Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum ontvangst
Eerste Kamer der Staten-Generaal2001-200226855 nr. 16

26 855
Herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg

nr. 16
MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 26 september 2001

Inleiding

Met belangstelling heb ik kennis genomen van het voorlopig verslag over het wetsvoorstel. Het is verheugend dat de leden van de VVD-fractie en PvdA-fractie met instemming hebben kennis genomen van het wetsvoorstel en dat de leden van de fractie van GroenLinks het toejuichen dat met het wetsvoorstel een zowel tekstuele als inhoudelijke modernisering wordt bereikt van een groot deel van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Verheugend is voorts dat de leden van de CDA-fractie kunnen instemmen met verscheidene van de gekozen uitgangspunten, te weten vereenvoudiging van procesrecht, deformalisering, een zekere harmonisering van het procesrecht, alsmede met een zeer groot deel van de voorgestelde vernieuwingen.

De leden van de PvdA-fractie menen dat het wetsvoorstel zal bijdragen aan vereenvoudiging, modernisering, systematisering en verhoging van de efficiency van het civiele procesrecht, hetgeen zowel in het belang van partijen is als in het publieke belang. Zij benadrukken daarbij met recht het belang van zorgvuldigheid, alsmede het belang dat de positie van de zwakkere partij in de procedure niet in het gedrang komt. Voorts geven deze leden aan dat het verstandig is dat over verder voerende veranderingen verder wordt nagedacht, een onderwerp waaraan ook door de leden van de CDA-fractie aandacht wordt besteed.

In de nota naar aanleiding van het verslag aan de Tweede Kamer ben ik ingegaan op de onderwerpen die bij de door mij aangekondigde fundamentele herbezinning op het burgerlijk procesrecht aan de orde zullen komen (Kamerstukken II 1999–2000, 26 855, nr. 5, blz. 4–5). Ik vat de daargenoemde onderwerpen die deel zullen moeten uitmaken van de herbezinning hierna nog eens samen.

1. Het huidige onderscheid tussen dagvaarding- en verzoekschriftprocedures en de vraag of dit onderscheid niet beter kan worden afgeschaft. Daarbij komt aan de orde op welke wijze de rechtsingang dan dient te worden geregeld (dagvaarding of verzoekschrift), en op welke wijze andere verschillen tussen beide procedures kunnen worden geharmoniseerd.

2. Een nadere bezinning op de plaats van alternatieve geschillenbeslechting (ADR) in het burgerlijk procesrecht.

3. In het procesrecht zijn algemene beginselen van steeds groter belang. De wet bevat thans een aantal algemene voorschriften voor procedures. Bezien kan worden in hoeverre hiermee de juiste maat is gevonden, dan wel of er ook andere algemene beginselen zijn die voor codificatie in aanmerking komen.

4. Het procesrecht kent al langere tijd een ontwikkeling van deformalisering. In hoeverre kan deze ontwikkeling worden voortgezet? Voorts is er de vraag of er behoefte is aan scherpere normering van de processuele bevoegdheden en verplichtingen van rechter en partijen, met daaraan te verbinden concrete sancties.

5. De vraag of het procesrecht de rechter voldoende middelen biedt om zijn rol bij de instructie van de zaak waar te maken.

6. De vraag of partijen voldoende mogelijkheden hebben om, in onderling overleg, de procedure op voor hen geëigende wijze vorm te geven (procesafspraken), alsmede de vraag of partijen niet teveel mogelijkheden hebben om, gegeven de wenselijkheid van voortvarend procederen, in de loop van de procedure nodeloze vertraging te bewerkstelligen.

7. De mogelijkheden van een nadere harmonisatie met het bestuursprocesrecht (en eventueel het strafprocesrecht).

8. De aard en inrichting van de procedure in hoger beroep.

9. De mogelijkheid van «kortsluiting» in civiele spoedprocedures, zoals die bekend is uit het bestuursprocesrecht, waarbij een voorlopige voorzieningenprocedure rechtstreeks uitmondt in een beslissing in de bodemprocedure, dan wel een mogelijkheid dat een kortgedingprocedure door een verwijzing wordt voortgezet als een bodemprocedure.

10. Ook kan aan de orde komen of het zinvol is de zwaarte van de procedure te variëren, afhankelijk van het belang of de bewerkelijkheid van de zaak.

11. De vraag hoe vorm moet worden gegeven aan de civiele rechtspleging in grensoverschrijdende geschillen, mede in het licht van de ontwikkelingen in de landen om ons heen en in de EU.

12. De rol van internet voor het procesrecht. Welke gevolgen heeft de elektronische snelweg voor het procesrecht? In hoeverre kan verbetering van de rechtspleging worden bereikt door vergroting van de rol van internet in het procesrecht? Welke waarborgen zijn daarbij, behalve erkenning van de elektronische handtekening in het maatschappelijk verkeer, nodig?

Bij het wetgevingsoverleg in de Tweede Kamer heb ik aangetekend dat de door mij daarvoor in te stellen kerngroep voldoende ruimte moet worden gelaten om, met inachtneming van de geschetste kaders en de reeds geformuleerde vragen, zelf tot een nadere invulling te komen (Kamerstukken II 2000–2001, 26 855, nr. 16, blz. 19). Het fundamentele karakter van de herbezinning brengt immers mee dat niet op voorhand kan worden uitgesloten dat ook bij andere onderwerpen dan de reeds genoemde de wenselijkheid van herziening aan het licht treedt. Het lijkt mij goed als bij de herbezinning ook het door de genoemde leden onderwerp van een incassoprocedure aan de orde komt, een onderwerp waaraan overigens ook in Europees verband aandacht wordt besteed. Buiten het bestek van het onderzoek vallen in elk geval het executie- en beslagrecht en het arbitragerecht.

Door de kerngroep zal een richtinggevende nota worden opgesteld, welke als basis zal kunnen dienen voor een discussie in breder verband. Aan die discussie zal kunnen worden deelgenomen door organisaties van belanghebbenden en betrokkenen uit de rechtspleging: rechterlijke macht, advocatuur, gerechtsdeurwaarders, rechtsbijstandverzekeraars, vakbonden, maar ook door consumentenorganisaties en ondernemersorganisaties. Ook zal de Adviescommissie voor het burgerlijk procesrecht een belangrijke rol in de discussie moeten hebben. Voorts zal uiteraard ook van de zijde van de universiteiten een bijdrage aan de discussie gewenst zijn.

De leden van de PvdA-fractie vragen naar aanleiding van het artikel van mevrouw M. Freudenthal in NJB van 3 augustus 2001 of de regering haar visie deelt op de gevolgen van de voorgestelde wijzigingen van de Wet GBA. Zo dit het geval mocht zijn, wilden deze leden weten of de regering hieraan iets gaat doen.

In het genoemde artikel wordt gesteld, dat de wijziging van artikel 100 van de Wet GBA, als gevolg waarvan incassobureaus niet meer de beschikking kunnen krijgen over persoonsgegevens uit de bevolkingsadministratie, verstrekkende gevolgen heeft voor de incassopraktijk en zal leiden tot een sterke toename van het aantal gerechtelijke procedures, waarop het gerechtelijk apparaat niet is berekend. De wijziging van artikel 100 van de Wet GBA is tegelijk met de Wet bescherming persoonsgegevens op 1 september jl. in werking getreden.

Het gewijzigde artikel 100 sluit de verstrekking van gegevens uit de bevolkingsadministrie aan commerciële instellingen uit. Tijdens de behandeling in de Tweede Kamer op 15 februari 1999 van een ander voorstel tot wijziging van de Wet GBA (26 228) werd door mevrouw Wagenaar gewag gemaakt van de verkoop van gegevens door gemeenten uit de GBA aan commerciële instanties. Zij had hiertegen bezwaren en zag, in het licht van de verplichte inschrijving van de burger in de GBA, de verstrekking van diens gegevens het liefst beperkt tot degenen, die op grond van hun wettelijke taken daartoe toegang moeten hebben. De Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid zegde in reactie hierop toe om met een nota van wijziging te komen op het wetsvoorstel aanpassingswet Wbp, waarin deze materie zou worden meegenomen (Handelingen II, 1999–2000, 49–3607).

In de nota van wijziging (Kamerstukken II, 1999–2000, 26 410, nr. 8) is uitvoerig ingegaan op de beweegredenen om de verstrekking van gegevens uit de gemeentelijke basisadministraties aan commerciële instellingen te beperken. Hierbij heeft een overwegende rol gespeeld, dat het verstrekken van gegevens aan commerciële bedrijven niet tot het doel van de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens behoort. De gegevens die burgers verplicht beschikbaar moeten stellen, worden niet voor commerciële maar voor publieke doeleinden verzameld. Verstrekking van gegevens aan commerciële instellingen staat in beginsel dan ook op gespannen voet met de primaire doelstelling van de basisadministraties. Om die reden is voorgesteld de gegevensverstrekking op grond van artikel 100 aan commerciële instellingen volledig uit te sluiten. Dit laat verstrekking van gegevens aan dergelijke instellingen voor zover deze zijn grond vindt in de uitvoering van een algemeen verbindend voorschrift, overeenkomstig de artikelen 98 en 99 van de Wet GBA, overigens onverlet. Te denken valt hierbij aan verstrekking van gegevens aan instellingen als pensioenfondsen, verzekeraars, deurwaarders en notarissen.

In de nota is er onder andere nog op gewezen, dat de gemeenten in het verleden op uiteenlopende wijze invulling gaven aan hun bevoegdheid om ingevolge artikel 100 van de Wet GBA gegevens te verstrekken aan derden. Sommige gemeenten waren hierin zeer ruimhartig, andere daarentegen verstrekten in het geheel geen gegevens aan commerciële instellingen. Er bestond derhalve voor commerciële instellingen, zoals incassobureaus, geen zekerheid of zij gegevens uit de GBA konden verkrijgen. De incassobranche heeft zich tijdens de voorbereiding van de wetswijziging enkele keren per brief tot de vaste commissie van Justitie van de Tweede Kamer gewend over de mogelijke gevolgen van de wetswijziging. Dit heeft echter niet geleid tot aanpassing van het wetsvoorstel op dit punt.

Gelet op het voorgaande is de regering van mening, dat het ongedaan maken van de recente wijziging van artikel 100 van de Wet GBA, zoals in de bijdrage van mevrouw Freudenthal wordt voorgesteld, niet aan de orde is. Gezien het slechts aanvullende gebruik dat in het verleden door incassobureaus van gegevens uit de GBA werd gemaakt, de mogelijkheden die bestaan om op andere wijze aan de noodzakelijke gegevens te komen en de verbeteringen in het civiele procesrecht ingevolge het onderhavige wetsvoorstel, zullen de gevolgen van het uitsluiten van deze instellingen van gegevensverstrekking uit de GBA naar verwachting beperkt zijn. Zoals hiervoor vermeld, lijkt het mij overigens goed om in het kader van de aangekondigde fundamentele herbezinning op het burgerlijk procesrecht ook aandacht te besteden aan het onderwerp van een incassoprocedure.

De leden van de fractie van GroenLinks hebben de overtuiging dat een versnelling van de behandeling van civielrechtelijke geschillen verantwoord doorgevoerd kan worden zonder dat de kwaliteit van de rechtspleging onder druk komt te staan, waarbij zij ter illustratie wijzen op de procedure betreffende de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Inderdaad kan er bij een geconcentreerde behandeling zoals deze in procedures ingevolge artikel 6:685 BW en ook wel in andere verzoekschriftprocedures plaatsvindt, binnen betrekkelijk korte tijd aan de rechter een goed beeld worden gegeven van de voor de beslissing relevante aspecten van de zaak. Wel merk ik op dat ontbindingsprocedures betreffende een arbeidsovereenkomst naar hun aard als spoedeisend worden beschouwd, zodat daar de noodzaak van concentratie bij uitstek aan de orde is.

De leden van de fractie van GroenLinks achten het een duidelijke verbe-tering dat partijen meer gedwongen zullen zijn om hun kaarten in een vroeger stadium van de procedure op tafel te leggen. Ik ga er daarbij vanuit, zo antwoord ik op een desbetreffende vraag van deze leden, dat het wetsvoorstel ertoe zal leiden dat de rechter aanzienlijk vaker dan thans een beslissing zal nemen zonder dat partijen hebben gerepliceerd en gedupliceerd. Volledige zekerheid daarover kan echter op voorhand niet worden gegeven: de mate waarin versnelling wordt bereikt wordt mede bepaald door de wijze waarop de rechterlijke macht, in samenspel met de advocatuur en andere rechtshulpverleners, daadwerkelijk inhoud zullen geven aan de versnellingsbepalingen in het wetsvoorstel. De invoering van het uniform landelijk rolreglement, dat op 1 oktober 2000 in werking is getreden, stemt mij op dit punt hoopvol: bij de rechterlijke macht leeft blijkens de gefaseerde invoering duidelijk het besef dat het voor een effectieve versnelling van procedures nodig is dat er ook gewerkt wordt aan het terugdringen van de tijd tussen de afsluiting van het partijdebat en het uitspreken van het vonnis. Overigens worden de mogelijkheden van de rechter om zichzelf aan kortere beslistermijnen te binden mede bepaald door de capaciteit van de gerechten.

De leden van GroenLinks onderschrijven het nut van deformalisering van procesrecht, maar tekenen daarbij aan het een gemiste kans te vinden dat het fenomeen van de rol niet aan een kritische beoordeling was onderworpen. Deze leden achten de rolzitting een overleefd en onpraktisch instituut. Dienaangaande wijs ik erop dat over de voor- en nadelen van het houden van rolzittingen verschillend wordt gedacht. Bij sommige gerechten wordt inderdaad al geruime tijd gewerkt met een schriftelijke rol, waarbij procureurs niet meer zelf ter zitting verschijnen. Ook zijn er op beperkte schaal experimenten opgezet met een rol die langs elektronische weg kan worden geraadpleegd. Ik juich dergelijke ontwikkelingen toe. In het wetsvoorstel wordt voor het eerst uitdrukkelijk ruimte geboden aan de mogelijkheid dat geen rolzittingen worden gehouden (artikel 2.1.5, derde lid). Bij andere gerechten, waaronder met name de grotere rechtbanken, leeft echter de overtuiging dat een systeem met rolzittingen in de gegeven omstandigheden vooralsnog het meest wenselijk en praktisch is. Zo wordt als voordeel van de distributie van stukken via rolwaarnemers en rolvakjes in de advocatenkamer ervaren dat daardoor de werklast voor de griffies beperkt blijft. In het kader van de fundamentele herbezinning op het procesrecht zal nader aandacht worden besteed aan de mogelijkheden om met behulp van internet doelmatiger te procederen. Voorts zal daarbij het huidige onderscheid worden heroverwogen tussen de dagvaardingsprocedure en de verzoekschriftprocedure, waar veelal niet met rolzittingen wordt gewerkt. Overigens zal het in zaken waar partijen in persoon kunnen procederen noodzakelijk blijven dat partijen ook daadwerkelijk in persoon kunnen verschijnen, zodat rolzittingen daar waarschijnlijk niet door een elektronische variant kunnen worden vervangen.

De bij de leden van de CDA-fractie bestaande principiële vragen over de modernisering van de verhouding tussen de rechter en partijen en over het streven naar efficiency worden door de genoemde leden geplaatst tegen de achtergrond van een aantal door hen gesignaleerde ontwikkelingen. Deze betreffen de ontwikkeling naar een (nieuwe) herbezinning op de beginselen van het procesrecht, veranderingen in de positie van de rechter door de invoering van de Wet Raad voor de Rechtspraak en wetgeving op het snijvlak van civiel recht en bestuursrecht, alsmede de steeds aanwezige samenhang tussen het procesrecht en het materiële recht dat daardoor gediend wordt. Dit verband met het materiële recht is, zoals de genoemde leden opmerken, van belang in verband met het wezenlijke onderscheid tussen de verschillende materiële rechtsterreinen. Voor het burgerlijk recht, waar de rechter op tal van punten een zekere freies Ermessen heeft, zoals deze leden het formuleren, heeft dit onderscheid ook consequenties voor het begrip lijdelijkheid.

De genoemde leden stellen in het licht van die ontwikkelingen belang in analyses van de doorlooptijden in civiele zaken, waarover deze leden opmerken dat er slechts beperkt materiaal voorhanden is. Inderdaad doen zich op dit onderzoekstechnisch zeer brede terrein zeker beperkingen voor in het aanwezige onderzoeksmateriaal. In aanvulling op de door deze leden genoemde onderzoeken van het WODC (Een kwestie van tijd) en van de Werkgroep Effecten Rechtspraak van mijn ministerie, kan nog gewezen worden op het rapport «Werklast versnelling handelszaken» (WODC onderzoeksnotities 2000/4), betreffende de extra werklast die voor de rechtbanken zou gaan ontstaan ten gevolge van verschillende inititatieven tot versnelling van de civiele procedure. Voorts wordt in opdracht van mijn ministerie gewerkt aan metingen naar de feitelijke ontwikkeling van doorlooptijden in handelszaken, scheidingszaken, strafzaken en bestuurszaken. Onderzoek naar de verhouding tussen het aantal civiele geschillen dat zich bij de rechtshulpverlening aandient en het aantal zaken waarin het tot een gerechtelijke procedure komt, en waaruit derhalve zou kunnen worden afgeleid in hoeverre de rechtshulpverleners een filterfunctie vervullen, is niet bekend. Dergelijk onderzoek zou ook buitengewoon lastig te realiseren zijn. Met betrekking tot de verhouding tussen het aantal bij de rechter aangebrachte zaken en het aantal zaken waar uiteindelijk geen einduitspraak volgt zijn bij het WODC kwantitatieve gegevens beschikbaar over de jaren 1994–1996. Recent onderzoek naar de mate waarin partijen zich na een eindbeslissing van de rechter ook daadwerkelijk overeenkomstig die beslissing gedragen, is niet voorhanden. Wel is er gepubliceerd over meer specifieke onderwerpen als het handhaven van straatverboden en omgangsregelingen. In het kader van de fundamentele herbezinning op het burgerlijk procesrecht zal overigens nog kunnen worden bezien in hoeverre het wenselijk is om op deze of andere punten aanvullend kwantitatief onderzoek te laten plaatsvinden.

De leden van de CDA-fractie wijzen erop dat de relevantie van aspecten als die welke hiervoor zijn genoemd gelegen is in het feit dat het burgerlijk proces geen op zichzelf staand verschijnsel is. Deze zienswijze onderschrijf ik gaarne. Het proces is immers veelal slechts een fase in de ontwikkeling van de verhouding tussen partijen, met zowel een voorgeschiedenis als een toekomst. In dit verband wijs ik erop dat ook in het wetsvoorstel het proces wordt benaderd als een voortzetting van een reeds bestaande verhouding tussen partijen. Zo is de gedachte van de substantiëringsplicht er nadrukkelijk op gericht dat partijen zich in de procedure rekenschap geven van hetgeen daarvoor is voorgevallen, niet slechts ten aanzien van hun materiële verhouding maar ook ten aanzien van de wijze waarop het geschil reeds tussen hen aan de orde is geweest. Ook de nadruk op de comparitie na antwoord en daarmee op het mondeling element in de procedure kan in dit licht worden bezien. Daarbij wordt het proces niet gezien als een formeel steekspel tussen de advocaten van twee partijen die zich voor het overige niets aan elkaar gelegen hoeven laten liggen, maar als een verhouding tussen personen waarbij daadwerkelijke interactie een essentiële bijdrage kan leveren aan de oplossing van gerezen problemen. Dat brengt ook mee dat de deelnemers aan het proces over en weer verantwoordelijkheden hebben, zoals ten aanzien van de voortgang van de procedure (artikel 1.3.2) en op het punt van het aandragen van de relevante gegevens (artikelen 1.3.3 en 1.3.4).

De leden van de CDA-fractie vragen of er kwantitatief inzicht bestaat in de verschillende fasen die gemeten doorlooptijden uitmaken, inclusief de tijd die genomen wordt voor het wijzen van tussen- en eindvonnissen, het plannen van comparities en het doen plaatsvinden van getuigenverhoren en deskundigenonderzoeken. Dienaangaande kan ik wijzen op het reeds genoemde rapport «Werklast versnelling handelszaken» (WODC onderzoeksnotities 2000/4), waarvan bijlage 4 (blz. 41–61) verslag doet van een steekproef bij vier rechtbanken naar de frequentie en duur van een aantal veel voorkomende procedurestappen in contradictoire handelszaken. De verslaglegging beperkt zich overigens tot veel voorkomende proceshandelingen; deskundigenberichten, incidentele en reconventionele vorderingen zijn buiten beschouwing gelaten. De steekproef heeft betrekking op de in april of oktober 1996 door twee middelgrote en twee grote rechtbanken afgedane zaken. De desbetreffende rechtbanken zijn goed voor ongeveer een derde van het landelijk aantal instromende zaken. Uit de steekproef blijkt op diverse punten van significante verschillen tussen de rechtbanken, zoals ten aanzien van de termijnen voor de verschillende proceshandelingen. In zaken waar een comparitie na antwoord plaatsvindt, blijkt de termijn tussen dagvaarding en conclusie van antwoord korter dan in andere zaken. Voorts blijkt het plaatsvinden van een comparitie na antwoord te correleren met een afdoening zonder repliek en dupliek, ook als een vordering in reconventie is ingesteld.

