Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2000-200125444 nr. 11a

25 444
Wijziging van de Gemeentewet en de Provinciewet in verband met een aanpassing van de procedure tot benoeming van de burgemeester en de commissaris van de Koning

nr. 11a
VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR BINNENLANDSE ZAKEN EN DE HOGE COLLEGES VAN STAAT1

Vastgesteld 21 november 2000

Het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel heeft de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat aanleiding gegeven tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.

Algemeen gedeelte

1. Inleiding

De leden van de CDA-fractie deelden mee met belangstelling, zij het niet zonder enige verwondering kennis te hebben genomen van dit wetsvoorstel: het bevat «drei Seelen in einer Brust».

De figuur van de Kroonbenoeming wordt hierin gehandhaafd maar onder een zware hypotheek geplaatst. De raad en de Provinciale Staten krijgen het recht van aanbeveling dat openbaar zal worden uitgeoefend en dat in praktijk nogal eens op een enkelvoudige aanbeveling zou kunnen uitlopen.

Deze aanbeveling kan in het geval van een burgemeestersbenoeming worden voorafgegaan, in de gevallen dat de raad daartoe besluit, door een raadplegend referendum.

Er is weinig vastgelegd met betrekking tot de vraag in hoeverre en op welke gronden al dan niet op advies van de commissaris van de Koning in het geval van een burgemeestersbenoeming de minister kan afwijken van de voordracht. Uit de schriftelijke en mondelinge voorbereiding van het wetsvoorstel tot nu toe lijkt naar voren te komen dat de stemverhoudingen in raad (en vertrouwenscommissie) hier in hoge mate de marge bepalen en dat overigens de casuïstiek regeert.

Het viel de leden van de CDA-fractie op dat binnen de kring van voorstanders binnen de Tweede Kamer hier nogal uiteenlopende gezichtspunten voorkomen terwijl ook de regeringsopstelling lenig is.

Deze leden beseften heel goed dat het wetsvoorstel de vrucht is van een compromis dat onder zeer hoge politieke druk tot stand kwam en dat de uitleg van één en ander wat abstract is gehouden.

De «Leitmotieven» van de paarse coalitiefracties: Kroonbenoeming (VVD), benoeming door de raad (PvdA) en verkiezing door de ingezetenen (D66) zijn intrinsiek onverenigbaar, zo vervolgden deze leden. Het wekt dan ook geen verbazing dat het resultaat scepsis ontmoet en soms ook weerstand bij gremia als de Raad van State, de VNG, het IPO, de cie-Elzinga (unaniem), het Genootschap van burgemeesters, maar ook bij zeer veel commentatoren waaronder oud-minister Peper en een fors deel van de Tweede Kamer.

De leden van de CDA-fractie namen zelfs bij de huidige minister enige reserve op onderdelen waar («niet moeders mooiste»). De leden van de Eerste Kamerfractie van het CDA deelden mee ernstige twijfels en bedenkingen bij dit wetsvoorstel te hebben. In hun kring bestaat vanouds een klare visie op de functie van de burgemeester in het openbare bestuur. Zij zien deze als een ambtsdrager die enigszins onthecht aan de hitte van de lokale politiek raad en college voorzit; belast met taken in de sfeer van de openbare orde en de vertegenwoordiging van de gemeente in en buiten rechte, terwijl hij een bijzondere zorg draagt voor goede verhoudingen binnen het gemeentelijk bestuur en het betrekken van burgers en «oppositie» daarbij. Hij is geen «political boss» maar wel boegbeeld (dus geen ornament) van die gemeente.

Die visie heeft gevolg voor de opvatting over de aanstellingswijze van deze ambtsdrager en dus voor dit wetsvoorstel.

De leden van de CDA-fractie hechten vanuit die visie op het burgemeestersambt aan de Kroonbenoeming. Waar zij in dit verslag spreken over de gemeente gelden hun opmerkingen overigens ook de provinciale verhoudingen voorzover niet anders aangegeven. De maatschappelijke en bestuurlijke ontwikkelingen hebben geleid tot een toenemende «vergemeentelijking» van het burgemeestersambt dat nochtans principieel van andere aard blijft dan dat van raadsleden en wethouders. Daarom is een sterkere invloed van het hoofd van het gemeentebestuur, de gemeenteraad, op de aanstelling van de burgemeester wenselijk. De Kroonbenoeming mag echter niet denatureren tot een formeel «afstempelen» van raadsaanbevelingen.

Tegen deze achtergrond wensten deze leden een aantal vragen te stellen, die mede betrekking hebben op de aanhangige grondwetsherziening. Bij de Eerste Kamer ligt reeds ruim een jaar het wetsvoorstel tot deconstitutionalisering van het bepaalde in artikel 131 Grondwet. Dit voorstel zal worden ingetrokken. Indien de van de zijde van de Eerste Kamer gestelde vragen niet nader zullen worden beantwoord zou het toch juister lijken om het wetsvoorstel nu reeds in te trekken. De leden van de CDA-fractie vroegen zich af waarom dit voorstel blijft «bungelen».

De minister bevordert thans een voorstel tot deconstitutionalisering van de aanstellingswijze (25 444 nr. 9 blz. 1). Mede aan de hand van ontwikkelingen in ons omringende landen (deze leden menen overigens dat de bestuurlijke vormgeving in dezen een nationale zaak is) en aan de hand van toekomstige ontwikkelingen en inzichten kan deze aanstellingswijze volgens de minister worden overgelaten aan de wetgever.

De leden van de fractie van het CDA wezen erop dat het feit dat politieke discussie bestaat over bevoegdheden, instituties en verhoudingen die in de Grondwet liggen niet betekent dat deze in afwachting van de uitkomst van die discussie daaruit worden gehaald. Is de functie van de Grondwet nu juist ook niet daarin gelegen dat deze aangelegenheden pas dan kunnen worden gewijzigd nadat een gekwalificeerde meerderheid daartoe bereid is.

Het burgemeestersambt (en dat van de cdK) is een sleutelambt in het lokale (resp. provinciale) bestuur. Het zal na implementatie van de door de regering gesteunde aanbevelingen van de Staatscommissie-Elzinga met betrekking tot de zogeheten «eigenstandigheid» nog meer aan gewicht winnen. De Grondwet schrijft de aanstellingswijze van ambtsdragers (bij KB, door de Kamer, door electoraat bijv.) vaak precies voor. Dat geldt voor de Koning (artikel 25 e.v.) de bewindslieden (artikel 43, 48), de leden van de Raad van State (artikel 74 lid 2), de leden van de Algemene Rekenkamer (artikel 77, lid 1), de leden van de Tweede (artikel 54) en Eerste (artikel 55) Kamer, de voorzitters van beide Kamers (artikel 61) de griffiers (artikel 61), de Nationale Ombudsman (artikel 78a) de rechters (artikel 117), de leden van de Provinciale Staten (artikel 129), de leden van de gemeenteraad (artikel 129) en impliciet die van wethouders (door de raad) en gedeputeerden (door Provinciale Staten) en dus logischerwijs ook voor cdK en burgemeester (artikel 131).

