Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2001-200226854 nr. 45

26 854
Wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 c.a. (herziening regime fiscale eenheid)

nr. 45
GEWIJZIGD VOORSTEL VAN WET

4 oktober 2001

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het regime van de fiscale eenheid in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 te herzien;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

In de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

A. In artikel 2, vierde lid, wordt «14b en 28b» vervangen door: 14b, 15, 15a en 28b. Voorts wordt na de eerste volzin ingevoegd: Een lichaam dat uitsluitend op grond van de eerste volzin in Nederland is gevestigd en dat voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden, kan verzoeken dat die volzin ten aanzien van hem buiten toepassing blijft. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.

B. Aan artikel 7, vierde lid, wordt toegevoegd: Indien de belastingplichtige in de loop van het boekjaar als dochtermaatschappij deel gaat uitmaken of ophoudt deel uit te maken van een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 15, eerste lid, wordt het gedeelte van dat boekjaar waarin de belastingplichtige geen deel uitmaakt van die fiscale eenheid als afzonderlijk jaar aangemerkt.

C. 1. In artikel 8 wordt, onder vernummering van het vierde tot en met tiende lid tot vijfde tot en met elfde lid, na het derde lid een nieuw lid ingevoegd, luidende:

4. Artikel 3.13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is niet van toepassing indien de belastingplichtige deel heeft uitgemaakt van een fiscale eenheid en sinds het ontvoegingstijdstip minder dan 6 jaren zijn verstreken, behoudens voorzover de belastingplichtige aannemelijk maakt dat de in dat onderdeel bedoelde voordelen niet tot zijn winst zouden behoren, indien hij geen deel zou hebben uitgemaakt van de fiscale eenheid.

2. In het tot negende lid vernummerde achtste lid, wordt «vijfde lid» vervangen door: zesde lid.

D.1. In artikel 10a, vierde lid, wordt «15» vervangen door: 15ad. Voorts wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel c door een puntkomma, een onderdeel ingevoegd, luidende:

d. een lichaam dat met de belastingplichtige deel uitmaakt van een fiscale eenheid als bedoeld in de artikelen 15 en 15a, tenzij het de toepassing betreft van de artikelen 15ad en 15b.

D.2. In het vijfde lid, onderdeel a, wordt na «dit artikel» ingevoegd: en artikel 15ad.

D.3. Na het vijfde lid wordt toegevoegd:

6. Een met de belastingplichtige verbonden lichaam als bedoeld in het vierde lid wordt, indien die belastingplichtige deel uitmaakt van een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 15, eerste lid, tevens aangemerkt als een met de andere van die fiscale eenheid deel uitmakende belastingplichtigen verbonden lichaam.

E. In artikel 13, eerste lid, tweede volzin, en vijfde lid, wordt «voor zover» vervangen door: voorzover.

F. In artikel 13c wordt, onder vernummering van het derde lid in vierde lid, ingevoegd:

3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing indien de deelneming als dochtermaatschappij deel gaat uitmaken van een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 15, eerste lid. In dat geval worden de in het tweede lid, eerste volzin, bedoelde voordelen geacht te zijn genoten op het tijdstip onmiddellijk voorafgaande aan het ten aanzien van die dochtermaatschappij geldende voegingstijdstip als bedoeld in artikel 15aa, eerste lid, onderdeel b. De eerste volzin is niet van toepassing voorzover op de voet van artikel 15ab positieve voordelen uit hoofde van die deelneming in aanmerking zijn genomen, waarop de deelnemingsvrijstelling geen toepassing heeft gevonden.

G. In artikel 13ca, vierde lid, wordt «met toepassing van artikel 15 opgaat in een moedermaatschappij,» vervangen door: op de voet van artikel 15, eerste lid, als dochtermaatschappij deel gaat uitmaken van een fiscale eenheid,.

H. In artikel 13d wordt na het zevende lid, onder vernummering van het achtste tot en met tiende lid in negende tot en met elfde lid, een lid ingevoegd, luidende:

8. Ingeval de deelneming als dochtermaatschappij met de belastingplichtige deel uitmaakt van een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 15, eerste lid, wordt op het tijdstip waarop die eenheid ten aanzien van die dochtermaatschappij wordt beëindigd het door de belastingplichtige voor die dochtermaatschappij opgeofferde bedrag gesteld op het vanaf dat tijdstip voor de heffing van de vennootschapsbelasting in aanmerking te nemen eigen vermogen van die dochtermaatschappij nadat dit is verminderd met de toelaatbare reserves.

I. In artikel 14a, negende lid, wordt «artikel 15, vijfde lid, onderdeel b,» vervangen door: artikel 15ad, derde lid, onderdeel b, en vierde lid,.

J. In artikel 14b, zevende lid, wordt «artikel 15, vijfde lid, onderdeel b,» vervangen door: artikel 15ad, derde lid, onderdeel b, en vierde lid,.

K. Artikel 15 wordt vervangen door:

ARTIKEL 15

1. Ingeval een belastingplichtige (moedermaatschappij) de juridische en economische eigendom bezit van ten minste 95 percent van de aandelen in het nominaal gestorte kapitaal van een andere belastingplichtige (dochtermaatschappij) wordt op verzoek van beide belastingplichtigen de belasting van hen geheven alsof er één belastingplichtige is, in die zin dat de werkzaamheden en het vermogen van de dochtermaatschappij deel uitmaken van de werkzaamheden en het vermogen van de moedermaatschappij. De belasting wordt geheven bij de moedermaatschappij. De belastingplichtigen tezamen worden in dat geval aangemerkt als fiscale eenheid. Van een fiscale eenheid kan meer dan één dochtermaatschappij deel uitmaken.

2. Onder een bezit als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan een middellijk bezit van aandelen, mits deze onmiddellijk worden gehouden door één of meer belastingplichtigen die van de fiscale eenheid deel uitmaken.

