26 271
Wijziging van de regeling van het DNA-onderzoek in strafzaken

nr. 210a
VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR JUSTITIE1

Vastgesteld 2 april 2001

Het voorbereidend onderzoek gaf de commissie aanleiding tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.

De leden van de CDA-fractie hadden met belangstelling kennis genomen van het onderhavige voorstel van wet. Zij zeiden het belang van dit wetsvoorstel te onderstrepen. Wel hadden zij nog enkele vragen aan de minister ter voorbereiding van de plenaire behandeling.

De leden van de CDA-fractie constateerden met instemming dat celmateriaal en het DNA-profiel van een verdachte worden vernietigd indien deze niet langer als verdacht kan worden aangemerkt. Dit ligt volgens de minister anders ingeval de betrokkene inmiddels is veroordeeld wegens een ander misdrijf waarop vier jaar of meer gevangenisstraf staat en deze veroordeling in kracht van gewijsde is gegaan. De leden hier aan het woord waren het hiermee eens. Zij concludeerden dat daarmee uitsluitend het doel van de DNA-databank (namelijk de opsporing van andere, inclusief toekomstige, misdrijven) de opname van een DNA-profiel kan rechtvaardigen. Deze conclusie kan ook worden getrokken op grond van de mogelijkheid voor verlenging van de 20- of 30-jarige bewaartermijn ingeval de betrokkene nadien voor een ander misdrijf wordt veroordeeld. Deelt de minister deze conclusie?

De leden van de CDA-fractie hadden geconstateerd dat als gevolg van een motie ter zake (Kamerstukken II, 26 271, nr. 23) een notitie zal worden vervaardigd die duidelijkheid dient te verschaffen over de vraag of schorsing van de voorlopige hechtenis onder de bijzondere voorwaarde dat de verdachte meewerkt aan een DNA-onderzoek thans mogelijk is op grond van artikel 80 Wetboek van Strafvordering. De leden hier aan het woord zeiden van mening te zijn dat deze duidelijkheid zou moeten zijn verkregen voordat het voorliggende wetsontwerp kracht van wet krijgt. Wanneer kan bedoelde notitie worden verwacht?

Ingeval een verdachte vrijwillig meewerkt aan een DNA-onderzoek is schriftelijke toestemming voor afname van celmateriaal vereist. De leden van de CDA-fractie was niet geheel duidelijk of bedoelde schriftelijke toestemming tevens inhoudt dat een opsporingsambtenaar het celmateriaal mag afnemen, of dat daartoe weer aparte schriftelijke toestemming is vereist. Zij kregen uit de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II, 26 271, nr. 6, blz. 75) de indruk dat het laatste de bedoeling is. Zo ja, kan de noodzaak daarvan worden toegelicht?

Bij afname van celmateriaal op vrijwillige basis acht de minister het, anders dan in geval van gedwongen medewerking aan een DNA-onderzoek, wenselijk dat de volgorde van het af te nemen celmateriaal niet dwingend aan de betrokkene wordt voorgeschreven, maar dat deze in beginsel de vrijheid heeft te kiezen of bij hem wangslijmvlies, bloed dan wel haarwortels worden afgenomen. De leden van de CDA-fractie was niet duidelijk waarom zulks wenselijk zou zijn. Waarom wordt als regel niet gekozen voor de volgorde die wordt gehanteerd bij afname op onvrijwillige basis?

De leden van de CDA-fractie waren het met de minister eens dat, uitsluitend indien daartoe zwaarwegende redenen aanwezig zijn, het is toegestaan dat DNA-onderzoek plaatsvindt aan celmateriaal dat op andere wijze dan door afname is verkregen. Ter illustratie wijst de minister op de situatie waarin de betrokkene zich met hand en tand tegen het afnemen van celmateriaal verzet (nota naar aanleiding van het nader verslag, Kamerstukken II, 26 271, nr. 9, blz. 8). De leden hier aan het woord vroegen of zij er vanuit mochten gaan dat zulk een situatie niet hoeft te worden beproefd indien van tevoren reeds duidelijkheid is verkregen over het risico van een dergelijke situatie. Kan de minister hierop reageren?