In de thans vigerende Gemeentewet is in art. 61 handelend over benoeming en ontslag van de burgemeester geen sprake van een voordracht door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksaangelegenheden. Er is sprake van Koninklijk Besluit, commissaris van de Koning, regering en ambtsinstructie. De bijzondere positie van de minister komt wel indirect voor in Reglement van Orde voor de ministerraad. Verandert er in staatsrechtelijk opzicht iets in de verhouding regering – ministerraad – minister terzake van burgemeestersbenoemingen indien het voorliggend voorstel kracht van wet krijgt?

De leden van de VVD-fractie deelden mee met gemengde gevoelens te hebben kennis genomen van dit wetsvoorstel. Het was hen niet duidelijk waarom er in het wetsvoorstel sprake is van zowel sollicitanten (artikel 61e sub b) als kandidaten (artikel 61), als personen (artikel 61 lid 5). Moeten zij hieruit opmaken dat er sprake is van veranderende status van de sollicitant gedurende de procedure? Elders in dit verslag legden zij de regering nog enkele andere vragen ter beantwoording voor.

De leden van de PvdA-fractie merkten op het onderhavige wetsvoorstel een alleszins aanvaardbaar compromis te vinden, waardoor voorshands een einde is gekomen aan een democratiseringsdebat over de benoeming van de burgemeester en de cdK dat zich al tientallen jaren voortsleept. Dat Nederland in Europa voor wat betreft de vigerende benoemingsprocedure een uitzonderingspositie inneemt heeft inmiddels ook internationaal de aandacht getrokken. Pijnlijk en genant is het rapport van het van 15 tot 17 juni 1999 gehouden «congress of local and regional authorities of Europe» (Raad van Europa) waarin treurnis wordt uitgesproken over het feit dat de Nederlandse benoemingsprocedure strijdig is met het beginsel van locale autonomie. Kan de minister meedelen of hij dit rapport kent en wat hij ermee heeft gedaan? Is hij van mening dat het onderhavige wetsvoorstel een adequaat antwoord is op dit ernstige verwijt? Het wetsvoorstel beweegt zich, ook naar de mening van de fractie van de PvdA, binnen de grenzen van de Grondwet. Echter, mede op basis van het regeerakkoord, is al enige tijd geleden wetsvoorstel 25 620 ingediend, waarvan de behandeling door de Eerste Kamer werd opgeschort in afwachting van de verschijning van het rapport-Elzinga. Dit wetsvoorstel beoogt de benoeming van de burgemeester en de cdK te deconstitutionaliseren. Is de minister met deze leden van mening dat de verdere afhandeling thans kan worden voortgezet?

De Tweede Kamer en de minister hebben het raadzaam geacht om de behandeling van dit rapport en wetsvoorstel 25 444 te ontkoppelen. De leden van de PvdA-fractie zijn het met deze werkwijze eens, maar zou toch graag enig inzicht willen krijgen op welke wijze de implementatie ervan (de dualisering van het gemeentelijk bestel, de versterking van de bevoegdheden van de «eigenstandige» burgemeester) op korte termijn ter hand zal worden genomen en welke effecten dat zal hebben op de positionering van het burgemeestersambt in de toekomst? Wordt daarbij ook overwogen, mede gelet op de door de commissie gesignaleerde recruteringsproblematiek en het afkalvende draagvlak van politieke partijen, met name ook op het lokale niveau, te bevorderen dat ook niet partijgebonden, gekwalificeerde personen naar het ambt van burgemeester en cdK solliciteren en ook voor benoeming in aanmerking worden gebracht?

De eigenstandigheid van het burgemeestersambt brengt met zich mee dat het niet voor de hand ligt dat kandidaten voortkomen uit de raad, zo vervolgden deze leden. De minister heeft echter gemeend daarvoor, gelet op de vrijheid van sollicitatie, geen wettelijke belemmering te moeten opwerpen. Welke andere wegen heeft de minister voor ogen om in de toekomst te voorkomen dat het aanbevelen van kandidaten uit eigen kring onverhoopt gemeengoed gaat worden?

De leden van de GroenLinks-fractie deelden mee niet erg enthousiast te kunnen zijn over dit wetsvoorstel. Hoewel zij zich bewust zijn van de moeizame lijdensweg die voorstellen met betrekking tot staatkundige vernieuwing in Nederland welhaast per definitie lijken te moeten afleggen, en elke stapje voorwaarts goudomrand in de annalen bijgezet zou moeten worden, constateerden zij bij deze wetswijziging dat het predikaat «gemiste kans» op zijn plaats is. Er is geen sprake van een door de gemeenteraad gekozen burgemeester, noch van een afgezwakte vorm hiervan: de raad draagt één kandidaat ter benoeming voor. Evenmin is er sprake van een door de bevolking gekozen burgemeester. Wat er nu ligt is een door coalitiepolitiek opgelegde compromistekst die door velen al van minder vleiende, culinaire predikaten is voorzien als «vlees noch vis» en «hutspot».

Het benoemen van een burgemeester -en nog meer het kiezen door een gemeenteraad- past in het monistische systeem waarin het gemeentelijke bestuur nog steeds functioneert. Een gekozen burgemeester – en de slappe variant van een raadplegend referendum – past in een duaal systeem, waarbij de burgemeester bovendien over een duidelijk pakket bevoegdheden beschikt die een vorm van direct kiezersmandaat rechtvaardigt.

Waar plaatst de minister dit wetsvoorstel op de schaal monisme-dualisme?

Moet er bij een referendum tussen twee personen die een politiek/bestuurlijk ambt begeren niet ook iets te kiezen zijn en veronderstelt dat niet een duidelijk, afgebakend takenpakket voor de burgemeester?

De leden van de fractie van D66 merkten op dat de voortschrijdende emancipatie van de burgers in een volwassen democratie het noodzakelijk maakt ook de procedures tot benoeming van burgemeester en commissaris van de Koning op een modernere leest te schoeien. Het feit dat een direct door de bevolking gekozen burgemeester (in het vervolg van deze bijdrage zal veelal in plaats van burgemeesterook commissaris gelezen kunnen worden) op dit moment nog niet mogelijk is, vanwege de Grondwet en vanwege de politieke realiteit, leidt tot wetgeving die niet bepaald ideaal is te noemen, maar die voor een beperkte periode wellicht moet worden bestempeld als het maximaal haalbare. De leden van de fractie van D66 zeiden het wetsvoorstel vanuit die optiek te beoordelen.