3. Het eerste lid vindt slechts toepassing indien:

a. de tijdvakken waarover de belasting wordt geheven voor beide belastingplichtigen samenvallen, met dien verstande dat een gedeelte van een boekjaar dat ingevolge artikel 7, vierde lid, als afzonderlijk jaar wordt aangemerkt voor de toepassing van dit onderdeel niet als afzonderlijk tijdvak wordt aangemerkt;

b. voor het bepalen van de winst bij beide belastingplichtigen dezelfde bepalingen van toepassing zijn;

c. beide belastingplichtigen in Nederland zijn gevestigd en ingeval op een belastingplichtige de Belastingregeling voor het Koninkrijk dan wel een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is, die belastingplichtige tevens volgens die regeling onderscheidenlijk dat verdrag geacht wordt in Nederland te zijn gevestigd;

d. de moedermaatschappij een naamloze vennootschap, een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, een coöperatie of een onderlinge waarborgmaatschappij is, dan wel een lichaam is dat is opgericht naar het recht van de Nederlandse Antillen, Aruba, een lidstaat van de Europese Unie of een staat in de relatie waarmee een met Nederland gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is waarin een bepaling is opgenomen die discriminatie naar nationaliteit verbiedt voor lichamen die overigens in dezelfde omstandigheden verkeren als naar Nederlands recht opgerichte lichamen, welk lichaam voorts naar aard en inrichting vergelijkbaar is met de hiervoor genoemde naar Nederlands recht opgerichte lichamen;

e. de dochtermaatschappij een naamloze vennootschap of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid is, dan wel een daarmee naar aard en inrichting vergelijkbaar lichaam dat is opgericht naar het recht van een in onderdeel d bedoeld land of bedoelde staat;

f. de moedermaatschappij de aandelen in de dochtermaatschappij niet, middellijk of onmiddellijk, als voorraad houdt als bedoeld in artikel 13, tweede lid.

4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gegeven volgens welke belastingplichtigen bij wie voor het bepalen van de winst niet dezelfde bepalingen van toepassing zijn, in afwijking van het derde lid, onderdeel b, tezamen toch een fiscale eenheid kunnen vormen. Voorts kan, in afwijking van het derde lid, onderdeel c, een belastingplichtige die op grond van de nationale wet of op grond van de Belastingregeling voor het Koninkrijk dan wel een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting niet in Nederland is gevestigd maar wel een onderneming drijft met behulp van een in Nederland aanwezige vaste inrichting, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, deel uitmaken van een fiscale eenheid voorzover het heffingsrecht over de uit die onderneming genoten winst ingevolge de Belastingregeling voor het Koninkrijk dan wel een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting aan Nederland is toegewezen indien:

a. de plaats van de werkelijke leiding van deze belastingplichtige is gelegen in de Nederlandse Antillen, Aruba, een lidstaat van de Europese Unie of een staat in de relatie waarmee een met Nederland gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is waarin een bepaling is opgenomen die discriminatie van vaste inrichtingen verbiedt;

b. de belastingplichtige, bedoeld in onderdeel a, een naamloze vennootschap of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, dan wel een daarmee naar aard en inrichting vergelijkbaar lichaam is; en

c. in het geval de belastingplichtige, bedoeld in onderdeel a, als moedermaatschappij deel uitmaakt van de fiscale eenheid – het aandelenbezit, bedoeld in het eerste lid, in de dochtermaatschappij behoort tot het vermogen van de in Nederland aanwezige vaste inrichting van deze moedermaatschappij.

In afwijking van het eerste lid kunnen de in de vorige volzin bedoelde voorwaarden mede betrekking hebben op de vraag voor welk deel de werkzaamheden en het vermogen van de dochtermaatschappij deel uitmaken van de werkzaamheden en het vermogen van de moedermaatschappij.

5. De fiscale eenheid komt tot stand op een door de belastingplichtigen in het verzoek, bedoeld in het eerste lid, aan te geven tijdstip, doch niet eerder dan drie maanden voor het tijdstip waarop het verzoek is gedaan.

6. De fiscale eenheid eindigt:

a. indien niet langer aan de bij of krachtens dit artikel gestelde vereisten wordt voldaan;

b. indien de belastingplichtige, bedoeld in het vierde lid, tweede volzin, de plaats van werkelijke leiding verplaatst naar Nederland;

c. indien de belastingplichtige de plaats van werkelijke leiding verplaatst naar het buitenland met achterlating van een vaste inrichting in Nederland;

d. op gezamenlijk verzoek van de moedermaatschappij en de dochtermaatschappij met ingang van het in het verzoek genoemde tijdstip doch niet eerder dan met ingang van de datum van indiening van het verzoek; met dien verstande dat indien de fiscale eenheid ten aanzien van één of meer dochtermaatschappijen wordt beëindigd, de fiscale eenheid daardoor niet eveneens ten aanzien van de andere belastingplichtigen wordt beëindigd.

7. Indien de totstandkoming van een fiscale eenheid ten aanzien van een dochtermaatschappij in hetzelfde jaar plaats vindt als de beëindiging daarvan ingevolge het zesde lid, onderdeel a, b of c, wordt de fiscale eenheid ten aanzien van die dochtermaatschappij geacht niet tot stand te zijn gekomen.

8. Het verzoek bedoeld in het eerste lid en zesde lid, onderdeel d, wordt gedaan bij de inspecteur belast met de aanslagregeling van de moedermaatschappij. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.

9. Ingeval de belastingplichtige bij het doen van het in het eerste lid bedoelde verzoek reeds als moedermaatschappij deel uitmaakt van een fiscale eenheid wordt dit verzoek geacht mede te zijn gedaan namens de andere belastingplichtigen die van die fiscale eenheid deel uitmaken.

10. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gegeven tot verzekering van de heffing en invordering van de belasting met het oog op de omstandigheid dat de in het eerste lid bedoelde belastingplichtigen voor de toepassing van deze wet een fiscale eenheid vormen. Onder die regels worden mede begrepen regels voor:

a. de beoordeling of een naar buitenlands recht opgericht lichaam naar aard en inrichting vergelijkbaar is met een naar Nederlands recht opgericht lichaam als bedoeld in de onderdelen d en e van het derde lid;

b. de omstandigheid dat de moedermaatschappij niet alle aandelen in de dochtermaatschappij bezit;

c. de voortzetting van een fiscale eenheid ten aanzien van een belastingplichtige ingeval sprake is van een omstandigheid als bedoeld in het zesde lid, onderdeel b of onderdeel c;

d. de toepassing van de artikelen 13d, achtste lid, en 15ab tot en met 15af; en

e. de berekening van de verminderingen ter voorkoming van dubbele belasting ter zake van buitenlandse resultaten.

11. Een krachtens het vierde lid, eerste volzin, en tiende lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur treedt niet eerder in werking dan acht weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal.

L. Na artikel 15 wordt ingevoegd:

ARTIKEL 15AA

1. Voor de toepassing van de artikelen 15ab tot en met 15aj wordt verstaan onder:

a. maatschappij: een belastingplichtige die deel uitmaakt van een fiscale eenheid;

b. het voegingstijdstip: het tijdstip met ingang waarvan een belastingplichtige deel uitmaakt van een fiscale eenheid;

c. het ontvoegingstijdstip: het tijdstip waarop een fiscale eenheid ten aanzien van een belastingplichtige anders dan door ontbinding en vereffening van een dochtermaatschappij wordt beëindigd.