De leden van de CDA-fractie menen dat de duur van de doorlooptijd in de stukken in overwegende mate wordt toegeschreven aan de neiging van partijen om hun standpunten en argumenten «op te zouten» en voorts aan de bij partijen bestaande bereidheid om elkaar over en weer royaal uitstellen toe te staan voor het indienen van stukken. Dit wordt echter volgens deze leden door het WODC-onderzoek (Een kwestie van tijd) niet aangetoond of aannemelijk gemaakt.

Van de zijde van de regering is geenszins betoogd dat de thans bestaande doorlooptijden in overwegende mate worden bepaald door de genoemde omstandigheden. Terdege realiseer ik mij dat ook andere factoren van gewicht zijn, zoals de aantallen bij de gerechten aanwezige rechters en ondersteunende functionarissen, beschikbaarheid van zittingsruimten, bestaande werkvoorraden, enz. Tijdens het wetgevingsoverleg van 19 februari 2001 heb ik ondersteept dat het beperken van uitstellen voor vonnissen vooral gezocht moet worden in maatregelen in de sfeer van toerusting en werkprocessen van de rechterlijke macht, op welk gebied in PVRO-verband de afgelopen tijd veel is bereikt. Gewezen kan worden op het uniform landelijk rolreglement voor de rechtbanken en op de vliegende brigades. Voorts heb ik toen gewezen op het grote belang van uitbreiding van de capaciteit van de rechterlijke macht. Een gegeven daarbij is wel dat de jaarlijkse groei van de rechterlijke macht beperkt is.

Het wetsvoorstel richt zich op de inrichting van het procesrecht en beoogt daarbij te bevorderen dat partijen daadwerkelijk voortvarend te werk gaan, dat geschillen in een vroeg stadium uit de verf komen en dat uitstellen kunnen worden beperkt. Dat deze maatregelen er daadwerkelijk toe kunnen bijdragen dat in zaken sneller een beslissing kan worden genomen, wordt naar mijn overtuiging vrij algemeen aanvaard, waarbij ik mij direct realiseer dat de totale doorlooptijd tevens afhankelijk is van de snelheid waarmee die beslissing vervolgens wordt genomen. Wanneer de versnelling zich zou beperken tot de fase van de conclusiewisseling en bewijslevering, zal dat leiden tot vergroting van de bestaande werkvoorraden bij de gerechten.

Overigens blijkt uit de WODC-onderzoeken wel degelijk dat een actieve termijnbewaking ertoe leidt dat partijen sneller met hun stukken komen. De onderzoeken waren er niet op gericht om vast te stellen óf en in hoeverre partijen hun argumenten opzouten en bereid zijn over en weer uitstellen te verlenen, maar «Een kwestie van tijd» maakt zulks volgens de onderzoeker, R.J.J. Eshuis, wel aannemelijk.

Waar in de parlementaire stukken wordt verwezen naar de hervorming van het Engels burgerlijk procesrecht, wijzen de leden van de CDA-fractie erop dat die hervorming niet los kan worden gezien van het, volgens deze leden «archaïsche», procesrecht dat Engeland en Wales tot voor kort kenden. Ik zou zelf liever niet in deze termen willen spreken. Ook in Engeland en Wales deed zich de behoefte gevoelen het burgerlijk procesrecht te moderniseren, evenals dat het geval is in Nederland. Daarbij moet worden opgemerkt dat een belangrijke oorzaak voor de problemen waarmee men in Engeland en Wales kampte, zich ook in Nederland voordoet. Naar de kern genomen gaat het hier om de mogelijkheid voor partijen om in relatieve vrijblijvendheid te procederen, waardoor procedures traag en niet op de meest doelmatige wijze verlopen, ten gevolge waarvan ook de kosten oplopen. In Engeland en Wales hing dit samen met de omstandigheid dat de rechter onvoldoende greep had op de procedure. De aldaar bestaande tamelijk zware processuele (mededelings)plichten werden daardoor contraproductief. In Nederland zien we als het ware een spiegelbeeldige situatie: de processuele (mededelings)plichten van partijen waren hier vanouds betrekkelijk licht, maar de rechter kan wel een actieve(re) rol vervullen. Het rendement van dat laatste blijft echter achter, omdat de rechter ten gevolge van een (te) magere schriftelijke voorbereiding niet altijd voldoende informatie heeft om de zaak te «activeren». Waar de oplossing in Engeland vooral gezocht is in de rol van de rechter – trefwoord: «case-management»– behelst het Nederlandse wetsvoorstel (mede) een aanscherping van de mededelingsplichten van partijen, om zo betere voorwaarden te scheppen voor de rechter om zijn actieve(re) rol waar te kunnen maken. Zowel in Nederland als in Engeland en Wales blijken derhalve dezelfde ingrediënten van belang, om de(zelfde) problemen het hoofd te bieden. Ofschoon ons rechtsstelsel op bepaalde punten wezenlijk verschilt van dat van Engeland en Wales, maakt een en ander onderlinge rechtsvergelijking zeker zinvol.

In het kader van de rechtsvergelijking met Engeland en Wales vragen de leden van de CDA-fractie of er inzicht bestaat in de consequenties die versnellingen van de procedure in eerste aanleg in Engeland en Wales hebben gehad voor het beroep op de tweede feitenrechter. Eenzelfde vraag stellen deze leden met betrekking tot de Nederlandse Antillen en Aruba. Ter beantwoording van de eerste vraag merk ik allereerst op dat de functie van het hoger beroep in het Engelse burgerlijk procesrecht wezenlijk verschilt van die in Nederland. De nadruk ligt in het Engels burgerlijk procesrecht niet zozeer op een «rehearing» (in onze terminologie: devolutieve werking van het appel), maar veeleer op een herbeoordeling van de beslissing van de rechter in eerste aanleg op basis van de voorliggende feiten en het beschikbare bewijs. Dit betekent dat voor het aandragen van nieuwe feitelijke stellingen en van bewijs in hoger beroep in beginsel geen plaats is. Dit brengt weer mee dat in Engeland en Wales niet of nauwelijks aan de orde is welke invloed uitgaat van vernieuwingen in termen van versnelling op de mate waarin geappelleerd wordt. Vandaar dat noch in de voorstellen van Lord Woolf, noch in de nieuwe procesregels, noch ook in de eerste evaluatie daarvan aan het hier aan de orde zijnde aspect aandacht is besteed.

Met betrekking tot de Nederlandse Antillen en Aruba kan ik opmerken dat uit recente cijfers betreffende Aruba, die als representatief voor de Antillen mogen worden beschouwd, blijkt dat in 1999 en 2000 in minder dan 10% van de civiele contentieuze zaken (inclusief kort geding) waarin in eerste aanleg uitspraak is gedaan, hoger beroep is ingesteld. Dit is bepaald niet meer dan in Nederland. Voorts is mij bij navraag bij het Gerecht in eerste aanleg en het Gemeenschappelijk Hof van Justitie gebleken dat men aldaar geen verband aannemelijk acht tussen de in verhouding tot Nederland snelle wijze van procederen en de mate waarin hoger beroep wordt ingesteld.

Voor de fundamentele herbezinning op het burgerlijk procesrecht zouden de leden van de CDA-fractie het nuttig achten om inzicht te krijgen in de praktijk van verwijzingen van enkelvoudige naar meervoudige kamers en omgekeerd bij de rechtbanken en naar de mate van afdoening van zaken door enkelvoudige kamers. Er is thans geen recent onderzoek bekend naar verwijzingen van enkelvoudige naar meervoudige kamers. Wel is de behandeling door meervoudige kamers een punt van aandacht in het thans lopende WODC-onderzoek naar de gevolgen van de verhoging van de competentiegrens van de kantonrechter. Daarbij wordt onder meer onderzocht in hoeverre zaken met een financieel belang tussen de 5000 gulden en 10 000 gulden voorheen – bij de rechtbank – meervoudig werden behandeld en thans – bij de kantonrechter – enkelvoudig.

De leden van de CDA-fractie vragen of ik voornemens ben om op het punt van de voorgaande discussie over het procesrecht initiatieven te nemen en onderzoeken te doen plaatsvinden. Hiervoor kwam reeds aan de orde dat door mij het inititatief wordt genomen voor een kerngroep, die zal worden ingesteld voor de fundamentele herbezinning. Thans wordt gewerkt aan de samenstelling van de kerngroep, welke in overeenstemming dient te zijn met Europese regels voor aanbesteding. Waar nodig zal in het kader van de herbezinning ook moeten worden bezien in hoeverre nader kwantitatief onderzoek naar bepaalde aspecten van de rechtspleging, waaronder ook de door de leden van de CDA-fractie genoemde, wenselijk is.

De leden van de CDA-fractie geven met betrekking tot de onderlinge verhouding tussen rechtzoekenden, hun raadslieden en de rechter hun visie en vragen mij daarop in te gaan. Deze in verschillende onderdelen uiteenvallende beschouwingen geven mij aanleiding tot het maken van de volgende opmerkingen.

Een eerste opmerking betreft de observatie van de genoemde leden dat de cultuur van welwillendheid die in elk geval voorheen kenmerkend was voor de advocatuur, inmiddels sterk is teruggedrongen onder invloed van een aantal ontwikkelingen als de commercialisering van de advocatuur, de toegenomen mondigheid van de burger en de toegenomen omvang van de balie. In samenhang met een mondiger cliëntèle heeft dit er, volgens deze leden, toe bijgedragen dat thans aanzienlijk voortvarender pleegt te worden geprocedeerd dan voorheen het geval was. Inderdaad is ook mijn indruk dat door factoren als door de leden genoemd, verbeteringen zijn bereikt in de processuele opstelling van veel partijen. Evenzeer is het echter mijn indruk dat er op dit punt nog verdere verbeteringen nodig en mogelijk zijn. Om die te bereiken bestaat er behoefte aan daarop gerichte, verdergaande, maatregelen, zoals in het wetsvoorstel vervat. De ook door de genoemde leden genoemde Werkgroep effecten rechtspraak heeft onder een aantal belanghebbenden bij rechtspraak en rechtshandhaving (bedrijven, consumentenorganisaties en overheden) onderzoek gedaan naar hun ervaringen en opvattingen. Uit dat onderzoek kwamen een aantal knelpunten naar voren, zoals de (te) lange duur van procedures, die tot herziening van het burgerlijk procesrecht nopen (zie Maatschappelijke effecten van verbetering, Ministerie van Justitie, mei 1998). Voorts is in tal van publicaties in de vakliteratuur de behoefte aan modernisering van het burgerlijk procesrecht bepleit.

Het hiervoor in het algemeen opgemerkte geldt in het bijzonder ook voor de nieuwe eisen die aan de inhoud van de dagvaarding worden gesteld. De in de rechtspraktijk op dit terrein geboekte vooruitgang vindt haar grens in de huidige procesregels. Er is in ruime kring behoefte die grens te verleggen. De Commissie-Punt – samengesteld uit leden van de rechterlijke macht en advocatuur, daarom ook wel «Gemende Commissie» genoemd – signaleerde in haar rapport dat de instructie van de zaak door de rechter wordt bemoeilijkt doordat het (te) lang duurt voordat het feitelijke geschil in zijn ware omvang ter tafel komt. Daarom schreef de Commissie in het door haar ontworpen Versneld Regime voor dat in de dagvaarding de eerder door de wederpartij aangevoerde weren moeten worden vermeld en besproken, opdat de dagvaarding het «werkelijke geschil» weergeeft. De ervaringen met het Versneld Regime zijn bepaald positief. Ook bij de evaluatie van de in eind 1991 in werking getreden vernieuwde regeling van de kantongerechtsprocedure is ten aanzien van een goede instructie van de zaak de behoefte aan een gedegen schriftelijke voorbereiding van de zaak gebleken. Aangezien het Versneld Regime binnen de huidige wetgeving moet functioneren en dus slechts op basis van vrijwilligheid kan worden toegepast, is er nog alle reden het voorschrift van artikel 2.3.1, derde lid, in het wetsvoorstel op te nemen. Daarbij merk ik nog op dat het nieuwe recht voor die advocaten die reeds informatievere dagvaardingen plegen op te stellen, waarin ook wordt geanticipeerd op de verweren van de wederpartij, in feite een nuttige consoldidatie inhoudt van een reeds ingezette ontwikkeling ten goede. Ik deel dan ook niet de reserves van deze leden ten aanzien van de maatregelen, voorgesteld ter bevordering van de efficiency en in het kader van de modernisering van de verhouding tussen de rechter en partijen.

Een tweede opmerking betreft de door de leden van de CDA-fractie uitgesproken vrees dat het rechtersambt – ook in zijn maatschappelijke context en in het kader van de rechtsstaat – eenzijdig vanuit een bestuurskundig en bedrijfseconomisch perspectief wordt benaderd. Bij artikel 1.3.2 plaatsen deze leden een opmerking van dezelfde strekking. Zoals ik hieronder met betrekking tot die laatste opmerking nog nader zal aangeven, is het wetsvoorstel er geenszins op gericht versnelling te bereiken louter met het oog op een zelfstandig belang dat gerechten bij gunstige doorlooptijden en hoge productiecijfers zouden hebben. Dat is dan ook niet wat de regering met het thans voorliggende wetsvoorstel voor ogen staat. Waar het wel om gaat is om zoveel mogelijk te verzekeren dat justitiabelen binnen een afzienbare tijd een rechterlijke uitspraak kunnen verkrijgen. Daarbij spelen niet alleen de maatschappelijke functie van de rechtspleging en de belangen van partijen een rol, maar ook het uitgangspunt dat schaarse menskracht en middelen op een doelmatige wijze moeten worden ingezet. De voorgestelde maatregelen zijn dan ook ingegeven door de overtuiging dat zij nodig zijn om de rechtspleging blijvend te laten voldoen aan de eisen die de maatschappij in onze rechtsstaat aan haar stelt en mag stellen.

Een derde opmerking betreft de beschouwingen van de leden van de CDA-fractie over de sterke stilering van de waarheidsvinding in het civiele proces, waardoor, in de woorden van deze leden, «het aspect van ontsluiting, respectievelijk ontvouwing van een zaak» nauwelijks, althans te weinig tot uitdrukking komt. In dit verband vragen deze leden zich af of de rechter niet een actievere regierol zou kunnen vervullen, ter gelegenheid van een comparitie maar ook in het kader van reconstructie van gebeurtenissen of situaties. Hierover zou ik willen opmerken dat het wetsvoorstel mij voor een deel goed lijkt te passen bij de visie van deze leden. Eén van de uitgangspunten van het wetsvoorstel behelst immers de modernisering van de verhouding tussen de rechter en partijen, waarbij de «regierol» van de rechter juist wordt versterkt. Zo kan de in zoverre minder lijdelijke rechter in elk stadium van het geding – dus niet alleen in het kader van een inlichtingencomparitie – partijen gelasten hun stellingen toe te lichten of om bepaalde bescheiden over te leggen. Voorts wordt gestimuleerd dat in zaken een comparitie-na-antwoord plaatsvindt, de gelegenheid bij uitstek voor «rechterlijk regisseren». Mede opdat de rechter ter comparitie-na-antwoord zijn rol beter kan vervullen, wordt de schriftelijke voorbereiding van de zaak geïntensiveerd. Dit alles zal ertoe bijdragen dat partijen en rechter eerder en dieper tot de kern van de zaak kunnen komen. Waar zulks nodig is, biedt het wetsvoorstel de ruimte om ook na een comparitie nog verdere conclusies te laten nemen.

De genoemde leden zullen in het wetsvoorstel minder terugvinden op het punt van het terugdringen van de «stilering van de waarheidsvinding». Waar ten aanzien van de feitengaring en de waarheidsvinding zowel de bevoegdheden van de rechter als de verantwoordelijkheid en plichten van partijen toenemen, is het van groot belang dat de afbakening van die bevoegdheden en mededelingsplichten met voldoende scherpte in het oog wordt gehouden. Aldus kunnen «fishing expeditions» worden afgewend en wordt voorkomen dat de verhouding tussen de rechter en partijen uit balans raakt. Uit oogpunt van de kwaliteit en doelmatigheid van rechtspleging zijn regels die hierop zien, zoals bijvoorbeeld met betrekking tot het probandum, voor het civiele proces derhalve van groot belang.

De leden van de VVD-fractie merken op dat in het wetsvoorstel aan alternatieve geschillenoplossing (ADR) geen aandacht wordt besteed. Zij vragen of ik van mening ben dat alternatieve geschillenoplossing geen rol kan spelen in de rechtspraak. Deze vraag beantwoord ik ontkennend: wel degelijk kan een belangrijke plaats toekomen aan ADR, dat een waardevol instrument vormt ter voorkoming van gerechtelijke procedures. Bij de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer is het onderwerp ook nadrukkelijk aan de orde geweest, zowel in de schriftelijke voorbereiding als tijdens het wetgevingsoverleg. Thans zijn door het kabinet – zonder dat daarvoor een wettelijke basis nodig is – verschillende initiatieven op het terrein van alternatieve geschilafdoening ontplooid. In november 1999 heb ik met de toenmalige Staatssecretaris de beleidsbrief ADR 2000–2002 uitgebracht, waarin wij onze visie op de rol van de overheid bij de introductie van mediation in het rechtssysteem en de concrete beleidsvoornemens voor deze kabinetsperiode uiteen hebben gezet (Kamerstukken II 1999–2000, 26 352, nr. 19). De Tweede Kamer heeft in februari 2000 met deze beleidsvoornemens ingestemd (Kamerstukken II 1999–2000, 26 352, nr. 22).

Hoofddoelstelling van de voornemens is na te gaan of structurele voorzieningen bij de rechterlijke organisatie en binnen het stelsel van de gesubsidieerde rechtsbijstand voor doorverwijzing naar mediators bestaansrecht hebben. Daartoe worden bij verscheidene gerechten en stichtingen rechtsbijstand doorverwijzingsprojecten gehouden. Doorverwijzing ter zitting dan wel voorafgaande aan een gerechtelijke procedure is mogelijk zonder nadere wettelijke voorzieningen. Naast de doorverwijzingsprojecten wordt een onderzoek opgezet naar de praktijk van mediation in vergelijkbare rechtssystemen en zal een inventarisatie plaatsvinden van de aard en omvang van de praktijk van bindend advies en arbitrage.

Buiten deze door de overheid geïnitieerde initiatieven bestaat een ruime praktijk van door de markt zelf opgezette trajecten, die mogelijkheden bieden conflicten buiten de rechter om af te doen.

Gezien het feit dat ook zonder wettelijke basis talloze initiatieven (waaronder die van de overheid) op het gebied van alternatieve geschilafdoening kunnen worden ontplooid en het feit dat de door de overheid geïnitieerde projecten nu juist tot doel hebben na te gaan of structurele voorzieningen in de justitiële infrastructuur bestaansrecht hebben, is het in dit stadium niet noodzakelijk nadere wettelijke voorzieningen te treffen. Uiteraard zal de vraag in hoeverre wettelijke maatregelen op dit punt wenselijk zijn, nog nader aan de orde komen, zowel op grond van de ervaringen in de genoemde projecten als naar aanleiding van de bevindingen over dit onderwerp in de fundamentele herbezinning op het procesrecht.

Waar het bij alternatieve geschilafdoening niet gaat om een gerechtelijke procedure, zijn de betrokkenen, zoals de genoemde leden opmerken, niet gebonden aan de regels van het procesrecht. Het is dan ook niet op grond van die regels van procesrecht, of op grond van artikel 6 EVRM, dat hoor en wederhoor moet worden toegepast. Dat neemt niet weg dat ook bij alternatieve geschilafdoening zonder meer de noodzaak bestaat om de betrokken partijen voldoende gelegenheid te geven hun kant van de zaak uiteen te zetten en toe te lichten. Mij zijn geen elementen van alternatieve geschilafdoening bekend die in strijd zouden kunnen zijn met artikel 6 EVRM.

De leden van de VVD-fractie vragen of de minister verwacht dat partijen vaker dan onder het huidige recht in hoger beroep zullen gaan, omdat zij het gevoel hebben (terecht of niet) dat zij in eerste aanleg niet voldoende gelegenheid hebben gehad hun argumenten naar voren te brengen. De leden van de CDA-fractie hebben – onder verwijzing naar Engeland en Wales en de Nederlandse Antillen en Aruba – eenzelfde vraag gesteld. Onder verwijzing naar hetgeen ik naar aanleiding daarvan hierboven opmerkte, antwoord ik dat ik niet verwacht dat partijen op die grond vaker dan thans in hoger beroep zullen gaan.

In het verlengde hiervan vragen de leden van de VVD-fractie of het zou kunnen gaan gebeuren dat partijen voor zichzelf een extra (proces) mogelijkheid creëren door een kort geding in te stellen in plaats van direct een bodemprocedure in te stellen. Ook dat verwacht ik niet. De aard van het kort geding, waarbij de nadruk ligt op snelheid en er – daardoor – minder ruimte is voor feitenonderzoek en waarheidsvinding, leent zich daar ook niet voor. Uiteraard behoudt de rechter steeds de mogelijkheid om kort-gedingvorderingen die een spoedeisend karakter ontberen af te wijzen. Voor de eiser betekent het vervolgens alsnog moeten aanspannen van een bodemprocedure dat de zaak vertraagd wordt, hetgeen in het algemeen niet in zijn belang zal zijn.

