nr. 239c
NADER VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIES VOOR VOLKSGEZONDHEID,
WELZIJN EN SPORT EN VOOR JUSTITIE1
De memorie van antwoord gaf de leden van de vaste commissies aanleiding
tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.
De leden van de CDA-fractie wilden zich in
het nader verslag voornamelijk beperken tot enkele opmerkingen en vragen rond
de observatiemachtiging. In de memorie van antwoord wordt gesteld dat «aanhouden
van de inwerkingtreding van beide amendementen niet meer noodzakelijk is omdat
vóór de inwerkingtreding van de voorwaardelijke machtiging het
verkommerden en verloederden onderzoek zal zijn afgerond». Wil de minister
hiermede zeggen dat het vóór deze inwerkingtreding technisch
mogelijk zal zijn de discussie over de noodzakelijkheid/wenselijkheid van
beide amendementen aan de hand van een kabinetsstandpunt over de resultaten
van het onderzoek af te ronden? Is de minister bereid een desbetreffend verzoek
vanuit de Eerste Kamer met een warme aanbeveling aan haar opvolger door te
geven? Is de inwerkingtreding op 1 januari 2003 voorzien?
De minister heeft tijdens de plenaire behandeling in de Tweede Kamer de
inhoudelijke bezwaren tegen de observatiemachtiging duidelijk uiteengezet.
Hierbij was één van de – overigens door de leden van de
CDA-fractie gedeelde – argumenten, dat de minister deze ingrijpende
maatregel niet zag als een oplossing voor de problematiek van degenen, waarvoor
juist het amendement een oplossing beoogt. «Zij zijn vaak zorg gaan
mijden, omdat zij negatieve ervaringen hebben met de hulpverlening»,
aldus de minister.
Juist ter wille van deze problematiek heeft de minister in 1999 een meerjarig,
longitudinaal onderzoek laten starten. De leden van de CDA-fractie gingen
ervan uit, dat de binnen enkele maanden – in deze zomer – te verwachten
resultaten van dit onderzoek ook de handvatten zullen bieden voor een verantwoord
beleid in de toekomst, ook terzake van de observatiemachtiging. Er zijn immers
slechts twee mogelijkheden, te weten de resultaten van voornoemd onderzoek
bevestigen de noodzakelijkheid/wenselijkheid van het gaan werken met een observatiemachtiging of juist niet. In het laatste geval, wanneer de observatiemachtiging
voor de geconstateerde problematiek van een kleine groep toch niet de geëigende
oplossing blijkt te zijn, dan heeft het toch verre de voorkeur dat de inwerkingtreding
van beide amendementen is aangehouden, zo oordeelden deze leden. Anders is
toch immers onmiddellijke wetswijziging nodig, waardoor de invoering van de
voorlopige machtiging, waarom het in dit wetsvoorstel was begonnen, wordt
vertraagd.
Het kan toch niet de bedoeling zijn een kleine drie jaar (2 jaar + evaluatie)
met een dan niet gewenste wetgeving te werken? Wijst de uitkomst van de zo
spoedig mogelijk te voeren discussie toch duidelijk in de richting van de
observatiemachtiging, dan is er toch niets verloren? Dan zouden de leden van
de CDA-fractie hun twijfels, die overigens op inhoudelijke gronden door de
minister worden gedeeld, kunnen omzetten in een positief oordeel, dat dan
ook met argumenten, die stoelen op een gedegen onderzoek, kan worden onderbouwd.
De leden van de CDA-fractie wilden er nog op wijzen, scherper nog dan
na kennisneming van de gewisselde stukken in de Tweede Kamer, door de voorliggende
memorie van antwoord ervan overtuigd te zijn geraakt, dat de zegswijze «in
de twijfel onthoudt u» zeker moet gelden bij een zo ingrijpende maatregel
als vrijheidsbeneming zonder duidelijk inzicht of het middel niet erger zal
zijn dan de kwaal. Na de gedwongen opneming van drie tot vijf weken kan de
terugval van deze groep nog des te sterker zijn.
Hiermede wordt de ernst van de problematiek van de verkommerden en verloederden
geenszins ontkend. Zoals reeds eerder uiteengezet, waren de leden van de CDA-fractie
overtuigd van de noodzaak met spoed het nodige te doen aan de problematiek
van verkommering en verloedering. Met een duidelijke toezegging over de afronding
van het meerjaren onderzoek en de presentatie van een plan van aanpak binnen
afzienbare tijd, mede ter uitvoering van de motie-Buijs, waren deze leden
dan ook zeer ingenomen.
De leden van de fracties van D66 en SGP (mede namens de ChristenUnie)
sloten zich aan bij de door de leden van de CDA-fractie gestelde vragen.
De leden van de PvdA-fractie hadden nog een
nadere vraag naar aanleiding van de beantwoording in de memorie van antwoord
van vragen van de CDA-fractie. Deze leden hadden gevraagd of het niet voor
de hand ligt de inwerkingtreding van de amendementen 29 en 31 aan te houden
totdat duidelijkheid is verkregen omtrent de uitkomsten van het onderzoek
naar de zorgwekkende zorgmijders. De regering had geantwoord, dat het aanhouden
van de inwerkingtreding niet meer noodzakelijk is, omdat voor de inwerkingtreding
van de voorwaardelijke machtiging het verkommerden en verloederden onderzoek
zal zijn afgerond. De leden van de PvdA-fractie vroegen, of van dit onderzoek
resultaten verwacht mogen worden, waaruit een duidelijke conclusie getrokken
kan worden, dat de observatiemachtiging al dan niet nuttig is. Is het voor
een conclusie hieromtrent niet veeleer nodig om de in de wet voorziene evaluatie
van de observatiemachtiging af te wachten? Wat is dan de relevantie van de
afronding van het onderzoek naar verkommerden en verloederden voor de beslissing
over inwerkingtreding?
Uit de beantwoording van hun eigen vraag naar de tijdsplanning voor de
invoering van de wet, hadden de leden van de PvdA-fractie het zo begrepen,
dat de wet zal worden ingevoerd, nadat de onderzoeksopzet voor de evaluatie
en benodigde regelgeving gereed zijn. Daaruit leiddenzij niet
af, dat de uitkomst van nader onderzoek moet worden afgewacht. Hadden zij
dat goed begrepen? Wat is de stand van zaken met betrekking tot de benodigde
voorbereidingen voor inwerkingtreding? Wat is de geplande datum van inwerkingtreding,
zo vroegen deze leden tot besluit.
De voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn
en Sport,
Ter Veld
De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie,
Van de Beeten
De griffier van de commissies,
Janssen
XNoot
1Samenstelling:
Volksgezondheid, Welzijn en Sport:
Boorsma (CDA), Werner (CDA), Van Leeuwen (CDA) (plv.
voorzitter), Van den Berg (SGP), Ter Veld (PvdA) (voorzitter), Dees (VVD), Hessing (D66), Ruers (SP), Dupuis (VVD),
Stekelenburg (PvdA), Van Schijndel (GL) en Swenker (VVD).
Justitie:
Holdijk (SGP), Rensema (VVD), Jurgens (PvdA), Le Poole (PvdA), Ruers (SP),
Rosenthal (VVD) (plv. voorzitter), Dölle
(CDA) Kohnstamm (D66), Lodders-Elfferich (CDA), De Wolff (GL), Van de Beeten
(CDA) (voorzitter), Broekers-Knol (VVD).