2. Indien zonder toepassing van artikel 3.54 van de Wet inkomstenbelasting 2001 bij de vervreemding van een goed de boekwinst die daarbij tot uitdrukking komt ingevolge goed koopmansgebruik is doorgeschoven naar een ander goed, wordt voor de toepassing van de artikelen 15ab tot en met 15aj het reserveren van deze winst, alsmede de afboeking daarvan op de aanschaffingskosten of voortbrengingskosten van het andere goed, geacht te hebben plaatsgevonden met toepassing van artikel 3.54 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

ARTIKEL 15AB

1. Op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van voeging van een dochtermaatschappij stelt de moedermaatschappij haar belang, dan wel indien gelijktijdig ook andere dochtermaatschappijen worden gevoegd, stellen de moedermaatschappij en de gelijktijdig gevoegde dochtermaatschappijen hun belang in die dochtermaatschappij te boek op de waarde in het economische verkeer.

2. Indien op het tijdstip van voeging van een maatschappij tot het vermogen van die maatschappij een deelneming behoort waarvan de onderneming geheel of nagenoeg geheel is gestaakt, dan wel daartoe is besloten, of indien op het tijdstip van voeging van een maatschappij tot het vermogen van die maatschappij een onderneming behoort waarop het bepaalde in artikel 13e van toepassing is, komt, onverminderd het bepaalde in de artikelen 13d en 13e, een liquidatieverlies uit hoofde van de deelneming slechts in aftrek voorzover de winst van de fiscale eenheid, zonder rekening te houden met dat liquidatieverlies, aan die maatschappij is toe te rekenen.

3. Voorzover een liquidatieverlies in een jaar ingevolge het tweede lid niet in aanmerking is genomen, wordt het achtereenvolgens in mindering gebracht op en ten hoogste tot de positieve belastbare bedragen van de drie daaraan voorafgaande en de volgende jaren, van:

a. de desbetreffende maatschappij, in de jaren waarin deze geen deel uitmaakte of uitmaakt van de fiscale eenheid; onderscheidenlijk

b. van de fiscale eenheid, voorzover de winst van de fiscale eenheid aan die maatschappij is toe te rekenen.

4. Het in mindering brengen van liquidatieverliezen vindt plaats in de volgorde waarin deze zijn ontstaan en de positieve belastbare bedragen zijn ontstaan.

5. Voorzover een liquidatieverlies ingevolge het derde lid in een voorafgaand jaar als bedoeld in dat lid op het belastbare bedrag in mindering wordt gebracht, zal de aanslag over dat jaar worden herzien. Over het bedrag van de herziening wordt geen heffingsrente vergoed.

6. De tot het vermogen van een maatschappij behorende schuldvorderingen op een andere maatschappij worden op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop de fiscale eenheid ten aanzien van deze maatschappijen tot stand komt door die maatschappij gesteld op de bedrijfswaarde of, indien dat lager is, de nominale waarde. Tevens worden op het eerstgenoemde tijdstip de schulden van de andere maatschappij waarop de schuldvorderingen betrekking hebben, gesteld op dezelfde waarde als waarop die schuldvorderingen ingevolge de vorige volzin worden gesteld.

ARTIKEL 15AC

1. Bij het bepalen van de winst van een fiscale eenheid worden voor de toepassing van artikel 11 tantièmes en salarissen, door een dochtermaatschappij toegekend aan anderen dan de moedermaatschappij, geacht als zodanig te zijn toegekend door de moedermaatschappij.

2. Artikel 3.13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 vindt bij het bepalen van de winst van een fiscale eenheid geen toepassing, behoudens voorzover aannemelijk wordt gemaakt dat de in dat onderdeel bedoelde voordelen niet tot de winst van de schuldenaar zouden hebben behoord indien deze geen deel zou hebben uitgemaakt van de fiscale eenheid.

3. Ten aanzien van een coöperatie die als moedermaatschappij van een fiscale eenheid deel uitmaakt vindt artikel 9, eerste lid, onderdeel h, geen toepassing.

4. De vermindering van belasting ingevolge voorschriften ter voorkoming van dubbele belasting wordt berekend alsof de maatschappijen van de fiscale eenheid één belastingplichtige zijn.

5. Indien tot de winst van een fiscale eenheid winst uit een buitenlandse onderneming of uit een in het buitenland gelegen onroerende zaak behoort en de laatstgenoemde winst voor de vermindering van belasting ingevolge voorschriften ter voorkoming van dubbele belasting tot een hoger bedrag in aanmerking zou worden genomen dan het gezamenlijke bedrag dat in aanmerking zou zijn genomen bij afwezigheid van de fiscale eenheid, als gevolg van het feit dat er in het laatste geval financieringskosten toerekenbaar zijn aan de buitenlandse onderneming of de in het buitenland gelegen onroerende zaak die bij de fiscale eenheid niet tot uitdrukking komen, wordt, in afwijking van het vierde lid, de vermindering berekend alsof deze financieringskosten wel bij de fiscale eenheid tot uitdrukking komen, met dien verstande dat voor de berekening van de vermindering ten minste in aanmerking wordt genomen het hiervoor bedoelde gezamenlijke bedrag.

6. Het vijfde lid vindt geen toepassing voorzover de belastingplichtige aannemelijk maakt dat de in dat lid bedoelde financieringskosten in het andere land bij de berekening van de belastbare grondslag niet in aftrek worden toegelaten.

ARTIKEL 15AD

1. Renten – kosten en valutaresultaten daaronder begrepen – ter zake van geldleningen die verband houden met de verwerving door een maatschappij van aandelen – daaronder begrepen een kapitaalstorting – in een andere maatschappij en die rechtens dan wel in feite direct of indirect zijn verschuldigd aan een lichaam of een natuurlijk persoon die met de eerstbedoelde maatschappij is verbonden, komen in het jaar waarin de fiscale eenheid ten aanzien van deze maatschappijen tot stand komt en de daarop volgende zeven jaren slechts in aftrek tot het bedrag dat de winst van de fiscale eenheid zou belopen zonder rekening te houden met het aan die andere maatschappij en de maatschappijen waarin die maatschappij ten tijde van de verwerving een belang had als bedoeld in artikel 10a, vierde lid, toe te rekenen deel daarvan en voorts zonder rekening te houden met de hiervoor bedoelde renten alsmede winst waarop een regeling ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is.

2. Voorzover renten in een jaar ingevolge het eerste lid niet in aftrek zijn gekomen, worden deze als zodanige renten in het volgende jaar in aanmerking genomen.