In antwoord op de vraag van de leden van de VVD-fractie of in de sfeer van opleidingen maatregelen nodig zijn om de praktijk voor te bereiden op de invoering van het komende recht, kan ik antwoorden dat het veld deze kwestie reeds in voldoende mate ter hand heeft genomen. Mij is bekend dat er al meerdere cursussen, symposia, congressen hebben plaatsgehad en dat er nog cursussen op het programma staan. Zo worden – onder meer – nog Tilburgs/Leidse PAO-cursussen aangeboden en verzorgen de grotere advocatenkantoren voor hun eigen medewerkers cursussen. Voor de rechterlijke macht draagt het SSR voor bijscholing van de rechters.

De leden van de PvdA-fractie gaven aan graag te vernemen welke (nog) niet in het wetsvoorstel verwerkte Europese regelgeving op korte termijn in Nederland moet worden ingevoerd. Ik antwoord hierop als volgt. Tot op heden zijn vier Europese instrumenten tot stand gekomen die van belang zijn voor het burgerlijk procesrecht. De eerste is de Verordening (EG) Nr. 1348/2000 van de Raad van de Europese Unie van 29 mei 2000 inzake de betekening en kennisgeving van gerechtelijke en niet gerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (PbEG L 160/137), welke op 31 mei 2001 in werking is getreden. De verordening strekt ertoe dat de betekening en kennisgeving in buitenland sneller plaats heeft dan nu onder het Haags Betekeningsverdrag 1965, doordat communicatielijnen worden verkort. Ter uitvoering van deze verordening is inmiddels een voorstel van wet bij de Tweede Kamer in behandeling (Kamerstukken Tweede Kamer, 2000–2001, 27 748). Hoe de huidige betekeningsvoorschriften onder de verordening moeten worden toegepast tot de uitvoeringswet in werking treedt, heb ik uiteengezet in mijn circulaire van 6 april 2000, Stcrt. nr. 70.

Het tweede instrument is de Richtlijn (EG) nr. 2000/35 van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties (PbEG L 200/35). Deze dient vóór 8 augustus 2002 te zijn omgezet in de Nederlandse wetgeving. De richtlijn draagt de lidstaten – onder meer – op ervoor te zorgen dat onbetwiste vorderingen normaliter binnen een periode van 90 kalenderdagen kunnen worden afgewikkeld, hetgeen in Nederland het geval is wanneer een gedaagde de vordering niet betwist en verstek laat gaan. De richtlijn schrijft de lidstaten uitdrukkelijk niet voor – anders dan in de literatuur wel wordt verondersteld – een specifieke incassoprocedure vast te stellen. Ik zie dan ook geen reden om op dit punt wetgeving ter implementatie van deze richtlijn te initiëren. Wel acht ik het goed om in het kader van de aangekondigde fundamentele herbezinning op het burgerlijk procesrecht aandacht aan de incassoprocedure te besteden.

Het derde instrument is de Verordening (EG) Nr. 44/2001 van de Raad van de Europese Unie van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PbEG L 12/1). De verordening behelst een omzetting van het Europees Executie Verdrag (EEX) in een verordening. Daarbij wordt – onder meer – de exequatur-procedure sterk vereenvoudigd. Met het oog op dit laatste is thans een wetsvoorstel in voorbereiding. Voorts zullen uit oogpunt van eenvormigheid de rechtsmachtbepalingen van afdeling 1.1, die nog slechts van belang zullen zijn voor gevallen waarin de verordening niet van toepassing is, in overeenstemming met de verordening worden gebracht. De Staatscommissie voor het internationaal privaatrecht en de Adviescommissie voor het burgerlijk procesrecht hebben zulks bepleit.

Ten slotte moet nog genoemd worden de Verordening (EG) Nr. 1206/2001 van de Raad van de Europese Unie van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken (PbEG L 174/1). Op dit moment geldt in Nederland het Haags Bewijsverdrag 1970, dat echter niet in alle landen van de Europese Gemeenschappen toepasselijk is en bovendien voor verbetering vatbaar is in de sfeer van snelheid en doelmatigheid. Deze verordening strekt ertoe de verkrijging van bewijs in het buitenland te versnellen en te vereenvoudigen. De uitvoeringsregelgeving dient uiterlijk op 1 januari 2004 in werking te treden.

Ten slotte hebben de leden van de PvdA-fractie nog enkele vragen gesteld met betrekking tot de invoering van het wetsvoorstel. Naar aanleiding van deze vragen merk ik op dat het mijn streven is het wetsvoorstel, nadat het kracht van het wet heeft gekregen, op 1 januari 2002 in werking te laten treden. Mede gelet op de initiatieven op het terrein van opleiding die in praktijk reeds in volle gang zijn, ik ben daarop hierboven naar aanleiding van een vraag van de leden van de VVD-fractie al ingegaan, meen ik dat de praktijk aldus voldoende tijd heeft zich voor te bereiden op het nieuwe recht. In verband met de inwerkingtreding is het voorts nog van belang op te merken dat inmiddels bij de Tweede Kamer aanhangig is het voorstel van wet Aanpassing van de wetgeving aan de herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg (kamerstukken II, 2000–2001, 27 824 nrs. 1–2). Dit wetsvoorstel strekt ertoe de bestaande wetgeving aan te passen aan de wijzigingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Ik vertrouw erop dat dit voornamelijk technische wetsvoorstel op betrekkelijk korte termijn door beide Kamers der Staten-Generaal kan worden behandeld, zodat het tijdig tot wet kan worden verheven.

Artikelen

Artikel 1.1.3

Hoewel dit artikel in zijn eerste onderdeel in verzoekschriftzaken rechtsmacht toekent onder meer op grond van het enkele criterium: woonplaats of gewone verblijfplaats van de verzoeker of een der verzoekers, is de kans dat de daarop gebaseerde rechtsmacht van de rechter in het buitenland als exorbitant geoordeeld zal worden, zeer gering. Reeds is in de memorie van toelichting aangegeven, dat het in verzoekschiftzaken doorgaans in de eerste plaats gaat om belangen van de verzoeker zelve, die niet zelden in zijn woonplaats uitgeoefend moeten worden. Daarmee heeft de zaak meer aanknoping met de bevoegde rechter dan alleen de gewone verblijfplaats van de verzoeker, en is dan ook niet meer exorbitant te noemen. De term «exorbitant» heeft overigens geen vaste juridische inhoud. In beginsel bepaalt iedere staat voor zich of het een buitenlandse rechterlijke beslissing niet zal erkennen omdat die gebaseerd is op wat die staat een exorbitante bevoegdheidsgrond acht. Internationaal is er geen vaste lijst van rechtsmachtgronden die het predicaat «exorbitant» dragen. Wel lijkt er een redelijke consensus te zijn dat een rechtsmachtgrond gebaseerd op een feit dat geen direkte band heeft met de te beoordelen zaak, exorbitant is. Als exorbitant wordt veelal genoemd de internationale bevoegdheid die enkel en alleen gebaseerd is op de woon- of verblijfplaats van de eiser of verzoeker, of enkel en alleen op de nationaliteit van de eiser, verzoeker, gedaagde of wederpartij. Zo ook worden de toevallige aanwezigheid van roerend goed in een staat, en de mogelijkheid om de wederpartij aldaar een dagvaarding of oproeping te overhandigen, als van onvoldoende belang geacht om te kunnen spreken van een band tussen de rechtszaak en het land van de rechter die voldoende is om rechtmacht op te baseren. Hoewel artikel 1.1.3., sub a, alleen spreekt van woonplaats of gewone verblijfplaats, zijn het de genoemde andere elementen van de zaak die ervoor zorgen dat er doorgaans voor voldoende aanknopingsgronden voor rechtsmacht en is er dan geen sprake van een exorbitante bevoegdheid. Naast deze overwegingen speelt bij de voorgestelde bepaling ook mee, dat er in verzoekschriftprocedures regelmatig geen bekende belanghebbenden zijn, zodat dan de woonplaats van de verzoeker het enige aanknopingspunt is om rechtsmacht op te baseren.

Hoewel de kans dat een rechtsmachtbepaling voor verzoekschriften, gebaseerd op de woonplaats of gewone verblijfplaats van de verzoeker in andere landen als exorbitant zal worden beschouwd, gering is, is zij niet uit te sluiten. Het is steeds aan het recht van de staat waar erkenning en tenuitvoerlegging gevraagd wordt, om te bepalen of de gronden waarop buitenlandse rechter wiens beslissing ter discussie is, zijn rechtsmacht heeft gebaseerd, voldoende geoordeeld kunnen worden. Elk rechtsstelsel heeft daarvoor zijn eigen rechtsregels, en buiten de gebieden waarvoor verdragsregelingen zijn opgesteld, is er weinig uniformiteit in regeling. Nu de kans op niet-erkenning, hoewel gering, niet uit te sluiten is, is het aan de verzoeker om na te gaan of de beslissing van de Nederlandse rechter die op grond van artikel 1.1.3.sub a, naar Nederlands recht rechtsmacht heeft, in het buitenland waarin hij de uitvoering van de rechterlijke beslissing heeft beoogd, zal worden erkend en tenuitvoergelegd kan worden. Hoewel mij niet bekend is in welke mate ook in het buitenland het forum actoris als aanknopingspunt in verzoekprocedures wordt gehanteerd, wijs ik op het bepaalde in artikel 3 van het op 15 april 1958 te Den Haag gesloten Verdrag nopens de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen over onderhoudsverplichtingen jegens kinderen, TRb 1959, 187, en artikel 7 van het op 2 oktober 1973 te Den Haag gesloten Verdrag inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen over onderhoudsverplichtingen, Trb 1974, 85. Deze beide verdragen aanvaarden het forum actoris van de alimentatiegerechtigde.

ARTIKEL 1.1.4

De leden van de VVD-fractie merken op dat ingevolge artikel 1.1.4 een verdelingsvordering die tegelijk met de scheidingseis wordt ingesteld, wel tot de rechtsmacht van de Nederlandse rechter behoort en een afzonderlijke vordering niet. Zij menen dat dit laatste grote problemen kan opleveren voor een in Nederland woonachtige partij indien de gedaagde in het buitenland woont en vragen of het geen aanbeveling verdient dat bij een in Nederland gesloten huwelijk of geregistreerd partnerschap na echtscheiding dan wel ontbinding van het partnerschap de Nederlandse rechter rechtsmacht behoudt indien er voldoende aanknopingspunten zijn met de Nederlandse rechtssfeer.

Ik verwijs op dit punt naar het wetsvoorstel 27 824 tot aanpassing van de wetgeving aan de herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg, waarin een voorstel tot wijziging van artikel 1.4.4 is opgenomen. Dit voorstel houdt verband met de verordening EG nr. 1347/2000 van de Raad van Europa van 29 mei 2000 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid voor gemeenschappelijke kinderen (PbEG L 160/19) (Brussel II-verordening). Uit deze verordening vloeit rechtstreeks voort in hoeverre aan de rechter rechtsmacht toekomt in zaken van echtscheiding en daarmee verwante zaken. Omdat over het exacte toepassingsgebied van de verordening verschillend geoordeeld kan worden – ik verwijs naar de toelichting bij het gewijzigde 1.4.4 – , is een aanvullende regeling nodig voor de gevallen die niet onder de verordening vallen. In deze situaties zal de verordening analoog worden toegepast. Niet alleen is dit het eenvoudigst, maar ook bevordert dit de rechtsgelijkheid tussen gevallen die wel en gevallen die niet onder de verordening vallen. Het derde lid van het gewijzigde artikel 1.1.4, dat de nevenvoorzieningen betreft, wijkt in materieel opzicht niet af van het oorspronkelijke 1.1.4: in beginsel is de echtscheidingsrechter eveneens bevoegd ter zake van de nevenvoorzieningen. Op grond van de hierboven aangegeven gronden voor analoge toepassing verdient een afwijkende bepaling in artikel 1.1.4 zoals door de leden voorgesteld niet mijn voorkeur.

In het geval van een afzonderlijke vordering tot verdeling geldt ingevolge artikel 1.2.2 dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft als de gedaagde in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft. In de situatie dat de gedaagde in het buitenland woont, heeft de Nederlandse rechter derhalve geen rechtsmacht, tenzij er sprake is van een uitzondering als bedoeld in artikel 1.1.8. Wanneer de gedaagde onvindbaar is, kan de rechtsmacht van de Nederlandse rechter naar mijn oordeel gebaseerd worden op onderdeel b van dit artikel: daarin is bepaald dat de Nederlandse rechter niettemin rechtsmacht toekomt indien een gerechtelijke procedure buiten Nederland onmogelijk blijkt. In het geval dat de gedaagde buiten Nederland niet gevonden kan worden en een procedure in het buitenland daardoor onmogelijk is, zal derhalve in Nederland geprocedeerd kunnen worden.

Artikel 1.1.6

De leden van de CDA-fractie vragen of het bij de formulering van artikel 1.1.6, tweede lid, niet beter ware geweest om de formulering uit artikel 6, onderdeel 2, EEX/EVEX over te nemen. Artikel 6, tweede lid, betreft de rechtsmacht van de Nederlandse rechter ten aanzien van een vordering in reconventie en ten aanzien van een vordering tot vrijwaring, voeging of tussenkomst. De bepaling houdt in dat de Nederlandse rechter, indien hem rechtsmacht toekomt ten aanzien van de oorspronkelijke vordering, ook ten aanzien van deze vorderingen rechtsmacht heeft, tenzij tussen deze vorderingen en de oorspronkelijke vordering onvoldoende samenhang bestaat. In het genoemde onderdeel van het EEX/EVEX wordt de rechtsmacht niet met zoveel woorden afhankelijk gesteld van samenhang met de oorspronkelijke vordering, maar van de vraag of de vordering slechts is ingesteld om de opgeroepene af te trekken van de rechter die wet hem toekent. Hoewel hier inderdaad, zoals de genoemde leden aangeven, sprake is van een ander criterium, spruit dit criterium toch voort uit dezelfde gedachte, zoals reeds blijkt uit de hiervoor gebruikelijke aanduiding van «forum connexitatis». Voor de vordering in reconventie levert het criterium een beperking op ten opzichte van wat naar intern Nederlands procesrecht geldt: aan een reconventionele vordering wordt daar immers niet de eis gesteld dat zij samenhangt met de vordering in conventie. Voor de vordering in vrijwaring en de vordering tot voeging of tussenkomst speelt die eis, zoals de leden terecht opmerken, wèl een rol. In het kader van de rechtsmachttoets biedt artikel 1.1.6 echter ruimte aan een wat strengere eis van samenhang («voldoende samenhang») dan in het interne procesrecht het geval is. Daarbij kan de invulling van het begrip samenhang mede geschieden aan de hand van hetzelfde begrip in artikel 1.1.6, eerste lid, waar het begrip in verband wordt gebracht met de doelmatigheid van een gezamenlijke behandeling.

Met betrekking tot de formulering van artikel 6, onderdeel 2, EEX/EVEX merk ik op dat de daarmee gegeven beperking afhankelijk is van de beweegredenen van degene die de vordering instelt en het zeer lastig kan zijn om vast te stellen of de vordering slechts is ingesteld met het daargenoemde oogmerk. Voor vorderingen tot voeging of tussenkomst levert de formulering voorts geen bevredigend criterium op omdat bij deze vorderingen niemand wordt afgetrokken van de rechter die de wet hem toekent: het gaat immers om vormen van processuele interventie door en op initiatief van een derde partij die vrijwillig verschijnt.

Artikel 1.2.2 juncto artikel 1.2.3

De leden van de CDA-fractie vragen hoe ik erover denk dat, zoals volgens deze leden vaak voorkomt, een zaak die bij de pleidooien meervoudig is behandeld, na een bewijsopdracht enkelvoudig wordt afgedaan door een rechter-commissaris. Inderdaad is mij bekend dat het, in elk geval in Utrecht en Rotterdam, voorkomt dat zaken waar een tussenvonnis meervoudig is gewezen, een nadien uitgesproken eindvonnis wordt gewezen door een enkelvoudige kamer, waarin de rechter zitting heeft ten overstaan van wie als rechter-commissaris getuigenverhoren hebben plaatsgevonden.

Zowel naar het huidige recht (artikelen 192 derde lid, 226 vierde lid en 429f vierde lid) als naar het komende recht (artikelen 1.2.2, vierde lid, en 1.2.3, vijfde lid), kan de meervoudige kamer bepalen dat verdere behandeling plaatsvindt door een daartoe aangewezen rechter-commissaris. De zaak wordt door deze rechter-commissaris echter alleen behandeld en niet beslist. Ik wijs op het terminologische verschil met de artikelen 1.2.2, eerste lid, en 1.2.3, eerste lid, in welke bepalingen van «behandeld en beslist» wordt gesproken. In de praktijkgevallen waar de genoemde leden op doelen, vindt de afdoening naar ik aanneem dan ook niet plaats door de rechter-commissaris als zodanig, maar door dezelfde rechter als enkelvoudige kamer.

De genoemde leden stellen in dit verband de vraag hoe de door hen genoemde wijze van afdoen, waarbij de rechters die de zaak hoorden bepleiten uiteindelijk niet meewerken aan het daaropvolgende vonnis, zich verdraagt met het recht op een oral hearing. Naar mijn oordeel ligt in het recht op een oral hearing – welk recht overigens volgens jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (Fredin v. Sweden, 23 februari 1994, Series A no. 283-A, blz. 10–11, 21–22 en Stallinger and Kuso v. Austria, 23 april 1997, Reports of Judgements and Decisions 1997-II, pp. 679–80, 51) aan beperkingen onderhevig kan zijn – niet als zodanig besloten dat alle rechters voor wie is gepleit, behalve aan de direct op het pleidooi volgende beslissing ook steeds moeten meewerken aan eventuele vervolgbeslissingen. Het zal in de praktijk ook niet altijd mogelijk zijn, dat alle bij de procedure betrokken rechters vervolgens ook aan het vonnis meewerken. Daarmee wordt rekening gehouden in artikel 2.8.7, waarin is bepaald dat de rechter ten overstaan van wie in een zaak bewijs is bijgebracht, daarin zoveel mogelijk het eindvonnis zal wijzen of medewijzen.

De leden van de CDA-fractie vragen voorts waarom in het derde lid van artikel 1.2.2 niet gesproken wordt over terugwijzing, zoals wel het geval is in artikel 1.2.3. Het verschil tussen beide artikelen hangt samen met een verschillend uitgangspunt in behandeling bij de rechtbank en het gerechtshof. Enkelvoudige behandeling is zowel mogelijk bij de rechtbank, waar zij het uitgangspunt vormt, als bij het gerechtshof na verwijzing door de meervoudige kamer. Zowel bij de rechtbank als bij het gerechtshof kan de enkelvoudige kamer steeds bewerkstelligen dat de zaak meervoudig wordt afgedaan. Bij de rechtbank kan de enkelvoudige kamer de zaak daartoe naar de meervoudige kamer verwijzen, bij het gerechtshof geschiedt dit door terugwijzing naar de meervoudige kamer. De gedachte hierachter is dat het uiteindelijk steeds aan de enkelvoudige kamer is om te beslissen of de zaak enkelvoudig kan worden afgedaan.

Tot slot vragen de leden van de CDA-fractie zich af of het niet wenselijk geacht kan worden de verwijzing of terugwijzing in de uitspraak tot uitdrukking te brengen. Daarover merk ik op dat het uit oogpunt van duidelijkheid inderdaad aanbeveling lijkt te verdienen dat een beslissing tot verwijzing of terugwijziging, bijvoorbeeld bij de beschrijving van het procesverloop, in het vonnis of de beschikking tot uitdrukking komt.

Artikel 1.3.1

De leden van de CDA fractie is het opgevallen dat in artikel 1.3.1 niet wordt voorgeschreven dat hoor en wederhoor plaatsvindt in een openbare behandeling. Zij vragen waarom dat aspect van artikel 6 EVRM, waarin volgens deze leden ook het onmiddellijkheidsbeginsel tot uitdrukking komt, niet in artikel 1.3.1 is opgenomen. Ik merk op dat het recht op hoor en wederhoor dient te worden onderscheiden van het recht op een openbare behandeling. Beide rechten zijn te beschouwen als afzonderlijke, naast elkaar bestaande aspecten van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. Het recht op hoor en wederhoor houdt kort gezegd in dat partijen zich behoorlijk moeten kunnen verdedigen en dat aan beide partijen in gelijke mate het recht toekomt om door de rechter (mondeling of schriftelijk) te worden gehoord, om zich op feiten of rechten te beroepen en om bewijs te leveren. Dit recht is neergelegd in artikel 1.3.1. Met betrekking tot de openbaarheid van behandeling, zoals die ook in artikel 6 EVRM is neergelegd, geldt op grond van artikel 1.3.9 dat de terechtzitting in beginsel openbaar is. Voorts geschiedt de uitspraak ingevolge artikel 1.3.10 in het openbaar. Een comparitie of pleidooi vindt dus in de openbaarheid plaats, tenzij zich omstandigheden voordoen als aangegeven in artikel 1.3.9, eerste lid, onder a tot en met d, en de rechter op die grond een geheel of gedeeltelijk behandeling met gesloten deuren beveelt. Met de artikelen 1.3.9 en 1.3.10 wordt gegarandeerd dat van openbaarheid in de zin van artikel 6 EVRM sprake is. Ook daarbuiten, namelijk in de schriftelijke stukkenwisseling, wordt echter invulling gegeven aan het beginsel van hoor en wederhoor. Om die reden verdient opneming van het openbaarheidsaspect in artikel 1.3.1 niet de voorkeur.