In het geval van een grootscheeps opgezet bevolkingsonderzoek stelt de minister dat verwacht mag worden dat de betrokken officier van justitie, gelet op de gevoeligheid van zulk een onderzoek, ruggespraak zal hebben met de hoofdofficier van justitie en eventueel de verantwoordelijke procureur-generaal (nota naar aanleiding van het verslag, blz. 45). Zou het niet wenselijker zijn te eisen dat in ieder geval de hoofdofficier van justitie bij de beslissing tot een dergelijk onderzoek wordt betrokken? Kan de minister hierop reageren?

In zijn notitie d.d. 25 januari 2001 met betrekking tot de wenselijkheid van grootschalige DNA-onderzoeken (27 400 VI, nr. 49) stelt de minister terecht dat het enkele feit dat een niet-verdachte geen medewerking verleent aan een DNA-onderzoek, hem nog niet tot verdachte maakt. Toch zou het weigeren kunnen leiden tot nader onderzoek naar de desbetreffende persoon. Kan de minister dit nader toelichten?

De minister legt terecht de nadruk op de accreditatie van de Raad voor Accreditatie bij inschakeling van onderzoeksinstituten. De leden van de CDA-fractie vroegen hoe wordt omgegaan met DNA-profielen die in het buitenland zijn vervaardigd. Welke maatstaven dienen aldaar te worden gehanteerd om hier te lande niet het risico te lopen te worden aangemerkt als onrechtmatig verkregen bewijs?

Ten aanzien van de realisering van de benodigde onderzoekscapaciteit verwacht de minister dat eerst over ongeveer vijf jaar een capaciteit beschikbaar is die overeenkomt met de thans verwachte vraag. De leden van de CDA-fractie hadden van deze tijdspanne met zorg kennis genomen en vroegen zich af of een en ander niet in een kortere tijd kan worden gerealiseerd. Bij het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) zijn forse uitbreidingen voorzien. Deze leden waren benieuwd naar de redenen voor uitbreiding bij uitsluitend het NFI. Zij constateerden dat de minister niet uitsluit dat mogelijk ook het Instituut voor Anthropogenetica van de Universiteit Leiden met capaciteitsproblemen te maken zal krijgen (nota naar aanleiding van het verslag, blz. 74). Worden deze voorkomen door de uitbreiding bij het NFI? Waarom wordt niet ook in een uitbreiding van de onderzoekscapaciteit bij Leiden voorzien? Zou dit niet tevens een aanvullende mogelijkheid zijn om het benodigde personeel van een opleiding te voorzien waar de minister stelt dat de opleidingen in hoge mate «on the job» dienen plaats te vinden? Wat is de verhouding tussen beide instanties? Is louter sprake van uitbesteding van laboratoriumonderzoek door het NFI aan het instituut in Leiden of is sprake van twee qua taken en bevoegdheden gelijke onderzoeksinstituten?

Het NFI valt onder de verantwoordelijkheid van de minister. Is de waarneming van de leden van de CDA-fractie juist, dat dit niet geldt voor het Instituut voor Anthropogenetica van de Universiteit Leiden? Wat betekent zulks formeel en feitelijk? Wie kan worden aangesproken op de gang van zaken in laatstgenoemd Instituut?

Thans beschikken slechts het N.F.I. en het laboratorium van het Instituut voor Anthropogenetica van de Universiteit Leiden over een accreditatie van de Raad voor Accreditatie. DNA-onderzoek kan aldaar worden verricht alsmede in bepaalde buitenlandse laboratoria. Artikel 7 van het ontwerpbesluit maakt het mogelijk dat ook in andere Nederlandse laboratoria DNA-onderzoek kan worden verricht. Welke beleid staat de minister te dien aanzien voor ogen, gelet op het voorlopige tekort aan onderzoekscapaciteit en op de verwachte toename van onderzoeken in de toekomst? Dit laatste temeer gelet op de twee aangekondigde wetsvoorstellen DNA-onderzoek bij veroordeelden en DNA-onderzoek met betrekking tot uiterlijke kenmerken, waarvan de implicaties voor de onderzoekscapaciteit in de stukken tot nu toe nog niet zijn verwerkt. Wil de minister bevorderen dat ook andere Nederlandse laboratoria gaan beschikken over een accreditatie? Zo ja, hoe en op welke termijn beoogt hij een en ander gerealiseerd te zien? Zo nee, waarom niet? De leden hier aan het woord merkten hierbij op dat, anders dan in Nederland, in de ons omringende landen het DNA-onderzoek veelal decentraal wordt uitgevoerd waarbij zowel gebruik wordt gemaakt van politielaboratoria als van private laboratoria, al dan niet verbonden aan een ziekenhuis. Staat de minister een centrale of een decentrale uitvoering van DNA-onderzoek voor ogen? Ligt het in het voornemen van de minister om te zorgen dat onderzoek, dat tot nu toe voor ons in het buitenland wordt verricht vanwege aldaar aanwezige expertise en technische mogelijkheden, op termijn in ons land uit te voeren?