3. Het eerste lid vindt geen toepassing:

a. voorzover blijkt dat aan de volgende voorwaarden is voldaan:

1°. de rente, bedoeld in het eerste lid, wordt bij de schuldeiser vanwege de Nederlandse Antillen, Aruba, of een andere Mogendheid in de grondslag betrokken van een belasting naar de winst of het inkomen, uiterlijk in het jaar dat volgt op het jaar waarin deze rente verschuldigd is; en

2°. ingeval de geldlening, bedoeld in het eerste lid, geen verband houdt met een kapitaalstorting: het lichaam of de natuurlijke persoon waaraan de geldlening is verschuldigd, of een daarmee verbonden lichaam, heeft met het oog op de verwerving van aandelen vermogen uit hoofde van geldlening aangetrokken van een niet-verbonden lichaam; of

b. indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

1°. de moedermaatschappij toont aan dat met de in het eerste lid bedoelde verwerving van aandelen het uiteindelijke belang in de andere maatschappij in belangrijke mate is gewijzigd; en

2°. een natuurlijk persoon of een samenwerkende groep van natuurlijke personen heeft middellijk of onmiddellijk een belang van ten minste vijf percent in de moedermaatschappij en de overige aandeelhouders hebben elk een belang van minder dan een derde in de moedermaatschappij, waarbij aandeelhouderslichamen die met elkaar zijn verbonden als bedoeld in artikel 10a, vierde lid, als één aandeelhouder worden aangemerkt; en

3°. één of meer van de onder 2° bedoelde personen geniet loon als bedoeld in artikel 3.80 van de Wet inkomstenbelasting 2001 ter zake van voor de in het eerste lid bedoelde andere maatschappij verrichte werkzaamheden welke van wezenlijke aard zijn.

4. Aan de in het derde lid, onderdeel b, onder 2°, opgenomen voorwaarde wordt ook geacht te zijn voldaan in het geval de waarde in het economische verkeer van de in dat lid bedoelde andere maatschappij:

a. € 6 500 000 of meer maar minder dan € 23 000 000 bedraagt, indien een natuurlijk persoon of een samenwerkende groep van natuurlijke personen middellijk of onmiddellijk een belang heeft van ten minste vijf percent in de moedermaatschappij en de overige aandeelhouders elk een belang van minder dan de helft in de moedermaatschappij hebben, waarbij aandeelhouderslichamen die met elkaar zijn verbonden als bedoeld in artikel 10a, vierde lid, als één aandeelhouder worden aangemerkt;

b. minder bedraagt dan € 6 500 000, indien een natuurlijk persoon of een samenwerkende groep van natuurlijke personen middellijk of onmiddellijk een belang heeft van ten minste vijfentwintig percent in de moedermaatschappij.

5. Onze Minister kan nadere regelen geven met betrekking tot de verrekening van rente die bij het einde van de periode van acht jaren als bedoeld in het eerste lid nog niet in aftrek is gekomen.

ARTIKEL 15AE

1. Voor de toepassing van artikel 20, tweede lid, vindt:

a. de verrekening van door een maatschappij voor haar voegingstijdstip geleden verliezen (voorvoegingsverliezen) met de belastbare winst van de fiscale eenheid plaats voorzover deze winst aan die maatschappij is toe te rekenen;

b. de verrekening van een verlies van de fiscale eenheid met de voor het voegingstijdstip van een maatschappij genoten belastbare winst van die maatschappij plaats voorzover het verlies aan die maatschappij is toe te rekenen;

c. indien een bestaande fiscale eenheid wordt uitgebreid of indien een bestaande fiscale eenheid wordt opgenomen in een nieuwe fiscale eenheid – de verrekening van een voor dat voegingstijdstip geleden verlies van die bestaande fiscale eenheid met de belastbare winst van de fiscale eenheid plaats voorzover deze winst is toe te rekenen aan de maatschappijen die direct voorafgaande aan dat voegingstijdstip tot de bestaande fiscale eenheid behoorden;

d. indien een bestaande fiscale eenheid wordt uitgebreid of indien een bestaande fiscale eenheid wordt opgenomen in een nieuwe fiscale eenheid – de verrekening van een na dat voegingstijdstip geleden verlies van de fiscale eenheid met de belastbare winst van de bestaande fiscale eenheid plaats voorzover dit verlies is toe te rekenen aan de maatschappijen die direct voorafgaande aan dat voegingstijdstip tot de bestaande fiscale eenheid behoorden.

2. Het eerste lid, onderdeel a, vindt geen toepassing voorzover de winst van de fiscale eenheid betrekking heeft op vermogensbestanddelen die door een maatschappij zijn verkregen van een andere maatschappij die ten tijde van die verkrijging van de fiscale eenheid deel uitmaakte en die winst op de voet van artikel 15ah, tweede lid, aan die andere maatschappij zou zijn toegerekend indien de fiscale eenheid niet ten aanzien van die andere maatschappij zou zijn beëindigd, behoudens indien met betrekking tot die vermogensbestanddelen artikel 15ai, eerste of tweede lid, toepassing heeft gevonden.

3. Met betrekking tot de in het eerste lid, onderdelen a en b, bedoelde verrekening wordt in artikel 20a voor «de belastingplichtige» gelezen: de maatschappij.

4. Bij de voorwaartse verrekening van verliezen van een fiscale eenheid of voorvoegingsverliezen van de moedermaatschappij worden voorvoegingsverliezen van dochtermaatschappijen buiten beschouwing gelaten bij de vraag welk jaar voor de toepassing van artikel 20a, eerste lid, als oudste jaar kwalificeert.

ARTIKEL 15AF

1. Vanaf het tijdstip van ontvoeging van een dochtermaatschappij worden voor de toepassing van artikel 20, tweede lid, de volgende verliezen verrekend met de door die dochtermaatschappij na dat tijdstip genoten belastbare winst:

a. de voorvoegingsverliezen van die maatschappij; en

b. de verliezen van de fiscale eenheid die aan die dochtermaatschappij zijn toe te rekenen.

2. Het eerste lid, onderdeel b, vindt slechts toepassing indien die maatschappij en de moedermaatschappij daarom verzoeken en voorzover aannemelijk wordt gemaakt dat deze verliezen aan die dochtermaatschappij zijn toe te rekenen.

3. Het in het tweede lid bedoelde verzoek wordt gedaan bij de aangifte van de moedermaatschappij over het laatste jaar waarin de dochtermaatschappij nog deel uitmaakt van de fiscale eenheid. De inspecteur stelt het aan de dochtermaatschappij toe te rekenen verlies van de fiscale eenheid vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. Artikel 20b, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

4. In afwijking in zoverre van het eerste lid vindt geen verrekening plaats met de belastbare winst van de ontvoegde dochtermaatschappij voorzover die winst betrekking heeft op vermogensbestanddelen die door die maatschappij zijn verkregen van een andere maatschappij waarmee het ten tijde van die verkrijging van de fiscale eenheid deel uitmaakte en die winst op de voet van artikel 15ah, tweede lid, niet aan de ontvoegde dochtermaatschappij zou zijn toegerekend indien de fiscale eenheid niet ten aanzien van die maatschappij zou zijn beëindigd.