Met betrekking tot het onmiddellijkheidsbeginsel merk ik op dat dit beginsel, inhoudende dat de zittingsrechter recht doet op basis van materiaal dat ter zitting door hemzelf of ten overstaan van hem naar voren is gebracht, een belangrijke rol speelt in het strafproces. De kern van het strafproces ligt in het onderzoek ter terechtzitting: de rechter dient te beraadslagen naar aanleiding van het onderzoek ter zitting (artikelen 348 en 350 Wetboek van Strafvordering), het bewijs kan slechts worden aangenomen indien hij daarvan uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen (artikel 338 Sv) en schriftelijke stukken dienen op de zitting te worden voorgelezen of samengevat (artikel 297 Sv). Waar in het civiele recht een zodanige nadruk op de terechtzitting niet wordt gelegd, wordt hier veelal niet gesproken van het onmiddellijkheidsbeginsel.

Artikel 1.3.2

De leden van de CDA-fractie vragen waarom in artikel 1.3.2, eerste lid, de woorden «zo nodig» zijn opgenomen. Ik merk op dat deze leden er terecht van uit gaan dat de opdracht in dit lid zich niet uitsluitend richt tot partijen, maar ook, ik wees hier reeds op, tot de rechter zelf. Het is in eerste instantie aan partijen om verantwoordelijkheid te nemen voor het procestempo, maar de rechter dient in te grijpen als het op dit punt mis dreigt te gaan. De woorden «zo nodig» geven aan dat het aan de rechter is om te bepalen of maatregelen in de gegeven omstandigheden nodig zijn. De in de memorie van toelichting en in de nota naar aanleiding van het eindverslag genoemde maatregelen zijn, zoals de leden opmerken, maatregelen die in een dergelijke situatie door de rechter jegens een of beide partijen kunnen worden genomen. Daarnaast dient de rechter inderdaad ook bij zijn eigen werkzaamheden te waken tegen onredelijke vertraging, bijvoorbeeld bij het plannen van zittingsdagen of het opstellen van vonnissen en beschikkingen.

De leden van de CDA-fractie vragen wat moet worden verstaan onder het begrip «onredelijke vertraging» in artikel 1.3.2. Deze vraag laat zich bezwaarlijk in algemene zin beantwoorden. Het zal immers telkens van de door de rechter te beoordelen bijzondere omstandigheden van het concrete geval afhangen of al dan niet sprake is van onredelijke vertraging. Bij wijze van voorbeeld kan onder andere aan de volgende factoren worden gedacht: de al verstreken duur van de procedure, de aard en de complexiteit van de zaak, de belangen van partijen en de processuele houding van partijen. Ik merk hierbij nog op dat de rechter zich, onverminderd zijn eigen verantwoordelijkheid voor de voortgang van de procedure, omtrent het procestempo ook zal richten naar hetgeen partijen daaromtrent gezamenlijk als hun wens te kennen geven.

Voorts vragen deze leden wat artikel 1.3.2 toevoegt aan het geldende recht, dat de rechter ook al de bevoegdheid geeft maatregelen te treffen om vertraging van de procedure tegen te gaan. Ik antwoord hierop dat artikel 1.3.2 is opgenomen in afdeling 1.3, getiteld algemene voorschriften voor procedures. Een functie van deze afdeling, en daarmee van artikel 1.3.2, is gelegen in het vastleggen van de algemene kaders waarbinnen de concrete procesregels functioneren door het benoemen van algemene beginselen van burgerlijk procesrecht. Aldus worden algemene richtsnoeren gegeven, die gebruikt kunnen worden bij de toepassing en interpretatie van meer specifieke voorschriften. In dit licht meen ik artikel 1.3.2 wel degelijk een toegevoegde waarde heeft, in de zin dat het de rechter instrueert en legitimeert bij de hantering van zijn meer concrete processuele bevoegdheden. Dat in veel gevallen de beslissingen van de rechter op dit punt niet appellabel zijn, doet daaraan als zodanig niet af. Ik verwijs in dit verband voorts nog naar hetgeen hieronder aan de orde komt in antwoord op de vraag van de leden van de VVD-fractie naar de praktische betekenis van artikel 1.3.2.

De leden van de CDA-fractie merken vervolgens op dat de regering het begrip «onredelijke vertraging» vooral relateert aan «een vermeend publiekrechtelijke belang, namelijk dat van een optimale doorloopsnelheid en een optimale productie van de gerechten». Deze leden zijn het hiermee niet eens. In reactie hierop merk ik op dat het inderdaad niet zou aangaan om partijen tot versnelling aan te zetten, louter met het oog op het belang van de gerechten dat zij gunstige doorlooptijden en productiecijfers kunnen realiseren. Maar dat is ook niet wat de regering met dit onderdeel van het wetsvoorstel voor ogen heeft gestaan. Waar het wel om gaat is dat de maatschappelijke functie van de civiele rechtspleging, alsmede de betrokken belangen van partijen (onder meer) eisen dat binnen een afzienbare tijd een rechterlijke beslissing kan worden verkregen, alsmede dat bij de besteding van de daarmee gemoeide overheidsmiddelen voldoende doelmatigheid wordt betracht. Om deze functie tot zijn recht te laten komen, hetgeen niet slechts een privaat belang is, zal de overheid er verantwoordelijkheid voor moeten nemen om de kaders te scheppen om een voldoende voortvarende afdoening van zaken te waarborgen. Daarbij mag van partijen een bijdrage worden verlangd aan het procestempo, niet slechts om te vermijden dat er ten nadele van de andere partij vertraging ontstaat, maar ook in die zin dat een partij niet, bijvoorbeeld door in een laat stadium uitstel te vragen voor een zitting, zittingscapaciteit verloren doet gaan die dan ook niet meer voor andere zaken benut kan worden. Deze verantwoordelijkheid van de overheid ligt ook besloten in artikel 6 EVRM. Het Europese Hof voor de Rechten van Mens heeft dit recent nog eens onderstreept in zijn uitspraak van 6 april 2000 inzake Comingersoll S.A. tegen Portugal (NJ 2000, 612), waarin onder meer werd overwogen: «The Court reiterates that it is for the Contracting States to organise their judicial system in such a way that their courts are able to guarantee everyone the right to obtain a final decision on disputes concerning civil rights and obligations within a reasonable time» (rechtsoverweging 24).

Op de vragen van de leden van de CDA-fractie in verband met de beschouwing in de nota naar aanleiding van het verslag bij artikel 1.3.3, ga ik als volgt in.

In de eerste plaats vragen de genoemde leden of het redelijk is om een vennootschap in een complexe zaak af te rekenen op het feit dat een bepaald stuk niet in de dagvaarding of de conclusie van antwoord is genoemd, wanneer dat stuk – onder verantwoordelijkheid van een vorige directie – indertijd niet aan de advocaat ter beschikking was gesteld omdat het stuk niet relevant werd geacht. Daarover zou ik er allereerst op willen wijzen dat het mij op zichzelf niet relevant lijkt of de verstrekking van stukken aan de advocaat eerder onder de verantwoordelijkheid van een vorige directie is uitgevoerd: het optreden van zowel de vorige als de huidige directie kan immers ten volle aan de vennootschap worden toegerekend. Verder dient er in elk geval van te worden uitgegaan dat nu het stuk deel uitmaakt van het door de de directie gehouden dossier, kennis daarvan aan de vennootschap kan worden toegerekend. Ook Tjittes neemt in zijn door deze leden genoemde beschouwing aan dat kennis van een orgaan van de vennootschap aan die vennootschap kan worden toegerekend. Waar het vervolgens naar mijn oordeel op aankomt is of, nu de advocaat van de vennootschap de relevantie van het stuk kennelijk wèl zou hebben ingezien, de vennootschap het stuk eerder niet aan haar advocaat ter beschikking had moeten stellen. Die vraag valt in algemene zin niet te beantwoorden. Wel lijkt het mij voor de hand te liggen dat de vennootschap, zeker als het gaat om een complexe zaak, haar advocaat voldoende gelegenheid biedt zich te oriënteren op de voorhanden stukken die tot haar dossier behoren, juist ook om mede aan diens oordeel te toetsen welke stukken van belang zijn. Laat de vennootschap zulks na, dan acht ik het niet onredelijk dat daaraan gevolgen kunnen worden verbonden.

In de tweede plaats leggen de genoemde leden mij een casus voor van een dochter die als erfgenaam een procedure voortzet waarin haar vader was betrokken. Ter comparitie komt de dochter tot de ontdekking dat zij eerder van haar vader heeft vernomen over een, kennelijk door de vader gedane, toezegging. Deze toezegging heeft de dochter niet vermeld in het namens haar ingediende processtuk, omdat zij pas door de bespreking van de zaak ter comparitie de relevantie van de toezegging begrijpt. Deze casus onderstreept in de eerste plaats inderdaad de belangrijke betekenis die de comparitie heeft voor de ontwikkeling van het debat tussen partijen. Ook de door de genoemde leden aangehaalde passage uit het advies van de Raad van State is in dit verband veelzeggend. Hier zou ik dan ook willen aannemen dat de dochter niet behoort te worden afgerekend op het feit dat de toezegging door haar niet eerder is vermeld. De verplichting tot het aanvoeren van de feiten kan immers slechts betrekking hebben op feiten die men kent en waarvan men de relevantie ook daadwerkelijk inziet of behoort in te zien. In de geschetste casus kon dit voor de dochter – die weliswaar de procedure van haar vader voortzet maar daarmee nog niet met de vader vereenzelvigd kan worden – redelijkerwijs onduidelijk zijn. In zoverre bestaat er verschil met de casus van de vennootschap, die de relevante stukken wel in het dossier had maar deze niet aan haar advocaat ter beschikking had gesteld.

Gegeven het vorenstaande zal de rechter dus bij zijn afweging van de gevolgen van het niet van aanvang af beschikbaar zijn van alle relevante gegevens wel degelijk rekening houden de omstandigheid dat bepaalde gegevens pas door latere ontwikkelingen relevant kunnen blijken te zijn. Er is dan ook geen reden om te vrezen dat raadslieden zich gedwongen zullen voelen om daarover, zoals de leden van de CDA-fractie het uitdrukken, binnen het proces als het ware een zelfstandig proces te voeren. Niet ondenkbaar is overigens dat er in een concreet geval toch discussie bestaat over de vraag of een bepaald gegeven ter kennis van de rechter gebracht had moeten worden. In zo'n geval zal de rechter, wanneer de onjuiste of onvolledige gegevensverschaffing inderdaad gevolgen heeft voor zijn beslissing, dit in zijn motivering tot uitdrukking brengen (artikel 1.3.11). De vrees van de genoemde leden voor negatieve gevolgen van de regeling in de zin van complicering van de procedure en een toename van hoger beroepen, deel ik dan ook niet. Het vastleggen van de verplichting van partijen om de voor de beslissing relevante feiten naar waarheid en volledigheid aan te voeren, zal toch in de eerste plaats vooral tot gevolg hebben dat de rechter gelegitimeerd is om bij verzaking van die verplichting daaraan gevolgen te verbinden. Daarmee worden een juist verloop en een juiste uitkomst van de procedure alleen maar bevorderd. Het feit dat over de uitoefening van die rechterlijke bevoegdheid, zoals bij alle bevoegdheden, in sommige gevallen verschillend gedacht kan worden, doet daaraan niet af.

In het verlengde van het voorgaande menen de leden van de CDA-fractie dat een vergelijkbare discussie kan ontstaan over de toepassing van artikel 2.11.9, eerste lid, derde zin, dat de rechter de bevoegdheid toekent nodeloos aangewende of veroorzaakte proceskosten voor rekening te laten van degene die deze kosten heeft aangewend of veroorzaakt. Ook hier wijs ik erop dat deze bevoegdheid op zichzelf een juist verloop en een juiste uitkomst van procedures bevordert. Het gaat niet aan om door het achterhouden van gegevens de doelmatige behandeling van een zaak te bemoeilijken, en daarbij zelfs niet verantwoordelijk te kunnen worden gehouden voor de daardoor veroorzaakte extra kosten. Dat ook bij deze bevoegdheid over de toepassing daarvan in concreto wel eens verschillende inzichten zouden kunnen bestaan, doet aan het nut van de bevoegdheid als zodanig niet wezenlijk af. Inderdaad zullen bij het achterwege laten van procedurele prikkels als deze bepaalde discussies vermeden worden, maar daarmee dreigt wel het kind met het badwater te worden weggegooid. Overigens zal het in de eerste plaats op de weg liggen van de partij die bepaalde gegevens pas in een later processueel stadium verstrekt, om duidelijk te maken waarom zulks niet eerder werd gedaan. Tot een bewijsopdracht naar die redenen zal het echter niet komen, want die kan slechts betrekking hebben op de feiten of rechten die de rechter aan zijn beslissing over het gevorderde ten grondslag legt.

De leden van de CDA-fractie zien ook in de passage op blz. 28 van de nota naar aanleiding van het verslag een aanwijzing dat er een intern debat onstaat over de sancties uit hoofde van de artikelen 1.3.3 en 1.3.4. In de genoemde passage is er echter juist op gewezen dat juist door de rechter een enigszins vrije beoordelingsruimte te laten kan worden voorkomen dat extra processuele geschillen in het geschil zullen ontstaan. Wel is er daarbij voorts op gewezen dat ook in het kader van de verdeling van bewijslast of in het kader van artikel 843a door partijen aan de orde kan worden gesteld of bepaalde gegevens al dan niet in het geding moeten worden gebracht, en dat er dan ook hogere motiveringseisen gelden, maar die mogelijkheden doen zich ook onder het huidige recht voor zonder dat dit in de praktijk tot problemen leidt. En evenmin zijn uit de praktijk problemen bekend met de huidige artikelen 19a en 110 Rv, waaraan artikel 1.3.4 is ontleend. Het is daarom niet waarschijnlijk dat de toepassing van bepalingen als artikel 1.3.3 en 1.3.4 zal leiden tot een toename van het aantal hoger-beroepen. Evenmin acht ik het waarschijnlijk dat de leden van de rechterlijke macht zich, zoals de leden van de CDA-fractie veronderstellen, in de praktijk genoodzaakt zullen zien tot een «minimalistische» toepassing van die bepalingen.

De leden van de CDA-fractie vragen voorts of ik inzicht kan geven in de ervaringen in Engeland en Wales met de sancties van «striking out» en «cost penalty». Mij is bekend dat de figuur van «striking out» bij de herziening van het Engels burgerlijk procesrecht inhoudelijk niet ingrijpend is gewijzigd. Discussie over deze figuur in de Engelse vakliteratuur en recente ervaringen daarmee zijn mij echter niet bekend. Hetzelfde geldt voor de toepassing van de kostenveroordeling als processuele sanctie.

De leden van de VVD-fractie vragen naar de praktische betekenis van artikel 1.3.2. Dit artikel verankert in de wet dat zowel de rechter als partijen verantwoordelijk zijn voor een voortvarend procesverloop, zowel in de dagvaardingsprocedure als in de verzoekschriftprocedure. Het artikel behelst derhalve, zoals ook hiervoor aan de orde kwam naar aanleiding van een vraag van de leden van de CDA-fractie, een algemeen voorschrift aan de hand waarvan de rechter zijn concrete bevoegdheden bij de instructie van zaken zal invullen. De mening dat het artikel een vrijblijvend karakter heeft, deel ik niet. Het artikel maakt duidelijk dat partijen en de rechter een taak hebben en dat, zowel op initiatief van één van de partijen als op initiatief van de rechter, maatregelen kunnen worden getroffen om een onredelijke vertraging van de procedure tegen te gaan. Die maatregelen kunnen verschillend van aard zijn, zoals het stellen van termijnen, het peremptoir stellen van een partij, het doen vervallen van het recht om te concluderen, het weigeren van aktes die in feite verkapte conclusies zijn, het buiten beschouwing laten van een onredelijk vertragende eisvermeerderingen (vergelijk hetgeen daarover is opgemerkt in de memorie van toelichting en de nota naar aanleiding van het verslag: Kamerstukken II, 1999–2000, 26 855, nr. 3, blz. 51, en nr. 5, blz. 20). De bovengenoemde leden informeren voorts naar argumenten van de Adviescommissie Burgerlijk Procesrecht om niet de door de commissie Wind voorgestelde verdergaande formulering op te nemen, inhoudende dat de rechter dient toe te zien en te bevorderen dat de procedure voortvarend verloopt. Binnen de Adviescommissie werd het standpunt gehuldigd dat ook in het nieuwe procesrecht het procestempo in eerste instantie een zaak van partijen moet kunnen zijn en dat de rechter op dit punt niet zozeer direct het initiatief moet nemen als wel een een begeleidende en controlerende rol moet vervullen. Daarbij past het«waken tegen onredelijke vertraging» beter dan het door de comissie Wind gesuggereerde «bevorderen dat de procedure voortvarend verloopt».

Artikel 1.3.3

De opvatting van de leden van de VVD-fractie dat artikel 1.3.3 – dat partijen verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren – een wezenlijke wijziging vormt van het burgerlijk procesrecht, kan ik niet zonder meer onderschrijven. Veeleer vormt de bepaling de wettelijke erkenning en vastlegging van een reeds langer bestaande ontwikkeling, waarin van partijen verlangd wordt dat zij zich bij het aanvoeren van de feiten onthouden van onwaarheid en onvolledigheid. In deze ontwikkeling wordt in toenemende mate getracht te bevorderen dat de beslissing van de rechter zoveel mogelijk recht doet aan de materiële werkelijkheid. Deze ontwikkeling ziet men bijvoorbeeld in het toegenomen belang van de verzoekschriftprocedure, waar de rechter vanouds een eigen, actieve, taak heeft bij het vaststellen van de relevante feiten. Men ziet het ook in het feit dat de wetgever in de loop der tijd in toenemende mate aan de rechter bevoegdheden heeft toegekend om van partijen nadere gegevens en toelichtingen te verlangen: zie de artikelen 144, tweede lid (het vragen van «ophelderingen» na pleidooi), 19a, eerste lid (bevel tot toelichting van stellingen of overlegging van bescheiden ter comparitie) en 110 (bevel van de kantonrechter tot toelichting of overlegging bescheiden in elke stand van het geding). Ook in de jurisprudentie wordt van partijen verlangd dat zij de «materiële waarheid» aanvoeren: in zijn arrest van 4 oktober 1996, NJ 1998, 45, sprak de Hoge Raad uit dat wanneer een partij feiten verzwijgt die tot een voor de tegenpartij gunstige afloop van die procedure zouden hebben kunnen leiden, terwijl zij wist of behoorde te weten dat de tegenpartij niet met die feiten bekend was of redelijkerwijs bekend behoorde te zijn, deze «oneerlijke proceshouding» een vorm van bedrog oplevert die aanleiding kan geven tot herroeping van het vonnis. In zijn – instemmende – noot onder HR 13 december 1996, NJ 1998, 46 schrijft prof. mr. H.J. Snijders dat men in deze uitspraak «een versterking kan zien van de algemene exhibitielast, die in ons procesrecht geldt». De in artikel 1.3.3 geformuleerde verplichting van partijen om de relevante feiten naar waarheid en met volledigheid te vermelden, sluit aan bij deze ontwikkeling en bevestigt haar. Ook in andere landen (Duitsland, Oostenrijk, Frankrijk) kent men vergelijkbare bepalingen.

Artikel 1.3.3 komt, anders dan de genoemde leden van de VVD-fractie menen, niet in strijd met de partij-autonomie. De partij-autonomie, zoals vastgelegd in artikel 1.3.6, houdt in dat de rechter onderzoekt en beslist op de grondslag van hetgeen partijen aan hun vordering, verzoek of verweer ten gronde hebben gelegd. Tenzij uit de wet anders voortvloeit, zijn het partijen die de aard en de omvang van het geschil bepalen. In dat kader geven zij ook de begrenzing van het feitelijke geschil, zodat zij in beginsel ook niet verplicht zijn om feiten aan te voeren die buiten dat kader vallen. In het uiterste geval zal de rechter, wanneer zodanige feiten voor het slagen van een vordering of een verweer doorslaggevend zijn, de vordering of het verweer dan ook moeten afwijzen. Vraagt een partij echter op grond van een bepaalde feitenconstellatie aan de rechter een beslissing over een aldus ingekaderd geschil, dan mag die partij aan de rechter niet de daarvoor benodigde, binnen dat kader vallende, gegevens onthouden. Een partij mag de taak van de rechter, een juiste beslissing te geven over het geschil van partijen, niet bemoeilijken door onjuiste of onvolledige gegevens.

Vervolgens kom ik aan de vraag van de leden van de VVD-fractie, hoe artikel 1.3.3 zich verhoudt tot 176, eerste lid, Rv, dat in het wetsvoorstel terugkeert als artikel 2.8.1, eerste lid. Artikel 1.3.6 geeft partijen de vrijheid om aan hun vordering, verzoek of verweer die feiten ten grondslag te leggen die zij verkiezen (partij-autonomie). Bij zijn beslissing mag de rechter in beginsel niet buiten dat kader treden. Artikel 1.3.3 verplicht partijen om binnen het aldus gekozen kader geen onjuiste feiten te vermelden en de rechter geen voor zijn beslissing relevante feiten te onthouden. Artikel 2.8.1, eerste lid, brengt mee dat de rechter bij zijn beslissing weliswaar niet de door partijen bepaalde grondslag van hun vordering, verzoek of verweer mag verlaten, maar dat hij bij zijn beslissing op die grondslag wel mede acht mag slaan op hetgeen is komen vast te staan van wat partijen ter vervulling van hun waarheidsplicht te zijner kennis hebben gebracht. Binnen het door partijen geschapen kader dient de rechter immers zoveel mogelijk recht te doen overeenkomstig de «materiële waarheid».