De leden van de CDA-fractie spraken hun zorg uit over het gevaar van contaminatie. In de opleiding en training van de technisch rechercheurs wordt uitgebreid stilgestaan bij de forensisch-technische normen, mede met het oog op het voorkomen van contaminatie. Politiemensen die uitsluitend de primaire politieopleiding hebben afgerond zijn niet gespecialiseerd in het vinden en veiligstellen van sporen omdat dit niet tot hun taak behoort. Het Landelijke selectie- en opleidingsinstituut (LSOP) zal ervoor zorgen dat voor de huidige groep opsporingsambtenaren kortdurende opleidingen worden ontwikkeld en dat het leren omgaan met sporen een structureel onderdeel zal vormen van de primaire politieopleiding ten behoeve van nieuwe lichtingen opsporingsambtenaren. Wanneer zal een en ander zijn gerealiseerd?

Het LSOP is gestart met het ontwikkelen van de benodigde onderwijsmodules voor technisch rechercheurs zodat biologische sporen adequaat veilig worden gesteld. Zullen deze modules structureel in de opleidingen worden opgenomen? Wanneer kan daarvan gebruik worden gemaakt? De leden van de CDA-fractie vroegen zulks ook ten aanzien van de modules die ontwikkeld worden voor politieambtenaren die in de toekomst wangslijm en haarwortels afnemen. Kan de minister hierop reageren?

De leden van de CDA-fractie hadden geconstateerd dat in de schriftelijke stukken soms zonder voorbehoud gewag wordt gemaakt van detechnische mogelijkheid om met behulp van het DNA-profiel het geslacht en het ras van de betrokkene vast te stellen. Tevens echter hadden zij opgemerkt dat soms een slag om de arm wordt gehouden ten aanzien van de zekerheid waarmee met name het ras kan worden vastgesteld. Zo wordt bijvoorbeeld gesteld: «Tevens kan in voorkomende gevallen een voorspelling worden gedaan omtrent het ras van degene wiens profiel het betreft» (nota naar aanleiding van het verslag, blz. 62) en «Uit het DNA-profiel kan thans worden afgelezen of het profiel afkomstig is van een man of een vrouw en in sommige gevallen kan daaruit een indicatie worden verkregen tot welk ras de persoon behoort wiens profiel is vervaardigd» (nota naar aanleiding van het nader verslag, blz. 2). Temeer daar de minister heeft aangekondigd te komen met een wetsvoorstel ten aanzien van het gebruik van de persoonskenmerken die nu al uit een DNA-profiel kunnen worden afgeleid, tegen welk wetsvoorstel de leden hier aan het woord overigens niet op voorhand bezwaar hadden, vroegen zij om duidelijkheid ter zake. Kan met betrekking tot zowel het geslacht als het ras van degene wiens DNA-profiel het betreft eenzelfde zekerheid worden gegeven? Zo neen, welke marges dienen te worden gehanteerd en wat acht de minister te dien aanzien verantwoord?

De leden van de VVD-fractie hadden met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij achtten het van belang dat de mogelijkheden tot DNA-onderzoek in strafzaken worden uitgebreid. Zij hadden begrepen dat de minister inmiddels werkt aan wetsvoorstellen inzake DNA-onderzoek bij veroordeelden en inzake DNA-signalementen (uiterlijke kenmerken) van mogelijke verdachten.