Het is wenselijk de invloed van de raad op de benoeming, de herbenoeming en het ontslag van de burgemeester te versterken, zo vermeldt de overweging van het wetsvoorstel. Waarom staat er niet ook: de invloed van de burgers te versterken? Die invloed neemt immers ook toe, als een gemeenteraad besluit tot het houden van een raadgevend referendum.

De leden van de fracties van SGP en RPF/GPV hadden met uitermate gemengde gevoelens van het wetsvoorstel kennis genomen. Zij betreurden ten sterkste de verwerping door de Tweede Kamer van het amendement-Schutte op stuk nr. 10, waardoor het voorstel een geheel ander karakter heeft gekregen dan in oorsprong het geval was: versterking en verduidelijking van de rol van de gemeenteraad (c.q. provinciale staten), onder handhaving van de Kroonbenoeming met waarborgen voor een behoorlijke kwaliteit van de procedure. Het voorstel, zoals het er nu ligt, gaf naar de opvatting van deze leden reden om te vrezen voor politieke en constitutionele spanningen, vooral door de introductie van de mogelijkheid van een raadplegend referendum, hetgeen materieel de benoemingsvrijheid van de Kroon kan beperken. Kan de regering garanderen dat als gevolg van het wetsvoorstel artikel 131 van Grondwet formeel noch materieel in het gedrang zal kunnen komen?

Deze leden vroegen verder of de voorgestelde benoemingsprocedure, met name die van de burgemeester, niet zal (kunnen) leiden tot een (verdergaande) politisering van het burgemeestersambt en of daarmee het element van «boven de politieke partijen staand gemeentelijk orgaan» niet (verder) zal verzwakken. Is de regering ervan overtuigd dat het concrete resultaat van de voorgestelde benoemingsprocedure geen afbreuk zal (kunnen) doen aan de verantwoordelijkheid van de Kroon/regering voor de kwaliteit van het lokale openbaar bestuur en de zorg voor de openbare orde en veiligheid?

De leden van genoemde fracties vroegen voorts welke procedurele verschillen er ingevolge het wetsvoorstel (blijven) bestaan tussen de benoeming van de burgemeester en die van de Commissaris van de Koningin.

Het lid van de Onafhankelijke Senaatsfractie (OSF) vroeg in welke democratische landen er net zoals in Nederland geen sprake is van een rechtstreeks door de bevolking gekozen burgemeester?

Zijn er nadelen bekend op grond waarvan in dergelijke landen voornemens bestaan tot wijziging van de benoemingsprocedure? Zo ja, aan wat voor wijziging denkt men daar dan?

Zijn er in de overige landen naar het inzicht van het kabinet nadelen gebleken van het rechtstreeks kiezen van de burgemeester door de bevolking? Welke voorbeelden zijn hiervan bekend?

2. De aanbeveling van de gemeenteraad

De leden, behorende tot de fractie van het CDA merkten op dat de instelling van een vertrouwenscommissie imperatief wordt. Kan naar de opvatting van de regering de raad hier in de toekomst als een soort comité-generaal functioneren indien alle raadsleden worden benoemd in de commissie, die o.a. de sollicitanten gaat beoordelen?

De burgemeester heeft zeer veel van doen met wethouders. Indien de voorstellen van de Cie-Elzinga op dit punt in de Gemeentewet neerslaan zijn de wethouders niet langer raadslid en dus formeel (en ook materieel gelet op de vertrouwelijke delen van het voorbereidingstraject van de aanbeveling) niet betrokken bij de totstandkoming van die aanbeveling. Beoordeelt de regering, al dan niet in het kader van de door haar gewenste dualisering, dit als een gunstige ontwikkeling?

In de schriftelijke voorbereiding van dit wetsvoorstel was soms sprake van de mogelijkheid van mandatering van het recht van aanbeveling (bijv. 25 444, nr. 3 blz. 2) en vaker van de mogelijkheid van delegatie (25 444 nr. 5 blz. 5 bijv.)

Is de regering het met de leden van het CDA eens, dat gelet op de gevolgen die de Algemene wet bestuursrecht verbindt aan mandaat en gelet op de aard van de bevoegdheid (aanbevelen) en/of de vertrouwelijkheid in het voortraject van die aanbeveling geboden mandaat niet past nu de mandaatgever via incidentele aanwijzingen steeds kan «inbreken»? Is delegatie van het recht tot aanbeveling door de raad ex artikel 156 Gemeentewet aan het College van B en W, bijvoorbeeld als gevolg van afspraken daarover door de raadsmeerderheid in het collegeprogramma, naar de opvatting van de regering mogelijk?

Vanuit vertrouwenscommissies maar ook vanuit allerlei andere hoeken en gaten (bijvoorbeeld de vorige werkkring van de sollicitant of vanuit provinciale of gemeentelijke ambtelijke apparaat of vanuit fracties) kan worden gelekt. De minister stelt (14 september 2000 (HTK 102–6611) dat de Kroon bij indiscreties dubbel en dwars zijn verantwoordelijkheid zal nemen.

Voorheen zetten Commissarissen van de Koning vertrouwenscommissies wel buitenspel als sanctie op dat lekken ook al stond allerminst vast dat het lek zich daar bevond. Maakt het voor de regering bij zijn opstelling ten aanzien van de aanbeveling principieel verschil of het lek naar redelijk vermoeden uit de kring van raad of commissie komt of van elders?

Gelet op de schriftelijke en vooral mondelinge voorbereiding van het wetsvoorstel tot nu toe is duidelijk dat de regering niet alleen aan het besluit tot aanbeveling acht slaat, maar ook op de wijze waarop het tot stand is gekomen.

Hoe geringer de meerderheid of hoe verdeelder de raad is des te geringer wordt de waarde van de aanbeveling, zo begrepen deze leden de opstelling van de regering. Des te groter ook de ruimte bovenlokale criteria mee te laten wegen. Kan de regering deze waarneming bevestigen en in dat geval ook aangeven hoe zij grofweg de waarde van de aanbeveling correleert aan de stemverhoudingen waarmee c.q. het draagvlak waarop die aanbeveling in de raad rust?

Indien een aanbeveling niet goed is kan de minister zijn vrijheid bij burgemeestersbenoemingen volledig hernemen (zie bijv. Handelingen TK 102–6612). Dat zou het geval zijn indien de aanbeveling onvoldoende gemotiveerd afwijkt van wettelijke voorschriften daaromtrent. Is dit ook zijn stellingname indien – theoretisch gesproken – de aanbeveling in de ogen van de minister en/of blijkend uit eerdere advisering van de cdK slechts een (of twee) onbenoembare kandida(a)t(en) bevat?