5. Het vierde lid vindt geen toepassing indien met betrekking tot de daar bedoelde vermogensbestanddelen artikel 15ai, eerste of tweede lid, toepassing heeft gevonden.

6. Vanaf het in het eerste lid bedoelde ontvoegingstijdstip vindt met de winst van de fiscale eenheid onderscheidenlijk de moedermaatschappij geen verrekening plaats van de verliezen die ingevolge dat lid worden verrekend met de belastbare winst van de ontvoegde dochtermaatschappij.

7. Ten aanzien van een ontvoegde dochtermaatschappij die op de voet van het eerste lid, onderdeel b, verliezen van de fiscale eenheid mag verrekenen, wordt in artikel 20a voor «de belastingplichtige» gelezen: de maatschappij.

Artikel 15ag

1. Vanaf het ontvoegingstijdstip van een moedermaatschappij worden voor de toepassing van artikel 20, tweede lid, voorvoegingsverliezen van die moedermaatschappij niet verrekend met de door haar na dat tijdstip genoten belastbare winst voorzover die winst betrekking heeft op vermogensbestanddelen die door haar tijdens het bestaan van de fiscale eenheid zijn verkregen van een dochtermaatschappij en die winst op de voet van artikel 15ah, tweede lid, niet aan de moedermaatschappij zou zijn toegerekend indien de fiscale eenheid met die dochtermaatschappij niet zou zijn beëindigd.

2. Het eerste lid vindt geen toepassing indien met betrekking tot de vermogensbestanddelen artikel 15ai, eerste of tweede lid, toepassing heeft gevonden.

ARTIKEL 15AH

1. Voor de toepassing van de artikelen 15ab, tweede lid, 15ad en 15ae wordt onder de aan een maatschappij toe te rekenen winst van de fiscale eenheid verstaan de winst van die maatschappij berekend alsof zij geen deel uitmaakt van de fiscale eenheid, voorzover deze winst bij de fiscale eenheid tot uitdrukking komt en met inachtneming van het tweede en derde lid.

2. Ingeval in enig jaar door een maatschappij (overnemer) een vermogensbestanddeel is verkregen van een andere maatschappij (overdrager) die tot de fiscale eenheid behoort:

a. wordt bij het bepalen van de aan de overnemer toe te rekenen winst, de afschrijving op het overgedragen vermogensbestanddeel berekend op basis van de waarde in het economische verkeer ten tijde van de overdracht;

b. wordt bij het bepalen van de aan de overdrager toe te rekenen winst, het verschil tussen het bedrag van de afschrijving dat met betrekking tot het overgedragen vermogensbestanddeel ingevolge onderdeel a bij de overnemer in aanmerking wordt genomen en het bedrag van de afschrijving dat met betrekking tot dat overgedragen vermogensbestanddeel bij de fiscale eenheid tot uitdrukking komt, gerekend tot de winst van de overdrager;

c. blijven bij het bepalen van de aan de overnemer toe te rekenen winst, buiten aanmerking de met betrekking tot het overgedragen vermogensbestanddeel gerealiseerde stille reserves voor zover deze ten tijde van de verkrijging reeds aanwezig waren, en niet reeds op grond van onderdeel b aan de overdrager zijn toegerekend;

d. wordt het bedrag dat ingevolge onderdeel c buiten aanmerking blijft bij de bepaling van de aan de overnemer toe te rekenen winst, toegerekend aan de overdrager.

3. Voorts worden bij het bepalen van de aan een maatschappij toe te rekenen winst, positieve onderscheidenlijk negatieve voordelen ter zake van rechtsverhoudingen tussen maatschappijen die van de fiscale eenheid deel uitmaken en die niet in de winst van de fiscale eenheid tot uitdrukking komen, in aanmerking genomen voorzover bij de berekening van de aan de ene maatschappij toe te rekenen winst positieve voordelen tot uitdrukking komen en ten belope van hetzelfde bedrag bij de berekening van de aan de andere maatschappij toe te rekenen winst negatieve voordelen staan.

4. Indien aan het voornemen tot herinvestering bedoeld in artikel 3.54 van de Wet inkomstenbelasting 2001, gevolg is gegeven door een andere maatschappij van de fiscale eenheid dan de maatschappij die het bedrijfsmiddel heeft vervreemd ter zake waarvan de herinvesteringsreserve is gevormd, wordt het bedrijfsmiddel waarin is geherinvesteerd voor de toepassing van het tweede lid geacht te zijn verworven door de maatschappij die het bedrijfsmiddel heeft vervreemd en onmiddellijk daarna te zijn overgedragen aan die andere maatschappij.

ARTIKEL 15AI

1. Indien in enig jaar door een maatschappij (overdrager) een vermogensbestanddeel is overgedragen aan een andere maatschappij (overnemer) waarvan de waarde in het economische verkeer op het moment van de overdracht hoger was dan de boekwaarde, wordt op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop de fiscale eenheid ten aanzien van die overdrager of overnemer wordt beëindigd, dat vermogensbestanddeel te boek gesteld op de waarde in het economische verkeer. Indien met betrekking tot een in de vorige volzin bedoeld vermogensbestanddeel door de overnemer een reserve is gevormd als bedoeld in artikel 3.54 van de Wet inkomstenbelasting 2001, wordt deze reserve op het tijdstip onmiddellijk voorafgaande aan het in de eerste volzin bedoelde ontvoegingstijdstip opgenomen in de winst van de fiscale eenheid. Indien de reserve, bedoeld in de tweede volzin, reeds is afgeboekt op de aanschaffings- of voortbrengingskosten van een vervangend bedrijfsmiddel, wordt dat bedrijfsmiddel op het in de eerste volzin bedoelde ontvoegingstijdstip te boek gesteld op de waarde in het economische verkeer.

2. In afwijking van het eerste lid wordt het overgedragen vermogensbestanddeel op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan de ontvoeging te boek gesteld op een bedrag gelijk aan de waarde in het economische verkeer van het vermogensbestanddeel ten tijde van de overdracht, verminderd met de afschrijving tussen het tijdstip van de overdracht en het ontvoegingstijdstip berekend overeenkomstig artikel 15ah, tweede lid, onderdeel a, mits de belastingplichtige de hoogte van dit bedrag aannemelijk maakt.