De minister heeft voor de uitbreiding van de mogelijkheden van DNA-onderzoek een strafdreiging van tenminste 4 jaar op het oog, dus gelijk aan delicten waarbij vingerafdrukken kunnen worden afgenomen. De leden van de VVD-fractie hadden begrepen dat afstemming van het wetsvoorstel op de regeling van de vingerafdrukken voor de minister bijzonder zwaar weegt. Hij noemt dit als een van de klemmende redenen om een verdere verlaging van de grens voor gedwongen afname van DNA-materiaal, bijvoorbeeld naar concrete verdenking van dood door schuld (strafdreiging van tenminste 3 jaar, geen afname vingerafdrukken) af te wijzen (Handelingen II, Vergaderjaar 2000–2001, nr. 44, blz. 3443). Hoe weegt de minister de afstemming af tussen de regimes voor vingerafdrukken en DNA tegen het belang van benutting van DNA-onderzoek bij zoiets ernstigs als een concrete verdenking van dood door schuld? Als hij, met de leden van de VVD-fractie, van mening is dat de afstemming tussen de regimes voor vingerafdrukken en DNA zwaar weegt, zou dit dan geen reden moeten zijn de regeling inzake vingerafdrukken in samenhang met de regeling inzake DNA-onderzoek bij te stellen naar delicten met een strafdreiging van tenminste 3 jaar?

De minister lijkt aan DNA-afname zwaardere voorwaarden te verbinden dan aan het afnemen van vingerafdrukken, onder meer waar bij DNA-onderzoek ernstige bezwaren tegen de verdachte aan de orde zijn en bij het afnemen van vingerafdrukken slechts een redelijk vermoeden van schuld. Ook wat betreft de opslag en het bewaren van DNA-materiaal hanteert de minister andere voorwaarden dan bij vingerafdrukken. Kan de minister het hier gemaakte onderscheid verduidelijken? De leden van de VVD-fractie zeiden te weten dat de minister «afname van wangslijmvlies een aanmerkelijke inbreuk op de lichamelijke integriteit van de verdachte» vindt – zwaarder dan de inbreuk die gemaakt wordt door het afnemen van vingerafdrukken (Handelingen II, Vergaderjaar 2000–2001, nr. 44, blz. 3452). Zij vonden dat echter geen krachtig argument. Zijn er andere argumenten?

De minister heeft bij de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer aandacht besteed aan de gang van zaken in andere landen betreffende DNA-afname bij veroordeelden. De leden van de VVD-fractie vroegen zich af hoe het wetsvoorstel zich ook op andere punten verhoudt tot de ontwikkelingen in andere landen, in het bijzonder lidstaten van de Europese Unie en de Schengen-landen. Kan de minister hen hierover informeren, vooral ook waar op verschillende plaatsen gewezen is op de dreigende achterstand van het forensisch onderzoek in ons land ten opzichte van bijvoorbeeld Engeland?

Tot slot van hun inbreng merkten deze leden op dat de Tweede Kamer een aantal moties heeft aangenomen gericht op verder onderzoek en notities van de kant van de minister. De minister heeft twee vervolg wetsvoorstellen voorbereid. Is de minister niet beducht voor fragmentatie van de wet- en regelgeving met betrekking tot DNA-onderzoek in strafzaken?

De leden van de PvdA-fractie constateerden dat het voorliggende wetsvoorstel een aanzienlijke verruiming introduceert van de mogelijkheden van DNA-onderzoek in strafzaken. Indien met deze verruiming van de wettelijke bevoegdheden de opsporing en vervolging van strafbare feiten kan worden bevorderd in de mate die de minister voorziet, zeiden deze leden de strekking van het voorstel toe te juichen. Echter, de beperking van de privacy van de burger die met de voorgestelde verruiming van strafvorderlijke bevoegdheden gepaard gaat, kan in de ogen van de leden hier aan het woord alleen worden gerechtvaardigd indien het wetsvoorstel de inbreuken op de persoonlijke levenssfeer met de gepaste rechtstatelijke waarborgen omkleedt. Er is behoefte aan een wettelijke regeling die duidelijke grenzen stelt aan het gebruik van DNA-materiaal, die de rechten van alle betrokkenen waarborgt en die strikt wordt nageleefd in de praktijk. Tot hun spijt hadden de leden van de PvdA-fractie moeten constateren dat de regeling van DNA-onderzoek op deze punten tekort schiet.