Hoewel er in de wet van een uitzondering wordt gesproken bestaan er, naar het oordeel van de leden van de VVD-fractie, genoeg redenen om aan te nemen dat er in de praktijk vaak sprake zal zijn van een enkelvoudige voordracht. Deelt de minister deze opvatting? Zo niet, kan de regering dan aangeven waarom enkelvoudige voordrachten in de praktijk uitzonderingen zullen blijven?

Tijdens de behandeling in de Tweede Kamer oordeelde de minister dat, als er sprake zou zijn van een enkelvoudige voordracht van de gemeenteraad aan de minister over de te benoemen burgemeester, dit op gespannen voet zou staan met de Grondwet. Graag zouden de leden van de VVD-fractie precies willen weten waarom er sprake zou zijn van spanning met de Grondwet en waarom er bij het huidige voorstel geen spanning met artikel 131 van de Grondwet bestaat.

De leden van de VVD-fractie merkten op van mening te zijn dat in de praktijk de kandidaat die na referendum of na beraadslaging van de vertrouwenscommissie op de tweede plaats op de aanbeveling komt te staan snel geneigd zal zijn zijn of haar kandidatuur in te trekken. De leden van de VVD-fractie zouden graag de argumenten van de regering vernemen waarom zulks niet het geval zal zijn.

De leden, behorende tot de fractie van de PvdA wezen erop, dat artikel 61, lid 5 min of meer dwingend voorschrijft dat een aanbeveling twee personen omvat. In bijzondere, door de raad te motiveren gevallen, kan met een enkelvoudige aanbeveling worden verstaan. Kan inzicht worden gegeven van de omstandigheden waaraan dan moet worden gedacht? Zou een dergelijke situatie ook kunnen ontstaan omdat één van beide kandidaten zich tijdens de afronding van de procedure terugtrekt? Zou van sollicitanten niet op voorhand moeten worden verlangd dat zij zich onder alle omstandigheden dienen te schikken in de nog nader door de raad te bepalen volgorde?

Welke gevolgen zou een enkelvoudige kandidaatstelling naar de mening van de minister kunnen hebben voor een eventueel te houden raadplegend referendum, met name in een situatie dat nummer 2 van de voorgenomen aanbeveling zich, hangende de referendum-procedure, zou terugtrekken? Acht de minister het zinvol als onder die omstandigheid het referendum gewoon doorgaat? Of betekent de formulering van artikel 61e, lid b dat dan automatisch de grond onder het referendum komt te vervallen?

Is het ook bij een enkelvoudige aanbeveling denkbaar dat er voor de minister zwaarwegende gronden zijn om daarvan af te wijken? Op welke wijze wordt de gemeenteraad in een dergelijke situatie (opnieuw) bij de procedure betrokken?

De leden, behorende tot de fractie van GroenLinks wezen erop, dat bij de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer de minister heeft opgemerkt, dat hij het betreurde dat hij in de nota naar aanleiding van het nader verslag zo kort van stof is geweest met betrekking tot de enkelvoudige aanbeveling, die op gespannen voet zou staan met de huidige grondwettelijke regeling van de benoeming. Er zijn voorbeelden van kroonbenoemingen genoemd (de voorzitters van waterschappen) die ook via een enkelvoudige aanbeveling tot stand komen. Deze leden wilden nog dichter bij huis blijven en het grondwetsartikel met betrekking tot de benoeming van de minister-president en de ministers noemen (artikel 43) dat dezelfde redactie kent als het grondwetsartikel met betrekking tot de burgemeester (artikel 131). Voor elke ministerspost wordt een enkelvoudige aanbeveling gedaan, zoals de minister ongetwijfeld bekend is. Deze leden nodigden de minister derhalve uit nu wat langer van stof te zijn en uit te leggen waarom een enkelvoudige aanbeveling op gespannen voet met de huidige grondwettelijke regeling zou staan. Daarbij vroegen zij de minister ook te betrekken de mogelijkheid dat de raad, zij het dat dit gemotiveerd moet worden, kan volstaan met een aanbeveling van één persoon.

Hoe beoordeelt de minister de toekomst van de aanbeveling van twee personen in het licht van de verwachting dat kandidaten er geen behoefte aan hebben om tweede te staan op een openbare aanbeveling en derhalve zich terugtrekken, waarna de raad moet volstaan met een enkelvoudige aanbeveling? In Binnenlands Bestuur van 22 september 2000 betoogt prof. mr. D. J. Elzinga dat uit onderzoek blijkt dat bij alle benoemingsprocedures die openbare aanbevelingen kennen er uiteindelijk een sterke tendens is naar enkelvoudige aanbevelingen. Als voorbeeld noemt hij de waterschappen, waar «de meervoudige aanbeveling noodgedwongen moet worden vervangen door een enkelvoudige, omdat men doodeenvoudig geen kandidaten meer kon krijgen door de tweede plaats.» Herkent de minister deze tendens en kan de minister informatie geven over de manier waarop de benoemingen bij de waterschappen in dit opzicht hebben plaatsgevonden?

Wordt de motivering van een gemeenteraad, waarin wordt verantwoord waarom men tot een enkelvoudige aanbeveling is gekomen, door de minister nog op enigerlei wijze gewogen? Zo ja, wat zijn de criteria voor deze weging?

Deze leden ontvangen ook graag antwoord op de vraag of de vertrouwenscommissie gebonden is aan geheimhouding van een sollicitatie(brief) indien de sollicitant er zelf op staat, c.q. daar het initiatief toe neemt, dat zijn/haar sollicitatie(brief) wordt geopenbaard?

De leden van de fractie van D66 merkten op dat indien een vertrouwenscommissie een kandidaat beoordeelt voor wie vertrouwelijkheid geldt, wat als regel het geval zal zijn, op grond van artikel 61 lid 4, informatie kan worden ingewonnen door tussenkomst van de commissaris. Bestuursorganen moeten de gevraagde informatie verstrekken. Hoe is het met informatie uit andere bron? Mag de commissaris gegevens afkomstig van individuele personen, of van bedrijven en instellingen, doorgeven aan de vertrouwenscommissie, ook als die informatie een zeer negatief oordeel zou behelzen?

