27 784
Wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (afschaffing vrijstelling enkele overheidsbedrijven en voorkoming incidentele voor- en nadelen)

nr. 133a
VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR FINANCIËN1

Vastgesteld 6 december 2001

Het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel gaf de commissie aanleiding tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.

De leden van de CDA-fractie wilden hun inbreng voor dit wetsontwerp beperken tot enkele aspecten die de kwaliteit van de wetgeving in het algemeen en die van dit wertsvoorstel in het bijzonder betreffen.

Het is een algemeen aanvaard uitgangspunt dat wanneer een overheidsbedrijf belastingplichtig wordt deze belastingplicht alleen betrekking dient te hebben op resultaten welke na de aanvang van de belastingplicht worden behaald. Winsten behaald bij de vervreemding van zowel materiële als immateriële activa op een moment gelegen voor de aanvang van de belastingplicht worden niet in de heffing betrokken. Het gehele resultaat van het bedrijf inclusief de waardeontwikkeling van de activa en passiva tot aan het moment van de aanvang van de belastingplicht wordt buiten de heffing gehouden. Daartoe worden op de openingsbalans de activa en passiva gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer, zo memoreerden deze leden. Het wetsvoorstel maakt voor de immateriële activa een uitzondering op deze regel. Deze activa mogen in het geheel niet geactiveerd worden als de leden 3 en 4 van artikel 33 van toepassing zijn (transacties tussen verbonden lichamen) en mogen in de andere gevallen worden gewaardeerd op, vrij vertaald, kostprijs verminderd met de normale fiscale afschrijvingen. De in het overheidsbedrijf ontstane goodwill mag niet geactiveerd worden op de openingsbalans. In het eigen bedrijf ontwikkelde software, verkregen licenties, octrooien en vergunningen mogen niet op de waarde in het economische verkeer worden gewaardeerd.

Verkoop van de immateriële activa de dag voor de aanvang van de belastingplicht aan een particulier bedrijf voorkomt dat over de daarbij te behalen winst belasting verschuldigd wordt. Verkoop van deze activa na de aanvang van de belastingplicht leidt tot het belasten van een winst ontstaan in de periode dat het overheidsbedrijf niet belastingplichtig was. Dit leidt ertoe dat bij het overheidsbedrijf een hogere totaalwinst wordt belast dan de winst welke in de belastingplichtige periode wordt behaald.

De effectieve belastingdruk op de totaalwinst van een overheidsbedrijf dat haar immateriële activa op de openingsbalans niet mag activeren, ligt daardoor hoger dan bij vergelijkbare particuliere bedrijven. De concurrentiepositie van het overheidsbedrijf wordt daardoor benadeeld in vergelijking met de concurrentiepositie van een particulier bedrijf. Dit is door de staatssecretaris van Financiën in zijn reactie op het artikel van Mr S.H. Harkema (Fiscaal Weekblad FED van 1 november 2001) ook niet ontkend. Is dit met het wetsvoorstel beoogd, zo vragen deze leden zich af.

Ook uit het antwoord op de vraag of het verbod op activering van immateriële activa leidt tot strijd met artikel 26 IVBR en artikel 14 EVRM, blijkt dat de staatssecretaris zich er van bewust is dat het belastingplichtig geworden overheidsbedrijf onder bepaalde omstandigheden slechter wordt behandeld dan een bedrijf in handen van particulieren en dat er sprake is van een verschil in behandeling. Naar de mening van de staatssecretaris is er echter geen sprake van discriminatie, van een ongeoorloofde ongelijke behandeling, omdat overheidsbedrijven die subjectief zijn vrijgesteld en vanaf een bepaald moment belastingplichtig worden in een andere positie verkeren dan particuliere bedrijven die altijd al belastingplichtig zijn geweest. Deze ongelijke behandeling leidt echter wel tot een onevenwichtigheid in de belastingdruk van enerzijds een overheidsbedrijf en anderzijds een bedrijf in particuliere handen, aldus de leden van de CDA-fractie. Waarom oordeelt de staatssecretaris het, anders dan de Advocaat-Generaal en de Hoge Raad (BNB 1991/90), niet nodig om deze onevenwichtigheid weg te nemen?

De staatssecretaris is van mening dat het wetsvoorstel niet in strijd is met artikel 26 IVBR en artikel 14 EVRM. Het verschil in positie tussen een overheidsbedrijf dat belastingplichtig wordt en een particulier bedrijf dat vanaf de aanvang belastingplichtig is, zou dit rechtvaardigen. Bij de leden van de CDA-fractie waren met betrekking tot dit onderwerp nog de volgende vragen opgekomen. Indien een overheidslichaam, op het moment dat zij voor haar bedrijfsactiviteiten belastingplichtig wordt, haar bedrijfsactiviteiten overdraagt aan een daartoe opgerichte NV, moet deze NV de immateriële activa waarderen met inachtneming van artikel 33 leden 2, 3 en 4. In casu betekent dit dat de immateriële activa voor nihil op de balans moeten worden opgenomen omdat ze zijn verkregen van een verbonden lichaam en de vervreemding bij het overdragende lichaam niet heeft geleid tot belastbare winst. Het overheidslichaam daarentegen dat de activa niet heeft overgedragen, mag op basis van een hoger bedrag afschrijven dan een verbonden lichaam waaraan de bedrijfsactiviteiten zijn overgedragen. Is er een objectieve en redelijke rechtvaardiging om aan deze NV niet toe te staan immateriële activa te activeren en daarop af te schrijven?

