nr. 278
GEWIJZIGD VOORSTEL VAN WET
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Mediawet
en het Wetboek van Strafrecht te wijzigen en de Wet op de filmvertoningen
in te trekken, teneinde te komen tot een meer effectieve bescherming van jeugdigen
tegen voor hen schadelijk te achten audiovisuele mediaproducten, en tevens
te voldoen aan de verplichtingen vervat in richtlijn nr. 97/36/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 juni 1997 (PbEG
L 202) tot wijziging van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad betreffende de coördinatie
van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten
inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der
Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en
verstaan bij deze:
ARTIKEL I
De Mediawet wordt als volgt gewijzigd:
A. Artikel 53 wordt vervangen door twee artikelen, luidende:
ARTIKEL 52D
1. Het televisieprogramma van een instelling die zendtijd heeft verkregen
bevat geen programma-onderdelen die de lichamelijke, geestelijke of zedelijke
ontwikkeling van personen jonger dan zestien jaar ernstige schade zouden kunnen
toebrengen.
2. Het televisieprogramma van een instelling die zendtijd heeft verkregen
mag slechts programma-onderdelen bevatten die schade kunnen toebrengen aan
de lichamelijke, geestelijke of zedelijke ontwikkeling van personen jonger
dan zestien jaar, indien die instelling is aangesloten bij een door Onze Minister
erkende organisatie als bedoeld in artikel 53, eerste lid, en
ter zake gebonden is aan de regels en het toezicht daarop van die erkende
organisatie met betrekking tot het uitzenden van de hiervoor bedoelde programma-onderdelen.
De instelling die zendtijd heeft verkregen en die is aangesloten toont dit
aan door middel van een aan het Commissariaat voor de Media over te leggen
schriftelijke verklaring van de erkende organisatie.
ARTIKEL 53
1. Onze Minister kan een organisatie erkennen die voorziet in regelingen
omtrent classificatie en het uitzenden van programma-onderdelen als bedoeld
in artikel 52d, tweede lid, en het toezicht daarop. De regelingen hebben in
ieder geval betrekking op:
a. criteria voor de classificatie van programma-onderdelen, waaronder
in ieder geval de mate waarin:
1°. angst wordt opgewekt;
2°. brutaliserend geweld wordt vertoond of gerechtvaardigd;
3°. het gebruik van drugs aantrekkelijk wordt voorgesteld of vergoelijkt;
4°. sprake is van pornografie;
5°. op andere gronden volgens algemeen geldende opvattingen producten
niet geschikt zijn voor vertoning aan bepaalde categorieën personen jonger
dan zestien jaar;
b. de uitzendtijdstippen van de hiervoor bedoelde programma-onderdelen;
c. de wijze waarop de uitzending van deze programma-onderdelen wordt voorafgegaan
door of is voorzien van symbolen of waarschuwingen.
2. Aan een erkenning kunnen voorschriften worden verbonden. Van een beschikking
tot erkenning wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
3. Een organisatie komt slechts voor erkenning in aanmerking indien:
a. onafhankelijk toezicht door de organisatie op de naleving van de regelingen,
bedoeld in het eerste lid, is gewaarborgd;
b. voorzien is in voldoende betrokkenheid van belanghebbenden, waaronder
in ieder geval vertegenwoordigers uit de consumentensfeer, instellingen die
zendtijd hebben verkregen, deskundigen op het gebied van de audiovisuele media
en producenten van audiovisuele media;
c. de financiële positie van de organisatie een adequate uitvoering
van de werkzaamheden waarborgt.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels
worden gesteld met betrekking tot de eisen bedoeld in het derde lid en kunnen
andere eisen ten aanzien van de erkenning worden gesteld.
5. Onze Minister trekt een erkenning in indien de organisatie niet meer
voldoet aan de bij of krachtens het eerste of derde lid gestelde eisen. Onze
Minister kan voorts een erkenning intrekken indien de organisatie niet voldoet
aan de in het tweede lid bedoelde voorschriften of de in het vierde lid bedoelde
nadere en andere eisen. Van een beschikking tot intrekking wordt mededeling
gedaan in de Staatscourant.
6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen het eerste tot en met vierde
lid en artikel 52d, tweede lid, buiten werking worden gesteld en kunnen regels
worden gesteld omtrent het uitzenden van programma-onderdelen als bedoeld
in artikel 52d, tweede lid, voor zover dat noodzakelijk is voor een juiste
en tijdige uitvoering van artikel 22 van de Europese richtlijn.
7. Na de plaatsing in het Staatsblad van een krachtens het zesde lid vastgestelde
algemene maatregel van bestuur wordt een voorstel van wet tot regeling van
het betrokken onderwerp zo spoedig mogelijk bij de Staten-Generaal ingediend.
Wordt het voorstel tot wet verheven, dan wordt de algemene maatregel van bestuur
ingetrokken op het tijdstip van inwerkingtreding van die wet.
8. De voordracht voor een krachtens het zesde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overlegd.
B. In artikel 71g, eerste lid, wordt na «artikelen» ingevoegd:
52d,.
C. In artikel 135, eerste lid, eerste gedachtestreepje, wordt «of
artikel 71j» vervangen door: , artikel 71j, artikel 72 of artikel 73.
ARTIKEL II
Artikel 240a Wetboek van Strafrecht komt te luiden:
ARTIKEL 240A
Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde
categorie wordt gestraft hij die een afbeelding, een voorwerp of een gegevensdrager,
bevattende een afbeelding waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor
personen beneden de leeftijd van zestien jaar, verstrekt, aanbiedt of vertoont
aan een minderjarige van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat
deze jonger is dan zestien jaar.
ARTIKEL III
De Wet op de filmvertoningen wordt ingetrokken.
ARTIKEL IV
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip,
dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan
worden vastgesteld.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat
alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat,
aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
De Minister van Justitie,