3. Het eerste lid vindt geen toepassing ingeval:

a. de overdracht heeft plaatsgevonden in het kader van een bij de aard en omvang van de overdrager en de overnemer passende normale bedrijfsuitoefening;

b. sprake was van een overdracht van een onderneming of een zelfstandig onderdeel van een onderneming, tegen uitreiking door de overnemer van eigen aandelen, en na het tijdstip waarop de overdracht heeft plaatsgevonden ten minste drie kalenderjaren zijn verstreken; of

c. na het tijdstip waarop de overdracht heeft plaatsgevonden ten minste zes kalenderjaren zijn verstreken.

4. Indien aan het voornemen tot herinvestering als bedoeld in artikel 3.54 van de Wet inkomstenbelasting 2001 gevolg is gegeven door een andere maatschappij van de fiscale eenheid dan de maatschappij die het bedrijfsmiddel heeft vervreemd ter zake waarvan de herinvesteringsreserve is gevormd, wordt het bedrijfsmiddel waarin is geherinvesteerd voor de toepassing van het eerste lid geacht te zijn verworven door de maatschappij die het bedrijfsmiddel heeft vervreemd en onmiddellijk daarna te zijn overgedragen aan de andere maatschappij.

5. Voor de toepassing van artikel 3.54 van de Wet inkomstenbelasting 2001 mag de bij de fiscale eenheid aanwezige herinvesteringsreserve worden afgeboekt op de aanschaffings- of voortbrengingskosten van de eerstvolgende herinvestering door de maatschappij die het bedrijfsmiddel heeft vervreemd terzake waarvan de reserve is gevormd, in plaats van op die kosten van de eerstvolgende herinvestering door een maatschappij van de fiscale eenheid.

6. Het eerste en tweede lid vinden geen toepassing met betrekking tot een overgedragen vermogensbestanddeel waarop artikel 15c van toepassing is.

ARTIKEL 15AJ

1. Herinvesteringsreserves als bedoeld in artikel 3.54 van de Wet inkomstenbelasting 2001 bedragen op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het ontvoegingstijdstip van een dochtermaatschappij niet meer dan hetgeen deze volgens het genoemde artikel 3.54 bij de moedermaatschappij en de ontvoegde dochtermaatschappij gezamenlijk zouden hebben belopen als de dochtermaatschappij geen deel zou hebben uitgemaakt van de fiscale eenheid.

2. De tot het vermogen van een maatschappij behorende schuldvorderingen op een andere maatschappij worden op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het ontvoegingstijdstip gesteld op de nominale waarde of, indien dat lager is, de bedrijfswaarde. Tevens worden op het eerstgenoemde tijdstip de schulden van de andere maatschappij waarop de schuldvorderingen betrekking hebben, gesteld op de nominale waarde. Indien de schuldvordering op een lagere waarde dan de nominale waarde is gesteld, blijft de toekomstige waarde-aangroei van deze vordering bij de bepaling van de winst van de schuldeiser buiten aanmerking, voorzover deze aantoont dat de waardedaling van de vordering beneden de nominale waarde heeft plaatsgevonden tijdens de periode dat beide maatschappijen deel uitmaakten van dezelfde fiscale eenheid.

3. Indien een dochtermaatschappij in het zicht van haar liquidatie wordt ontvoegd, worden op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het ontvoegingstijdstip achtereenvolgens:

a. de schulden van die dochtermaatschappij gesteld op de bedrijfswaarde als deze waarde lager is dan de nominale waarde van de schuld, en

b. de aan de dochtermaatschappij toe te rekenen egalisatiereserves als bedoeld in artikel 3.53, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 en herinvesteringsreserves als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, van dat artikel aan de winst toegevoegd.

4. De op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het ontvoegingstijdstip bij de fiscale eenheid aanwezige reserves als bedoeld in artikel 3.53, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 worden op het ontvoegingstijdstip als volgt over de moedermaatschappij en de dochtermaatschappij verdeeld:

a. een egalisatiereserve wordt toegedeeld aan de verschillende maatschappijen naar de mate waarin de kosten waarop de reserve betrekking heeft, ten laste van die maatschappijen zullen komen;

b. een herinvesteringsreserve wordt toegedeeld aan de maatschappij die het vermogensbestanddeel heeft vervreemd ter zake waarvan de reserve is gevormd.

5. Vanaf het ontvoegingstijdstip volgt de dochtermaatschappij met betrekking tot de waardering van de activa en passiva dezelfde gedragslijn die de fiscale eenheid tot dat tijdstip volgde.

6. De aandelen in een dochtermaatschappij worden op het ontvoegingstijdstip teboekgesteld op het in artikel 13d, achtste lid, vastgestelde opgeofferde bedrag.

7. Indien in enig jaar een deelneming waarop artikel 13ca, eerste lid, toepassing heeft gevonden, door een maatschappij is overgedragen aan een andere maatschappij, wordt voor de toepassing van artikel 13ca, vierde lid, die deelneming geacht te zijn vervreemd op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop de fiscale eenheid ten aanzien van een van beide maatschappijen wordt beëindigd.

M. In artikel 15a worden het eerste tot en met vierde lid, onder vernummering van het vijfde en zesde lid in zevende onderscheidenlijk achtste lid, vervangen door:

1. Van een centrale maatschappij en haar ledenmaatschappijen wordt, op verzoek van al deze belastingplichtigen en ten vroegste met ingang van het jaar waarin het verzoek is ingediend, de belasting van hen geheven alsof er één belastingplichtige is, in die zin dat de werkzaamheden en het vermogen van de ledenmaatschappijen deel uitmaken van de werkzaamheden en het vermogen van de centrale maatschappij. De belasting wordt geheven bij de centrale maatschappij. De belastingplichtigen tezamen worden in dat geval aangemerkt als fiscale eenheid.

2. Het eerste lid vindt slechts toepassing zo lang:

a. de werkzaamheden van de ledenmaatschappijen plaatsvinden onder leiding van de centrale maatschappij;

b. de werkzaamheden van de maatschappijen elkaar over en weer aangaan, met dien verstande dat de maatschappijen in ieder geval onderling instaan voor elkaars schulden;

c. winstuitdelingen aan de leden van de ledenmaatschappijen plaatsvinden naar een gelijke maatstaf;

d. de tijdvakken waarover de belasting wordt geheven voor de maatschappijen samenvallen;

e. de door Onze Minister nader te stellen voorwaarden zijn vervuld.

3. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking, waarin de in het tweede lid, onderdeel e, bedoelde voorwaarden zijn opgenomen.

