Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Eerste Kamer der Staten-Generaal2000-200125444 nr. 11f

25 444
Wijziging van de Gemeentewet en de Provinciewet in verband met een aanpassing van de procedure tot benoeming van de burgemeester en de commissaris van de Koning

nr. 11f
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 10 juli 2001

Aan het eind van zijn tweede termijn bij de behandeling van wetsvoorstel 25 444 heeft de woordvoerder van de VVD-fractie, de heer Luijten, gesteld dat de redactie van het voorgestelde artikel 61, vijfde lid, ruimte zou kunnen laten voor misverstand. Naar zijn mening zou het artikel zo kunnen worden uitgelegd, dat het ook aan de gemeenteraad kan zijn om de kwalificatie «bijzonder geval» in te vullen. Daarbij constateerde de heer Luijten overigens terecht dat tussen hem en de regering geen inhoudelijk verschil van mening bestaat.

In mijn antwoord aan de Kamer heb ik aangegeven dat naar mijn mening de tekst helder is maar dat het goed zou zijn daar nog verder over na te denken. In verband daarmee bericht ik u het volgende.

Het voorgestelde artikel 61 bepaalt dat de aanbeveling twee personen omvat. In de huidige wet is dit niet voorgeschreven.

De mogelijkheid om van de voorgestelde hoofdregel dat de aanbeveling twee personen omvat af te wijken en te volstaan met een enkelvoudige aanbeveling werd in het wetsvoorstel opgenomen als gevolg van de aanvaarding van een amendement in de Tweede Kamer (Kamerstukken 1999–2000, 25 444, nr. 18). Het amendement werd ingediend door de heer De Cloe, en werd mede-ondertekend door de heer Te Veldhuis en mevrouw Scheltema-de Nie. De toelichting bij het amendement zegt dat een aanbeveling uit twee personen bestaat. In bijzondere gevallen, zo vervolgt die toelichting, – te denken ware bijvoorbeeld aan gemeentelijke herindelingen – zou kunnen worden volstaan met een enkelvoudige aanbeveling.

Het amendement is op dit punt ontleend aan de huidige ambtsinstructie voor de commissaris van de Koning (Stb. 1994, 445). Artikel 6, eerste lid, van die ambtsinstructie bepaalt dat de commissaris van de Koning een met redenen omklede aanbeveling van ten minste twee personen aan de Minister van BZK zendt. In bijzondere, te motiveren gevallen, kan worden volstaan met een aanbeveling waarop één persoon vermeld staat. In de toelichting bij dat artikel wordt eveneens gewezen op de situatie van een gemeentelijke herindeling.

Tijdens de mondelinge behandeling in de Tweede Kamer is de betekenis van het amendement door de heer Te Veldhuis nader toegelicht. Daarbij heeft de heer Te Veldhuis gezegd dat de indieners van het amendement hebben gekozen voor een aanbeveling van twee personen. Bij uitzondering kan hiervan worden afgeweken. Voor dergelijke bijzondere gevallen is de mogelijkheid van de enkelvoudige aanbeveling opgenomen. Behalve de situatie bij herindeling (die zoals gezegd is ontleend is aan de toelichting bij de huidige ambtsinstructie) heeft de heer Te Veldhuis uiteengezet dat er andere gevallen denkbaar zijn waarin een enkelvoudige aanbeveling legitiem is. Die gevallen naderen als het ware een situatie van overmacht. Gewezen werd op de omstandigheid dat een kandidaat overlijdt of ernstig ziek wordt, of wanneer een kandidaat zich terugtrekt zodat er de facto maar één kandidaat overblijft. De heer Te Veldhuis gaf aan dat het amendement niet zo uitgelegd mag worden dat politieke, beleidsmatige of bestuurlijke overwegingen een leidraad voor de gemeenteraad kunnen zijn om af te wijken van de wettelijke eis dat er een aanbeveling van twee personen komt (Handelingen TK 14 september 2000, 102–6605). Met deze uitleg heb ik expliciet ingestemd (Handelingen TK 14 september 2000, 102–6612).

Ook tijdens de behandeling in de Eerste Kamer heb ik de betekenis van het begrip «bijzondere gevallen» uitvoerig toegelicht. De heer Luijten heeft met die uitleg ingestemd. Naar ik meen is het in het licht van de behandeling van dit wetsontwerp in de Staten-Generaal dus niet mogelijk een andere uitleg aan artikel 61, vijfde lid, te geven, zonder afbreuk te doen aan de betekenis van de gedachtewisseling tussen Staten-Generaal en regering.

Tijdens de bespreking heb ik medegedeeld dat, met het oog op de nieuwe procedures de ambtsinstructie voor de commissaris van de Koning zal worden aangepast. Ik ben voornemens te bevorderen dat de commissaris van de Koning wordt belast met het toezicht op het ordelijk (en dus wetsconform verloop van benoemingsprocedures. De commissaris zal de vertrouwenscommissie op de betekenis van de wettelijke bepalingen wijzen en over de inhoud en het verloop van de procedure rapporteren aan de Minister van BZK. Ook zal de nieuwe benoemingsprocedure via een circulaire onder de aandacht van de gemeentebesturen worden gebracht. De integrale benoemingsprocedure, te beginnen met de profielschetsvergadering en eindigend met het benoemingsbesluit, zal daarin worden beschreven. Ook de criteria voor een enkelvoudige aanbeveling zullen, overeenkomstig het voorgaande, in de circulaire worden vermeld. Onder meer door verwijzing naar de parlementaire geschiedenis zal aandacht aan het strikte uitzonderingskarakter van de enkelvoudige aanbeveling worden besteed.

Uiteindelijk zal de Minister van BZK bij ontvangst van een enkelvoudige aanbeveling de door de gemeenteraad daarvoor gegeven motivering toetsen op de aanwezigheid van een bijzonder geval, zoals in het artikel bedoeld. Onverlet de algemene bevoegdheid van de Minister van BZK om van de aan hem gedane aanbevelingen gemotiveerd af te wijken, zal hij uiteraard op een enkelvoudige aanbeveling die niet voldoet aan de criteria van een bijzonder geval geen acht slaan.

Naar het mij voorkomt is het dus ook bij nadere overweging niet nodig om de wet op dit punt te verhelderen. Indien desondanks naar een verduidelijkende bepaling in de wet zou moeten worden gezocht, zou wetstechnisch wellicht overwogen kunnen worden de laatste volzin van het huidige vijfde lid (onder vernummering van het huidige zesde lid in zevende lid) op te nemen in een nieuw zesde lid. Vervolgens kan aan dat nieuwe zesde lid een volzin worden toegevoegd, luidende: «Onze Minister slaat geen acht op een enkelvoudige aanbeveling indien naar zijn oordeel geen sprake is van een bijzonder geval».

Ik ben bereid indien hier behoefte aan zou bestaan deze aanpassing in een volgende wijziging van de Gemeentewet mee te nemen. Daarbij ga ik er van uit dat deze bereidheid aanleiding voor Uw Kamer zal zijn thans met het wetsvoorstel in te stemmen.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

K. G. de Vries