26 726
Wijziging van de Werkloosheidswet in verband met wijziging van de instroom in de wachtgeldfondsen alsmede enkele andere wijzigingen in de Werkloosheidswet

nr. 93a
MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 3 december 1999

Het kabinet heeft met belangstelling kennisgenomen van de inbreng van de Eerste Kamer.

Het kabinet constateert dat alleen de leden van de fractie van het CDA behoefte hebben nog enkele vragen te stellen.

De leden van deze fractie geven aan dat de WW de laatste jaren voortdurend wordt gewijzigd en vragen welke gevolgen deze voortdurende veranderingen in de regelgeving hebben voor de implementatie en of het de meelevende burger niet nodeloos moeilijk wordt gemaakt om de regelgeving te (blijven) volgen? Verder vragen deze leden of er een indicatie te geven is van het totaal van de maatschappelijke kosten die hiermee gepaard gaan.

De wijzigingen van de WW in de laatste jaren hebben met name tot doel gehad de versterking van de activerende werking van de WW en het beperken van de instroom. Het Lisv en de uitvoeringsinstellingen worden door middel van de uitvoeringstoets steeds in een vroeg stadium betrokken bij de totstandkoming van regelgeving en zijn derhalve ook geruime tijd voor inwerkingtreding op de hoogte van de voorgestelde wijzigingen. Hierdoor is steeds voldoende tijd voor implementatie en voorlichting. Daarbij merk ik nog op dat de tekst van de WW, zoals deze luidt met ingang van 1 januari 1999, in januari van dit jaar in het Staatsblad is geplaatst (Stb. 21) en dat er daarnaast publicaties bestaan waarin de burger de actuele tekst van de WW kan vinden.

Een indicatie van de maatschappelijke kosten van wijzigingen in wetgeving is niet te geven. Wel merk ik daarbij op dat de genoemde wijzigingen die, zoals eerder aangegeven, tot doel hebben de instroom te beperken en de uitstroom te bevorderen, uiteindelijk naar verwachting zullen leiden tot een terugdringen van een beroep op de WW en daarmee tot besparing van kosten.

Dezelfde leden vragen of er al effecten te melden zijn van de verlenging van de wachtgeldperiode van 13 weken naar zes maanden per 1 januari 1998 en of het niet raadzaam is daarop te wachten alvorens nieuwe stappen te zetten.

Een belangrijk uitgangspunt van het beleid van het kabinet is om de lasten meer neer te leggen waar ze veroorzaakt worden. In de WW heeft dat geleid tot een verlenging van de wachtgeldperiode van 13 weken naar zes maanden. Dit wetsvoorstel past in deze lijn.

Welk effect deze beleidslijn zal hebben op de ontwikkeling van de werkloosheid is niet exact te kwantificeren, omdat de ontwikkeling van de werkloosheid van tal van factoren afhankelijk is. Het evaluatieonderzoek naar de verlenging van de wachtgeldperiode dat het kabinet heeft laten uitvoeren, is daarom een kwalitatief onderzoek.

Dit onderzoek is inmiddels afgerond en zal op korte termijn aan het parlement worden aangeboden. Uit het onderzoek blijkt dat er op dit moment nog geen harde conclusies zijn te trekken over de effecten van de verlenging van de wachtgeldperiode.

De leden stellen dat met dit wetsvoorstel vooral arbeidsintensieve sectoren zwaarder worden belast. Zij vragen of dat niet in schrille tegenstelling staat tot het beleid om arbeid naar verhouding goedkoper te maken.

Het staat geenszins vast dat arbeidsintensieve sectoren door dit wetsvoorstel zwaarder worden belast. Het voorstel betekent dat sectoren die nu wachtgeldlasten kunnen afwentelen naar het AWf met hogere wachtgeldlasten zullen worden geconfronteerd. Dit kunnen zowel arbeidsintensieve als kapitaalintensieve sectoren zijn. Tegenover een lastenstijging bij de wachtgeldfondsen staat een lastendaling van dezelfde omvang bij het AWf. Niettemin kan er in bepaalde sectoren per saldo sprake zijn van een lastenstijging. Echter deze is te vermijden door hier een gericht beleid te voeren. Voor zover dat niet gebeurt, beoogt dit wetsvoorstel juist de kosten van ontslagwerkloosheid meer neer te leggen in de sector. Overigens merk ik op dat op sectorniveau voorkomen wordt dat er onaanvaardbare lasten optreden doordat per sector een lastenplafond wordt vastgesteld. Dit lastenplafond drukt uit welk lastenpercentage nog acceptabel is.

De leden vragen vervolgens of het wetsvoorstel ook geldt bij contractsbeëindiging tijdens proeftijd. Voor zover er recht bestaat op een WW-uitkering en er geen sprake is van herleving van een eerder uitkeringsrecht, zal inderdaad ook bij contractsbeëindiging de wachtgelduitkering te laste van het wachtgeldfonds van de sector komen.

De leden vragen of het wel correct is dat de (WW) premiebijdragen 50/50 verdeeld worden tussen werkgevers en werknemers. Zij refereren daarbij aan blz. 4 van de memorie van toelichting. De leden stellen dat sociale handboeken daarover andere informatie geven.

Het is inderdaad juist dat in de wet het vereiste dat de WW-premies, die bestaan uit de wachtgeldpremie en de premies voor het AWf, voor de helft door de werkgever en voor de helft door de werknemer moeten worden opgebracht, niet langer is opgenomen. Dat laat onverlet dat voor het kabinet beleidsmatig nog steeds het uitgangspunt bij de premie-vaststelling is dat deze lasten 50/50 verdeeld worden over werkgevers en werknemers.

De leden lezen in de memorie van toelichting dat de AWf-premie voor werkgevers gelijkmatig daalt. Gezien de bovengenoemde 50/50-verdeling van de WW-premies vragen zij zich af waarom dan ook niet de AWf-premie voor werknemers gelijkmatig daalt.

De 50/50- verdeling van de WW-premies geldt voor het totaal aan werkloosheidspremies. Dit betreft naast de AWf- premie ook de wachtgeldpremies. De wachtgeldpremies zijn sinds 1 januari 1998 geheel voor rekening van de werkgever. Vandaar dat een wachtgeld-premiestijging alleen gecompenseerd wordt door een daling van het werkgeversdeel van de AWf- premie en het werknemersdeel van de AWf- premie ongewijzigd blijft.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

J. F. Hoogervorst

Naar boven