Ik kan mij niet voorstellen dat opneming in de wet van artikel 1.3.3 ertoe zal leiden dat advocaten hun cliënten verzoeken hen vooral niet alles te vertellen. Advocaten zullen hun cliënten immers niet willen adviseren zonder op de hoogte te zijn van alle relevante gegevens. Maar bovendien zou de advocaat daarmee het – mogelijk tot zijn aansprakelijkheid aanleiding gevende – risico nemen dat zijn cliënt later door de rechter geconfronteerd wordt met het verwijt niet te hebben voldaan aan zijn waarheidsplicht, hetgeen voor de cliënt in de procedure nadelige consequenties kan hebben.

Zoals hiervoor aangegeven, past artikel 1.3.3 in een hier en in ons omringende landen reeds langer bestaande ontwikkeling. Artikel 1.3.3 valt daarom niet te beschouwen als een uitvloeisel van het Anglo-Amerikaanse systeem, zoals de leden van de VVD-fractie vragen. Het daar bestaande «disclosure»-systeem, waar partijen over en weer verplicht kunnen worden elkaar op grote schaal inzage te verschaffen van allerlei stukken, is van een geheel andere orde dan de hierboven beschreven en ingekaderde waarheidsplicht in een procedure tegenover de rechter. Een risico dat ook hier dergelijke «Amerikaanse toestanden» zullen ontstaan, acht ik dan ook niet aanwezig.

Artikel 1.3.4

Door de leden van de CDA-fractie is de vraag gesteld of met betrekking tot het ter beschikking stellen van bescheiden en de gewichtige redenen die aanleiding kunnen geven om dit te weigeren, is overwogen om de rechter de mogelijkheid te bieden analoog aan de regeling in artikel 18 van de Mededingingswet met bijvoorbeeld anonimisering van namen van commercieel belangrijke klanten of namen van personen die moeten vrezen voor represailles, bescheiden in het geding te brengen of te doen brengen. Ik antwoord deze leden dat het in artikel 18 Mededingingswet niet gaat om gegevens in een gerechtelijke procedure, maar om gegevens in het kader van een aanvraag bij een bestuursorgaan om een ontheffing als bedoeld in artikel 17 van die wet. In een gerechtelijke procedure brengt artikel 6 EVRM mee dat gegevens die de rechter aan de beslissing ten grondslag legt, niet aan één der partijen onthouden mogen worden. De geheimhouding van artikel 18 Mededingingswet heeft voorts betrekking op derden die van de aanvraag en beschikking kennis mogen nemen, en strekt zich niet uit ten opzichte van een wederpartij, waar het in de civiele procedure om gaat.

De leden noemen de mogelijkheid dat de rechter in raadkamer beslist na raadslieden daar, buiten aanwezigheid van partijen, over vertrouwelijke gegevens gehoord te hebben. De leden vragen in dit verband of in de memorie van toelichting bij artikel 1.3.10a niet ook al impliciet de mogelijkheid wordt geopend dat wel de raadsman van de wederpartij, maar niet de wederpartij zelf kennis zal nemen van vertrouwelijke informatie die in bijvoorbeeld producties bij de conclusie van antwoord onleesbaar zijn gemaakt. Ik beantwoord deze vraag ontkennend: in toelichting bij dit artikel wordt immers met nadruk verwezen naar de bezwaren tegen een dergelijke regeling. Zo is in de memorie van toelichting bij artikel 1.3.4 eveneens vermeld dat partijen er in een civiel geding recht op hebben dat zij zich over alle tot het geding behorende stukken kunnen uitlaten en dat een dergelijk systeem vragen zou kunnen oproepen over de verhouding tot artikel 6 EVRM in het kader van hoor en wederhoor.

De leden van de CDA-fractie informeren naar het gewicht van een rechterlijke aangifte in een strafproces. Terecht merken deze leden op dat het onderzoek in de strafzaak om verschillende redenen kan stagneren, zodat onvoldoende informatie wordt verkregen voor het nemen van een positieve vervolgingsbeslissing. Dat is niet anders dan in de gevallen waarin op grond van de thans bestaande wettelijke aangifteplicht voor ambtenaren en colleges die bij de uitoefening van hun taak kennis krijgen van mogelijke strafbare feiten. Daarmee staat geenszins vast dat deze strafbare feiten ook zijn gepleegd. Het gaat bij een aangifte om een verzoek tot het instellen van een strafrechtelijk onderzoek en mogelijk ook tot vervolging van een verdachte. Daartoe is evenwel in de regel noodzakelijk dat de officier van justitie van oordeel is dat het feit bewijsbaar en strafbaar is. In deze eisen komt geen wijziging in de gevallen waarin de aangifte door een rechter is gedaan. Zij vragen voorts of de rechter voorafgaand aan zijn aangifte de betrokken partij niet moet wijzen op de mogelijkheid van zelf-incriminatie of op het verschoningsrecht van artikel 2.8.17, derde lid. Het geven van de zogenaamde cautie bedoeld in artikel 29, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is alleen gericht op het verhoor van iemand die reeds als verdachte is aangemerkt. Dat behoeft nog niet het geval te zijn. Wel kan de rechter een partij die zelf beslist wat de omvang van zijn inbreng in de procedure is, wijzen op mogelijke consequenties die aan het persisteren bij die inbreng kunnen worden verbonden.

Deze leden willen voorts weten welke sanctie wordt gesteld als de rechter aangifte nalaat. In de nu reeds geldende bepaling van artikel 162 Wetboek van Strafvordering is geen sanctie op nalaten van aangifte opgenomen. Niet uit te sluiten is dat in een zeer flagrant geval (bijvoorbeeld het systematisch niet optreden van een leidinggevende tegen geconstateerd onregelmatig gedrag van zijn ondergeschikten) tegen een ambtenaar disciplinaire maatregelen kunnen worden getroffen. Dergelijke misstanden laten zich in de incidentele zaken die aan de rechter worden voorgelegd, niet snel denken. Daarbij komt dat het de wederpartij eveneens vrij staat om zich tot de politie of het openbaar ministerie te wenden met een aangifte. Beide partijen kunnen zich ingevolge artikel 14a van de Wet op de rechterlijke organisatie beklagen over de wijze waarop een rechterlijk ambtenaar zich jegens hem heeft gedragen. De klacht wordt ingediend bij de procureur-generaal bij de Hoge Raad en houdt een verzoek in tot het instellen van een onderzoek naar die gedraging door de Hoge Raad. Deze procedure acht ik toereikend. Civielrechtelijke aansprakelijkheid van de Staat voor een dergelijke gedraging tegenover een derde die geen partij is in de civiele procedure lijkt mij niet aan de orde, reeds omdat de schade van het slachtoffer geen gevolg is van het uitblijven van aangifte door de rechter, maar veroorzaakt is door de strafbare gedraging van de dader.

De leden van de fractie van de PvdA vroegen naar het arrest van de Hoge Raad dat over de aangiftebevoegdheid van rechters werd verwacht. Dit is nog niet gewezen.

Met betrekking tot de verhouding tussen artikel 1.3.3 en een mogelijke aangifteplicht zie ik geen potentieel conflict met het nemo tenetur beginsel. Dat is van toepassing op een verdachte die niet verplicht mag worden tegen zichzelf te getuigen of een bekentenis af te leggen. De situatie waarin een probleem is ontstaan heeft zich voorgedaan nadat een der partijen eigener beweging gegevens in het geding had gebracht, waaruit het vermoeden van een strafbaar feit voortvloeide. Mogelijk is dat, zoals hiervoor reeds is geantwoord op een desbetreffende vraag van de leden van de CDA-fractie, dat de rechter aan de betrokken partij de vraag voorlegt of deze bij zijn inbreng persisteert. Dit is echter geen gevolg van het nemo-teneturbeginsel. Voorts dient bedacht te worden dat het zowel de eisende partij als de verwerende partij steeds vrij staat om af te zien van het instellen van een vordering onderscheidenlijk het voeren van verweer. Wanneer een partij er echter voor kiest om in een civiele procedure een bepaald standpunt in te nemen, brengt artikel 1.3.3 mee dat hij zich bij het aanvoeren van de voor de beslissing van de rechter relevante feiten niet bezondigt aan onjuistheid of onvolledigheid.

Ik overweeg thans geen nadere regeling van civielrechtelijke consequenties die moeten worden verbonden aan het aan het licht komen van mogelijk strafbare feiten. Gelet op de eerdere uitspraak van de Hoge Raad van 30 maart 1998, NJ 1998, 554, is duidelijk dat artikel 6 EVRM in de weg staat aan een regulering van de gegevens die partijen in het geding wensen te brengen. Voor het overige zal ik aan de vragen van de leden van deze fractie aandacht besteden bij mijn reactie op het arrest van de Hoge Raad en mijn nadere standpuntbepaling over de vraag of een aanvullende wettelijke regeling terzake moet worden getroffen.

Artikel 1.3.6

Door de leden van de CDA-fractie is er op gewezen dat in de memorie van toelichting (blz. 56) is opgemerkt dat de rechter niet meer mag toewijzen dan is gevraagd. Deze leden wensen te vernemen hoe absoluut dit verbod is. Zij wijzen op artikel 7:685 lid 8 BW, dat spreekt van een vergoeding die de kantonrechter billijk voorkomt, alsmede op het feit dat het wel voorkomt dat in het petitum van de dagvaarding of het verzoekschrift naast het gevraagde bedrag tevens een bedrag dat de rechter in goede justitie zal vaststellen wordt genoemd. Ik meen dat in de aangegeven gevallen niet aan deze regel wordt voorbijgegaan. In de aangehaalde passage van de memorie van toelichting wordt overigens niet gedoeld op een absoluut verbod – zowel het huidige artikel 176, eerste lid, als artikel 1.3.6 laat ruimte voor uitzonderingen -, maar is vooral bedoeld een uitwerking te geven van het aldaar genoemde beginsel dat de rechter niet buiten de door de partijen aangegeven grenzen van de rechtsstrijd mag treden. Van dit laatste is geen sprake in gevallen als door de leden genoemd, waarbij in het verzoek of de vordering zelf besloten ligt dat de rechter de vrijheid heeft het bedrag zelf naar billijkheid vast te stellen.

ARTIKEL 1.3.9

De beschouwing die door mij tijdens het wetgevingsoverleg in de Tweede Kamer zijn gegeven over de openbaarheid van terechtzittingen (Tweede Kamer 2000–2001, 26 855, nr. 16, blz. 32), hebben bij de leden van dePvdA-fractie de vraag doen rijzen, of de rechter in het civiele recht een beslissing tot beperking van de openbaarheid van de zitting ambtshalve neemt of alleen op verzoek van partijen. Beslissingen tot behandeling geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren kan de rechter ambtshalve nemen, dan wel op verzoek van een der partijen of andere aanwezige betrokkenen, zoals bijvoorbeeld een getuige.

Ten aanzien van de status van de pers, wijs ik erop dat deze van groot belang is voor het daadwerkelijk inhoud geven aan de openbaarheid van de rechtspraak. Openbaarheid van de terechtzitting betekent daarom mede dat de pers daarbij aanwezig kan zijn. Met betrekking tot het al dan niet toelaten van tv-camera's is door de Presidentenvergadering een richtlijn opgesteld, ter voorkoming van niet verklaarbare verschillen tussen de gerechten. Deze richtlijn is bij brief van 3 mei 1999 (kamerstukken II, 26 200 VI, nr. 47) aan de Tweede Kamer toegezonden, en behandeld tijdens het algemeen overleg met de Vaste Commissie voor Justitie uit de Tweede Kamer van 21 februari 2000.

Op de vraag van deze leden of het toch niet overweging verdient de beslissing omtrent de openbaarheid van de terechtzitting met grotere nauwkeurigheid te regelen, op een wijze vergelijkbaar met die van artikel 269 Wetboek van Strafvordering, antwoord ik dat ik daarvoor onvoldoende aanleiding zie. De voorschriften waarop gedoeld wordt zijn puur procedurele voorschriften, die juist voor het strafprocesrecht van belang zijn wegens de daar nauwkeurig omschreven rechten en verplichtingen van betrokkenen bij het proces en de bijzondere positie van de verdachte. Aan het fundamentele karakter van de openbaarheid wordt in het civiele procesrecht en het bestuursprocesrecht ook zonder deze nadere regels ten volle recht gedaan.

De reden dat minderjarigen in beginsel niet worden toegelaten bij strafzaken (artikel 269, vijfde lid, Wetboek van Strafvordering) is gelegen in de mogelijk corrumperende invloed die voor minderjarigen geacht wordt uit te gaan van het bijwonen van de behandeling van een strafzaak. De bepaling laat ruimte om minderjarigen met toestemming van de voorzitter wel tot het bijwonen van de terechtzitting toe te laten, waardoor toegang met name voor schoolklassen onder begeleiding mogelijk is. Bij het civiele proces wordt voor een vergelijkbare corrumperende werking niet gevreesd.

ARTIKEL 1.3.12

De leden van de VVD-fractie vragen ten aanzien van de mogelijkheid van een hersteluitspraak (artikel 1.3.12) of ik het ermee eens ben dat het noodzakelijk is dat de af te geven nieuwe grosse wordt afgegeven met als datum van de uitspraak de oorspronkelijke uitspraak. Inderdaad is het van belang dat de nieuwe grosse de oorspronkelijke datum bevat. Die datum zal op grond van de artikelen 2.11.2, eerste lid, onder h, en 3.4.10, eerste lid, steeds deel uitmaken van het vonnis of de beschikking. Ingevolge artikel 1.3.12, tweede lid, zal op de minuut van het vonnis of de beschikking voorts ook de datum van de uitspraak van de verbetering moeten worden gesteld. De nieuwe grosse zal derhalve zowel de oorspronkelijke datum vermelden als de datum waarop de verbetering is uitgesproken. Voor de tenuitvoerlegging geldt dat inmiddels verrichte executiehandelingen hun geldigheid behouden: de executie kan ingevolge artikel 1.3.12, derde lid, worden voortgezet op grond van de nieuwe grosse, uiteraard met inachtneming van de verbetering. Met deze regeling wordt een juiste tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing gewaarborgd. Een regeling waarbij de oorspronkelijke grosse zijn kracht behoudt, gaat verder dan nodig en verdient om die reden niet de voorkeur. Ook uit de grosse die op de voet van artikel 1.3.12, derde lid, wordt afgegeven, is voor een ieder op elk moment in de executie te reconstrueren wat het gebrek was en wat daaraan is hersteld. Het voorgaande geldt in gelijke mate voor de grosse van een vonnis of beschikking die op de voet van artikel 1.3.13 wordt aangevuld.

ARTIKEL 1.3.13

De leden van de CDA-fractie gaan in op de opvatting van de Nederlandse Orde van Advocaten dat er tegen de aanvulling op de beslissing dezelfde rechtsmiddelen aangewend moeten kunnen worden als die welke openstonden tegen de aangevulde beslissing en wel met een termijn die aanvangt ten tijde van de aanvulling. Deze leden wensen te vernemen of ik het eens ben met hun zienswijze, dat deze opvatting juist is, maar niet hoeft te leiden tot een aanpassing van artikel 1.3.13. Inderdaad onderschrijf ik de opvatting van de genoemde leden. In de nota naar aanleiding van het verslag heb ik over deze kwestie reeds opgemerkt dat alleen tegen de weigering tot aanvulling iedere voorziening is uitgesloten en dat derhalve tegen de aanvulling rechtsmiddelen openstaan. Zoals door de leden aangegeven, volgt uit de artikelen 1.3.13, tweede lid, jo. 1.3.12, tweede lid, dat de aanvulling op een door de rechter te bepalen dag wordt uitgesproken en dat deze aanvulling met vermelding van deze dag op de minuut van het vonnis, het arrest of de beschikking wordt gesteld. Uit de artikelen 339, eerste lid, 358, tweede lid, 402, eerste lid, en 426, eerste lid, volgt dat hoger beroep dan wel beroep in cassatie in beginsel openstaat gedurende drie maanden, te rekenen van de dag van deze uitspraak.

Vierde afdeling: wraking en verschoning van rechters

De leden van de CDA-fractie constateren dat na de (eerste) nota van wijziging zowel het begrip «zo spoedig mogelijk» als het begrip «onverwijld» voorkomt in de regeling inzake de wraking en verschoning van rechters, analoog aan de in de Algemene wet bestuursrecht opgenomen regeling. Zij vragen of er bezwaar tegen bestaat dat er nog wel een verschil in terminologie is met de regeling inzake de wraking en verschoning van rechters in het Wetboek van Strafvordering. Ook in de regeling in Wetboek van Strafvordering (artikelen 515, derde lid, en 518, tweede lid) worden de termen «zo spoedig mogelijk» en «onverwijld» gehanteerd. Dit geschiedt geheel op overeenkomstige wijze als in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht. Van een verschil in terminologie is op dit punt geen sprake. Wat het begrip «onverwijld» zoals toegepast in het Burgerlijk Wetboek betreft, bestaat er inderdaad inhoudelijke overeenkomst met hetzelfde begrip in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering; in beide wetboeken kan worden uitgegaan van de betekenis niet uitgesteld, zonder vertraging.

Artikel 1.6.2

De leden van de VVD-fractie vragen zich af wat onder het begrip huisgenoot in artikel 1.6.2, eerste lid, moet worden verstaan. Onder huisgenoot dient te worden begrepen iemand die deelgenoot is van dezelfde huishouding. Niet nodig is dat de huisgenoot zijn hoofdverblijf heeft ter plaatse, noch dat er sprake moet zijn van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Huisgenoot zal zeker zijn degene met wie de geadresseerde samenleeft. Een criterium bij de bepaling of er wel of niet van een huisgenoot sprake is, kan zijn de vraag of de deurwaarder er redelijkerwijs op mag vertrouwen dat de persoon die hij aantreft het exploot ter hand zal stellen aan de geadresseerde. Studenten/kamerbewoners die in een en hetzelfde huis wonen en met elkaar voorzieningen delen, zullen veelal wel als huisgenoten zijn te beschouwen, terwijl degenen die in een zelfde huis op zich zelf leven en geen of weinig bemoeienis met andere bewoners hebben, dat niet zullen zijn.

Voorts vragen de leden hoe dit begrip zich verhoudt tot artikel 1.6.1, tweede lid, onder e, waar gesproken wordt van degene aan wie afschrift van het exploot is gelaten, onder vermelding van diens hoedanigheid. Zij wensen te vernemen of het de bedoeling van de wetgever is achter hoedanigheid onder e te lezen «indien het geen huisgenoot betreft».

De hoedanigheid, genoemd in onderdeel e, ziet op de hoedanigheid van huisgenoot of de hoedanigheid van een andere persoon die zich aan de woonplaats bevindt van degene voor wie het is bestemd, zoals bijvoorbeeld een werknemer die in huis werkzaam is. Onderdeel e bedoelt dan ook geenszins de huisgenoot uit te sluiten. De zinsnede «onder vermelding van diens hoedanigheid» is opgenomen om het mogelijk te maken na te gaan of het exploot inderdaad is afgegeven aan een huisgenoot in de zin van artikel 1.6.2, eerste lid, of een andere persoon die zich aan de woonplaats bevindt. Ook kan hieruit blijken dat een betekening is gedaan aan het hoofd van het bestuur (artikel 1.6.5) of aan een bestuurder (1.6.6). De hoedanigheid van oma of vriendin sluit overigens niet uit dat het een huisgenoot betreft. Wordt het afschrift aan een huisgenoot afgegeven, dan kan de deurwaarder volstaan met vermelding van die omstandigheid en behoeft geen verdere vermelding te worden gedaan.

De leden van de CDA-fractie vragen vervolgens naar de regel van artikel 1.6.2, derde lid, dat bij weigering van inontvangstneming van een exploot door degene voor wie het is bestemd, het exploot geacht wordt in persoon te zijn betekend. Geldt deze regel, zo vragen deze leden, ook indien een huisgenoot ontvangst heeft geweigerd en later is gebleken dat dit geschiedde op instructie van degene voor wie het exploot bestemd was? Deze vraag beantwoord ik ontkennend. Uit de tekst van de bepaling valt deze nadere regel niet af te leiden, terwijl zij ook als bezwaar heeft dat de deurwaarder niet op het moment van betekenen kan vaststellen dat het exploot kan gelden als in persoon te zijn gedaan.

De zojuist genoemde leden vragen voorts met betrekking tot de betekening aan rechtspersonen naar de verhouding van artikel 1.6.2, tweede en derde lid, tot het arrest HR 25 juni 1999, NJ 2000, 33. Dit arrest betreft de vraag in hoeverre de gedraging van een directeur van een rechtspersoon – in dat geval het opsluiten van een directeur van een andere rechtspersoon in een vriescel – aan die rechtspersoon kan worden toegerekend in het kader van de vraag of de rechtspersoon heeft gehandeld in strijd met haar verplichtingen uit een huurovereenkomst. Voor de vraag wanneer bij de betekening aan een rechtspersoon plaats is voor toerekening van de gedragingen van een ander dan de rechtspersoon, acht ik het arrest niet van belang. De artikelen 1.6.4, tweede zin, 1.6.5, tweede zin, en 1.6.6, derde zin, bevatten immers een afzonderlijke en voldoende regeling voor de betekening in persoon aan de in die artikelen bedoelde rechtspersonen.