Indien het overheidslichaam de bedrijfsactiviteiten zou hebben overgedragen aan een NV die geen verbonden lichaam vormt dan mag deze NV de verkregen immateriële activa voor de waarde in het economische verkeer te boek stellen. De verkrijgende NV, mits in handen van particulieren, mag op de verkregen immateriële activa afschrijven op basis van de werkelijke waarde. Deze NV verkrijgt een betere concurrentie-positie in vergelijking met de overheidsinstelling welke niet op basis van de werkelijke waarde mag afschrijven. Het is niet uitgesloten dat er in de toekomst een concentratie van (gemeentelijke) overheidsbedrijven zal plaatsvinden. Soms zal een overdracht plaatsvinden aan een verbonden lichamen, soms aan particuliere ondernemingen. De conclusie lijkt te zijn dat (verbonden) overheidslichamen (aanzienlijk) slechter af zijn dan particuliere ondernemingen. De leden van de CDA-fractie meenden dat dit verschil in behandeling niet gewenst is, los van de vraag of er sprake is van discriminatie. Wat is de visie van de staatssecretaris op het punt van mogelijke concurrentievervalsing?

Het wetsvoorstel beoogt tevens incidentele nadelen te voorkomen. De veronderstelling dat dit betrekking heeft op verplichtingen waarvoor normaal een voorziening moet worden gevormd, wordt door de staatssecretaris afgewezen.

De CDA-fractie twijfelt er aan of deze opvatting wel juist en terecht is. Zij pleiten er voor dat immateriële passiva tot tenminste het bedrag van de immateriële activa buiten aanmerking worden gelaten. Het is hun anders niet duidelijk welk incidenteel nadeel het wetsvoorstel dan wel wil voorkomen.

De staatssecretaris is van mening dat afschrijving op immateriële activa niet is toegestaan omdat dit de concurrentieverhoudingen verstoort. De Europese Commissie heeft beslist dat de vrijstelling voor de Schipholgroep per 1 januari 2002 moet zijn beëindigd. Heeft de Europese commissie ook beslist dat waardestijgingen van immateriële activa ontstaan in de periode voor 1 januari 2002 alsnog in de heffing moeten worden betrokken, zo vroegen deze leden tot besluit.

De leden van de VVD-fractie hadden kennisgenomen van het wetsvoorstel dat regelt dat vennootschapsbelasting zal worden geheven van de NV Luchthaven Schiphol en van enkele andere overheidsondernemingen. Zij hadden er goede nota van genomen dat dit wetsvoorstel in het geheel niet beoogt vooruit te lopen op de eventuele privatisering van de NV Luchthaven Schiphol en van andere ondernemingen. Het voorstel bevordert die privatisering evenmin. Eerder is zelfs het tegendeel het geval, omdat zonder dit wetsvoorstel het Europese recht wellicht tot privatisering zou dwingen, nu privatisering automatisch zou leiden tot een normale belastingheffing. Deelt de staatssecretaris deze zienswijze? Het staat sinds 3 juli 2001 vast dat de Europese Commissie het achterwege laten van de heffing ziet als concurrentievervalsing en dus ook als een verboden vorm van staatssteun. Het is niet aannemelijk dat de rechter anders zal oordelen. Het wetsvoorstel lijkt daarin een voldoende rechtvaardiging te vinden. De vraag is echter of het voorstel ook zonder de Europese factor niet zou passen in het nationale beleid.

Deze leden vroegen tenslotte hoe groot naar globale schatting de winst zal zijn van alle overheidsbedrijven tezamen, diensten en rechtspersonen die na totstandkoming van dit wetsvoorstel nog zullen zijn vrijgesteld van de heffing van de vennootschapsbelasting. Is het geheel zeker dat hierin geen concurrentievervalsing en dus geen door de EU verboden staatssteun te vinden is?

De voorzitter van de commissie,

Stevens

De griffier van de commissie,

Eliane Janssen


XNoot
1

Samenstelling: Boorsma (CDA), Stevens (CDA), (voorzitter), Schuyer (D66), Rensema (VVD), Van den Berg (SGP), Varekamp (VVD), Wöltgens (PvdA), (plv, voorzitter), Ter Veld (PvdA), Ruers (SP), De Vries (ChristenUnie), Dupuis (VVD), Bemelmans-Videc (CDA) en Platvoet (GL).

Naar boven