XII
VERSLAG OVER HET ADRES1 VAN A.C.H. VAN
EGGELEN TE VARSSEVELD BETREFFENDE HET HANDELEN VAN DE BELASTINGDIENST
Vastgesteld 23 april 2002
De commissie2, gelet op de door de staatssecretaris
van Financiën verstrekte inlichtingen,
overwegende,
dat adressant zich erover beklaagt dat hij door de ontvanger der belastingen
als vennoot aansprakelijk is gesteld voor een naheffingsaanslag in de omzetbelasting
over het jaar 1995 opgelegd aan de vennootschap, terwijl de onafhankelijke
rechter in belastingzaken zich door toedoen van de inspecteur der belastingen
niet heeft uitgesproken over de rechtmatigheid en juistheid van de aanslag,
dat de inspecteur het bezwaarschrift tegen de aanslag begin april 1998
heeft afgewezen doch abusievelijk medio mei 1998 andermaal een afwijzende
beschikking heeft afgegeven,
dat de vennootschap direct in reactie op de tweede afwijzing aan de inspecteur
heeft medegedeeld dat zij zonder uitdrukkelijk tegenbericht veronderstelde
dat de beroepstermijn derhalve vanaf medio mei was gaan lopen, op welke mededeling
de inspecteur vervolgens bewust niet heeft gereageerd en daarmee instemming
met die veronderstelling heeft laten blijken,
dat de vennootschap vervolgens eind juni per fax een pro forma beroepschrift
heeft ingediend bij de belastingdienst en twee weken later heeft verzocht
dit door te geleiden naar het gerechtshof, waar het eerst ruim twee weken
later arriveerde,
dat het gerechtshof het beroepschrift in december 1998 wegens termijnoverschrijding
niet ontvankelijk heeft verklaard en daarbij heeft overwogen dat het de vennootschap
begin april 1998, dus ten tijde van de ontvangst van de eerste afwijzing van
het bezwaarschrift, duidelijk had moeten zijn dat de beroepstermijn op dat
moment aanving omdat een tweede uitspraak op hetzelfde bezwaarschrift onbestaanbaar
is,
dat de stelling van adressant dat het aan de inspecteur verwijtbaar is
dat het gerechtshof zich niet heeft uitgesproken over de aanslag derhalve
reeds door het gerechtshof zelf ontkennend is beantwoord,
dat hetgeen adressant voorts aanvoert omtrent hetgeen met het eind juni
ingediende beroepschrift is gebeurd, in dit licht bezien geen nadere overweging
behoeft,
dat de staatssecretaris overigens wel bereid is geweest te bezien of de
inspecteur om inhoudelijke redenen de aanslag ambtshalve zou dienen te herzien,
doch heeft geconstateerd dat de inspecteur zijn standpunt in alle redelijkheid
heeft bepaald,
dat de aansprakelijkstelling van adressant, daar de aanslag medio 2000
nog niet door de vennootschap was voldaan, inmiddels onderwerp is van een
civiele procedure;
van oordeel,
dat er voor de Kamer geen aanleiding is in deze aangelegenheid verder
te treden,
stelt de Kamer voor ten aanzien van dit adres over te gaan tot de orde
van de dag.
De voorzitter van de commissie,
Stevens
De griffier van de commissie,
Van Dijk