Een vertrouwenscommissie is, in vergelijking met bijvoorbeeld een instantie die een nieuwe directeur zoekt, nogal gehandicapt doordat men zelf geen informatie mag inwinnen. In de praktijk valt het resultaat meestal mee, ook al omdat er tot dusverre een voorselectie van de commissaris is, die wel over middelen beschikt om zich te informeren, Naarmate raden zich zelfstandiger gaan opstellen, wordt het gemis aan bevoegdheid om zelf informatie direct te vergaren, groter. Ook dit acht de fractie van D66 een nadeel dat zich bij directe verkiezing van de burgemeester niet voordoet.

3. Het raadplegend referendum

De leden van de CDA-fractie koesterden nogal wat bezwaren tegen het voorgestelde «burgemeestersreferendum». Waar zo een referendum wordt gehouden dreigt verdere vervreemding tussen burgers en bestuur. De burgemeester heeft weinig inhoudelijk politieke bevoegdheden naar Nederlands gemeenterecht. Bij een referendum hoort een campagne waarin de twee kandidaat-burgemeesters uiteenzetten waar ze met de gemeente naar toe willen. Maar daarover gaan zij niet of nauwelijks. Zij kunnen weinig beloften waarmaken nu de beslissingen daarover zelfs inzake belangrijke aspecten van openbare orde (cafésluitingstijden, tippelzone, koffieshops, enz.) liggen bij raad en college. Wie net als deze leden geen presidentiële burgemeester wil moet geen plebiscitaire referenda entameren.

In een aantal gemeenten bestaan autonome referendumverordeningen. Het besluit om geen burgemeestersreferendum te houden kan dan op zich zelf weer onderwerp worden van een autonoom referendum. Dan ontstaat een gecompliceerde verhouding. Kan de regering aangeven hoe zij de verhouding ziet tussen het nu voorgestelde op de wet berustende (burgemeesters) referendum en de gemeentelijke referendaregelingen? Is het besluit (g)een referendum te houden een besluit waartegen bij de bestuursrechter kan worden opgekomen?

Kunnen gemeenten medewerking verlenen aan referenda die worden aangevraagd op grond van bestaande referendumverordeningen met als object de vraag of de gemeente al dan niet terecht een aanbeveling tot herbenoeming heeft geformuleerd? Kunnen terzake raadplegende referenda worden gehouden?

De gemeenteraad kan besluiten de kandidatuur van een te benoemen burgemeester onderwerp van een referendum te maken. Stel, zo vroegen de leden van de VVD-fractie, de vertrouwenscommissie besluit kandidaat A en B voor te dragen, is er dan sprake van een raadsbesluit? En, zo vroegen zij, is dat besluit dan referendabel indien een deel van de bevolking het met deze voordracht niet eens is? Passen de verschillende referendumverordeningen die op gemeenteniveau bestaan binnen het voorliggende voorstel?

In de Nota van Wijziging van 8 februari 1999 spreekt de regering de verwachting uit dat het gemeentebestuur de bevolking op zakelijke wijze zal informeren omtrent de kandidaten. Maar, zo oordelen de leden van de VVD-fractie, dit zal de kandidaten er niet van weerhouden om ook een verkiezingscampagne te voeren. Echter, de gemeenteraad als hoogste orgaan bepaalt, uiteindelijk het beleid. Kan naar het oordeel van de regering een kandidaat burgemeester in de campagne dan toch met inhoudelijke thema's naar de kiezer gaan? Ook met thema's die niet op steun van de gemeenteraad kunnen rekenen? Zal dit, zo vroegen de leden van de VVD-fractie, bij de kiezers geen verwachtingen wekken die niet kunnen worden waargemaakt en derhalve tot een vergroting van de kloof tussen kiezer-gekozene leiden? Immers, een benoemde burgemeester zal toch ook gewoon het collegeprogramma uit moeten voeren?

De leden behorende tot de PvdA-fractie stelden een vraagteken bij het gebruik van de term «referendum» in het wetsvoorstel. De regering heeft tot nog toe het woord – naar internationaal gevestigd gebruik – gereserveerd voor vormen van invloed van de kiezers op beleidsvorming. Dit is ook conform de voorstellen van de staatscommissie-Biesheuvel over dit onderwerp. Hoe verklaart de regering haar gebruik van dit woord, nu het gaat om de aanwijzing van personen voor de bekleding van een ambt, en dus niet om beleid?

Voorts vroegen deze leden waarom de regering de term «referendum» gebruikt nu het niet – zoals gebruikelijk – betreft instemming of verwerping door de kiezers van een reeds door een bevoegd overheidsorgaan genomen besluit, maar een keuze uit twee alternatieven, welke keuze door het overheidsorgaan zelf nog niet is gedaan.

Heeft de regering overwogen om, vanwege dit afwijkend gebruik van de term referendum, de voorgestelde bijzondere procedure van volksraadpleging een andere, eigensoortige, naam te geven? Zo neen, waarom niet? Zo ja, waarom heeft de regering toch voor deze term gekozen?

De leden, behorende tot de fractie van GroenLinks wezen erop, dat voorstanders van een referendum dit middel bepleiten o.a. met het argument dat dit de bevolking meer bij besluitvorming betrekt en dat daarmee de veronderstelde kloof tussen burgers en «politiek» wordt verkleind. Hoe beoordeelt de minister het effect van een raadplegend referendum op langere termijn als middel om deze kloof kleiner te maken?

De leden vroegen vervolgens of het op grond van dit wetsvoorstel zo is, dat, als de raad heeft besloten een referendum te houden, de besluitvorming over de aanbeveling in twee fasen zal plaatsvinden, nl. eerst een besluit van de raad, naar aanleiding van het verslag van de vertrouwenscommissie, over de twee sollicitanten die op het referendumbiljet zullen voorkomen en vervolgens, na het referendum, een besluit van de raad over de uitslag van het referendum en de gevolgen hiervan voor de aanbeveling van de raad aan de minister.

De leden van de D66-fractie merkten op, dat al tijdens het overleg met de commissaris van de Koning over de eisen die aan de te benoemen burgemeester worden gesteld, de raad moet aangeven of hij een raadplegend referendum over kandidaten zal houden(artikel 61 lid 2). Een relevant argument daarvoor is dat mogelijke kandidaten moeten weten waar ze aan toe zijn: als ze zich niet aan een referendum wensen te onderwerpen kunnen ze er van afzien te solliciteren. M.a.w., kandidaten die verlangen dat hun sollicitatie geheim blijft, tenzij ze op de aanbeveling komen te staan, worden hierdoor beschermd. Het is begrijpelijk dat sommige gegadigden geen openbaarheid wensen. Ze willen bijv. voorkomen dat in de gemeente waarin ze burgemeester zijn het gerucht gaat dat het hen daar niet bevalt, dat ze weg willen. Maar vindt de minister het, evenals de leden van de fractie van D66, niet storend dat de vervulling van een openbaar bestuurlijk ambt, met belangrijke politieke aspecten, omgeven moet zijn met geheimhouding? Het leidt tot lekken, het leidt tot aanzienlijke beperking van de zo wenselijke horizontale doorstroming, het past niet in een open samenleving. Deze negatieve aspecten vervallen bij directe verkiezing van de burgemeester door de bevolking.

