnog zodanig aangepast dat daarmee tevens tegemoet wordt gekomen aan kritiek van de Raad van State.

Dit geldt met name voor de aanpassing die de regering bij de eerste nota van wijziging in het wetsvoorstel heeft aangebracht1. Met de daarbij getroffen regeling wordt beoogd de gewenste duidelijkheid en kenbaarheid te verschaffen aan belanghebbenden ten aanzien van de ligging van de kwetsbare gebieden en de bijbehorende zones, een aspect waar de Raad in zijn advies terecht op had gewezen.

Voorts heeft het amendement Oplaat2 bewerkstelligd dat aanvragen die zijn ingediend voor 8 december 2000 nog kunnen worden afgehandeld onder het huidige recht, een punt waarvoor ook de Raad in zijn advies heeft gepleit.

Overigens merken wij op dat de Raad in zijn advies geen kritiek heeft geuit op breedte van de voorgestelde zonering (500 meter).

De leden van de fracties van Christenunie en SGP merken op dat de omschrijving van «dierenverblijf» in artikel 1 van de ammoniakwet (maar overigens ook in de voorgestelde stankwet) naar hun oordeel niet uitsluit dat een weiland, voorzien van een afrastering daaronder valt en vragen of dat de bedoeling is.

In het algemeen zal een weiland, al dan niet voorzien van een afrastering, niet onder het begrip «dierenverblijf» van artikel 1 vallen. Op grond van artikel 3, eerste lid, is de reikwijdte van de wet immers beperkt tot dierenverblijven die onderdeel uitmaken van de inrichting (veehouderij). Op grond van de huidige jurisprudentie over het begrip «inrichting» kan worden afgeleid dat slechts in uitzonderlijke gevallen een weiland als onderdeel van een inrichting zou kunnen worden beschouwd.

De fractieleden van ChristenUnie en SGP vragen zich af hoe hoog de gemiddelde stikstof depositie over heel Nederland zal zijn bij een emissie van 128 kton.

Uit de door het RIVM in het kader van de evaluatie van de verzuringsdoelstelling uitgevoerde analyse van emissievarianten (juli 2001), blijkt dat uitgaande van een emissie van 128 kiloton ammoniak de gemiddelde depositie voor heel Nederland in 2010 ongeveer 1750 mol stikstof per hectare zal bedragen. De gemiddelde stikstofdepositie per provincie varieert van 1040 mol per hectare per jaar in Zeeland tot 2230 mol per hectare per jaar in Noord Brabant. Lokaal bestaan er binnen concentratiegebieden nog veel hogere deposities, doordat ammoniak relatief dicht bij de bron neerslaat. Bij een emissieniveau van 128 kiloton wordt ongeveer 20 procent van de landecosystemen volledig tegen nadelige gevolgen van stikstof depositie beschermd.

Bij het bereiken van de NMP4-doelstelling van 100 kiloton zal dit voor iets meer dan 30% van het areaal natuur gelden, terwijl bovendien overschrijding van de kritische belasting op het niet volledig beschermde areaal natuur verder zal zijn afgenomen.

Voorts vragen de leden van de fracties van ChristenUnie en SGP welk deel van de vanuit een bepaald punt geëmitteerde ammoniak komt neer binnen 250 meter en welk deel tussen 250 en 500 meter.

Voor het antwoord op deze vraag verwijzen we naar het antwoord op een vraag van de leden van de CDA-fractie, waar dit onderwerp bij de toelichting op de wetenschappelijke onderbouwing van het aanvullend ammoniakbeleid uitgebreid aan de orde komt.

Ook vragen de leden van de fracties van ChristenUnie en SGP welke mate van depositie acceptabel is voor respectievelijk «kwetsbare» en «zeer kwetsbare» natuur.

De kritische depositiewaarden voor de verschillende natuurdoeltypen variëren en liggen volgens de huidige inzichten tussen de 300 en 1400 mol (zeer kwetsbaar) en tussen de 1400 en 2400 mol (kwetsbaar). De huidige depositieniveaus in de verschillende gebieden variëren en liggen in veel gebieden nog ver boven het gewenste niveau. Op dit moment wordt in ca. 90% van het areaal natuur de kritische depositiewaarde overschreden.

Het generieke beleid – op basis van de emissiedoelstellingen voor Nederland in 2010 conform het NMP4, te weten 100 kton, en de emissiereducties in het buitenland volgens het Gothenburg-protocol en de NEC-richtlijn – leidt, zoals hierboven aangegeven, er toe dat in 2010 30% van het areaal natuur in Nederland volledig is beschermd.

Overigens dienen deze waarden ook bezien te worden in het licht van de lange termijn doelstellingen voor zuur- en stikstofdepositie, zoals opgenomen in NMP4. Gestreefd wordt naar waarden voor zuur- en stikstofdepositie, waarbij 95% van het areaal van de Nederlandse natuur volledig is beschermd. Dit doel moet in 2030 zijn bereikt. Voor stikstof geldt daarbij een depositiewaarde van 300 tot 500 mol per hectare per jaar.