Artikel 1.6.5

De leden van de CDA-fractie vragen of in artikel 1.6.5 het ontbreken van de zetel van de rechtspersoon geen complicaties kan opleveren in het geval van kerkgenootschappen waarin geen duidelijk bestuur aanwezig is. Ik wijs erop dat niet artikel 1.6.5 maar artikel 1.6.6 van toepassing is op kerkgenootschappen, aangezien kerkgenootschappen niet behoren tot de rechtspersonen als bedoeld in artikel 1 van Boek 2 BW. De vraag van de genoemde leden komt daardoor overigens niet wezenlijk anders te liggen. Ik geloof niet dat, wanneer een kerkgenootschap inderdaad geen duidelijk bestuur zou hebben, de suggestie van de genoemde leden om aan te knopen bij de zetel van de rechtspersoon wel zoveel extra duidelijkheid schept. Ook over het begrip zetel zal immers in zodanige gevallen gemakkelijk onduidelijkheid bestaan, zoals reeds blijkt uit de toevoeging door de genoemde leden dat dan uitgegaan kan worden van«een fictieve zetel» op het adres waar het kerkgenootschap zich naar buiten toe bedient. Naar mijn oordeel biedt artikel 1.6.6 voldoende aanknopingspunten voor een juiste betekening ook bij kerkgenootschappen, waarbij overigens aan het begrip kantoor een wat ruimere betekenis kan worden toegekend dan de in de memorie van toelichting (blz. 72) genoemde plaats «waar het bedrijf feitelijk wordt uitgeoefend» of de plaats waar de administratie wordt gevoerd of bewaard.

Artikel 1.6.6

Indien betekening plaatsvindt aan de woonplaats, doch niet aan de persoon, van één van de bestuurders, dan zie ik geen grond om de regeling van artikel 1.6.2, derde lid, voor het weigeren van inontvangstneming van overeenkomstige toepassing te achten, zo antwoord ik de leden van de CDA-fractie. Wel zie ik daarvoor ruimte als een bestuurder persoonlijk weigert een voor de rechtspersoon bestemd afschrift van het exploot in ontvangst te nemen. Daarbij maakt het overigens geen verschil of de rechtspersoon al of niet een kantoor heeft: artikel 1.6.6 laat in beide gevallen ruimte voor betekening aan de persoon van een bestuurder.

ARTIKELEN 2.1.10 EN 2.1.11

De leden van de CDA-fractie wijzen op de vraag in «Oproep voor een beter nieuw civiel procesrecht» van J.B.M Vranken, W.D.H. Asser e.a in NJB 1999, blz. 46 e.v. waarom niet een soort comparitie-agenda opgesteld kan worden waarin over een aantal aspecten van het vervolg van de procedure afspraken kunnen worden gemaakt, zoals over bemiddelingspogingen, nadere conclusies, producties en bewijslevering. Met de leden ben ik van mening dat de de artikelen 2.1.10 en 2.1.11 daartoe reeds ruimte bieden, zeker waar de rechter en partijen ook door artikel 1.3.2 worden gelegitimeerd om het nodige te doen voor een juist verloop van de procedure. Een comparitie hoeft dan ook geenszins beperkt te blijven tot het geven van inlichtingen van feitelijke aard en het beproeven van een schikking. Het vragen naar nog niet overgelegde documenten, namen van getuigen en het gewenste verloop van de procedure kan daarbij alleszins verantwoord zijn. Ook in een tussenvonnis na antwoord kan reeds worden aangegeven wat tijdens de comparitie besproken zal worden en welke informatie verstrekt dient te worden. Terecht wijzen de genoemde leden erop dat de rechter partijen daarmee in wezen aanspreekt op hun verplichtingen, voortvloeiend uit artikel 1.3.3. Artikel 1.3.4 (thans artikel 19a, eerste lid, tweede zin, Rv) biedt de rechter daartoe met zoveel woorden de mogelijkheid. Behalve artikel 1.3.3 bepaalt ook artikel 3.3.6 hoever de rechter hierbij kan gaan. De leden van de CDA-fractie wijzen in dit kader terecht ook op artikel 2.8.43a, tweede lid, zoals dit bij de (eerste) nota van wijziging is ingevoerd, dat bepaalt dat bij een verschijnen van partijen ook de verdere wijze van behandeling van geschillen over de vordering kan worden besproken. Afspraken daarover worden op verlangen van een partij in een proces-verbaal vastgelegd. Deze bepaling kan inderdaad worden opgevat, zoals ook de leden doen, als een stap die ruimte biedt voor mogelijke verdere ontwikkelingen, waaronder ook ten aanzien van de comparitie na antwoord.

De leden van de VVD-fractie stellen dat in de artikelen 2.1.11 en 2.8.33 lijkt te worden uitgegaan van de in Nederland in civiele zaken meest gebruikelijke gang van zaken dat de rechter verklaringen dicteert aan de griffier, waarna deze worden voorgelezen en getekend. Deze handelswijze kost volgens de leden tijd en aandacht en zij vragen te bezien of niet een andere gang van zaken de voorkeur zou verdienen, zoals het opmaken van een proces-verbaal door een notulerend griffier, wat in strafzaken wel wordt gedaan, het stenografisch opnemen en het op de band opnemen. Hoewel de in Nederland gangbare werkwijze in het algemeen heel behoorlijk lijkt te functioneren, sta ik niet op voorhand afwijzend tegenover een andere adequate wijze van het opnemen van verklaringen, indien daaraan daadwerkelijk behoefte zou blijken te bestaan .

Met betrekking tot de door de leden aangehaalde artikelen merk ik op dat deze naar mijn oordeel ruimte laten voor zowel het dicteren door de rechter aan de griffier als het notuleren door de griffier. Bij die stand van zaken zie ik thans onvoldoende aanleiding voor een nader onderzoek op dit punt.

ARTIKEL 2.2.5

De leden van de VVD-fractie wijzen erop dat ingevolge artikel 2.2.5 met betrekking tot kwesties betreffende onroerende zaken de rechter binnen wiens rechtsgebied de zaak of het grootste deel daarvan is gelegen, bevoegd is naast de rechter van de woonplaats van gedaagde en de gekozen rechter, terwijl de Huurwet (artikel 28d) en de Huurprijzenwet (artikel 27) een exclusieve bevoegdheidstoedeling kennen naar de plaats van de ligging. De leden vragen hoe het met de afstemming van deze bepalingen staat. De leden van de GroenLinks-fractie achten het verlaten van de exclusieve bevoegdheid van de kantonrechter van de plaats van ligging in geschillen betreffende onroerende zaken niet aanstonds zinnig en vragen of het in huurzaken niet zo is dat het plaatselijk gebruik en huurpeil een rol spelen bij de afweging van de belangen en standpunten van partijen. Zij wensen op dit punt een nadere motivering.

Ik verwijs hier naar het wetsvoorstel tot aanpassing van de wetgeving aan de herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg (27 824) waarin aan artikel 2.2.5 een zin wordt toegevoegd, inhoudende dat in zaken betreffende huur van woonruimte of huur van bedrijfsruimte in de zin van artikel 1624 van Boek 7A van het Burgerlijk Wetboek uitsluitend de rechter bevoegd is binnen wiens rechtsgebied het gehuurde of het grootste gedeelte daarvan is gelegen. In de dagvaardingsprocedure betreffende huur van woonruimte en bedrijfsruimte wordt daarmee derhalve een exclusieve bevoegdheid voorgesteld. Dit sluit onder meer aan bij de huidige, vergelijkbare, exclusieve bevoegdheid van de kantonrechter in artikel 98 Rv en in het door deze leden genoemde artikel 27 van de Huurprijzenwet woonruimte, welk artikel in wetsvoorstel 26 089 (vaststelling van titel 7.4 (huur)) is overgenomen in artikel 7:262 lid 2 BW. Daar het niet de bedoeling is dat deze exclusieve bevoegheid wordt teniet gedaan door een forumkeuze door partijen, zal ook in artikel 2.2.10, tweede lid, welk lid bepaalt in welke gevallen deze keuze in beginsel geen gevolg heeft, worden verwezen naar zaken als bedoeld in artikel 2.2.5, tweede zin. In een nota van wijziging bij voorstel 27 824 zal hieraan uitwerking worden gegeven. Voor wat betreft de verzoekschriftprocedure bevatten artikel 28d Huurwet, in wetsvoorstel 26 932 tot vaststelling van titel 7.4.6 (huur bedrijfsruimte) overgenomen in artikel 7:230a lid 1 BW, alsmede artikel 7A:1629 BW lid 4 BW, in wetsvoorstel 26 932 overgenomen in artikel 7:291 lid 2, eveneens een dergelijke exclusieve bevoegdheid. Na inwerkingtreding van het nieuwe huurrecht kan deze bevoegdheid beter worden opgenomen in de regeling inzake de relatieve bevoegdheid in verzoekschriftprocedures in afdeling 3.2. Daarom is in de aanpassingswetgeving een artikel 3.2.2a voorgesteld dat betrekking heeft op alle zaken betreffende huur van gebouwde onroerende zaken of een gedeelte daarvan.

ARTIKEL 2.2.10

De leden van de GroenLinks-fractie hebben moeite met het in artikel 2.2.10 voorgestelde met betrekking tot de relatieve bevoegdheid en de mogelijkheid van een forumkeuze door partijen. Zij missen een toelichting op de gemaakte keuze voor verregaande respectering van de contractsvrijheid, ook waar sprake is van een grote maatschappelijke ongelijkheid tussen partijen. Deze kritiek betreft mede het voor de rechtsmacht met artikel 2.2.10 corresponderende artikel 1.1.7 Ik merk op dat de artikelen 2.2.10 en 1.1.7 weliswaar uitgaan van contractsvrijheid, maar dat hieraan ook duidelijke beperkingen zijn gesteld in het belang van bepaalde groepen maatschappelijk kwetsbare personen. Ingevolge artikel 2.2.10, tweede lid, geldt dat een bij overeenkomst gedane rechtskeuze in beginsel geen gevolg heeft, wanneer het een individuele arbeidsovereenkomst betreft of een zaak als in 2.2.3 waarin een overeenkomst wordt gesloten door een partij die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf en een natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Hiervoor heb ik reeds aangegeven dat in het voorstel van wet tot aanpassing van de wetgeving aan de herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg (27 824) met betrekking tot zaken betreffende huur van woonruimte of huur van bedrijfsruimte in de zin van artikel 1624 van Boek 7A van het Burgerlijk Wetboek een exclusieve bevoegdheid is opgenomen van de rechter binnen wiens rechtsgebied het gehuurde of het grootste gedeelte daarvan is gelegen. In verband daarmee zal bij nota van wijziging ook artikel 2.2.10 worden aangepast in die zin dat in het tweede lid ook naar deze huurzaken zal worden verwezen. Ook de huurder wordt door dit artikel beschermd en dit betekent onder meer dat in het door de bovengenoemde leden genoemde geval van een huurgeschil tussen twee particulieren er geen gebondenheid aan de forumkeuze bestaat.

Uitzonderingen op het geen gevolg hebben van de forumkeuze gelden indien de overeenkomst is aangegaan na het ontstaan van het geschil – het betreft dan ook geen algemene voorwaarde – of indien de werknemer, de partij die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf of, ingevolge de hierboven genoemde nota van wijziging, ook de huurder, zich zelf tot de aangewezen rechter wendt. Door artikel 2.2.10, tweede lid, worden consumenten en huurders derhalve beschermd ten opzichte van de door de leden genoemde categorieën banken, grote bedrijven en verhuurbedrijven. Voorts geldt dat wanneer de vordering minder dan 5000 euro betreft, een rechtskeuze geen gevolg heeft tenzij er sprake is van de bovengenoemde uitzonderingen. In het door de genoemde leden gegeven voorbeeld van een kredietovereenkomst met een bedrag hoger dan 5000 euro zal de kredietverstrekker vrijwel steeds een partij zijn die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, zodat de overeenkomst in beginsel toch geen gevolg zal hebben.

Artikel 2.2.10 zal er volgens deze leden toe leiden dat vaker in de algemene voorwaarden de relatieve bevoegdheid bij geschillen wordt opgedragen aan de rechter van de keuze van de opsteller van de voorwaarden en de leden vragen zich af of het wetsvoorstel in dergelijke gevallen niet in strijd komt met de geest van artikel 6:236, aanhef en onder n, BW.

Ingevolge artikel 6:236 onder n wordt als onredelijk bezwarend aangemerkt een beding dat voorziet in de beslechting van een geschil door een ander dan hetzij de rechter die volgens de wet bevoegd zou zijn, hetzij een of meer arbiters, tenzij het beding de wederpartij een termijn gunt van tenminste een maand nadat de gebruiker zich schriftelijk jegens haar op het beding heeft beroepen om voor beslechting van het geschil door de volgens de wet bevoegde rechter te kiezen. Dit betekent dat in consumentenzaken derhalve wel een keuze mag worden gedaan, maar dat daarbij met de termijn van een maand rekening gehouden behoort te worden. Deze bepaling voorziet in een aanvullende bescherming voor de consument. Van een strijd met de geest van deze bepaling is mijns inziens geen sprake.

De opvatting dat natuurlijke personen die zich indertijd aan een overeenkomst hebben gebonden, zelf wel gehouden zijn bij geschillen de daarin aangewezen rechter te adiëren, berust op een misverstand. Artikel 2.2.10, tweede lid, laat de bedoelde natuurlijke persoon alleen de vrijheid, maar verplicht hem niet, om op de overeenkomst desgewenst een beroep te doen.

Tot slot vragen de leden naar het verschil in formulering tussen artikel 2.2.10, tweede lid, onder b, en artikel 1.1.7, vierde lid, onder b. De formulering van artikel 1.1.7, vierde lid, onderdeel b, is ontleend aan de formulering van artikel 17, vierde lid, van het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (EEX-verdrag). Laatstgenoemde bepaling houdt in dat de overeenkomst tot aanwijzing van de bevoegde rechter gevolg heeft indien de werknemer zich daarop beroept om andere gerechten aan te zoeken dan dat van onder meer de woonplaats van de verweerder. De formulering van artikel 2.2.10 is weliswaar niet letterlijk dezelfde, maar de bepaling heeft materieel dezelfde inhoud. Door de enigszins beknoptere formulering komt iets duidelijker tot uitdrukking dat gedoeld wordt op de situatie dat het de werknemer is die zich als eisende of verzoekende partij beroept op de overeengekomen rechtskeuze.

ARTIKEL 2.3.1

De leden van de VVD-fractie stellen onder verwijzing naar artikel 2.3.1, tweede lid, onder e, enkele vragen met betrekking tot de domiciliekeuze ter griffie van een gerecht. Naar ik aanneem berusten deze vragen op een misverstand. In onderdeel e is namelijk geen sprake van een domiciliekeuze. Het onderdeel schrijft slechts vermelding in de dagvaarding voor van de rechter die van de zaak kennis neemt, onder vermelding van het adres van het gerecht. Dit voorschrift strekt ertoe om de gedaagde te doen weten door welke rechter en op welke plaats zijn zaak zal worden behandeld. De domiciliekeuze is uitsluitend geregeld in onderdeel a: dit onderdeel bepaalt dat woonplaats dient te worden gekozen in de gemeente waar de rechter zitting houdt.

De leden van de VVD-fractie merken op dat er door Vranken in het NJB (1999, blz. 1879–1885) op is gewezen dat een substantiëringsplicht op zich niet voldoende is. Deze zou gepaard dienen te gaan met andere maatregelen, zoals het doorrekenen in die zin dat wanneer de plicht niet wordt nageleefd de partij in beginsel het recht verliest dit later alsnog te doen. De genoemde leden betwijfelen of eventuele «vluchtwegen», zoals het vermeerderen van de eis en vordering in reconventie, wel voldoende zijn afgesneden.

Ik meen dat het nieuwe recht partijen reeds dringt in de door Vranken bedoelde richting, doordat de rechter de nalatige partij processueel kan afrekenen op zijn gedrag in termen van bewijslast en proceskostenveroordeling en partijen voorts de zekerheid ontberen dat zij na een comparitie nog aan het woord komen. Wel acht ik het van groot belang dat er ruimte blijft voor de ontwikkeling van het feitelijk debat. Waar die ruimte te zeer wordt beknot, vergroot dat het gevaar van uitspraken waarvan de feitelijke grondslag niet spoort met de werkelijkheid. Het automatisch blokkeren van alle niet aanstonds vermelde feiten kan derhalve de kwaliteit van de rechtspraak aantasten en ertoe leiden dat vaker hoger beroep wordt ingesteld.

Met betrekking tot het vermeerderen van de eis wijs ik erop dat daartegen bezwaar kan worden gemaakt als zij in strijd komt met de eisen van een goede procesorde (artikel 2.4.6, eerste lid, tweede zin). Deze mogelijkheid kan worden benut wanneer de eisvermeerdering zou leiden tot onredelijke bemoeilijking van de verdediging of tot onredelijke vertraging van het geding. Nieuw ten opzichte van het huidige recht is dat de rechter ook ambtshalve op deze grond een vermeerdering van de eis buiten beschouwing kan laten (vierde zin), hetgeen een belangrijke versterking inhoudt van de rechterlijke controle op een doelmatige procesvoering. Een verdergaande beperking van het recht om de eis te wijzigen zou slecht passen bij het streven om het de rechter mogelijk te maken om zoveel mogelijk recht te doen op de werkelijke verhouding tussen partijen.

Met betrekking tot de vordering in reconventie – die wordt ingesteld door de gedaagde in conventie en derhalve voor de eiser in conventie sowieso geen «vluchtweg» oplevert – geldt dat deze als een zelfstandige hoofdprocedure te beschouwen is die om redenen van doelmatigheid met de procedure in conventie is verbonden. Door een eis in reconventie gezamenlijk te behandelen met die in conventie wordt een besparing van arbeid, tijd en kosten verkregen. Een beperking van deze mogelijkheid zou in veel gevallen betekenen dat daarvoor een afzonderlijke procedure gevoerd moet worden, hetgeen mij uit oogpunt van doelmatigheid niet wenselijk lijkt. Ik wijs er hierbij overigens op dat ook bij de eis in reconventie de substantiëringsplicht in acht moet worden genomen (artikel 2.5.2).

Nadere aandacht voor hetgeen Vranken voorstelt acht ik wel van belang in het kader van de procedure in hoger beroep: verhoogde efficiency in eerste aanleg zou immers voor een deel teniet kunnen worden gedaan wanneer partijen in appel alsnog allerlei nieuwe weren kunnen aanvoeren die zij ook eerder konden inbrengen. Dit aspect, dat het kader van dit wetsvoorstel te buiten gaat, zal in het kader van de fundamentele herbezinning op het burgerlijk procesrecht nader aan de orde kunnen komen.

De leden van de PvdA-fractie zien graag een nadere beschouwing over de vraag waarom de verplichting in artikel 2.3.1, derde lid, om in de dagvaarding de verweren te vermelden, bijdraagt aan een efficiënte procesvoering. Zij menen dat uitvoerigheid wordt bevorderd, die niet altijd bijdraagt aan de leesbaarheid van het dossier en verwarrend kan werken omdat de gedaagde in de conclusie van antwoord zijn eigen verhaal zal moeten doen. De leden vragen voorts in te gaan op de noodzaak van de bepaling en de verwachtingen over de wijze waarop partijen en de rechter met deze bepaling zullen omgaan.

Het vermelden van de verweren in de dagvaarding heeft tot doel in de dagvaarding het werkelijke geschil duidelijk naar voren te laten komen. Het gaat er om dat door de eiser de reeds door de gedaagde aangevoerde verweren worden aangegeven om zo een zo volledig mogelijk beeld te schetsen van het geschil. De procedure wordt niet geïsoleerd beschouwd, maar als voortzetting van een reeds bestaande verhouding tussen partijen gezien. Ik meen dat deze verhouding dan ook dient te worden belicht. Er kan zo vroegtijdig tot de kern worden doorgedrongen, waardoor het proces sneller uit de verf zal komen. Heeft de gedaagde zich buiten rechte tegen een eis tot betaling verweerd met bijvoorbeeld een beroep op het feit dat de eiser van zijn kant ondeugdelijk heeft gepresteerd, dan is het goed wanneer zulk reeds in de dagvaarding aan de orde komt. Het gevolg hiervan is dat schriftelijke vervolgrondes zoveel mogelijk worden voorkomen en de comparitie meer effect zal sorteren omdat er meer informatie voor de rechter beschikbaar is. Het proces kan op deze wijze zo efficiënt mogelijk worden gevoerd. Een nadelige invloed op de leesbaarheid van het dossier verwacht ik hier niet van. De dagvaarding zal meer informatie bevatten dan voorheen, maar met deze informatie wordt een duidelijker beeld van het geschil geschapen. In de literatuur wordt de aanscherping van de inhoud van de dagvaarding als een verbetering gezien (zie onder meer «Oproep voor een beter nieuw procesrecht» in NJB 1999, blz. 1963–64) en in de praktijk van het Versneld Regime ervaren rechters het als positief wanneer zij in de dagvaarding meer kunnen lezen over het geschil. Zij achten zich beter geïnformeerd dan in gewone zaken (zie R.J.J. Eshuis, Een kwestie van tijd, 1998, blz. 77). Bovendien wordt hierdoor de kans vergroot dat alsnog een minnelijke regeling wordt bereikt.