Het wetsvoorstel verhindert een kandidaat niet om openbaar te maken dat hij heeft gesolliciteerd. Hij kan, vooruitlopend op een eventueel referendum, bekendmaken dat hij graag in aanmerking komt voor het burgemeesterschap van een bepaalde gemeente en hijzelf, of burgers, kunnen er in alle openbaarheid bij de raad op aandringen dat er een referendum wordt gehouden en dat de betreffende kandidaat bij het tweetal zal staan. Het is ook denkbaar dat een gemeenteraad, nog voordat de vacature is opengesteld, tot de conclusie komt dat men een bepaalde persoon graag als nieuwe burgemeester zou verwelkomen. Die conclusie zou in alle openbaarheid getrokken kunnen worden. Als het bijvoorbeeld een burgemeester uit een andere gemeente betreft, is het niet schadelijk voor hem als hij in positieve zin wordt genoemd. Hem (vanzelfsprekend kan voor hem ook steeds haar gelezen worden) kan in zijn eigen gemeente niet worden verweten dat hij weg zou willen. De betreffende gemeenteraad zou hem kunnen vragen te solliciteren, met de belofte dat hij hoog, eventueel als hoogste, op de voordracht van de vertrouwenscommissie zal komen. Een dergelijke procedure vertoont enige verwantschap met de beroepingsprocedures van predikanten in protestante kerken. Hij heeft het grote voordeel dat het proces openbaar kan zijn, en dat het horizontale doorstroming, die om begrijpelijke redenen nu weinig voorkomt, zou bevorderen. Is het waar dat het wetsvoorstel de geschetste ruimte biedt? Ziet ook de minister daar voordelen in?

Het object van het referendum bestaat uit de namen van twee sollicitanten, zo vervolgden deze leden. Hoe moet men zich dat in de praktijk voorstellen? Hoe moeten de burgers, de referendumgerechtigden zoals ze in artikel 61e lid b worden aangeduid, tot een oordeel komen? Verschaft de gemeenteraad informatie en zo ja, welke? Moeten de kandidaten instemmen met die te verstrekken informatie? Of verzorgen ze dat zelf? Kortom, hoe maken ze zichzelf bekend? Voeren ze campagne? En als ze dat doen, doen ze dat dan op grond van een programma? Op grond van de uitgangspunten of het programma van de politieke partij waarvan ze lid zijn? Mag er reclame voor hen worden gemaakt? Hun politieke partij zal dat mogen doen, lijkt ons. Wie betaalt dat? Zijn de te besteden bedragen gemaximeerd? Mag een kandidaat gesponsord worden?

Dit soort vragen, waarvan er natuurlijk veel meer zijn te stellen , zouden zich ook voordoen indien we zouden overgaan naar een direct door de bevolking gekozen burgemeester. Evenwel, in dat geval kan veel worden ontleend aan bestaande praktijken, zowel in Nederland als in het buitenland. De procedure die in het wetsvoorstel is vastgelegd is van een heel bijzondere soort, omdat na een proces omgeven met geheimhouding ineens twee sollicitanten aan de bevolking worden voorgelegd, waaruit dan moet worden gekozen. De bevolking moet sollicitanten beoordelen, wat iets anders is dan iemand kiezen die zich heeft gepresenteerd met een politiek programma. De leden van de fractie van D66 zouden het op prijs stellen van de minister te horen welke gang van zaken in deze hij verwacht en wat zijn oordeel daarover is.

4. Rol en positie van de commissaris van de Koningin bij de aanstellingswijze van de burgemeester

De leden van de fractie van het CDA stelden vast dat in de huidige situatie (artikel 61 lid 2 en lid 5) de cdK «volgens een door de regering gegeven ambtsinstructie» aanbevelingen voor (her)benoeming van de burgemeester opmaakt.

De provinciale staten kunnen daaromtrent geen beleidsregels vaststellen ex artikel 144 Provinciewet noch kunnen zij de cdK voor zijn bestuur terzake ter verantwoording roepen.

Artikel 182 lid 5 Provinciewet is niet van toepassing op de uitvoering van de ambtsinstructie. In welk opzicht verandert deze situatie, nu de Gemeentewet hem een reeks van taken (in medebewind) opdraagt; zonder verwijzing naar de ambtsinstructie overigens.

Is de cdK nu voor de uitoefening van die nieuwe taken wel verantwoording aan provinciale staten verschuldigd gelet op de artikelen 179 en 182 Provinciewet?

Nu opnieuw een deel van de rijkstaak van de cdK verdwijnt, althans behoorlijk van karakter verandert, rijst de vraag in hoeverre de cdK meer dan de burgemeester nog specifiek kan worden gezien als rijksorgaan. Provincialiseert dit ambt niet steeds sterker zoals eerder het burgemeestersambt «vergemeentelijkte». Deze leden ontvangen graag de visie van de regering hierover.

De leden van de fracties van SGP en RPF/GPV betreurden het ten zeerste dat als gevolg van de aanvaarding van het amendement Scheltema-de Nie op stuk nr. 13 de positie van de cdK in de procedure tot benoeming van de burgemeester nog verder is teruggedrongen dan in het (gewijzigd) voorstel reeds het geval was. Deze leden stelden in dit verband de navolgende vraag.

In de vigerende benoemingsprocedure pleegt de cdK o.a. rekening te houden met bovenlokale factoren, zoals spreiding naar politieke herkomst en loopbaanbeleid. Zij vroegen door wie en op welke wijze deze factoren verdisconteerd worden in de door het wetsvoorstel beoogde benoemingsprocedure. Zij stelden verder de vraag waarin de inhoudelijke bemoeienis van de cdK nog bestaat na opneming van genoemd amendement in het wetsvoorstel. Waar zal in de voorgestelde procedure het toezicht op de kwaliteit van de kandidaten en op hun justitiële antecedenten komen te berusten?

5. De voordracht aan de Kroon

De leden van de VVD-fractie vroegen onder welke omstandigheden de minister in zijn benoeming van een burgemeester kan afwijken van de aanbevelingen van de raad en de cdK.