Bovendien willen de leden van de fracties van ChristenUnie en SGP weten welk deel van de kwetsbare en zeer kwetsbare (natuur)gebieden ligt buiten de EHS-gebieden. In dat verband vragen zij of de regering de kwetsbare gebieden buiten de EHS afdoende beschermd acht, hoewel ze buiten de reikwijdte van het voorliggende wetsvoorstel vallen, en hoeveel agrarische bedrijven daarvan beperkingen zouden ondervinden, als deze gebieden zouden worden beschermd conform de regels van het voorliggende wetsvoorstel.

Van de kwetsbare en zeer kwetsbare natuur die nu beschermd wordt krachtens de Interimwet ligt naar schatting rond 60 000 ha buiten de EHS. De bescherming van deze gebieden geschiedt binnen de milieuwetgeving uitsluitend via het generieke ammoniakbeleid. Dit betekent dat de bescherming pas op een later moment op een adequaat niveau komt. De regering accepteert voor deze gebieden vooralsnog een lager beschermingsniveau, omdat anders – wanneer ook voor deze gebieden aanvullend beleid zou gelden – de gevolgen voor de veehouderij en de reconstructie te groot zouden zijn.

Als deze gebieden zouden worden beschermd conform de regels van het voorliggende wetsvoorstel dan zouden naar schatting nog eens circa 1500 bedrijven beperkingen ondervinden.

De leden van de fracties van ChristenUnie en SGP hebben begrepen dat naar schatting 7000 agrarische bedrijven in beginsel beperkingen zullen ondervinden van de voorgestelde maatregelen. Ze vragen of bij deze schatting rekening is gehouden met de relatief sterke vermindering van het aantal varkens- en pluimveebedrijven, die zich de afgelopen paar jaar heeft voorgedaan en zich de komende jaren zal voordoen, mede door de recente opkoopregeling. Ook vragen deze leden of een indicatie kan worden gegeven van het percentage bedrijven met (overwegend) melkvee in de groep van 7000 en welk deel van de genoemde 7000 bedrijven is gelegen binnen de reconstructiegebieden en dus in beginsel in aanmerking komt voor verplaatsing in het kader van de Reconstructiewet.

De cijfers zijn gebaseerd op de gegevens zoals die begin 2000 bekend waren. De autonome afname van het aantal bedrijven en de afname als gevolg van deelname aan de Regeling beëindiging veehouderijtakken (RBV) sinds die tijd zijn niet in de cijfers verdisconteerd.

Van de groep bedrijven in de kwetsbare gebieden en de zones daaromheen heeft naar schatting rond 2000 à 2500 bedrijven in hoofdzaak melkvee. Het overgrote deel (85 tot 90%) van de ongeveer 7000 bedrijven bevindt zich in de reconstructiegebieden.

Voorts vragen de leden van de fracties van ChristenUnie en SGP of de regering verwacht dat het voorliggende voorstel, althans voor zover het gaat om de regeling inzake de emissie en depositie van ammoniak, voldoende mogelijkheden biedt om de Reconstructiewet op een doeltreffende manier uit te voeren. In dat verband vragen deze leden of de wijzigingen die in de afgelopen weken in het wetsvoorstel zijn aangebracht – waarbij met name te denken valt aan de beperking van de zones rond kwetsbare gebieden van 500 tot 250 meter – budgettaire gevolgen hebben voor de uitvoering van de Reconstructiewet.

De regering verwacht dat met het wetsvoorstel ammoniak en veehouderij de reconstructiecommissies voldoende mogelijkheden hebben om de Reconstructie op een doeltreffende manier uit te voeren.

De beperking van de zonering hoeft naar onze mening geen directe budgettaire gevolgen voor de uitvoering van de Reconstructiewet te hebben. Deze budgettaire gevolgen zouden alleen dan ontstaan, wanneer in de schil van 250 tot 500 meter rondom de kwetsbare gebieden zich uitbreiding of nieuwsvestiging van veehouderijen zou voordoen, die in kader van de reconstructie weer ongedaan zou moeten worden gemaakt. Dit risico is beperkt, omdat in veel bestemmingsplannen vestiging en uitbreiding van intensieve veehouderijen reeds aan beperkingen is gebonden. Ook blijft aanvullende toetsing op grond van Europese richtlijnen in stand. Eventuele budgettaire gevolgen kunnen verder worden voorkomen door optimaal gebruik te maken van de gebiedsaanwijzing in kader van de Reconstructiewet.