4. Het eerste lid vindt geen toepassing ingeval voor het bepalen van de winst niet bij de maatschappijen dezelfde bepalingen – uitgezonderd artikel 9, eerste lid, onderdeel h – van toepassing zijn, tenzij Onze Minister anders bepaalt.

5. De in het tweede lid, onderdeel e, bedoelde voorwaarden kunnen strekken tot de verzekering van de heffing en invordering van de belasting met het oog op de omstandigheid dat de in het eerste lid bedoelde belastingplichtigen voor de toepassing van deze wet een fiscale eenheid vormen alsmede met het oog op de totstandkoming en beëindiging van de fiscale eenheid. Onder die voorwaarden worden mede begrepen voorwaarden die betrekking kunnen hebben op het bepalen van de in een jaar genoten winst, de toelaatbare reserves, de verrekening van verliezen, de verminderingen ter voorkoming van dubbele belasting ter zake van buitenlandse resultaten en de inhoud en wijziging van de statuten van de maatschappijen alsmede de overdracht en beëindiging van lidmaatschapsrechten in de centrale maatschappij.

6. Indien de ledenmaatschappijen deel uitmaken van een fiscale eenheid met een centrale maatschappij vindt met betrekking tot die centrale maatschappij artikel 9, eerste lid, onderdeel h, geen toepassing.

7. Artikel 15, tiende lid, is van overeenkomstige toepassing.

N. Artikel 15c wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. In de als eerste lid aangeduide tekst wordt «de hiervoor bedoelde inwonerschap» vervangen door: het hiervoor bedoelde inwonerschap.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de vermogensbestanddelen die bij een fiscale eenheid afkomstig zijn van een dochtermaatschappij indien zich ten aanzien van die dochtermaatschappij een omstandigheid voordoet als bedoeld in het eerste lid.

O. In artikel 18, eerste lid, wordt «vijfde lid, achtste lid» vervangen door: zesde lid, negende en elfde lid.

P. Aan artikel 20b wordt toegevoegd:

4. De in het eerste lid bedoelde beschikking wordt herzien voorzover de verrekening van het verlies ingevolge artikel 15af toekomt aan een andere belastingplichtige.

Q. Aan artikel 24 wordt, onder aanduiding van de huidige tekst als eerste lid, toegevoegd:

2. Ingeval artikel 15 of artikel 15a toepassing vindt, wordt de aanslag gesteld ten name van de moedermaatschappij onderscheidenlijk de centrale maatschappij.

R. Na artikel 25a wordt ingevoegd:

ARTIKEL 26

Ingeval artikel 15 of artikel 15a toepassing vindt, kan de inspecteur in afwijking in zoverre van artikel 6, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen uitsluitend de moedermaatschappij onderscheidenlijk de centrale maatschappij uitnodigen tot het doen van aangifte voor de vennootschapsbelasting.

S. In artikel 30 vervalt het tweede lid, alsmede de aanduiding «1.» voor het eerste lid.

T. In artikel 37 vervalt het zesde lid.

ARTIKEL II

In artikel 11 van de Wet op de dividendbelasting 1965 wordt het vierde lid vervangen door:

4. Indien de inhoudingsplichtige als dochtermaatschappij deel uit maakt van een fiscale eenheid in de zin van artikel 15, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 worden de door die maatschappij ontvangen winstuitkeringen op aandelen en winstbewijzen die voldoen aan de voorwaarden van het eerste lid voor de toepassing van de vermindering ingevolge dit artikel toegerekend aan de moedermaatschappij van die fiscale eenheid. Ingeval door de dochtermaatschappij voor het tot stand komen van de in de vorige volzin bedoelde fiscale eenheid winstuitkeringen zijn ontvangen die voldoen aan de voorwaarden van het eerste lid, kan Onze Minister op gezamenlijk verzoek van de moeder- en de dochtermaatschappij, onder door hem te stellen voorwaarden, toestaan dat die winstuitkeringen worden toegerekend aan de moedermaatschappij.

ARTIKEL III

In de Invorderingswet 1990 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

A. Artikel 24, tweede lid, tweede volzin, wordt vervangen door:

Met betrekking tot door de ontvanger uit te betalen en te innen bedragen aan belasting welker verschuldigdheid materieel is ontstaan over dan wel in een tijdvak waarin de belastingschuldige deel uitmaakt of uitmaakte van een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 15, eerste lid, of artikel 15a, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, kunnen aan die belastingschuldige uit te betalen bedragen, behalve met van deze te innen bedragen, worden verrekend met te innen bedragen van een andere maatschappij die in dat tijdvak deel uitmaakt of uitmaakte van vorenbedoelde fiscale eenheid. De vorige volzin vindt toepassing, voor zoveel nodig in afwijking van hetgeen voortvloeit uit het eerste lid, ongeacht het in staat van surseance van betaling of van faillissement geraken van de in die volzin bedoelde belastingschuldige of andere maatschappij.

B. Artikel 39 wordt vervangen door:

ARTIKEL 39

Hoofdelijk aansprakelijk is voor de vennootschapsbelasting die over een tijdvak is geheven van een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 15, eerste lid, of artikel 15a, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969: elk van de dochtermaatschappijen, onderscheidenlijk elk van de ledenmaatschappijen die in dat tijdvak deel uitmaakt of uitmaakte van die fiscale eenheid.

ARTIKEL IV

1. Voor de heffing van de vennootschapsbelasting wordt een beschikking:

a. genomen krachtens artikel 32, onderdeel 5, van het Besluit op de Vennootschapsbelasting 1942 in verbinding met artikel 27 van het Besluit op de Winstbelasting 1940;

b. als bedoeld in artikel 14 van het Invoeringsbesluit Vennootschapsbelasting 1942; of

c. genomen krachtens artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 zoals dat luidde tot het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet; geacht op verzoek van de belastingplichtige ten aanzien van wie die beschikking toepassing vond op het tijdstip waarop deze wet op hem van toepassing wordt, te zijn genomen op de voet van artikel 15, achtste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

2. In afwijking van het eerste lid blijven ten aanzien van een belastingplichtige bij wie op het tijdstip onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip waarop deze wet op hem van toepassing wordt artikel 15 of artikel 30, tweede lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 toepassing vond, op zijn verzoek dat artikel zoals dat op het tijdstip onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet luidde en de bij of krachtens dat artikel gestelde voorwaarden van toepassing tot het einde van het boekjaar van die belastingplichtige volgend op het eerste boekjaar dat is aangevangen op of na 1 januari volgend op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. In dat geval wordt de beschikking, bedoeld in het eerste lid, ten aanzien van die belastingplichtige geacht op de voet van artikel 15, achtste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 te worden genomen op het tijdstip onmiddellijk volgend op het einde van het boekjaar van die belastingplichtige volgend op het eerste boekjaar dat is aangevangen op of na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.