In de conclusie van antwoord kan de gedaagde naast de betwisting van de stellingen van de eiser zijn eigen visie op de zaak geven en indien nodig het door de eiser geschetste beeld bijstellen. Eventuele misverstanden en onduidelijkheden kunnen worden opgehelderd. Dit komt zowel de doeltreffendheid als ook de zorgvuldigheid van de procesvoering ten goede. Een verwarrend effect, waar de leden op wijzen, dat zou ontstaan omdat de gedaagde ook nog eens «zijn eigen verhaal» moet doen, zie ik hier dan ook niet. De gedaagde reageert immers primair op de stellingen van de eiser en maakt met zijn reactie het beeld van het geschil compleet. Dit zal alleen de duidelijkheid ten goede komen.

Daar de wijze waarop de dagvaarding wordt geredigeerd thans vaak nog in belangrijke mate afwijkt van hetgeen artikel 2.3.1, derde lid, voorschrijft en een algehele vrijwillige overschakeling naar het Versneld Regime, waar mededelingsplichten gelden die sterk lijken op de die van artikel 2.3.1, derde lid, in de nabije toekomst niet wordt verwacht, acht ik een wettelijke regeling noodzakelijk.

Met betrekking tot de vraag naar de verwachtingen over de wijze waarop partijen en de rechter met de bepaling zullen omgaan merk ik het volgende op.

Voor de eiser is het niet moeilijk om de verweren van gedaagde daadwerkelijk te benoemen, samen met een aanduiding van de redenen waarom de verweren niet opgaan. Hij zal hiertoe zonder problemen kunnen overgaan omdat zijn beslissing om te procederen immers op deze gegevens zal zijn gebaseerd.

De gedaagde zal eventuele onjuistheden corrigeren, maar belangrijker is dat hij genoopt wordt zijn verweren uit te werken. Hij kan immers nauwelijks volstaan met kale vermelding van zijn weren, wanneer door de eiser bij dagvaarding reeds op die weren is ingegaan.

De nieuwe regels staan of vallen in belangrijke mate met de bereidheid van de rechter om daaraan de hand te houden. Hij kan onder meer aanvulling van de dagvaarding verlangen wanneer gegevens ontbreken (artikel 2.3.9, vierde lid). De eiser zal dan alsnog bij akte ter rolle deze gegevens moeten verstrekken. De rechter zal dat serieus moeten overwegen, om de eisende partij tot een voortvarende procescultuur te stimuleren. Ter comparitie zal de rechter ook bezwaar moeten maken als de stukken te summier zouden zijn. Ik heb er vertrouwen in dat rechters zich voldoende bewust zijn van het belang dat zij daadwerkelijk op de naleving van artikel 2.3.1, derde lid, zullen moeten toezien met het oog op het bevorderen van de voortgang van procedures. Zij hebben op dit punt ook al ervaring kunnen opdoen in het kader van het Versneld Regime.

De leden van de CDA-fractie merken op dat in de memorie van toelichting en in de kamerbehandeling niet aan de orde is gekomen waarom artikel 2.3.1, derde lid, en artikel 2.4.4 geen pendant hebben gekregen in de bepalingen aangaande de verzoekschriftprocedure. Ook de leden van de PvdA-fractie vragen naar de substantiëringsplicht in de verzoekschriftprocedure.

Het niet opnemen van de vereisten tot het vermelden van reeds bekende verweren en beschikbare bewijsmiddelen bij de voorschriften voor de verzoekschriftprocedure hangt samen met het, weliswaar allengs minder scherpe, onderscheid tussen de dagvaardingsprocedure en de verzoekschriftprocedure. Waar het in verzoekschriftprocedures niet gaat beslechting van geschillen met een wederpartij, zoals in het verleden de regel was, past hier niet de eis dat in het verzoekschrift op de verweren van de wederpartij moet worden ingegaan. Waar het gaat om verzoekschriftprocedures met een contentieus karakter, zoals bijvoorbeeld de alimentatieprocedure, zal er wel sprake kunnen zijn van aan de procedure voorafgaand partijdebat, waarin bepaalde verweren aan de orde zijn gesteld. Denkbaar zou zijn om in de wet niet als algemeen voorschrift maar alleen voor dergelijke zaken een substantieringseis in de wet op te nemen, maar daarvoor is het wel nodig om eerst een duidelijk criterium te ontwikkelen om beide categorieën in de wet duidelijk te onderscheiden. Daarbij komt dat de praktijk van de verzoekschriftprocedure laat zien dat partijen hun verzoek- en verweerschriften vanouds reeds aanzienlijk informatiever plegen in te richten en met bewijsstukken te staven dan het geval is bij dagvaardingen en conclusies van antwoord. Daardoor doet zich de wenselijkheid van introductie van een substantiëringsplicht vooral bij de dagvaardingsprocedure voelen. Overigens geldt ook voor de verzoekschriftprocedure dat ingevolge artikel 1.3.3 partijen verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Met betrekking tot voor de procedure relevante bescheiden wijs ik er nog op dat de wet daarvoor ook wel specifieke bepalingen kent (vergelijk artikel 799, tweede lid, en 815, tweede lid). Ik deel voorts de mening van de bovengenoemde leden dat er geen principiële bezwaren tegen bestaan dat de zittingsrechter in een verzoekschriftprocedure in een tussenbeschikking te kennen geeft over specifieke punten te willen worden geïnformeerd en stukken overgelegd wenst te zien.

De leden van de CDA-fractie vragen zich af waarom artikel 2.3.1, derde lid, niet ook van toepassing is verklaard op incidentele vorderingen tot vrijwaring (artikel 2.9.3) en tussenkomst (2.9.10).

De incidentele vordering tot vrijwaring wordt ingevolge het eerste en tweede lid van artikel 2.9.3 gedaan in een met redenen omklede conclusie, waarin wordt aangegeven waarom men een derde in vrijwaring wil oproepen. In deze «voorfase» is die derde zelf nog niet in het geding en spelen diens eventuele verweren nog geen rol voor de toe- of afwijzing van de vordering. Om die reden is het daarom niet zinvol om de eiser te verplichten op die verweren in te gaan. Dat is uiteraard anders wanneer de vordering wordt toegewezen en wordt overgegaan tot dagvaarding in vrijwaring van de derde: dan gelden de normale regels van de dagvaardingsprocedure en derhalve ook artikel 2.3.1, derde lid.

Wat de incidentele vordering tot tussenkomst betreft, geldt dat deze vordering dient te worden gedaan bij incidentele conclusie waarin ook de gronden van de vordering tot het mogen tussenkomen moeten worden vermeld. De eiser tot tussenkomst dient volgens rechtspraak van de Hoge Raad een belang te hebben om te voorkomen benadeling of verlies van een hem toekomend recht, dat bedreigd wordt door het hangende geding en voor welks behoud zijn optreden in het geding nodig is (HR 2 maart 1956, NJ 1956, 199). Nu de gevorderde tussenkomst niet leidt tot een nieuw geding maar tot verbreding van een reeds tussen de oorspronkelijke partijen bestaand geding, acht ik het voor de ontwikkeling van het partijdebat niet nodig om van de eiser tot tussenkomst te verlangen dat ook door hem (nogmaals) wordt ingegaan op hetgeen voorafgaand aan de procedure is voorgevallen.

Artikel 2.4.1

Bij de leden van de CDA-fractie roept de bepaling van artikel 2.4.1 een vraag op in verband met de praktische gevolgen voor het begrip «aanhangigheid» in artikel 2.8.40, tweede lid, en 2.8.50, tweede lid (bedoeld zal zijn 2.8.54, tweede lid). De leden stellen dat indien in een appellabel tussenvonnis of in een deelvonnis (tevens) een getuigenverhoor of een deskundigenbericht is gelast, het appel de tenuitvoerlegging opschort en een dergelijk verhoor of bericht dan alleen kan worden bewerkstelligd door een voorlopig getuigenverhoor of deskundigenonderzoek te vragen. In de praktijk wordt aangenomen, aldus deze leden, dat dit dient te worden gedaan bij de rechter waar het hoger beroep wordt behandeld, maar deze rechter zou doorgaans niet erg gretig zijn om op zo'n verzoek in te gaan. Dit komt ook deze leden zeer ongewenst voor. Zij wensen te vernemen of ik dit praktijkstandpunt (nog) van toepassing acht in licht van de strekking die het begrip aanhangigheid door artikel 2.4.1 krijgt.

Ingevolge het eerste lid van artikel 2.4.1 is het geding aanhangig vanaf de dag van de dagvaarding. De aanhangigheid is in het huidige wetboek niet geregeld, maar de regeling is in overeenstemming met vaste rechtspraak op dit punt (HR 21 maart 1975, NJ 1976, 245). De artikelen 2.8.40, tweede lid en 2.8.54, tweede lid, op grond waarvan het verzoek moet worden gedaan aan de rechter waar het geding aanhangig is, wijken evenmin af van de bepalingen in het huidige recht.

In het geval van hoger beroep tegen een tussenvonnis geldt dat het het geding in hoger beroep aanhangig is. Verzoeken aan de rechter tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor of voorlopig deskundigenbericht dienen daarom aan deze appelrechter dienen te worden gedaan. In het genoemde geval van appel tegen een tussenvonnis waarbij een getuigenverhoor of deskundigenbericht is bevolen, dient een – in die gevallen naar mijn indruk overigens zeldzaam – verzoek om een voorlopig getuigenverhoor dan ook aan de appelrechter te worden gedaan. Ik beschik niet over aanwijzingen dat de appelrechter bij de beslissing op dergelijke verzoeken een strengere maatstaf aanlegt dan de rechter van de eerste aanleg zou doen. In elk geval zal derhalve aannemelijk moeten zijn dat de verzoeker er voldoende belang bij heeft dat het getuigenverhoor of het deskundigenonderzoek, ondanks het appel tegen het tussenvonnis, doorgang vindt. Dat belang kan bijvoorbeeld gelegen zijn in de zwakke gezondheid van een getuige of het feit dat deze voornemens is om te emigreren.

Er zijn ingevolge het wetsvoorstel minder mogelijkheden om appel in te stellen van een tussenvonnis waarin een getuigenverhoor of deskundigenbericht is bevolen: dit kan alleen als de rechter dit heeft bepaald (zie het voorgestelde artikel 337). In zoverre zal zich derhalve de situatie die de genoemde leden op het oog hebben, (nog) minder vaak voordoen. Wel wijzen de genoemde leden er terecht op dat de beperkende werking van artikel 337 zich niet voordoet bij een deelvonnis, aangezien van een dergelijk vonnis in elk geval slechts direct appel kan worden ingesteld – ingevolge jurisprudentie van de Hoge Raad eveneens ten aanzien van het interlocutoire gedeelte van het vonnis (HR 7 december 1990, NJ 1992, 85, en HR 13 januari 1995, NJ 1995, 482).

Naar mijn oordeel bestaat er onvoldoende grond om de artikelen 2.8.40 en 2.8.54 te wijzigen teneinde te bereiken dat voorlopige getuigenverhoren en voorlopige deskundigenonderzoeken niet door de appelrechter worden behandeld. Behandeling door de rechter van de eerste aanleg zal immers minder doelmatig geacht kunnen worden, voorzover deze niet van de meest actuele stand van de procedure op de hoogte is. In de appelprocedure kunnen inmiddels memories en akten zijn genomen, waarin partijen hun stellingen van de eerste aanleg kunnen hebben aangevuld, gewijzigd of nader toegelicht. Bewijslevering ten overstaan van de appelrechter, die zicht heeft op deze ontwikkelingen, ligt dan meer voor de hand. In het geval van appel tegen een deelvonnis ligt behandeling door de appelrechter ook daarom voor de hand, omdat voorzover dat vonnis een eindvonnis inhoudt, terugwijzing niet mogelijk is. Voor een wijziging van de genoemde artikelen bestaat voorts geen reden in verband met de mogelijkheid dat de eerste rechter door uitvoerbaarverklaring bij voorraad bewerkstelligt dat de bewijslevering ondanks appel doorgang kan vinden. Het is daarvoor niet nodig dat, zoals de genoemde leden menen, specifiek wordt gevorderd de wederpartij uitvoerbaar bij voorraad met het bewijs wordt belast. Onder omstandigheden kan ook met behulp van artikel 2.11.6 (thans artikel 53 Rv) worden bereikt dat de bewijslevering ten overstaan van de eerste rechter doorgang vindt.

Artikel 2.4.3

De leden van de CDA-fractie gaan vervolgens in op artikel 2.4.3, dat de gedaagde de bevoegdheid geeft om, wanneer de eiser nalaat de dagvaarding ter griffie in te dienen, de zaak op de rol te doen inschrijven en te vorderen dat hij van de instantie wordt ontslagen met veroordeling van eiser in de proceskosten. Aan de eiser wordt in dat geval door de rechter een termijn geboden om hetzij procureur te stellen, hetzij bij akte te verklaren dat hij wenst voort te procederen. Op de vraag van deze leden of eiser daarbij wordt opgeroepen door gedaagdes procureur of dat de griffie dit verzorgt, ga ik als volgt in. Het voorschrift in artikel 2.4.3, tweede lid, tweede zin, dat de rechter aan de niet-verschenen eiser gelegenheid biedt alsnog te doen blijken dat hij wenst voort te procederen, is ontleend aan de jurisprudentie, in het bijzonder HR 5 november 1993, NJ 1994, 119, en HR 17 februari 1995, NJ 1996, 298 (Kamerstukken II 1999–2000, nr. 6, blz. 10). Ingevolge deze jurisprudentie dient de rechter aan de eiser gelegenheid te bieden alsnog te voorkomen dat tegen hem verstek wordt verleend. De Hoge Raad heeft daarbij niet de eis gesteld dat de eiser apart wordt opgeroepen om van zijn standpunt kennis te geven. Dat ligt naar mijn oordeel ook niet voor de hand. De eiser heeft immers zelf het geding aanhangig gemaakt en weet derhalve dat, als hij zelf niet voor indiening van de dagvaarding heeft zorggedragen, de gedaagde kan verschijnen om ontslag van instantie te vorderen. Door raadpleging van de rol of door het inwinnen van inlichtingen bij de griffie of de gedaagde kan de eiser nagaan tot wanneer hij gelegenheid heeft om het ontslag van instantie te voorkomen. Er is derhalve geen goede grond om voor de toepassing van artikel 2.4.3 een extra oproeping met de daarmee gemoeide kosten te verlangen. Ook artikel 2.3.12, ingevolge welk artikel de rechter zo nodig aan eiser gelegenheid moet bieden om alsnog procureur te stellen, houdt niet in dat de niet-verschenen eiser daarvoor moet worden opgeroepen.

Artikel 2.4.4

Naar aanleiding van de vraag van de leden van de VVD-fractie of de verplichte overlegging van de dagvaarding wel gewenst is in procedures voor de kantonrechter (artikel 2.4.4, tweede lid), antwoord ik dat mij is gebleken dat deze verplichting gemist kan worden, ook in andere procedures dan voor de kantonrechter. In hoofdstuk 5, artikel 31, onderdeel H, van het wetsvoorstel tot aanpassing van de wetgeving aan de herziening van het procesrecht is daarom voorgesteld deze verplichting te schrappen (Kamerstukken II 2000–2001, 27 824, nr. 1, blz. 21).

De leden van de PvdA-fractie wijzen erop dat in het wetsvoorstel de regeling van artikel 47 Rv niet terugkeert. Zij hebben daarbij kennelijk het oog op het eerste lid van artikel 47, aangezien het tweede lid terugkeert in artikel 2.11.1, tweede zin. Artikel 47, eerste lid, Rv houdt in dat partijen opnieuw pleidooi kunnen vragen, wanneer het vonnis niet binnen drie maanden na de eerste pleidooien is uitgesproken. Voorzover mij bekend wordt van deze mogelijkheid, die vooral moet bevorderen dat de rechter bij zijn beslissing nog voldoende voor de geest staat wat partijen ten pleidooie hebben aangevoerd, in de praktijk slechts hoogst zelden gebruik gemaakt. De praktijk van het overleggen van pleitnota's is daaraan niet vreemd.

De genoemde leden, die ervan uitgaan dat artikel 47 Rv ook benut kan worden voor de gevallen waarin zich nieuwe feiten of omstandigheden voordoen in de periode dat de zaak zich in staat van wijzen bevindt, vragen of er voor die gevallen een alternatieve voorziening bestaat. Het is van groot belang, zo antwoord ik de genoemde leden, dat het debat tussen partijen na afsluiting daarvan niet zonder duidelijke noodzaak nog wordt heropend. Artikel 47, eerste lid, dat partijen het recht geeft het debat te heropenen louter wegens het verstrijken van een bepaald tijdsverloop, gaat daarom zeker te ver. Niettemin onderken ik dat er soms sprake kan zijn van nieuwe feitelijke ontwikkelingen in een zaak, die het voor partijen hoogst wenselijk maken dat de rechter daarmee rekening kan houden. Hoewel die wenselijkheid zich vaker zal voordoen in zaken waar het vonnis lang op zich laat wachten, kunnen zich ook in andere zaken na sluiting van het partijdebat belangrijke feitelijke ontwikkelingen voordoen. Partijen kunnen in die gevallen de rechter verzoeken een comparitie van partijen te gelasten: die kan immers in elke stand van het geding plaatsvinden (artikelen 2.1.10, eerste lid, en 2.1.11, eerste lid). Bij zijn beslissing op het verzoek zal de rechter uiteraard terdege rekening moeten houden met de eisen van een goede procesorde, die meebrengen dat het partijdebat na afsluiting niet dan bij uitzondering wordt heropend, en met het belang van het voorkomen van onredelijke vertraging. Voor de eiser bestaat voorts de mogelijkheid van een akte tot verandering of vermeerdering van eis (artikel 2.4.6). Ook hier geldt dat deze wegens strijd met een goede procesorde buiten beschouwing kan worden gelaten. Wanneer blijkt dat in de desbetreffende instantie geen rekening meer wordt gehouden met de nieuwe ontwikkelingen, kunnen deze alsnog aan de orde komen wanneer een rechtsmiddel wordt ingesteld. In bepaalde gevallen kunnen problemen worden voorkomen door het vragen van een voorlopige voorziening, dan wel het instellen van een incidentele vordering als bedoeld in de artikelen 2.11.6 (tot het alsnog verkrijgen van uitvoerbaarheid bij voorraad) en 2.11.7 (tot het alsnog verkrijgen van zekerheid).

De leden van de PvdA-fractie vragen vervolgens of artikel 2.4.10, binnen de grenzen van die bepaling, een recht verschaft op mondeling pleidooi dan wel of kan worden volstaan met een «schriftelijk pleidooi» zoals dat bij een aantal gerechten wordt gehanteerd. Wanneer aan partijen op de voet van artikel 2.4.10 gelegenheid wordt geboden voor pleidooien, wordt daarmee gedoeld op een gelegenheid om de zaak mondeling ten overstaan van de rechter te bepleiten. Een zogenoemd schriftelijk pleidooi kan slechts plaatsvinden wanneer partijen uitdrukkelijk of stilzwijgend hebben afgezien van de mogelijkheid om mondeling te pleiten.

Artikel 2.4.10

Naar aanleiding van de desbetreffende vraag van de leden van de CDA-fractie antwoord ik dat in de uitspraak van de Hoge Raad van 15 maart 1996, NJ 1997, 341 (Bistro 't Plenkske) door mij niet een uitleg van artikel 6 EVRM wordt gelezen die inhoudt dat de pleitende partijen te allen tijde bij pleidooi een pleitnota mogen overleggen. Wel is het vaste praktijk dat partijen ter gelegenheid van de pleidooien in de gelegenheid worden gesteld hun pleitnota aan de rechter over te leggen, in welk geval zij ook behoren tot de gedingstukken (HR 3 februari 1984, NJ 1984, 765). Overlegging van pleitnota's draagt ook voor het gerecht bij aan een efficiënte gang van zaken, aangezien in het proces-verbaal van de terechtzitting naar de pleitnota's kan worden verwezen. Voorzover mij bekend heeft de Hoge Raad zich nooit hoeven uitspreken over de vraag of partijen er recht op hebben een pleitnota over te leggen. Wel heeft het Gemeenschappelijk Hof voor de Nederlandse Antillen en Aruba in een beslissing van 2 mei 2000, NJ 2000, 620 gesproken van het recht om een pleitnota over te leggen als een afgeleide van het recht om een zaak te doen bepleiten. Overigens ging het in die zaak om een iets ander geval dan dat waarop de genoemde leden kennelijk het oog hebben, omdat in die zaak door partijen niet mondeling was gepleit en de pleitnota daarvoor als het ware in de plaats kwam.