Om te beginnen uitten deze leden hun bezorgdheid over de publicatie van het NRC Handelsblad waarin gesteld wordt dat politie, justitie en de medewerkers van het NFI de huidige regels over DNA-onderzoek niet zouden naleven. Gezien het belang van een zorgvuldige en rechtmatige omgang met DNA-gegevens zijn dergelijke praktijken niet tolerabel. Op welke manier denkt de minister te kunnen verzekeren dat de nieuwe regels van het wetsvoorstel in de praktijk wel zullen worden nagevolgd?

Daarnaast hadden de leden hier aan het woord kritiek op de onduidelijkheid van de voorgestelde regeling. Een aantal zaken die verband houden met DNA-onderzoek worden niet, of niet expliciet, geregeld in dit wetsvoorstel en de regels die wel zijn opgenomen blijven voor een deel onduidelijk door de onoverzichtelijke indeling van het wetsvoorstel. Zo had de fractie van de PvdA graag gezien dat de wet duidelijke regels stelt over het bewaren en vernietigen van celmateriaal, over de opname van DNA-profielen in de DNA-databank en over het gebruik van deze gegevens. Nu worden de regels voor het beheer van deze gegevens doorgeschoven naar een amvb. Gezien het gevoelige karakter van de gegevens en het belang van een zorgvuldig omgang daarmee leek de leden van de PvdA-fractie een wettelijke regeling die de basisregels codificeert, meer op zijn plaats.

De onduidelijkheid van het wetsvoorstel wordt nog vergroot door de onoverzichtelijke indeling daarvan. De regeling voor de vergaring van celmateriaal bijvoorbeeld, is verdeeld over twee keer drie artikelen. Artikel 151a Sv, dat eigenlijk het onderzoek aan reeds vergaard materiaal regelt, bepaalt in het eerste lid dat celmateriaal in beginsel slechts mag worden afgenomen met schriftelijke toestemming van betrokkene. Artikel 151b Sv regelt primair de gedwongen afname van celmateriaal, maar stelt in het vierde lid nogmaals dat celmateriaal ook met schriftelijke toestemming van betrokkene kan worden vergaard. Die toevoeging lijkt gezien het voorgaande overbodig. Bovendien bepaalt het vierde lid dat celmateriaal ook buiten betrokkene om mag worden verzameld, maar de eigenlijke regeling daarvan volgt pas in artikel 151c Sv. Ware het niet veel overzichtelijker geweest als de regeling voor de vergaring van celmateriaal door de officier van justitie in één artikel was vervat dat achtereenvolgens de vrijwillige afstand, de gedwongen afname en de verzameling van celmateriaal buiten betrokkene om regelt? Hetzelfde geldt voor de verwarrende regeling van de bevoegdheden van de rechter-commissaris die in de artikelen 195a-e zijn vervat. Bovendien lijkt het vanuit systematisch oogpunt gewenst om de regeling voor de vergaring van celmateriaal te laten vooraf gaan aan de regeling van de gebruik van dat materiaal. Dit wetsvoorstel zet die logische volgorde op zijn kop.

Zolang gebruik wordt gemaakt van de huidige analyse technieken, kunnen op basis van het celmateriaal weinig uitspraken worden gedaan over de eigenschappen van de persoon waarvan het materiaal afkomstig. Met de snelle ontwikkelingen van de techniek op dit punt is het echter geenszins ondenkbaar dat binnen niet al te lange tijd een gedetailleerd daderprofiel kan worden afgeleid uit celmateriaal. In dat geval zou het niet meer nodig zijn om het DNA-profiel te vergelijken met andere DNA-profielen, maar zou wellicht een signalement kunnen worden opgesteld aan de hand van gevonden celmateriaal. In antwoord op vragen over deze ontwikkeling in de Tweede Kamer heeft de minister gesteld dat artikel 138a Sv zich tegen dergelijk gebruik van DNA-materiaal verzet. In de Staatscourant van 6 februari jongstleden lazen de leden van de fractie echter dat Nederland zich in Europees verband juist sterkt maakt voor deze vorm van analyse van DNA-materiaal. Deze leden vroegen de minister hoe deze twee opvattingen zich tot elkaar verhouden.