Deze leden vroegen zich af of de minister bij zijn besluit tot benoeming niet met te veel mogelijk conflicterende krachten rekening dient te houden. In theorie kunnen er grote verschillen in inzicht ontstaan onder de verschillende actoren in dit voorstel. Het is mogelijk dat de raad, de vertrouwenscommissie, de kiesgerechtigde bevolking bij referendum, de cdK en de minister allen verschillende inzichten hebben omtrent de meest geschikte kandidaat. Nu ieder van deze actoren een bepaalde kracht vertegenwoordigen zouden deze leden graag van de minister willen weten hoe hij deze krachten waardeert en hoe hij met conflicten tussen deze actoren denkt om te zullen gaan.

Het lid van de OSF merkte op, dat in de toelichting op het wetsvoorstel gronden worden genoemd op basis waarvan een minister binnen het raamwerk van het wetsvoorstel kan afwijken van een aanbeveling van een gemeenteraad of provinciale staten. Is men binnen deze organen niet zelf goed in staat om alle relevante zaken binnen een sollicitatieprocedure te toetsen? Is het niet voldoende om desbetreffende zaken in de profielschets te laten vastleggen?

6. Herbenoeming van de burgemeester

Nu de herbenoemingsprocedure gepaard gaat met een aanbevelingsprocedure mag deze vrij zwaar worden genoemd, zo stelden de leden van de CDA-fractie.

De inhoud van de algemene maatregel van bestuur die de wederzijdse rechtswaarborgen voor raad en burgemeester bevat was deze leden nog niet bekend. Toch wilden zij de vraag stellen in hoeverre de regering bij haar herbenoemingsbeleid uitgaat van een zekere aanspraak van de burgemeester op herbenoeming en bij het licht daarvan naar de aanbevelingen kijkt. Hoe wordt aangekeken tegen aanbevelingen tegen herbenoeming die zijn gestoeld op overwegingen dat «men meer van de burgemeester had verwacht» zonder dat verstoorde verhoudingen worden geconstateerd. Zulke aanbevelingen zijn niet denkbeeldig indien de raad(smeerderheid) weet dat een andere kandidaat bereid lijkt te solliciteren en deze kandidaat als duidelijk beter wordt gezien als de zittende burgemeester?

Welke rol spelen de «gedualiseerde» wethouders bij de besluitvorming in de toekomst rond herbenoeming?

De leden van de fractie van de VVD vroegen of de regering kan uitleggen waarom de positie van een zittende burgemeester die hoopt herbenoemd te worden een sterkere is dan de positie van een kandidaat wanneer er een vacature is of komt.

De leden van de fractie van GroenLinks vroegen waarom het niet is mogelijk gemaakt ook de herbenoeming van de burgemeester aan een raadplegend referendum te onderwerpen.

7. Ontslag van de burgemeester

De leden van de CDA-fractie merkten op, dat «verstoorde verhoudingen» het kernbegrip vormen in het voorgestelde ontslagregime.

Is dit een geheel subjectief begrip net als het begrip vertrouwen in de vertrouwensregel zoals die in het ongeschreven recht wordt aangenomen te bestaan tussen Tweede Kamer en kabinet/minister of tussen wethouders en raadsleden (artikel 49 Gemeentewet). Of zal de minister bij de beoordeling van de aanbeveling tot ontslag door de raad uitgebracht, ook zoeken naar objectieve maatstaven zoals de schuldvraag, de duur van de verstoring, de duur van de ambtsperiode e.d.?

Benoeming, herbenoeming en ontslag van burgemeesters is in het voorliggende wetsvoorstel nauw verbonden met aanbevelingen door de gemeenteraad. Zou dit niet moeten betekenen dat de procesbevoegdheid op dit punt (zie ook artikel 164 Gemeentewet) moet worden uitgezonderd van het transport van bestuursbevoegdheden van de raad naar het college zoals geadviseerd door de Staatscommissie Dualisme en lokale democratie?

In welke gevallen kan de regering buiten een aanbeveling van de raad om aannemen dat de verhouding verstoord is tussen raad en burgemeester en die vaststelling ten grondslag leggen aan een besluit tot ontslag? Bijvoorbeeld omdat de burgemeester en eventueel de cdK die mening zijn toegedaan?

Waar liggen dan de financiële lasten die voortvloeien uit zo een ontslag?

Artikelen

Artikel 61, tweede lid

Het was de leden van de VVD-fractie niet duidelijk wat er gebeurt wanneer de raad en de cdK het niet eens kunnen worden over het eisenpakket waaraan de burgemeester moet voldoen.

Artikel 61, derde lid

Het was de leden van de VVD-fractie niet duidelijk geworden wat wordt verstaan onder «andere kandidaten die gesolliciteerd hebben». Moet enig persoon die aan de raad, of een lid van de raad kenbaar heeft gemaakt kandidaat te willen zijn, worden gezien als iemand die heeft gesolliciteerd?

Artikel 61, vijfde lid

Denkt de regering dat de in artikel 61 lid 5 genoemde termijnstelling voor de aanbeveling niet tot problemen kan leiden wanneer één van de actoren dermate veel tijd neemt voor zijn of haar taak, wat er toe leidt dat andere actoren hierdoor in tijd nood komen. Wat zijn de gevolgen wanneer deze termijn wordt overschreden?

De VVD-fractie vraagt zich af hoe de minister de geheimhoudingsplicht van de raad in dit artikel in praktijk denkt te kunnen handhaven?

In antwoord op een vraag van de Raad van State spreekt de minister van het redigeren van artikel 61 lid 5, op een dergelijke wijze dat de raad de aanbeveling aan de minister aan de vertrouwenscommissie, door mandatering kan doen laten toekomen. Wanneer dit zo is, waarom is dit dan niet duidelijker in het desbetreffende lid gesteld?

Artikel 61, zesde lid

In de Tweede Kamerbehandeling van dit voorstel was naar de mening van de leden van de VVD-fractie niet voldoende duidelijk geworden wat de mogelijke aard is van de zwaarwegende omstandigheden die kunnen leiden tot de enkelvoudige voordracht vanuit de raad. Naast de gemeentelijke herindeling en bovenlokale politieke belangen zouden deze leden graag zien onder welke omstandigheden deze enkelvoudige voordracht nog meer mogelijk kan zijn en wat moet worden verstaan onder bovenlokale politieke belangen.

De leden, behorende tot de fractie van de PvdA merkten op artikel 61, zesde lid bepaalt dat de minister alleen bij zwaarwegende gronden van een aanbeveling (inclusief de volgorde) kan afwijken. Zou de minister een (kan het zijn limitatieve) opsomming kunnen geven van het type gronden waaraan moet worden gedacht? Mag er van worden uitgegaan dat partijpolitieke overwegingen in een dergelijke opsomming niet thuis horen?