De leden van de CDA-fractie geven vervolgens met betrekking tot het pleitrecht in appel te kennen dat aan dat recht naar hun oordeel slechts beperkingen zouden kunnen worden gesteld, indien in appel een met de eerste aanleg vergelijkbaar regime betreffende comparities van partijen zou worden ingevoerd, enerzijds in verband met hetgeen voortvloeit uit artikel 6 EVRM en anderzijds in verband met het door hen benadrukte onmiddelijkheidsbeginsel. Dienaangaande merk ik het volgende op. De Hoge Raad heeft in het arrest van 15 maart 1997, NJ 1997, 341 (Bistro 't Plenkske), te kennen gegeven dat «mede aan artikel 6 EVRM ontleende fundamentele beginselen van procesrecht meebrengen dat een procespartij, indien zij zulks verzoekt, de gelegenheid behoort te hebben haar standpunt mondeling ten overstaan van de rechter uiteen te zetten». Blijkens de daarop volgende overwegingen van de Hoge Raad gaat het hierbij niet om een regel zonder uitzonderingen, maar zijn omstandigheden denkbaar waarin een verzoek om tot pleidooien te worden toegelaten, kan worden afgewezen. De Hoge Raad noemt het geval dat in hoger beroep een geïntimeerde nalaat een memorie van antwoord te nemen, en waarbij de appellant bezwaar maakt tegen het verzoek om te mogen pleiten op de grond dat daardoor het geding op onaanvaardbare wijze zou worden vertraagd; voorts acht de Hoge Raad het in een dergelijk geval denkbaar dat de rechter ambtshalve pleidooien weigert, indien toewijzing van het verzoek om pleidooi in strijd zou zijn met een goede procesorde. Meer in het algemeen wordt uit jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens wel afgeleid dat een mondelinge behandeling in hoger beroep niet onder alle omstandigheden een vereiste is dat uit artikel 6 EVRM voortvloeit (zie Smits, Artikel 6 EVRM en de civiele procedure, diss. 1996, blz. 161–163, waar onder meer wordt gewezen op EHRM 29 oktober 1991, Helmers, serie A, vol. 212-a, 36). Ik verwijs met betrekking tot beperking van het recht op een mondelinge behandeling ook naar de jurisprudentie van het EHRM vermeld bij de beantwoording van de vragen van de leden van de CDA-fractie betreffende de artikelen 1.2.2 en 1.2.3. Beperking van het pleitrecht behoeft derhalve niet in alle gevallen onverenigbaar te zijn met artikel 6 EVRM. Tegen deze achtergrond zou ik het standpunt dat beperkingen van het pleitrecht in hoger beroep slechts mogelijk is bij invoering van een met de eerste aanleg vergelijkbaar regime betreffende comparities van partijen, niet willen onderschrijven. Wat het onmiddelijkheidsbeginsel betreft, meen ik dat aan dit beginsel als zodanig in het civiele recht niet de door de genoemde leden bedoelde betekenis toekomt.

Artikel 2.6.2

Met betrekking tot de verhouding tussen de artikelen 2.6.2 (dagvaarding van verschillende gedaagden) en 1.6.9 (dagvaarding van de gezamenlijke erfgenamen) merk ik naar aanleiding van de desbetreffende vraag van de leden van de VVD-fractie op dat artikel 2.6.2 van toepassing is, wanneer er meer dan één erfgenaam is. Ook voor het huidige recht wordt aangenomen dat artikel 79 Rv in een dergelijk geval toepassing moet vinden. Is niet bekend of er meer erfgenamen zijn, dan doet de eiser er derhalve verstandig aan met die mogelijkheid rekening te houden door de vermeldingen, bedoeld in artikel 2.6.2, eerste lid, in de dagvaarding op te nemen.

Artikel 2.8.16

Naar aanleiding van artikel 2.8.16 en het amendement waardoor in die bepaling alsnog de beperkte bewijskracht van de partij-getuige is gehandhaafd, maken de leden van de CDA-fractie enige opmerkingen. Zo wijzen zij erop dat deze beperking een echo vormt van de oude regel «één getuige is geen getuige», die ook een niet te veronachtzamen betekenis heeft. Vervolgens betogen deze leden dat het wetsvoorstel zonder de bedoelde beperking in de bewijskracht van de partij-getuige een aantasting zou vormen van de equality of arms ten nadele van de niet met het bewijs belaste partij. Dit betoog komt erop neer dat wanneer de eigen getuigeverklaring van een partij ook zonder aanvullend bewijs kan dienen om aan zijn bewijsopdracht te voldoen, daarmee de wederpartij in feite steeds kan worden belast met de noodzaak om tegenbewijs te leveren. Nu een partij-getuigeverklaring niet als enig bewijs kan dienen, komt de wederpartij pas voor de noodzaak om tegenbewijs te leveren als de partij op wie de bewijslast rust ander bewijs kan produceren, bijvoorbeeld in de vorm van een verklaring van een andere getuige. Inderdaad kan, wanneer de wet geen beperking stelt aan de bewijskracht van de partij-getuige, de partij op wie geen bewijslast rust in meer gevallen worden genoopt tot het aanvoeren van tegenbewijs. In die omstandigheid zie ik echter geen aantasting van de equality of arms. Daarvan zou pas sprake zijn wanneer bij het leveren van tegenbewijs aan de getuigeverklaring van de partij zonder bewijslast een beperktere bewijskracht zou toekomen dan aan de verklaring van de partij mèt de bewijslast.

Artikel 2.11.13

Door de leden van de VVD-fractie is verwezen naar M. Freudenthal die in Advocatenblad 2000, no. 18, blz. 753 e.v. heeft geschreven dat «het huidige beleid in Nederland met betrekking tot de regeling van de buitengerechtelijke incassokosten niet in overeenstemming is met de in de richtlijn inzake betalingsachterstand bij handelstransacties (Pb L200/35 van 8 augustus 2000) vereiste transparantie, nu rechters verschillende toepassing geven aan de wettelijke bepalingen van artikel 57ab Rv (w.o. 2.11.13), artikel 6:96 lid 12 sub b en c BW en de aanbevelingen van de werkgroep Voor-werk». De artikelen 57ab Rv en 6:96 lid 2 sub b en c BW bieden weliswaar een regeling conform de richtlijn, aldus mevrouw Freudenthal, maar de wetgever zal volgens haar regels moeten stellen omtrent de redelijkheid van het buitengerechtelijke incassotarief en zal de vaststelling van de omvang hiervan niet moeten overlaten aan de individuele rechter die ambtshalve de buitengerechtelijke kosten kan matigen. Deze leden vragen of de richtlijn op dit punt zal leiden tot nadere regels en zo ja, wanneer deze regels zullen komen.

Zoals mevrouw Freudenthal zelf ook aangeeft, is de bestaande wettelijke regeling ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten in overeenstemming met de richtlijn bestrijding betalingsachterstand bij handelstransacties. De richtlijn bepaalt dat de schuldeiser aanspraak heeft op een redelijke schadeloosstelling door de schuldenaar voor alle relevante invorderingskosten ontstaan door de betalingsachterstand van de schuldenaar (artikel 3, eerste lid, sub e van de richtlijn). Daarbij stelt de richtlijn wel de eis dat de invorderingskosten moeten voldoen aan de beginselen van transparantie en verhouding tot de schuld in kwestie. Ook dit sluit goed aan bij de geldende Nederlandse regeling. Die regeling houdt in dat redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte als vermogensschade kunnen worden gevorderd. De rechter kan van geval tot geval beoordelen of de schuldeiser zijn vordering naar behoren heeft onderbouwd en daarbij acht slaan op de omvang van de vordering ten opzichte van de achterliggende betalingsachterstand. Voorts geldt op grond van artikel 6:96 BW dat de desbetreffende kosten niet alleen redelijk moeten zijn, dat wil zeggen dat ze binnen een redelijke omvang moeten blijven, maar ook dat het in de gegeven omstandigheden redelijk was ze te maken. Uit de richtlijn vloeit niet voort dat de wetgever zelf nadere regels vaststelt omtrent de hoogte van de invorderingskosten.

Het bestaande Nederlandse systeem voor de vergoeding van buitengerechtelijke kosten voldoet naar mijn oordeel aan de eisen die de richtlijn stelt. Het systeem is overzichtelijk en biedt tegelijktijd voldoende flexibiliteit om met bijzondere omstandigheden rekening te houden zodat een redelijke schadeloosstelling tot stand kan komen.

Artikel 2.13.7

De leden van de PvdA-fractie vragen zich af of de regeling van artikel 2.13.7 betreffende voorlopige voorzieningen als bedoeld in artikel 50, eerste lid, van het zogenoemde TRIPS-verdrag wel goed is doordacht. Aanleiding voor het opnemen van deze bepaling is het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 16 juni 1998, NJ 1999, 240, inzake Hermès/FHT. Door dit arrest staat vast dat het Nederlandse kort geding een voorlopige maatregel vormt in de zin van artikel 50, zesde lid, van het TRIPS-verdrag. Dat brengt mee dat een in kort geding gegeven voorlopige voorziening die onder het bereik van het TRIPS-verdrag valt, op verzoek van de verweerder of anderszins zijn werking moet verliezen, indien de bodemprocedure niet binnen een bepaalde termijn wordt gestart. Dit uitgangspunt, dat strekt tot bescherming van de gedaagde, is in artikel 2.13.7 uitgewerkt, waarbij ernaar is gestreefd het bereik van de bepaling niet ruimer te maken dan strikt nodig. In zaken waar de gedaagde geen bezwaar heeft tegen het vonnis in kort geding, bestaat er voor de eiser geen noodzaak om een bodemprocedure te beginnen. Artikel 2.13.7 beperkt partijen immers niet in hun vrijheid om overeen te komen dat hun rechtsverhouding ook ten gronde door het kort-gedingvonnis wordt bepaald, zodat geen bodemprocedure nodig is. Ook kunnen zij hun rechtsverhouding op andere wijze regelen dan in het kort-gedingvonnis bepaald, eveneens onder afzien van een bodemprocedure. Wel zal artikel 2.13.7 in de verhouding tussen partijen het initiatief meer bij eiser leggen: indien binnen de termijn tussen partijen geen overeenstemming wordt bereikt, zal hij immers moeten beslissen of hij een bodemprocedure wil voeren. Ziet hij daarvan af, dan kan de gedaagde de voorlopige voorziening doen eindigen door het afleggen van een verklaring als bedoeld in artikel 2.13.7. Bij de beslissing over het voeren van een bodemprocedure zullen uiteraard de daaraan verbonden kosten een rol spelen. Nu vaststaat dat in zo'n geval het kort-gedingvonnis op grond van artikel 50, zesde lid, TRIPS-verdrag zijn werking dient te verliezen, kunnen de aan een bodemprocedure verbonden kosten dan ook niet als onnodige kosten worden gekwalificeerd. Het Hermès-arrest laat nu eenmaal geen ruimte voor een verdergaande werking van het kort-gedingvonnis. Met betrekking tot het vermijden van onnodige kosten wijs ik er nog op dat wanneer de gedaagde bezwaar heeft tegen de voorlopige voorziening, voor het vervallen daarvan geen nieuwe procedure is voorgeschreven: de gedaagde kan volstaan met het indienen van de hiervoor genoemde verklaring. Tenslotte wijs ik erop dat wanneer de gedaagde niets doet, de voorlopige voorziening zijn werking ook na het verstrijken van de termijn behoudt. Pas als de gedaagde nadien alsnog een verklaring indient, verliest het kort-gedingvonnis zijn werking (artikel 2.13.7, eerste lid, derde zin). Aan de genoemde leden antwoord ik dan ook dat de gevolgen van het Hermès-arrest met de ontworpen bepaling zijn geregeld op een wijze die ten volle verenigbaar is met het TRIPS-verdrag en tegelijkertijd voor de praktijk zo min mogelijk bezwaren oproept.

De verzoekschriftprocedure in eerste aanleg

De leden van de PvdA-fractie vragen waarom in het wetsvoorstel voor de verzoekschriftprocedure een bepaling ontbreekt, vergelijkbaar met artikel 2.11.8 (gezag van gewijsde). Dienaangaande wijs ik erop dat bindende kracht van door de rechter gedane vaststellingen vanouds is beperkt tot vaststellingen, gedaan in vonnissen (of arresten). Zo werd ter gelegenheid van de behandeling van het in 1988 ingevoerde nieuwe bewijsrecht door de regering uitdrukkelijk te kennen gegeven dat het leerstuk werd beperkt tot «beslissingen aangaande rechten of verplichtingen van partijen voor zover zij aan de conclusies van het vonnis, waarvan het gezag wordt ingeroepen, ten grondslag lagen. Mitsdien hebben rechterlijke beslissingen die niet vaststellen welke rechten of verplichtingen tussen partijen als recht gelden geen gezag van gewijsde; dus niet beslissingen in oneigenlijke rechtspraak ()» (Parlementaire geschiedenis nieuw bewijsrecht, blz. 412). Tot voor kort werd ook door rechtspraak en heersende leer in het algemeen aangenomen dat aan beslissingen, vervat in beschikkingen, gezag van gewijsde kan toekomen. Inmiddels is door de Hoge Raad in zijn beschikking van 30 oktober 1998, NJ 1999, 83, uitgesproken dat artikel 67 Rv, waarin het leerstuk thans is opgenomen, zich leent voor analoge toepassing op beschikkingen op verzoekschrift, waarin beslissingen zijn gegeven over een rechtsbetrekking in geschil tussen partijen. De beslissing, die betrekking had op een zaak waarin vervangende machtiging werd verzocht tot medewerking aan een wijziging van een akte van splitsing in appartementsrechten, is door de Hoge Raad herhaald in HR 10 september 1999, NJ 1999, 735, met betrekking tot een procedure op de voet van artikel 28d Huurwet.

Het wetsvoorstel, waarin met de genoemde jurisprudentie nog geen rekening is gehouden, staat uiteraard aan de analoge werking van artikel 2.11.8 geenszins in de weg. In zoverre is er thans geen noodzaak om de titel betreffende de verzoekschriftprocedure aan te vullen met een dergelijke bepaling. Daar komt bij dat thans nog niet geheel duidelijk is hoever de door de Hoge Raad mogelijk gemaakte analoge toepassing zich precies uitstrekt. Zo zijn er volgens W.D.H. Asser ook verzoekschriftprocedures die zich niet lenen voor analoge toepassing, zoals met name procedures tot ontbinding van een arbeidsovereenkomst (Kluwer's Losbladige Rechtsvordering, aantekening 5 op artikel 67 Rv). Het verdient daarom de voorkeur om de bindende kracht van beschikkingen niet thans, in het kader van de aanpassingswetgeving bij dit wetsvoorstel, te regelen, doch het onderwerp nader te bezien in het kader van de fundamentele herbezinning op het burgerlijk procesrecht.

Artikel 337

De leden van de PvdA-fractie zouden graag zien dat indringender wordt ingegaan of uitsluiting van tussentijds hoger beroep wel in alle gevallen versnellend werkt. Onder verwijzing naar het proefschrift van H.W. Wiersma (Tussenoordelen en eindbeslissingen, UvA 1998) geven zij te kennen dat zulks naar hun oordeel niet altijd het geval is en vragen zij in te gaan op de door Wiersma gegeven argumenten tegen uitsluiting van tussentijds appel.

In reactie hierop merk ik op dat er onder bepaalde omstandigheden zeker bezwaren kunnen bestaan tegen uitsluiting van tussentijds hoger beroep. Het punt is echter dat voor de onderhavige materie niet dé ideale oplossing voorhanden is. De kwestie van tussentijds hoger beroep is niet zozeer van principiële, maar veeleer van praktische aard. Daarbij moet op basis van doelmatigheid een keuze voor het ene of het andere uitgangspunt moet worden gemaakt, waarbij de rechter in het concrete geval steeds anders kan besluiten. Alle schrijvers die zich met het onderwerp hebben bezig gehouden – ook Wiersma – zijn het dáárover eens. Voorts hecht ik eraan te onderstrepen dat de voorgestelde wijziging – evenals de huidige bepaling – inderdaad de vereiste flexibiliteit biedt om, waar zulks door de bijzondere omstandigheden van het concrete geval wordt geëist, af te wijken van de hoofdregel.

In de literatuur wordt met uitzondering van Wiersma overwegend gepleit voor omdraaiing van het huidige systeem, zoals is geschied in het wetsvoorstel. Daarvoor worden de volgende argumenten genoemd:

– Uitsluiting van tussentijds hoger beroep bij wijze van hoofdregel biedt een betere waarborg tegen fragmentatie van de instructie van de zaak. Immers, verstoring van de continuïteit van de instructie leidt ertoe dat de zaak in delen opgeknipt moet worden behandeld en dat het feitenonderzoek of de bewijslevering niet plaats heeft zo kort mogelijk nadat de litigieuze gebeurtenissen zich hebben voltrokken. Dit laatste draagt in het algemeen niet bij aan de doelmatigheid. Ik wijs in dit verband op twee arresten van de Hoge Raad van 24 september 1993 (NJ 1993, 226 en NJ 1993, 227) waarin eerst in cassatie, ruim vijf, respectievelijk vier en een half jaar nadat bij tussenvonnis in eerste aanleg bewijslevering werd gelast, de weg werd vrijgemaakt voor die bewijslevering.

– Niet zelden blijkt bij eindvonnis dat bij een tussenvonnis opgedragen bewijs niet kan worden geleverd, zodat niet meer wordt toegekomen aan complexe rechtsvragen, doordat het bewijs niet kon worden geleverd of doordat een bevrijdend feit komt vast te staan. De onmogelijkheid bij tussentijds appel klachten op te werpen tegen overwegingen met betrekking tot die rechtsvragen leidt alsdan tot een snellere beslissing in de zaak.

– Onderbreking van het geding ten gevolge van tussentijds hoger beroep kan leiden tot enorme vertragingen en werkt voor de justitiabelen een onbegrijpelijke en belastende «heen-en-weerbeweging» in de hand. Ter illustratie wijs ik op de zaak waarover de Hoge Raad zich in zijn arrest van 21 januari 1994 (NJ 1994, 519) uitsprak. In die zaak zijn vóór het cassatieberoep in zes instanties acht uitspraken gegeven.

– Tussentijds hoger beroep leidt tot meer appellen in een zaak, dus tot meer appelexploten, memories van grieven en antwoord, pleidooien en uitspraken, met alle kosten van dien;

– Tussentijds hoger beroep kan leiden tot ingewikkelde procesrechtelijke complicaties, zoals bleek uit de al aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad van 21 januari 1994.

Wiersma betoogt dat het bezwaar van fragmentatie van de instructie kan worden opgevangen door het voorlopige getuigenverhoor en uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Desalniettemin stelt ook hij vast: «De tussentijdse hogere voorziening kan natuurlijk een dekmantel zijn voor vertraging en obstructie» en voorts: «dat de tussentijdse hogere voorziening kennelijk ook een partij ertoe kan aanzetten om de rechtsstrijd voort te zetten in uitzichtloze posities» (a.w., blz. 225). Alles overziend meen ik dan ook dat de argumenten voor uitsluiting van hoger beroep als hoofdregel zwaarder wegen dan de argumenten daartegen. Ik vind mij hierin gesteund door de volgende schrijvers: H.E. Ras, Het tussenvonnis in het burgerlijk procesrecht, diss. UvA 1966, blz. 196 e.v. (met verdere verwijzingen), alsmede diens noten onder HR 5 november 1993, NJ 1994, 228 en HR 21 januari 1994, NJ 1994, 519, Veegens, Korthals Altes, Groen, Cassatie in burgerlijke zaken, Zwolle 1989, nrs. 61 en 64, A. Hammerstein, De toekomst van de civiele rechtsmiddelen en J.B.M. Vranken, de toekomst van de rechtsmiddelen bij een integratie van rechtspraak, beiden in: H.E. de Boer, W.H. van Boom, J. de Hullu (red.), Rechtsmiddelen van de toekomst, Zwolle 1994, blz. 35 resp. blz. 58, A. Hammerstein, Tussenoordelen en eindbeslissingen (boekbespreking van het proefschrift van Wiersma) Tijdschrift voor Civiele Rechtspleging 2000, blz. 17–19. Voorts wijs ik erop dat vanuit de Adviescommissie burgerlijk procesrecht ter gelegenheid van de bespreking van de in het wetsvoorstel opgenomen versnellingsbepalingen, waaronder ook de wijziging van artikel 337 Rv, tegen deze wijziging geen bedenkingen zijn aangevoerd.

Overigens merk ik nog op dat het thans voor de dagvaardingsprocedure voorgestelde systeem nu al geldt voor de verzoekschriftprocedure (zie artikel 429n, derde lid, Rv) en dat ook in het bestuursprocesrecht tussentijds appel is uitgesloten (zie artikel 37, derde lid, Wet op de Raad van State, artikel 18, derde lid, Beroepswet, artikel 20, derde lid, Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie).

De leden van de PvdA-fractie vragen tevens in te gaan op de vraag in welke zaken de rechter tussentijds appel wel zou moeten toestaan. Zoals ik hierboven al even aanstipte, zal het steeds van de bijzondere omstandigheden van het concrete geval afhangen of afwijking van de nieuwe hoofdregel van artikel 337 doelmatiger is. Bij wijze van voorbeeld kan worden gedacht aan het volgende. In het geval van een bepaalde verdeling van de bewijslast is gebaseerd op een beslissende rechtsvraag, is het onder omstandigheden denkbaar dat die rechtsvraag eerst in hogere instanties wordt behandeld, alvorens een – duur – deskundigenbericht wordt gelast. Van belang daarbij kan voorts zijn of alle partijen de mogelijkheid van tussentijds appel hebben bepleit. Ik zie thans geen aanleiding om het onderwerp nogmaals te agenderen in het kader van de fundamentele herbezinning op het burgerlijk procesrecht.

De Minister van Justitie,

A.H. Korthals


XNoot
1

De eerder verschenen stukken inzake dit wetsvoorstel zijn gedrukt onder EK nrs. 250 en 250a, vergaderjaar 2000–2001.