Het was de leden van de PvdA-fractie opgevallen dat wanneer iemands DNA-profiel is opgenomen in de DNA-databank, dat profiel vrijelijk kan worden gebruikt voor de opsporing van andere misdrijven dan waarvoor het celmateriaal oorspronkelijk was afgenomen. Zodoende bevindt de persoon wiens DNA-profiel is geregistreerd, zich in een aanmerkelijk slechtere positie dan de ongeregistreerde persoon. De laatstgenoemde persoon kan immers alleen in een DNA-onderzoek worden betrokken indien hij vrijwillig meewerkt of verdacht is van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en er ernstige bezwaren tegen hem bestaan. Deze rechtsongelijkheid is met name problematisch omdat in de databank ook profielen kunnen zijn opgenomen van personen waarvan niet is bewezen dat zij schuldig zijn, of die zelfs nooit van een misdrijf zijn verdacht. Deze leden vroegen of het mogelijk is om de DNA-profielen van deze personen buiten beschouwing te laten bij onderzoek ter identificatie van een verdachte van een misdrijf. Daarnaast vroegen zij of het juist is dat de regeling voor DNA-onderzoek zich er niet tegen verzet dat de DNA-profielen die zijn opgenomen in de databank kunnen worden gebruikt voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten waarvoor het afstaan van celmateriaal niet is geoorloofd.

Met kritische belangstelling hadden de leden van de fractie van GroenLinks van dit wetsvoorstel kennis genomen. Het voorstel maakt deel uit van een trits van voorstellen om de toepassingsmogelijkheden van DNA-onderzoek in het strafrecht te vergroten. De leden van deze fractie zeiden het in de eerste plaats te betreuren dat deze voorstellen niet als een samenhangend geheel zijn gepresenteerd. De regering lijkt de rol van DNA-onderzoeken in het strafrecht thans door middel van een salamitactiek te vergroten, zonder in algemene zin te praten over de waarde van DNA-vergelijking als een uit vele hulpmiddelen bij de opsporing. De leden hier aan het woord zouden graag zien dat de regering de nu als erg positief gewaardeerde rol van DNA in strafzaken eens vanuit een wat breder perspectief benadert en afzet tegen andere recherchemethoden en tegen het risico van verwarring van DNA-sporen en het gevaar van het trekken van conclusies op basis van onvoldoende overtuigend DNA-bewijs.

Eén van de aspecten aan dit wetsvoorstel die de leden van de fractie van GroenLinks zorgen baart wordt gevormd door het feit dat door middel van DNA-onderzoek een veelheid aan persoonlijke informatie kan worden verkregen over de drager van dat DNA. Het afnemen van celmateriaal vormt dan ook niet zozeer een inbreuk op de lichamelijke integriteit van de drager door dat afnemen als zodanig, als wel door het feit dat daarmee in potentie veel kennis over de betrokkene wordt overgedragen, zelfs informatie die de betrokkene zelf niet kent. De leden van de fractie van GroenLinks zeiden er op zichzelf begrip voor te kunnen opbrengen dat DNA-vergelijking onder bepaalde omstandigheden een zinvolle bijdrage kan leveren aan de waarheidsvinding in het strafproces. Anderzijds dient er op gelet te worden dat hierdoor geen persoonskenmerken, laat staan gevoelige informatie over de betrokkene, bekend worden gemaakt. Deze leden meenden dat daarvoor een ondubbelzinnige waarborg in het wetboek van strafvordering dient te worden opgenomen. De in het wetsvoorstel geformuleerde doelomschrijving terzake van de verwerking van DNA-profielen achtten zij vooralsnog te vaag, terwijl zij een duidelijke wettelijke doelomschrijving ten aanzien van de verwerking van celmateriaal misten. Bovenden is het de vraag hoe lang het nu geformuleerde doel actueel zal blijven, gezien de voornemens van de regering tot verdergaande regelgeving. Kan nog eens worden toegelicht waarom de suggesties op dit punt van de Registratiekamer zijn verworpen? Hoe is nu eigenlijk precies gewaarborgd dat verwerking van celmateriaal en DNA-profielen uitsluitend geschiedt ten behoeve van de opsporing, vervolging en berechting van specifieke, ernstige strafbare feiten en niet in de toekomst een wijder belang kan dienen? Zijn op alle fasen van verwerking van celmateriaal en DNA-profielen de bijzondere bepalingen ten aanzien van gevoelige gegevens ingevolge de WBP van toepassing?

