26 410
Wijziging van bepalingen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens

nr. 150b
MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 13 maart 2001

Met genoegen hebben wij kennis genomen van het verslag dat de commissie voor Justitie van Uw Kamer heeft uitgebracht. Wij hopen in deze memorie van antwoord de gestelde vragen zo goed mogelijk te beantwoorden.

De leden van de fractie van de PvdA stellen een aantal vragen over het schrappen van artikel 1 van het oorspronkelijk wetsvoorstel. Dit artikel had tot doel het via het openbare telecommunicatienetwerk heimelijk vergaren van persoonsgegevens strafbaar te stellen. Het niet aan de betrokkene melden van het feit van het verzamelen, de doeleinden daarvan en de identiteit van de verantwoordelijke, werd daarin strafrechtelijk gesanctioneerd.

Op grond van artikel 33 van de Wbp dient de betrokkene op de hoogte te worden gebracht van de doeleinden waarvoor de gegevens worden verzameld en de identiteit van de verantwoordelijke. Het strafrechtelijk sanctioneren van de overtreding van dit voorschrift in het geval dat de vergaring plaatsvindt via bijvoorbeeld het internet leek gewenst gezien het gemak waarmee een dergelijke heimelijke vergaring kan plaatsvinden (het plaatsen van bijvoorbeeld «cookies» is vrij algemeen), en de daaruit voortvloeiende bedreiging voor de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen. Daarnaast speelde een rol dat verwacht werd dat op dit punt internationaal overeenstemming zou worden bereikt in het PCCY-verdrag van de Raad van Europa (http://conventions.coe.int/treaty/en/projects/cybercrime/htm).

De verantwoordelijke blijft op grond van de Wbp gehouden de betrokkene van het een en ander op de hoogte te stellen. De strafrechtelijke sanctionering is echter geschrapt omdat gebleken is dat het bereik van de strafbepaling ruimer was dan beoogd en daarmee moeilijk handhaafbaar. Het voorschrift omvat immers iedere opslag van persoonsgegevens die van het openbare telecommunicatienet worden geplukt. Ook de meer «onschuldige» verwerkingen zoals het noteren van telefoonnummers van personen die gebeld hebben en wensen te worden teruggebeld, vallen er onder. Dergelijke verwerkingen vormen weliswaar ook een bedreiging voor de persoonlijke levenssfeer voor betrokkenen, maar ontberen een criminele intentie. Het in zijn algemeenheid strafbaar stellen van dergelijke verwerkingen gaat daarom te ver. Dit probleem speelt ons inziens eveneens bij de delictsomschrijving die door de leden van de fractie van de PvdA wordt voorgesteld. Daar komt bij dat ook op internationaal niveau overeenstemming over een dergelijke strafbepaling nog ontbreekt. Het is ongewenst wanneer Nederland hierin solistisch optreedt.

Het strafrechtelijk sanctioneren van het overtreden van de aanmeldingsplicht op grond van de artikelen 27 en 28 van de Wbp kan niet op één lijn worden gesteld met het oorspronkelijk voorgesteld artikel 1.

Overtreding van de aanmeldingsplicht betreft het niet-nakomen van een specifieke administratieve overtreding. In beginsel moeten alle verwerkingen voor een bepaald doeleinde of een verzameling van doeleinden worden aangemeld, tenzij deze onder het nieuwe Vrijstellingsbesluit vallen. Door de combinatie van het in beginsel aanmelden en de nauwkeurige omschrijving van de gevallen die zijn vrijgesteld van de aanmeldingsplicht in het Vrijstellingsbesluit, is de gedraging echter voldoende nauwkeurig afgebakend om haar strafrechtelijk te kunnen sanctioneren.

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

De Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid,

R. H. L. M. van Boxtel

Naar boven