nr. 97
GEWIJZIGD VOORSTEL VAN WET
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de wettelijke
basis voor een regeling bij algemene maatregel van bestuur van regionale verwijzingscommissies
aan te scherpen, rekening te houden met nevenvestigingen voor praktijkonderwijs,
de stichtings- en opheffingsnormen van afdelingen en scholen voor voorbereidend
beroepsonderwijs aan te passen en de studiekostenvergoeding voor voortgezet
speciaal onderwijs voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden en moeilijk
lerende kinderen gelijk te schakelen met die voor leerlingen in het voortgezet
onderwijs;
dat daartoe de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet tegemoetkoming
studiekosten dienen te worden gewijzigd;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der
Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en
verstaan bij deze:
}ARTIKEL I. WIJZIGING WET OP HET VOORTGEZET ONDERWIJS
De Wet op het voortgezet onderwijs wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 10g, zevende lid, komt te luiden:
7. Een regionale verwijzingscommissie die door Onze Minister is erkend,
wordt verbonden aan een regionaal werkzame schoolbegeleidingsdienst in de
desbetreffende regio. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
voorschriften gegeven met betrekking tot de taak, samenstelling, werkwijze,
beoordelingscriteria en subsidie van de regionale verwijzingscommissies
en de aan de regionale verwijzingscommissies te leveren gegevens.
B
Aan artikel 19, vierde lid, wordt een volzin toegevoegd, luidend: Aan
een school voor praktijkonderwijs kan een nevenvestiging zijn verbonden indien
die is tot stand gebracht op de wijze en voldoet aan de voorwaarden, bedoeld
in de regels die voor nevenvestigingen aan scholen voor praktijkonderwijs
zijn gesteld krachtens artikel XXII van de in de eerste volzin genoemde wet.
C
Artikel 69 wordt gewijzigd als volgt:
1. In het eerste lid worden de onderdelen g tot en met k en de laatste
volzin vervangen door:
f. driehonderd twintig leerlingen voor wat betreft een school voor voorbereidend
beroepsonderwijs bestaande uit een afdeling als bedoeld in artikel 10c, onderdeel
a, en een afdeling als bedoeld in artikel 10c, onderdeel b, of uit twee afdelingen
als bedoeld in artikel 10c, onderdeel c;
g. tweehonderd zestig leerlingen voor wat betreft een school voor voorbereidend
beroepsonderwijs bestaande uit de afdeling, bedoeld in artikel 10c, onderdeel
d;
h. honderd zestig leerlingen voor elke nieuw te vormen afdeling als bedoeld
in artikel 10c, onderdeel a, b of c, aan een reeds bekostigde of nieuw te
vormen school voor voorbereidend beroepsonderwijs;
i. tweehonderd zestig leerlingen voor elke nieuw te vormen afdeling als
bedoeld in artikel 10c, onderdeel d, aan een reeds bekostigde of nieuw te
vormen school voor voorbereidend beroepsonderwijs.
2. Het tweede en derde lid vervallen, onder vernummering van het vierde
en vijfde lid tot tweede en derde lid.
3. In het tweede lid wordt «een school als bedoeld in het eerste
lid, de onderdelen h en k» vervangen door: een school als bedoeld in
het eerste lid, de onderdelen f tot en met i.
D
Artikel 107 wordt gewijzigd als volgt:
1. Het tweede lid komt te luiden:
2. Een openbare school voor voorbereidend beroepsonderwijs wordt opgeheven
en de aanspraak op bekostiging ten behoeve van een zodanige bijzondere school
gaat verloren:
a. voor zover het betreft een school voor voorbereidend beroepsonderwijs
met één of meer afdelingen uit één, twee of drie
van de sectoren, bedoeld in artikel 10c, indien de school gedurende drie achtereenvolgende
schooljaren telkens is bezocht door minder dan 240 leerlingen,
b. voor zover het betreft een school voor voorbereidend beroepsonderwijs
met één of meer afdelingen uit alle vier sectoren, bedoeld in
artikel 10c, indien de school gedurende drie achtereenvolgende schooljaren
telkens is bezocht door minder dan 360 leerlingen.
2. In het vierde lid worden de derde en vierde volzin vervangen door:
Voor de toepassing van de tweede volzin wordt:
a. een lyceum beschouwd als een school met 10 leerjaren,
b. een school voor voorbereidend beroepsonderwijs met afdelingen uit twee
of drie van de sectoren, bedoeld in artikel 10c, beschouwd als een school
met 8 leerjaren en
c. een school voor voorbereidend beroepsonderwijs met afdelingen uit alle
vier sectoren, bedoeld in artikel 10c, beschouwd als een school met 12 leerjaren.
ARTIKEL II. WIJZIGING WET TEGEMOETKOMING STUDIEKOSTEN
Artikel 16, derde lid, van de Wet tegemoetkoming studiekosten wordt gewijzigd
als volgt:
1. In onderdeel c wordt na «voortgezet onderwijs» ingevoegd:
of het voortgezet speciaal onderwijs aan kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden
of moeilijk lerende kinderen.
2. In onderdeel d wordt na «voortgezet speciaal onderwijs»
ingevoegd: anders dan bedoeld in onderdeel c.
ARTIKEL III. WIJZIGING WET TEGEMOETKOMING STUDIEKOSTEN
Artikel 16, derde lid, van de Wet tegemoetkoming studiekosten wordt gewijzigd
als volgt:
1. In onderdeel c vervalt: of het voortgezet speciaal onderwijs aan kinderen
met leer- en opvoedingsmoeilijkheden of moeilijk lerende kinderen.
2. In onderdeel d vervalt: anders dan bedoeld in onderdeel c.
ARTIKEL IV. INWERKINGTREDING
1. Artikel I, onderdelen A en B, treedt in werking met ingang van de dag
na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet is geplaatst.
2. Artikel I, onderdelen C en D, en artikel II treden in werking met ingang
van 1 augustus volgend op de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin
deze wet is geplaatst, met dien verstande dat artikel I, onderdeel C, voor
het eerst van toepassing is op het plan van scholen voor het tweede tot en
met vierde kalenderjaar, volgend op de datum van inwerkingtreding van dit
onderdeel en dat artikel I, onderdeel D, voor het eerst van toepassing is
op de teldatum, volgend op de datum van inwerkingtreding.
3. Artikel III treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat
alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat,
aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,