Artikel 61a

Het was de leden van de VVD-fractie niet duidelijk hoe de burgemeester aangeeft herbenoemd te willen worden. Eveneens is niet duidelijk waarom de cdK alleen met de raad spreekt over het functioneren van de burgemeester terwijl de burgemeester blijkens art 61a door niemand wordt gehoord. Kan uit het feit dat de in artikel 61, derde lid genoemde aanbeveling geheim is opgemaakt worden dat de burgemeester in het geheel niet op de hoogte is van zijn positie ten opzichte van de raad totdat deze naar de minister is verzonden? Het was deze leden niet duidelijk waarom in het vijfde lid van dit artikel geen motivering in geval van een afwijkende benoeming is opgenomen.

De leden van de fractie van D66 merkten op dat artikel 61a de herbenoeming van de burgemeester regelt. De raad stuurt een aanbeveling, de commissaris adviseert over die aanbeveling, en de minister wijkt slechts af van de aanbeveling als de commissaris dat ook heeft gedaan in zijn advies, of op andere zwaarwegende gronden. Stel nu dat een burgemeester, die een periode van zes jaar er bijna op heeft zitten, geen wetten heeft overtreden, geen aanstotelijk gedrag heeft vertoond, niet de kantjes er af heeft gelopen, desalniettemin slecht wordt beoordeeld door de raad. Hij heeft niet de uitstraling die men had verwacht, hij gebruikt zijn relaties in Den Haag en in Brussel nauwelijks, hij toont weinig initiatief. De raad zou graag een andere burgemeester benoemd zien en schrijft dat in de aanbeveling. Als de burgemeester direct was gekozen had hij geweten dat hij zich na verloop van tijd opnieuw zou moeten waarmaken in een verkiezingsstrijd, en het zou absoluut niet ongebruikelijk zijn als dat niet zou lukken. In het huidige systeem ligt dat anders. Hoe staat het met de rechtszekerheid van een burgemeester als zijn raad hem niet bekwaam genoeg acht en na zes jaar iemand anders wil? Of zal de minister in zo'n geval de aanbeveling van de raad negeren en de betreffende burgemeester herbenoemen? M.a.w., kunnen de verwachtingen die door artikel 61a bij gemeenteraden gewekt worden, in de praktijd gestand worden gedaan? Zo ja, schept dat dan niet een onzekerheid voor burgemeesters die in het huidige systeem moeilijk te verdedigen valt?

Artikel 61b

Ook hier was het de leden van de fractie van de VVD niet helder waarom de burgemeester door niemand wordt gehoord en pas op de hoogte is van de situatie als de aanbeveling van de raad al naar de minister is verzonden.

In artikel 61b wordt, zo stelden de leden van de PvdA-fractie vast, de mogelijkheid geopend dat, indien er sprake is van een verstoorde verhouding tussen de burgemeester en de raad, deze laatste een aanbeveling tot ontslag kan zenden aan de minister. In lid 7 wordt geregeld dat de minister hiervan op gronden ontleend aan het advies van de cdK dan wel op andere zwaarwegende gronden kan afwijken. Kan de minister enige grond noemen om een burgemeester in zijn functie te handhaven als de raad het vertrouwen in hem of haar heeft opgezegd? Hoe denkt de minister te werk te gaan als er geen sprake is van een verstoorde verhouding maar er toch termen aanwezig zijn (b.v. integriteit) om een burgemeester van zijn functie te ontheffen? Wordt in zo'n situatie de raad nog op enigerlei wijze geraadpleegd?

De leden van de D66-fractie merkten op dat als de burgemeester op aanbeveling van de raad is benoemd, de lasten van het ontslag in het algemeen door de gemeente zullen moeten worden gedragen. Hoe is dat als de betreffende burgemeester niet de keus van de raad was? Of als het ontslag op grond van een gemeentelijke herindeling plaatsvindt? Een aanbeveling tot ontslag (artikel 61b lid 5) is openbaar (artikel 61c lid 3). Heeft de burgemeester wiens ontslag wordt aanbevolen recht op verweer, op inzage in de aanbeveling voordat die wordt openbaar gemaakt, op toevoeging van een verweerschrift aan het openbaar te maken stuk?

Artikel 61c

De leden, behorende tot de fractie van GroenLinks vroegen of de redactie van artikel 61c, lid 1 niet onzorgvuldig is geformuleerd, daar waar wordt gesproken over beraadslagingen bedoeld in artikel 61 derde lid, terwijl in 61.3 sprake is van twee typen beraadslagingen, nl. van de raad die uit zijn midden een vertrouwenscommissie instelt, wat in een normale openbare raadsvergadering plaatsvindt, en de beraadslagingen van de vertrouwenscommissie.

Deze leden merkten op dat in artikel 61c de gesloten deuren en openbaarheid van stukken worden geregeld. Hieruit leiden zij af dat – overigens terecht – de raadsvergadering over het profiel en de vraag of er een raadplegend referendum moet worden gehouden (artikel 61 lid 2) en de raadsvergadering waarin de raad de aanbeveling vaststelt (artikel 61 lid 5) openbaar zijn. Deze aanbeveling wordt echter gedaan aan de hand van een discussie over het verslag dat de vertrouwenscommissie aan de raad uitbrengt van haar bevindingen (artikel 61 lid 4). Valt dit verslag onder de stukken die onder de genoemde stukken in artikel 61c tweede lid vallen? Zo ja, hoe kan de gemeenteraad dan in een openbare vergadering op een zinvolle wijze over de aanbeveling praten?

Artikel 61c, lid e

De leden van de fractie van de PvdA merkten op dat in artikel 61c lid e nadere regels worden gesteld met betrekking tot de opkomst van het aantal referendumgerechtigden. Genoemd wordt een percentage van tenminste 30%. Hoe verhoudt zich een dergelijke vereiste (en dat geldt bij elk minimumpercentage) met het raadplegend karakter van het referendum? Het staat de raad toch, hoe dan ook, vrij om de uitslag van het referendum, welke dan ook, al of niet bij de vaststelling van zijn aanbeveling te betrekken? Of is de minister van mening dat, naarmate de opkomst hoger is, de beleidsvrijheid van de raad navenant afneemt? En geldt dat dan ook voor de vrijheid van de minister om op zwaarwegende gronden van een aanbeveling af te wijken?

De voorzitter van de commissie,

Witteveen

De griffier voor dit verslag,

Nieuwenhuizen


XNoot
1

Samenstelling: Holdijk (SGP), Rensema (VVD), Bierman (OSF), Van Heukelum (VVD), Luijten (VVD), plv.voorzitter, Ruers (SP), Terlouw (D66), Pastoor (CDA), Bemelmans-Videc (CDA), Dölle (CDA), Tan (PvdA), Platvoet (GL) en Witteveen (PvdA), voorzitter.