In het verleden is, zo erkent ook de minister, onvoldoende aandacht geweest voor het tijdig verwijderen van DNA-materiaal enprofielen uit de databank. Kan deze gang van zaken worden verklaard? Inmiddels is beterschap beloofd en stelt de minister dat een adequaat automatiseringsprogramma een herhaling van deze onjuiste handelwijze moet voorkomen. Is dat programma al gereed en operatief? Zo neen, wanneer valt dat te verwachten en is de minister het met deze leden eens dat met invoering van dit wetsvoorstel gewacht dient te worden totdat ook in fysieke zin voldoende waarborgen bestaan tegen het niet tijdig vernietigen van materiaal en profielen?

Hoe kan worden voorkomen dat uitwisseling van DNA-gegevens met andere landen leidt tot aantasting van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene op een wijze die in Nederland als niet in overeenstemming met de wet wordt gezien? Is het denkbaar dat in het kader van internationale rechtshulp ook celmateriaal aan andere landen wordt overgedragen?

Een belangrijke uitbreiding die dit wetvoorstel beoogt is de toepassing van de regeling voor DNA-onderzoek in strafzaken bij delicten waartegen een vrijheidstraf van vier jaar of meer is bedreigd. Uit de toelichting zeiden de leden van de fractie van GroenLinks te begrijpen dat de minister hierbij vooral een verbetering van de aanpak van woninginbraken op het oog heeft. Uit de inmiddels verrichte pilot-studie kregen zij evenwel de indruk dat slechts in uitzonderingsgevallen een bruikbaar biologisch spoor wordt gevonden en dat zo'n spoor vervolgens ook weer in uitzonderingsgevallen tot een «hit» leidt. Is de regering eigenlijk niet overdreven optimistisch waar het de opbrengst in termen van criminaliteitsbeperking betreft?

Voorzover het de bedoeling is dat deze uitbreiding ook leidt tot een effectievere aanpak van zware gewelds- en zedenmisdrijven, is zulk optimisme volgens deze leden al helemaal onterecht. Kan er op basis van criminologische inzichten aannemelijk worden gemaakt dat de nu voorgestelde uitbreiding leidt tot een grotere pakkans voor die ernstige wetsovertreders?

De leden van de fractie van GroenLinks vroegen vervolgens naar de reactie van de minister op de uitlating van een medewerker van het NFI, gedaan op p. 62 van het blad «M» d.d. maart 2001: «We slaan al het DNA dat we in huis hebben natuurlijk wel op». Wat is van deze opslag thans de wettelijke basis? Worden ook celmateriaal of DNA-profielen bewaard met andere doelen dan het opsporen, vervolgen of bestraffen van strafbare feiten? Wat gebeurt er bijvoorbeeld met DNA dat wordt afgenomen in het kader van gezinsherenigingszaken? Geldt hiervoor ook: wie wat bewaart heeft wat?

De leden van de fractie van D66 zeiden geen behoefte te hebben aan het stellen van schriftelijke vragen. Zij behielden zich echter het recht voor opmerkingen te maken en vragen te stellen bij de plenaire behandeling van het wetsvoorstel.

De voorzitter van de commissie,

Timmerman-Buck

De griffier van de commissie,

Hordijk


XNoot
1

Samenstelling: Holdijk (SGP), Rensema (VVD), Jurgens (PvdA), Le Poole (PvdA), Ruers (SP), Rosenthal (VVD) (plv. voorzitter), Dölle (CDA), Kohnstamm (D66), Kneppers-Heijnert (VVD), Timmerman-Buck (CDA) (voorzitter), De Wolff (GL), V.d. Beeten (CDA)

Naar boven