nr. 62b
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 10 december 2001
De vaste commissie voor Financiën van de Eerste Kamer der Staten-Generaal,
belast met het voorbereidend onderzoek, bracht op 23 november 2001 verslag
uit van haar bevindingen over het voorstel van wet tot achtste wijziging van
de Comptabiliteitswet1 Met belangstelling heb
ik kennis genomen van de inhoud van dit verslag. Onderstaand beantwoord ik
de daarin gestelde vragen.
De leden van de fractie van het CDA vragen naar de correcte duiding van
het zevende lid van artikel 59a. Dit lid schrijft voor dat de Algemene Rekenkamer
overleg voert met de Europese Rekenkamer teneinde te komen tot afspraken over
de te hanteren normen en criteria bij haar onderzoek en over de wijze van
samenwerking met de Europese Rekenkamer. De leden van de CDA-fractie wijzen
daarbij op artikel 248, derde lid, van het EG-verdrag waarin is bepaald dat
de Europese Rekenkamer en de nationale rekenkamers samenwerken «in onderling
vertrouwen en met behoud van hun onafhankelijkheid».
Zoals ik tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede
Kamer heb uiteengezet, wordt met het zevende lid van artikel 59a geen onderschikking
van de Algemene Rekenkamer aan de Europese Rekenkamer beoogd, maar is hier
sprake van een nevenschikking op basis van gelijkwaardigheid.2 In het wetsvoorstel wordt niet bepaald dat de Algemene Rekenkamer
zich op voorhand moet conformeren aan de normen en criteria van de Europese
Rekenkamer. Het zevende lid verplicht de Algemene Rekenkamer tot niets meer
en niets minder dan het voeren van overleg met de Europese Rekenkamer teneinde
te komen tot afspraken over uniforme normen en criteria en over de wijze van
onderlinge samenwerking3. De Algemene Rekenkamer
is derhalve gehouden met de Europese Rekenkamer overleg te voeren, maar zij
heeft in ultieme instantie – mocht onverhoopt een verschil van mening
blijven bestaan – wel de mogelijkheid uit te gaan van haar eigen (afwijkende)
interpretatie van normen en criteria. In die zin is inderdaad sprake van een
inspanningsverplichting en niet van een resultaatverplichting. Zoals ik tijdens
het debat in de Tweede Kamer heb gezegd, lijkt het mij een goede zaak dat
in geval de Algemene Rekenkamer uiteindelijk op bepaalde punten
andere normen en criteria bezigt dan de Europese Rekenkamer, zij dit in het
desbetreffende onderzoeksrapport uiteenzet en toelicht.
In het tweede en derde lid van artikel 59a wordt ten aanzien van de wijze
van controleren door de Algemene Rekenkamer een «drie-fasenprocedure»
beschreven. Dit betekent dat de Rekenkamer in eerste instantie departementale
dossiers onderzoekt, zo nodig aangevuld met van de betrokken minister verkregen
inlichtingen (fase 1). Voor zover de door de Rekenkamer nodig geachte stukken
bij de betrokken minister ontbreken of verkregen inlichtingen niet bevredigend
zijn, kan zij vervolgens bij de betrokken derde overlegging van de stukken
vorderen of daarover nadere inlichtingen inwinnen (fase 2). In laatste instantie
heeft de Rekenkamer ten slotte de mogelijkheid een onderzoek ter plaatse in
te stellen, in situaties waarin stukken of inlichtingen binnen een redelijke
termijn achterwege blijven of verkregen inlichtingen niet toereikend worden
geacht (fase 3). Een dergelijk terughoudend gebruik van het instrument onderzoek
ter plaatse draagt bij aan zo laag mogelijke administratieve lasten. De leden
van de fractie van het CDA willen weten of het bij deze «drie-fasenaanpak»
gaat om een descriptieve dan wel een prescriptieve formulering.
De formuleringen in artikel 59a zijn prescriptief van aard. Ten aanzien
van de toepassing van het tweede en derde lid zij wel opgemerkt, dat de vraag
of aard en omvang van de verkregen inlichtingen het nodig maken over te gaan
van fase 1 naar fase 2 respectievelijk van fase 2 naar fase 3 uitsluitend
ter beoordeling is van de Algemene Rekenkamer. Dit waarborgt een onafhankelijke
werkwijze. Opgemerkt zij overigens dat de gekozen formuleringen voor de «drie-fasenprocedure»
in artikel 59a analoog zijn aan die van de overeenkomstige bepalingen in artikel
59 van de Comptabiliteitswet.
In het achtste lid van artikel 59a wordt onder meer artikel 5:17 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) genoemd als zijnde van overeenkomstige toepassing
ten aanzien van het gebruik van de bevoegdheid vermeld in het derde lid van
artikel 59a. Dit betekent dat de Algemene Rekenkamer bevoegd is inzage te
vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, daarvan kopieën te maken
en, indien het maken van kopieën niet ter plaatse kan geschieden, de
gegevens en bescheiden voor dat doel voor korte tijd (tegen een af te geven
bewijs) mee te nemen. Krachtens het derde lid van artikel 59a is eveneens
artikel 54, eerste lid, van de Comptabiliteitswet van toepassing. In dit artikellid
is bepaald dat de Rekenkamer de bevoegdheid heeft kassen en voorraden op te
nemen en administraties, documenten en andere informatiedragers te onderzoeken.
De leden van de fractie van het CDA wijzen erop dat deze laatste formulering
een ruimere bevoegdheid verschaft dan die gereleveerd in artikel 5:17 Awb.
Met het van overeenkomstige toepassing verklaren van artikel 5:17 Awb
is op geen enkele wijze beoogd de bevoegdheden in te perken die de Rekenkamer
heeft ten gevolge van het van overeenkomstige toepassing zijn van artikel
54. Integendeel: de verwijzing naar artikel 5:17 Awb is hier opgenomen om
de ruimere bevoegdheden genoemd in het tweede en derde lid daarvan –
die betrekking hebben op het maken van kopieën – van overeenkomstige
toepassing te kunnen doen zijn. Dit betekent dat op dit punt derhalve geen
sprake is van een inconsistentie, maar juist van aanvullende bevoegdheden.
De Minister van Financiën,
G. Zalm
XNoot
1Kamerstukken I 2001/2002, 27 571, nr. 62a. Het wetsvoorstel zelf
werd op 9 oktober 2001 met algemene stemmen aangenomen door de Tweede
Kamer der Staten-Generaal.
XNoot
2Handelingen II 2001/2002, 5de vergadering, blz. 197–214.
XNoot
3In de slotakte bij het Verdrag van Nice is een verklaring opgenomen waarin
de Europese Rekenkamer en haar nationale zusterinstellingen worden verzocht
het kader en de voorwaarden van hun samenwerking te verbeteren. De voorzitters
van de Europese Rekenkamer en de nationale rekenkamers voeren daarover overleg
in een contact comité van presidenten. De concrete invulling van de
wijze waarop de Europese Rekenkamer en de nationale rekenkamers hun onderlinge
samenwerking vorm geven, is – gegeven hun onafhankelijkheid –
een zaak voor de rekenkamers zelf.