Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum indiening
Eerste Kamer der Staten-Generaal2001-200227824 nr. 126b

27 824
Aanpassing van de wetgeving aan de herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg

nr. 126b
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 3 december 2001

De leden van de fracties van CDA en PvdA vragen wat de rechtsgevolgen zijn, indien een vonnis of beschikking niet of niet geheel voldoet aan de voorschriften, genoemd in de artikelen 2.3.1, tweede lid, onder e, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en 2.9.13, vierde lid, Rv, alsmede hoe een eventueel gebrek kan worden gerepareerd. Op deze vragen ga ik gaarne als volgt in.

In de eerste plaats merk ik op dat artikel 2.3.1, tweede lid, onder e, Rv geen voorschrift bevat voor de inhoud van een vonnis of beschikking, maar voor de inhoud van een dagvaarding. Ingevolge deze bepaling dient een dagvaarding mede te bevatten «de aanwijzing van de rechter die van de zaak kennisneemt, onder vermelding van het adres van het gerecht dan wel, indien de zaak moet worden behandeld op een nevenvestigingsplaats of nevenzittingsplaats van het gerecht, het adres van die nevenzittingsplaats of nevenvestigingsplaats alsmede, indien de zaak moet worden behandeld op een nevenzittingsplaats waar geen stukken kunnen worden ingediend, het adres waar stukken kunnen worden ingediend». Het voorschrift strekt ertoe de gedaagde op de hoogte te stellen van de plaats waar hij zich tegen de vordering kan verweren.

Ontbreekt een vermelding als bedoeld in artikel 2.3.1, tweede lid, onder e, Rv geheel of ten dele, dan maakt dat de dagvaarding nietig ingevolge artikel 2.3.9, eerste lid, Rv. Herstel daarvan is mogelijk door middel van het uitbrengen van een herstelexploot op de voet van artikel 2.3.9, tweede lid, Rv. Wordt niet tijdig een herstelexploot uitgebracht, dan vloeit uit de artikelen 2.3.10 en 2.3.11 Rv voort wat de gevolgen zijn voor de procedure. Verschijnt de gedaagde niet in het geding, dan zal de rechter een nieuwe roldatum bepalen en de eiser opdragen de gedaagde op te roepen tegen die nieuwe roldatum. Verschijnt de gedaagde wel, bijvoorbeeld doordat hij op andere wijze door de eiser op de hoogte is gesteld van de juiste gegevens, dan zal een eventueel beroep op de nietigheid van de dagvaarding door de rechter worden verworpen indien de rechter oordeelt dat de gedaagde door het gebrek in de dagvaarding niet in zijn belangen is geschaad.

Een andere mogelijkheid, waar ik voor de volledigheid op wijs, is dat de dagvaarding wel een vermelding bevat als bedoeld in artikel 2.3.1, tweede lid, onder e, Rv, doch deze vermelding onjuist is. De gedaagde wordt dan opgeroepen voor de verkeerde rechter dan wel op een onjuiste locatie. Voorzover de aangezochte rechter niet relatief bevoegd is in de zin van de tweede afdeling van de tweede titel van het Eerste Boek Rv, kan de gedaagde zich daarop op de voet van artikel 2.2.12 beroepen en zal de rechter de zaak dan moeten verwijzen naar de wel bevoegde rechter. Is gedagvaard voor de relatief bevoegde rechter, maar op een verkeerde locatie binnen het arrondissement, dan is er geen ruimte voor onbevoegdverklaring. Wel zal de rechter dan op de eerstdienende dag kunnen beslissen dat de verdere behandeling zal plaatsvinden op de juiste locatie en de eiser overeenkomstig artikel 2.3.10, tweede lid, Rv opdragen om, zo de gedaagde niet is verschenen, de gedaagde daarvan bij exploot op de hoogte te stellen. Mocht op de in de dagvaarding genoemde locatie op het daarin genoemde tijdstip in het geheel geen terechtzitting plaatsvinden, dan zal in lijn met de jurisprudentie betreffende dagvaarding tegen een niet-bestaande rechtsdag de eiser uit eigen beweging een herstelexploot moeten uitbrengen om de gedaagde alsnog op juiste wijze op te roepen.

De andere bepaling waar de genoemde leden aandacht voor vragen is artikel 2.9.13, vierde lid, Rv. Die bepaling betreft de mogelijkheid dat de rechter een zaak op vordering van één der partijen verwijst naar een andere kamer van hetzelfde gerecht, zulks in verband met het feit dat bij die andere kamer een zaak aanhangig tussen dezelfde partijen over hetzelfde onderwerp dan wel een zaak die verknocht is aan de te verwijzen zaak. De rechter zal ingevolge artikel 2.9.13, vierde lid, Rv in zijn beslissing tot verwijzing een nieuwe roldatum moeten vermelden alsmede, indien daarin wijziging optreedt, op welke wijze partijen in het geding moeten verschijnen. Voorts zal de rechter, indien tegen de gedaagde verstek is verleend, de eiser opdragen de nieuwe roldatum bij exploot aan de gedaagde aan te zeggen onder betekening van de verwijzingsbeslissing. Ontbreken deze elementen in de verwijzingsbeslissing geheel of ten dele, dan zal de rechter dit in een verbeteringsbeslissing op de voet van artikel 1.3.12 Rv kunnen rechtzetten. Niet uitgesloten is ook dat de betrokken rechter en de partijen schriftelijk of telefonisch contact hebben over de ontbrekende gegevens en de verwijzing daarbij in onderling overleg alsnog juist te laten verlopen.

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals