nr. 44
NADER VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR BINNENLANDSE ZAKEN
EN DE HOGE COLLEGES VAN STAAT2
Vastgesteld 16 oktober 2001
Na lezing van de memorie van antwoord bestond binnen de vaste commissie
voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat nog behoefte tot het
maken van een enkele opmerking en het stellen van een enkele vraag.
De leden van de CDA-fractie bezaten na lezing
van de memorie van antwoord nog geen volledige helderheid over een aantal
aspecten dat is verbonden aan dit wetsvoorstel.
De regering stelt dat aard van het instrument van de vernietiging met
zich brengt dat het slechts gebruikt kan worden ten opzichte van besluiten
dan wel niet-schriftelijke beslissingen gericht op enige rechtsgevolg. Opnieuw
voert zij daarvoor aan de opvatting van de Hoge Raad in het parochiehuis-Woerdenarrest:
een arrest dat overigens door deze leden is aangehaald en waarvan zij aannemen
dat het ook bekend is aan de Raad van State en bij de auteurs door hen genoemd
in het voorlopig verslag. In dat arrest (met noot Stellinga) stelt de Hoge
Raad vast dat slechts de rechtsgevolgen niet de feitelijke gevolgen (dat zou
naar hun aard ook niet kunnen) van vernietigde besluiten mede worden vernietigd.
Deze opvatting is neergeslagen in art. 10:42 eerste lid Awb. Deze leden wezen
erop dat het besluitbegrip in het gemeenterecht ouder is en een andere betekenis
bezat dan het besluitbegrip in de Awb. Deze wetgever heeft dan ook in de Aanpassingswet
van de derde tranche Awb I de knellende band van deze Awb dogmatiek wat geslaakt
door in art. 268 Gemeentewet als object van vernietiging ook op te nemen,
naast besluiten, de categorie niet-schriftelijke beslissingen gericht op enig
rechtsgevolg. Zij volgde bewust niet het advies van de Raad van State om simpelweg
«beslissingen» op te nemen als object van vernietiging. Naar de
opvatting van deze leden dwingt het parochiehuis-Woerdenarrest niet tot het
stringent vasthouden aan deze lijn door de regering nu dit arrest niets zegt
over de vraag welke beslissingen kunnen worden vernietigd maar slechts over
de vraag welke gevolgen (nl. rechtsgevolgen) mede vernietigd worden gelet
op art. 190 Gemeentewet (toenmalig). De opvatting van de regering leidt toch
tot wellicht onbedoelde gevolgen.
a. Kunnen nu schriftelijke beslissingen niet zijnde besluiten in de zin
van de Awb – bijvoorbeeld omdat een specifieke publiekrechtelijke bevoegdheidsgrondslag
ontbreekt – maar wel beslissingen gericht op enig rechtsgevolg dus niet
worden vernietigd door de Kroon? Bijvoorbeeld een schriftelijke toezegging
van het college subsidiëring (door de raad) te bevorderen?
b. De regering meent dat niet-schriftelijke beslissingen als de aanvaarding
van een beleidsplan of een motie geen object van vernietiging kunnen zijn
nu zij geen rechtsgevolg beogen. Maar moties die aandringen op financiële
ondersteuning van bepaalde organisaties zouden volgens de regering nu juist
wel vernietigd kunnen worden. Deze leden volgen deze opvatting nog niet geheel.
Immers in een motie wordt toch een wens uitgesproken dat een ander bestuursorgaan
(bijv. het college van B en W) zijn bevoegdheden op een bepaalde wijze aanwendt
bijvoorbeeld in een subsidiebesluit of een begrotingsvoorstel. Zouden dan
ook moties die bij het college aandringen op een bepaalde vergunningverlening
of intrekking, de sluiting van een zwembad, het invoeren van een voorkeursbeleid
het doen van een bepaalde benoeming, het geven van een bepaalde ontheffing
objecten van vernietiging kunnen zijn, net als dat volgens de regering het
geval is met moties die een financiële ondersteuning voor een instelling
wensen? Kan de regering opheldering geven over de niet-onbelangrijke kwestie
wanneer moties wel en wanneer niet als object van vernietiging moeten worden
aangemerkt?
c. Meent de regering overigens dat «besluiten» die geen rechtsgevolgen
beogen zoals het besluit de bevolking op te roepen tot burgerlijke ongehoorzaamheid
op het punt van nationaal beleid, een tentoonstelling te houden voor een buitenlandse
verzetsbeweging die de nationale buitenlandse politiek in diskrediet brengt,
om vlaggen te hijsen op het gemeentehuis van niet erkende staten of bewegingen,
het sneeuwruimen in een deel van de stad te stoppen, voorzieningen te sluiten
enz. enz. dus nooit vernietigd kunnen worden.
Kortom, deze leden zijn nog steeds bepaald niet overtuigd van de onwijsheid
van het advies van de Raad van State op dit punt. Het is bovendien zo dat
vernietigingsrecht weliswaar terughoudend moet worden gebruikt vanwege de
autonomie van decentrale overheden, maar desondanks tot uitdrukking brengt
de betekenis van het woord eenheidsstaat in het begrip gedecentraliseerde
eenheidsstaat. Het vernietigingsinstrument moet derhalve ook niet te veel
in dogmatische kluisters worden geslagen.
Deze leden constateerden verder dat de voorgestelde wijziging van artikel
156 Gemeentewet geen materiële wijziging beoogt aan te brengen in de
thans bestaande delegatiemarges. Zij vragen de regering of zulks ook het geval
blijft indien het wetsvoorstel Dualisering gemeentebestuur zoals het er ligt
tot wet is verheven.
Deze leden hadden tenslotte nog twee vragen met betrekking tot het gemeentelijk
vernietigingsrecht en het recht van de gemeente goedkeuring te weigeren aan
besluiten van deelgemeenten.
De gemeenten worden aangewezen als overheden die ten aanzien van deelgemeenten
het algemeen belang moeten bewaken nu toetsing daaraan een vernietigingsgrond
is en grond voor weigering van goedkeuring wordt. Wat indien de duiding van
wat algemeen belang meebrengt afwijkt van wat daarvoor door de regering wordt
gehouden. Is het niet zo dat de duiding van het begrip algemeen belang van
gemeente tot gemeente kan verschillen?
De regering stelt vast dat nu algemeen belang een vernietigingsgrond is
het voor de hand ligt dat het ook een grond is om goedkeuring te weigeren
door «de gemeente» aan besluiten van «de deelgemeente». Brengt zo een redenering niet mee dat overal waar de nationale overheid
(bijv. minister of Kroon) goedkeuring (of anderszins preventief controleert)
moet verlenen (bijv. aan provinciale besluitvorming dus ook altijd toetsing
aan het algemeen belang een grond moet zijn voor weigering van goedkeuring?
De voorzitter van de commissie,
Witteveen
De griffier van de commissie,
Nieuwenhuizen
XNoot
1De eerder verschenen stukken inzake dit wetsvoorstel zijn gedrukt onder
EK nrs. 291 en 291a, vergaderjaar 2000–2001.
XNoot
2Samenstelling: Holdijk (SGP), Rensema (VVD), Bierman (OSF), Van Heukelum
(VVD), Luijten (VVD), (plv.voorzitter) Ruers (SP),
Terlouw (D66), Pastoor (CDA), Bemelmans-Videc (CDA), Dölle (CDA), Tan
(PvdA), Platvoet (GL), Witteveen (PvdA) (voorzitter).