Naar de mening van de leden van de fracties van ChristenUnie en SGP krijgt de grondgebonden melkveehouderij krijgt in het kader van deze wet terecht een bijzondere behandeling. Met het oog op de rechtszekerheid is van groot belang dat er een eenduidig onderscheid is tussen grondgebonden en niet-grondgebonden melkveehouderij. In verband hiermee stellen ze de volgende vragen. Welk criterium, dan wel set van criteria, denkt de regering daarbij te gaan hanteren? Zal een bepaalde mate van weidegang onderdeel uitmaken van deze criteria? Acht de regering het denkbaar dat, indien het bedrijfseconomisch optimum op circa 110 melkkoeien zou liggen zoals de regering kennelijk veronderstelt (zie nota n.a.v. het verslag op blz. 23), op bedrijven van die omvang weidegang ruime toepassing zal kunnen vinden?

In een antwoord op een vraag van de leden van de CDA-fractie zijn wij reeds ingegaan op de regeling voor de melkveehouderij. Omdat wij nog niet beschikken over uitvoerbare en handhaafbare criteria om in de wet een onderscheid te maken tussen grondgebonden en niet-grondgebonden melkveehouderij, hebben wij gekozen voor een regeling voor de melkveehouderij als geheel. Daardoor is weidegang thans niet als onderscheidend criterium in de wet opgenomen. De regering zal met de sector in overleg treden over een totaal pakket voor de melkveehouderij, waarin ook een aanpassing van de regeling in de Wet ammoniak en veehouderij aan de orde zal zijn.

De regering constateert een toenemende trend naar minder beweiding van vee, juist ook bij de grotere bedrijven. Of melkveehouders daadwerkelijk beweiden is uiteindelijk een keuze die zij zelf maken. Bedrijfsgrootte kan hierbij een rol spelen, naast andere sociale en bedrijfskundige factoren. Omdat wij beweiding van belang vinden, zullen wij in bovenvermeld overleg met de sector de beweiding nadrukkelijk betrekken.

Tot slot merken de leden van de fracties van ChristenUnie en SGP op dat volgens artikel 6 van het wetsvoorstel, een veehouderij waarvan slechts een gedeelte van de stallen binnen de «250-meterzone» ligt, onder de beperkingen van de wet valt, ook wanneer slechts 10% of 5% van de stalruimte binnen deze zone ligt. Deze leden vragen of de regering dat redelijk vindt en of het uit het oogpunt van billijkheid en doelmatigheid niet in de rede had gelegen een uitzondering te maken voor dergelijke beperkte overschrijdingen.

Het maken van uitzonderingen voor beperkte «overschrijdingen» zoals de leden van de fracties van ChristenUnie en SGP voorstellen, lijkt ons niet wenselijk. Dit zou namelijk niet alleen de handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid van de regeling aantasten (want hoe bepaal je dan exact hoe groot een overschrijding is), maar zelf ook weer leiden tot nieuwe «onbillijkheden» (want waar moet de grens dan worden gelegd, bij 5%, 10% of 50%?). Een keuze voor een systeem met zones brengt nu eenmaal met zich mee dat ergens een (scherpe) grens moet worden getrokken.

In dit verband willen we er nog op wijzen dat de regering juist uit het oogpunt van doelmatigheid (uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid) voor deze regeling heeft gekozen. Bij de voorbereiding zijn ook andere opties overwogen. Zo is nagegaan of de ligging van de inrichting dan wel het emissiepunt van een stal als criterium bruikbaar zouden zijn. Voor aansluiten bij de ligging van de inrichting is niet gekozen omdat dit veel interpretatieproblemen zou opleveren bij de uitvoering van de wet. Ook aan de keuze voor een emissiepunt als criterium bleken praktische bezwaren te kleven.

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J. Pronk

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

L. J. Brinkhorst


XNoot
1

Kamerstukken II, 2001/2002, 27 836, nr. 18.

XNoot
2

Kamerstukken II, 2001/2002, 27 835, nr. 5, blz. 11.

XNoot
1

Instituut voor Milieu en Agritechniek (IMAG), september 2001. Geuremissie uit de veehouderij. Overzichtsrapportage 1996–1999. Rapport 2001–14.

XNoot
1

Kamerstukken II, 2000/2001, 24 445, nr. 64.

XNoot
1

Kamerstukken II, 2001/2002, 27 835 en 27 836, nr. 19.

XNoot
1

Ministerie VROM, publicatienummer vrom 010 344/h/10–01, 17 529/187, oktober 2001.

XNoot
2

Kamerstukken II, 2000/2001, 27 835, nr. 3, blz. 10.

XNoot
1

Kamerstukken II, 2000/2001, 27 836, nr. 3, blz. 24–28.

XNoot
2

Kamerstukken II, 2000/2001, 27 835, nr. 3, blz. 7.

XNoot
1

Kamerstukken II, 2000/2001, 27 836, nr. 3, blz. 9–12.

XNoot
2

Kamerstukken II, 2001/2002, 27 836, nr. 5, blz. 7–11.

XNoot
1

Kamerstukken II, 2001/2002, 27 836, nr. 16.

XNoot
1

Kamerstukken II, 2001–2002, 27 836, nr. 6.

XNoot
2

Kamerstukken II, 2001–2002, 27 836, nr. 16.