3. Het eerste en tweede lid vinden slechts toepassing indien door de belastingplichtige op het tijdstip waarop deze wet op hem van toepassing wordt, wordt voldaan aan de bij of krachtens artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, zoals dat met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet luidt, gestelde vereisten voor de totstandkoming van een fiscale eenheid in de zin van het eerste lid van dat artikel.

4. De belastingplichtige die zekerheid wil hebben omtrent de vraag of op het tijdstip waarop deze wet op hem van toepassing wordt, wordt voldaan aan het in artikel 15, derde lid, onderdeel c, opgenomen vereiste met betrekking tot de vestigingsplaats van de belastingplichtige of, indien die belastingplichtige naar buitenlands recht is opgericht, wordt voldaan aan de in onderdeel d van dat derde lid gestelde vereisten met betrekking tot naar buitenlands recht opgerichte lichamen, kan een verzoek indienen bij de inspecteur. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.

5. Ingeval het tweede lid ten aanzien van een belastingplichtige toepassing vindt en die belastingplichtige voor ommekomst van de in dat lid aangeduide periode op de voet van artikel 15, vijfde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 verzoekt deel uit te maken van een fiscale eenheid met een andere belastingplichtige, blijven, in afwijking in zoverre van het tweede lid, de in dat lid genoemde artikelen en de bij of krachtens die artikelen gestelde voorwaarden niet langer van toepassing dan tot het tijdstip waarop die fiscale eenheid ten aanzien van die belastingplichtigen tot stand komt. Het tweede lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.

6. Het in het tweede en vierde lid bedoelde verzoek wordt gedaan door de moedermaatschappij, bedoeld in artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, onderscheidenlijk de naamloze vennootschap die aandelen bezit in een andere vennootschap, bedoeld in artikel 30, tweede lid, van die wet, zoals deze artikelen luidden op het tijdstip onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.

7. In afwijking van het tweede lid zijn voor boekjaren waarin dat lid ten aanzien van een belastingplichtige toepassing vindt ook de volgende artikelen van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 van toepassing:

a. artikel 15ac, vierde lid; en

b. indien de in het eerste lid bedoelde beschikking is genomen op een na 20 november 2000 gedaan verzoek: artikel 15ad, dat in de plaats treedt van artikel 15, vierde en vijfde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 zoals dat luidde tot het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet.

8. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van belastingplichtigen als bedoeld in artikel 15a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

ARTIKEL V

1. Indien belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting op het tijdstip onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip waarop deze wet op hen van toepassing wordt, een eenheid vormen in de zin van artikel 15, derde lid of artikel 30, tweede lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, op het tijdstip waarop deze wet op hen van toepassing wordt, niet voldoen aan de bij of krachtens artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 gestelde vereisten voor de totstandkoming van een fiscale eenheid in de zin van het eerste lid van dat artikel, eindigt die fiscale eenheid met ingang van het laatstgenoemde tijdstip. Op verzoek van de belastingplichtigen vinden in dat geval, in plaats van de bepalingen die ten aanzien van die eenheid met betrekking tot de beëindiging van die eenheid golden, de regels toepassing die van het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet bij of krachtens artikel 15, 15af, 15ag, 15ai en 15aj van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 zijn gesteld met betrekking tot een beëindiging van een fiscale eenheid.

2. Het verzoek wordt gedaan door de moedermaatschappij, bedoeld in artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, onderscheidenlijk de naamloze vennootschap die aandelen bezit in een andere vennootschap, bedoeld in artikel 30, tweede lid, van die wet, zoals deze artikelen luidden op het tijdstip onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, gelijktijdig met de aangifte over het laatste boekjaar voor het tijdstip waarop deze wet op haar van toepassing wordt. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.

3. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van belastingplichtigen als bedoeld in artikel 15a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

ARTIKEL VI

1. Indien ten aanzien van een lichaam artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 vanaf enig tijdstip geen toepassing meer vindt als gevolg van de in artikel I, onderdeel A, opgenomen wijziging van artikel 2, vierde lid, van die wet, worden de vermogensbestanddelen van dat lichaam op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip geacht te zijn vervreemd tegen de waarde in het economische verkeer.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing in de situatie waarin een lichaam voor het tijdstip waarop deze wet op hem van toepassing wordt enkel op de voet van artikel 2, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 in Nederland is gevestigd, deel uitmaakt van een fiscale eenheid en zich tussen 1 juni 2001 en het tijdstip waarop deze wet op hem van toepassing wordt een omstandigheid voordoet waardoor de fiscale eenheid wordt verbroken.

3. Dit artikel blijft buiten toepassing indien de werkelijke leiding van het lichaam dat enkel op de voet van artikel 2, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 in Nederland was gevestigd binnen een jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet naar Nederland wordt verplaatst. De fiscale eenheid wordt dan geacht niet te zijn verbroken.

4. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op vermogensbestanddelen die tot een in Nederland aanwezige vaste inrichting van de belastingplichtige behoren en op in Nederland gelegen onroerende zaken.

ARTIKEL VII

1. Een op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het ontvoegingstijdstip bij de fiscale eenheid aanwezige reserve als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel b of c, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals dit artikel luidde op 31 december 1999, wordt als volgt over de moedermaatschappij en de dochtermaatschappijen verdeeld:

a. de in artikel 13, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals dit artikel luidde op 31 december 1999, bedoelde reserve tot dekking van risico's wordt toegedeeld aan de maatschappij die de risico's welke in belangrijke mate worden verzekerd, niet voor 1 januari 2000 heeft verzekerd en, indien dat bij meer dan één maatschappij het geval is, aan elk van hen naar verhouding van die risico's;

b. de in artikel 13, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals dit artikel luidde op 31 december 1999, bedoelde reserve tot dekking van debiteuren- en valutarisico's wordt toegedeeld aan de maatschappij die de risico's niet voor 1 januari 2000 heeft verzekerd en, indien dat bij meer dan één maatschappij het geval is, aan elk van hen naar verhouding van die risico's.

2. Artikel 15aj, derde lid, is van overeenkomstige toepassing op een aan een dochtermaatschappij toe te rekenen reserve als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel b of c, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals dit artikel luidde op 31 december 1999.

ARTIKEL VIII

1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, en vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot de heffing over het eerste boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari van het kalenderjaar volgend op de datum van inwerkingtreding van deze wet.

2. Artikel VI werkt terug tot het eind van het laatste boekjaar waarin ten aanzien van het in dat artikel bedoelde lichaam artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 nog van toepassing is.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Staatssecretaris van Financiën,