nr. 338
GEWIJZIGD VOORSTEL VAN WET
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is ter bestrijding
van bezit van vuur-, steek- en andere wapens en daarmee samenhangend geweld
de Gemeentewet en de Wet wapens en munitie te wijzigen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der
Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en
verstaan bij deze:
ARTIKEL I
De Gemeentewet wordt als volgt gewijzigd:
A
Na artikel 151a wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 151b
1. De raad kan bij verordening de burgemeester de bevoegdheid verlenen
om bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan
wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip
van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende
erven, aan te wijzen als veiligheidsrisicogebied. In een veiligheidsrisicogebied
kan de officier van justitie de bevoegdheden, bedoeld 50, derde lid, 51, derde
lid, en 52, derde lid, van de Wet wapens en munitie van toepassen.
2. De burgemeester gaat niet over tot aanwijzing als veiligheidsrisicogebied
dan na overleg met de officier van justitie in het overleg, bedoeld in artikel
14 van de Politiewet 1993.
3. De aanwijzing als veiligheidsrisicogebied wordt gegeven voor een bepaalde duur die niet langer is en voor een gebied dat niet groter
is dan strikt noodzakelijk voor de handhaving van de openbare orde.
4. De beslissing tot gebiedsaanwijzing wordt op schrift gesteld en bevat
een omschrijving van het gebied waarop deze van toepassing is alsmede de geldigheidsduur.
Indien de situatie dermate spoedeisend is dat de burgemeester de beslissing
tot gebiedsaanwijzing niet tevoren op schrift kan stellen, zorgt hij alsnog
zo spoedig mogelijk voor de opschriftstelling en voor de bekendmaking daarvan.
5. De burgemeester brengt de gebiedsaanwijzing zo spoedig mogelijk ter
kennis van de raad en van de officier van justitie, bedoeld in het tweede
lid.
6. Zodra de verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens,
dan wel de ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, bedoeld in het eerste
lid, is geweken, trekt de burgemeester de gebiedsaanwijzing in. Het vijfde
lid is van overeenkomstige toepassing.
B
In artikel 177 wordt de zinsnede «de artikelen 154a, 172, 173, 174,
tweede lid, 174a, 175, 176 en 176a» vervangen door: de artikelen 151b,
154a, 172, 173, 174, tweede lid, 174a, 175, 176 en 176a.
C
In artikel 178 wordt de zinsnede «krachtens artikel 154a»
vervangen door: krachtens de artikelen 151b en 154a.
ARTIKEL II
De Wet wapens en munitie wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 50 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
1. De bij of krachtens artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering
aangewezen ambtenaren zijn bevoegd te vorderen dat de verpakking van goederen,
met inbegrip van reisbagage, wordt geopend, indien daartoe redelijkerwijs
aanleiding bestaat op grond van:
a. een gepleegd strafbaar feit waarbij wapens zijn gebruikt;
b. een gepleegde overtreding van de artikelen 13, 26 of 27;
c. aanwijzingen dat een strafbaar feit als bedoeld onder a of b zal worden
gepleegd.
2. Na het tweede lid wordt, onder vernummering van het derde lid tot het
vierde lid, een nieuw lid ingevoegd, luidende:
3. In gebieden die overeenkomstig artikel 151b, eerste lid, van de Gemeentewet,
door de burgemeester als veiligheidsrisicogebied zijn aangewezen kan de officier
van justitie gelasten dat tegenover een ieder de bevoegdheid kan worden uitgeoefend
om verpakkingen van goederen, met inbegrip van reisbagage, te onderzoeken
op wapens of munitie. Het bevel bevat een omschrijving van het aangewezen
gebied en de geldigheidsduur die niet langer dan twaalf uur mag bedragen.
Het bevel bevat voorts de feiten en omstandigheden, op grond waarvan de toepassing
van de bevoegdheid om de verpakking van goederen, met inbegrip van reisbagage,
te onderzoeken op wapens of munitie noodzakelijk wordt geacht.
B
Artikel 51 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
1. De bij of krachtens artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering
aangewezen ambtenaren zijn bevoegd vervoermiddelen te onderzoeken indien daartoe
redelijkerwijs aanleiding bestaat op grond van:
a. een gepleegd strafbaar feit waarbij wapens zijn gebruikt;
b. een gepleegde overtreding van de artikelen 13, 26 of 27;
c. aanwijzingen dat een strafbaar feit als bedoeld onder a of b zal worden
gepleegd.
2. Na het tweede lid wordt, onder vernummering van het derde lid tot het
vierde lid, een nieuw lid ingevoegd, luidende:
3. In gebieden die overeenkomstig artikel 151b, eerste lid, van de Gemeentewet,
door de burgemeester als veiligheidsrisicogebied zijn aangewezen kan de officier
van justitie gelasten dat tegenover een ieder de bevoegdheid kan worden uitgeoefend
om vervoermiddelen te onderzoeken op wapens of munitie. Het bevel bevat een
omschrijving van het aangewezen gebied en de geldigheidsduur die niet langer
dan twaalf uur mag bedragen. Het bevel bevat voorts de feiten en omstandigheden,
op grond waarvan de toepassing van de bevoegdheid vervoermiddelen te onderzoeken
op wapens of munitie noodzakelijk wordt geacht.
C
Artikel 52 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het tweede lid komt te luiden:
2. De in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn bevoegd personen aan
hun kleding te onderzoeken indien daartoe redelijkerwijs aanleiding bestaat
op grond van:
a. een gepleegd strafbaar feit waarbij wapens zijn gebruikt;
b. een gepleegde overtreding van de artikelen 13, 26 of 27;
c. aanwijzingen dat een strafbaar feit als bedoeld onder a of b zal worden
gepleegd.
2. Na het tweede lid wordt, onder vernummering van het derde lid tot het
vierde lid, een nieuw lid ingevoegd, luidende:
3. In gebieden die overeenkomstig artikel 151b, eerste lid, van de Gemeentewet,
door de burgemeester als veiligheidsrisicogebied zijn aangewezen kan de officier
van justitie gelasten dat tegenover een ieder de bevoegdheid kan worden uitgeoefend
om hem aan zijn kleding te onderzoeken op de aanwezigheid van wapens of munitie.
Het bevel bevat een omschrijving van het aangewezen gebied en de geldigheidsduur
die niet langer dan twaalf uur mag bedragen. Het bevel bevat voorts de feiten
en omstandigheden, op grond waarvan de toepassing van de bevoegdheid om een
ieder aan zijn kleding te onderzoeken op wapens of munitie noodzakelijk wordt
geacht.
ARTIKEL III
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat
alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat,
aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
De Minister van Justitie,