nr. 168
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN
MILIEUBEHEER
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 11 december 2001
Met het oog op de mondelinge behandeling van het initiatiefvoorstel van
wet van mevrouw Vos (Groen Links) tot wijziging van de Wet milieubeheer (duurzaam
geproduceerd hout) doe ik u, overeenkomstig mijn eerdere toezegging, hierbij
het kabinetsstandpunt over dat initiatiefvoorstel toekomen.
In het Regeringsstandpunt Tropisch Regenwoud van 1991 is één
van de doelstellingen dat vanaf 1995 het gebruik van tropisch hout beperkt
zou moeten worden tot hout dat afkomstig is uit landen/regio's met een bosbeleid
en beheer gericht op bescherming en duurzame productie. Dit betekende dat
vanaf 1 januari 1996 op de Nederlandse markt alleen nog duurzaam
geproduceerd tropisch hout zou mogen worden aangeboden. De datum van 1 januari
1996 is in 1995 echter in overeenstemming gebracht met de in de Internationale
Tropisch Hout Organisatie (ITHO) overeengekomen streefdatum van 2000. Gelijktijdig
is toen ook de doelstelling uitgebreid tot alle bossoorten, dus ook tot niet-tropisch
hout.
Een en ander betekende dat in het jaar 2000 alle op de Nederlandse markt
aangeboden hout(producten), ongeacht de herkomst ervan, afkomstig zou moeten
zijn uit duurzaam beheerde bossen, ook wel de jaar 2000-doelstelling genoemd.
In juli 2001 heb ik u een afschrift toegezonden van het door KPMG opgestelde
evaluatierapport over de toepassing van de minimumeisen voor houtcertificering
en de beleidsreactie van de staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en
Visserij op dat rapport. Die beleidsreactie is uitgebracht mede namens de
minister van Economische Zaken en mij. Uit het evaluatierapport valt onder
meer af te leiden dat de jaar 2000-doelstelling (100% aantoonbaar duurzaam
geproduceerd hout op de Nederlandse markt) bij lange na niet is gehaald. Bovendien
valt uit dat rapport af te leiden dat de toepassing van de minimumeisen nauwelijks heeft bijgedragen aan een toename van het aandeel duurzaam geproduceerd
hout dat in 2000 op de Nederlandse markt is aangeboden.
In het KPMG-rapport zijn enige aanbevelingen opgenomen die tot verbetering
van de minimumeisen zelf en van de toepassing van die eisen kunnen leiden
en daarmee tot verbetering van vraag en aanbod van gecertificeerd duurzaam
geproduceerd hout op de Nederlandse markt.
Naar aanleiding van één van die aanbevelingen is in de beleidsreactie
gesteld dat de minimumeisen en de toepassing daarvan zal worden ingebed in
het accreditatie- en certificatiesysteem van de Raad voor Accreditatie. De
realisatie van dat voornemen staat op zichzelf, maar zal overeenkomsten vertonen
met bepaalde onderdelen van het initiatiefvoorstel. Immers, het in het kader
van de Raad voor Accreditatie te ontwikkelen certificatieschema, zal onder
meer de criteria dienen te bevatten die bepalend zijn voor de vraag of er
sprake is van duurzaam bosbeheer. Het initiatiefvoorstel voorziet in het bij
algemene maatregel van bestuur geven van die criteria. Het verschil tussen
de regeling onder de Raad voor Accreditatie en het initiatiefvoorstel is echter,
dat het initiatiefvoorstel dwingt tot labeling, terwijl de regeling onder
de Raad voor Accreditatie daar niet toe dwingt.
Voor het overige verwijst het kabinet u naar het evaluatierapport en naar
de beleidsreactie daarop.
Aan het tot wet verheffen van het initiatiefvoorstel kleeft, zoals uit
de eerste reactie van de Europese Commissie naar aanleiding van de notificatie
van het initiatiefvoorstel blijkt, het risico dat de Europese Commissie Nederland
in gebreke zal stellen. Naar de mening van de Europese Commissie stuit het
initiatiefvoorstel, wanneer dit wet wordt, mogelijk op juridische bezwaren
vanwege het in strijd zijn met de artikelen 28-30 van het EG-verdrag. In dit
verband wijst het kabinet nog op de brief van de diensten van de Europese
Commissie van 5 maart jl., waarin zij ter afsluiting van de notificatieprocedure
van het initiatiefvoorstel hebben medegedeeld dat zij de Europese Commissie
zullen adviseren Nederland in gebreke te stellen. Een ingebrekestelling leidt
tot een procedure voor het Europese Hof van Justitie, welk Hof uitspraak zal
doen over het al dan niet in strijd zijn van het initiatiefvoorstel met het
EG-verdrag. Wanneer het Hof van Justitie tot het oordeel komt dat de wet in
strijd is met het EG-verdrag, zal die wet niet in werking mogen treden en
zal deze dus moeten worden ingetrokken.
Na eerdere contacten heeft de Permanent Vertegenwoordiger in Brussel recentelijk
hernieuwd overleg gevoerd met deskundigen van de Europese Commissie over het
initiatiefwetsvoorstel. Brussel staat positief ten opzichte van de doelstelling
van het initiatiefwetsvoorstel, maar heeft juridische bezwaren. Men heeft
twijfels over de verenigbaarheid van het wetsvoorstel met het EG-verdrag alsmede
met de WTO-regels. Men deelde mee dat de Commissie niet in de positie is een
definitief standpunt in te nemen alvorens het wetsontwerp is afgehandeld.
Zowel het huidige kabinetsbeleid als het initiatiefvoorstel zijn gericht
op het bevorderen van het duurzaam beheer van bossen. Dit vertaalt zich ten
aanzien van het gebruik van hout in het streven naar 100% gecertificeerd duurzaam
geproduceerd hout op de Nederlandse markt. Een wezenlijk verschil is dat het
initiatiefvoorstel dit doel tracht te bereiken door productinformatie via
een verplichte labelling, terwijl het kabinet tot dusver dit doel trachtte
te bereiken op basis van vrijwilligheid. Al met al moet rekening worden gehouden
met een zijdens de Commissie te starten inbreuk procedure. Bovendien zij er
op gewezen dat in het kader van de notificatie van het initiatiefvoorstel
bij de Wereld Handelsorganisatie een aantal lidstaten van die organisatie
vanwege vermeende strijdigheid met het verdrag inzake technische
handelsbelemmeringen bezwaren tegen dat voorstel heeft ingebracht. Verwacht
kan worden dat zij te zijner tijd beroep aantekenen.
Ik ben gaarne bereid tijdens de mondelinge behandeling van het initiatiefwetsvoorstel
een nadere toelichting op een en ander te geven
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
J. P. Pronk