nr. 73c
NADER VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR BINNENLANDSE ZAKEN
EN DE HOGE COLLEGES VAN STAAT1
Na lezing van de memorie van antwoord heeft de commissie nog behoefte
de regering een aantal nadere vragen en opmerkingen voor te leggen.
De leden van de PvdA-fractie dankten de minister
voor zijn verhelderende antwoorden. Zij constateerden met instemming dat de
Wet BIBOB niet bedoeld is als strafrechtelijk instrument maar een versterking
van het bestuurlijke instrumentarium behelst die moet voorkomen dat overheden
huns ondanks betrokken raken bij criminele organisaties. Zij zagen dit heldere
onderscheid echter niet overal terug in de technische uitwerking van de wet.
De minister geeft bijvoorbeeld aan dat het mogelijk is dat in het kader van
de BIBOB-procedure informatie ter kennis komt van de overheid die «in
strafvorderlijke zin als belastend zou kunnen worden gekwalificeerd»
(MvA, p. 20). Die kwalificatie hoeft daaraan dan echter niet gegeven te worden
in het kader van het verlenen van een vergunning, subsidie of overheidsopdracht,
stelt de minister vervolgens. De leden van de PvdA-fractie konden deze redenering
niet volgen. Bedoelt de minister dat de overheid, geconfronteerd met gegevens
die wijzen op een strafrechtelijk gedefinieerd misdrijf, deze gegevens moet «herlabelen»
tot een bestuursrechtelijke kwalificatie, zoals een motiveringsgebrek, om
op basis daarvan de vergunning of aanvrage te weigeren? Wat is de zin van
een dergelijke «herlabelling»? En wordt het overheidsorgaan daarmee
ontheven van de verantwoordelijkheid die iedereen heeft die kennis verkrijgt
over criminele activiteiten, te weten om aangifte te doen bij de politie?
Is de weging van belangen die nodig is om te besluiten dat strafvorderlijke
kwalificaties ook bestuursrechtelijke kwalificaties opleveren niet een weging
die het bestuur mede op strafvorderlijk terrein brengt? En betekent dit weer
niet dat aan de aanvrager die tevens verdachte is de gebruikelijke strafrechtelijke
waarborgen toekomen, zoals het nemo tenetur beginsel en de presumptie van
onschuld? De leden van de PvdA-fractie zeiden nadere uitleg van de minister
zeer op prijs te stellen.
Ook de te nemen maatregelen zijn niet louter van bestuurlijke aard, zo
vervolgden deze leden. De intrekking van een subsidie of van een vergunning
moet in het licht van de geldende jurisprudentie op art. 6 EVRM niet als een
reparatoire maar als een punitieve sanctie worden aangemerkt. Kan de minister
aangeven of hij deze redenering deelt en wat daarvan de consequenties zijn
voor de methode van werken die de Wet BIBOB beoogt in te voeren?
De aan het woord zijnde leden dankten de minister voor zijn uiteenzetting
omtrent het beleid inzake het effectiever gebruik van de strafrechtelijke
maatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Zij misten
in dit antwoord echter een vergelijking met het instrumentarium van de Wet
BIBOB en een toelichting waarom de maatregelen in het kader van BIBOB bij
een effectiever ontnemingsbeleid nog zinvol en noodzakelijk zijn.
De leden van de PvdA-fractie wilden deze wet overigens niet alleen op
haar juridisch-technische merites beoordelen. Belangrijker nog vonden zij
de vraag of de wet een effectief instrument oplevert waar gemeenten iets aan
hebben wanneer zij pogen tegen te gaan dat zij middels bijvoorbeeld vergunningenuitgifte
medewerking verlenen aan de bedrijfsvoering van criminele organisaties. Kan
de minister bij wijze van voorbeeld toelichten hoe de grote gemeenten in ons
land voordeel kunnen hebben van het instrumentarium van de wet als zij te
maken hebben met criminele organisaties die trachten «bovengronds»
actief te zijn?
De leden van de fractie van GroenLinks dankten
de regering voor de beantwoording van en reacties op de vragen en opmerkingen.
Zij hadden nog behoefte om enkele vragen aan de regering voor te leggen.
De eerste betreft een casus.
Een voormalig bedrijventerrein is gekraakt. Eigenaar van het terrein is
x, die tot drie keer toe op onrechtmatige wijze heeft getracht het terrein
te ontruimen, omdat hij het terrein wilde verhuren aan bedrijf y. Bedrijf
y heeft bouwbedrijf z in de arm genomen voor de bouw van loodsen. Voor de
bouw van deze loodsen heeft y een bouwvergunning van de gemeente aangevraagd.
Het gerede vermoeden bestaat dat deze bouwvergunning niet als doel heeft om
de loodsen daadwerkelijk te bouwen, maar als argument moet dienen om het terrein
te ontruimen.
De eigenaar staat bekend als een onroerend goed handelaar met een twijfelachtige
reputatie. Hij laat panden leeg staan en verkrotten, sluit bizarre huurcontracten,
doet valse aangiften, sluit dubieuze transacties en organiseert al dan niet
gewelddadige intimidaties. Hij komt ook voor in het rapport van een parlementaire
enquêtecommissie al iemand van wie wordt vermoed dat hij banden heeft
met toonaangevende criminelen in Nederland.
De eigenaar is ook enkele keren met justitie in aanraking geweest. Zo
is hij veroordeeld wegens een poging tot ontruiming en sloop van de gekraakte
en bewoonde opstallen van het bedrijventerrein, omdat in de sloopvergunning
was bepaald dat er bij sloop zich geen personen in de opstallen zouden bevinden.
Een andere keer doorzag de rechter dat de eigenaar op basis van een fakecontract
het terrein probeerde te ontruimen.
Op grond van deze casus hadden deze leden de volgende vragen.
Zou op grond van artikel 3 van de wet BIBOB een bouwvergunning kunnen
worden geweigerd indien de eigenaar van het terrein er op uit is op geld waardeerbare
voordelen te benutten, door gebruikmaking van een huur- en bouwconstructie,
waarbij strafbare feiten zijn gepleegd?
Is het mogelijk een inmiddels afgegeven bouwvergunning, afgegeven voor
de wet BIBOB van kracht was, in te trekken na dat de wet van kracht is geworden?
Welke middelen staan bewoners, organisaties e.d. ter beschikking om de
gemeente te bewegen een beroep te doen op de wet BIBOB?
In antwoord op vragen van de GroenLinksfractie deelde de regering mee
(blz 21 memorie van antwoord) dat de keuze op de sectoren bouw, ICT en milieu
is gevallen omdat zo aansluiting is gevonden bij de sectoren die worden genoemd
in het rapport van de Parlementaire Enquête-commissie Opsporingsmethoden.
Betekent dit dat het rapport (met bijlagen) van deze commissie een bron zijn
voor de verzameling van de persoonsgegevens, zoals in artikel 12 e.v. wordt
beschreven?
De voorzitter van de commissie,
Witteveen
De griffier van de commissie,
Nieuwenhuizen