26 692
Wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de modernisering van de universitaire opleiding tot eerstegraads leraar voortgezet onderwijs

nr. 237a
MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 31 mei 2000

De vaste commissie voor wetenschapsbeleid en hoger onderwijs ben ik erkentelijk voor de voortvarende behandeling van het onderhavige wetsvoorstel. Met belangstelling heb ik kennis genomen van het voorlopig verslag van de vaste commissie, waarin aandacht is besteed aan de kern van het wetsvoorstel: de flexibili-teit en kwaliteit van de universitaire lerarenopleidingen. Modernisering van de opleidingen is een belangrijk aandachtspunt in het brede beleid om de positie van de leraar en het leraarsberoep weer te versterken.

De opmerkingen en vragen in het voorlopig verslag beantwoord ik hieronder.

De vaste commissie betreurt het dat zij het wetsvoorstel niet in samenhang met het voorstel v oor de Interimwet zij-instroom leraren primair en voortgezet onderwijs (Kamerstukken 27 015) kan beoordelen en geeft aan dat zij het op prijs had gesteld een diepergaand debat over het leraarschap te kunnen voeren dan waartoe het onderhavige wetsvoorstel aanleiding geeft.

Ik heb begrip voor deze wens van de vaste commissie, aangezien het belang van samenhang in de ontwikkelingen rond het leraarsberoep ook door mij sterk wordt onderschreven. Deze samenhang heb ik dan ook naar voren gebracht met de in 1999 uitgebrachte nota «Maatwerk voor morgen: het perspectief van een open onderwijsarbeidsmarkt». Ook in de vervolgnota, die ik in juni van dit jaar hoop uit te brengen, komt de samenhang in ontwikkelingen nadrukkelijk aan de orde. Daarnaast wordt er bij deelonderwerpen, zoals de modernisering van de universitaire lerarenopleidingen of het wetsvoorstel Zij-instroom, altijd terdege rekening gehouden met lopende ontwikkelingen. Rondom het leraarsberoep is er echter sprake van een doorlopend debat, waarbij gaandeweg ook daadwerkelijk stappen moeten worden gezet. Ten aanzien van deelonderwerpen is er sprake van verschillen in tempo en vanzelfsprekend ook in de vorm die de afzonderlijke maatregelen aannemen. Het gaat lang niet altijd om wetgeving in formele zin. Het onderhavige wetsvoorstel is in lijn met de ontwikkelingen die ik het afgelopen jaar in gang heb gezet, doch de aanzet daartoe is gelegen in het Convenant lerarenopleidingen in het wetenschappelijk onderwijs dat reeds in 1998 is gesloten. De noodzaak tot een diepgaand overleg over het brede beleid moet worden afgewogen tegen de wenselijkheid op concrete elementen daarvan spoedige voortgang te boeken.

Voor de goede orde vermeld ik dat het wetsvoorstel Zij-instroom op 31 mei bij de Eerste Kamer is ingediend. Hierdoor is beoordeling door de Eerste Kamer van beide wetsvoorstellen in samenhang mogelijk. In dit verband wijs ik op artikel IV van het onderhavige wetsvoorstel dat voorziet in inwerkingtreding daarvan met ingang van 1 september 2000.

De leden van de fracties van RPF/GPV en SGP vragen, na geconstateerd te hebben dat het wetsvoorstel een flexibele opleiding voor eerstegraads leraren mogelijk maakt, of de vier verschillende wegen om tot hetzelfde resultaat te komen, niet leiden tot onoverzichtelijkheid voor de aankomende studenten en tot verschillende kwaliteiten van het hoognodige beroep van leraar.

Naar mijn oordeel kan niet gesproken worden van een onoverzichtelijke situatie voor studenten. In de eerste plaats zijn de universiteiten verantwoordelijk voor een goede informatieverschaffing aan studenten over de opleidingen die aan die universiteit gevolgd kunnen worden. In de tweede plaats is de flexibiliteit die met dit wetsvoorstel mogelijk wordt gemaakt, relatief overzichtelijk.

Er zullen in de toekomst twee typen postinitiële opleidingen tot leraar zijn: dit zijn de universitaire eerstegraads lerarenopleidingen, bedoeld in artikel 7.4, vierde lid, van de WHW met een studielast van 42 studiepunten, al dan niet met vrijstellingen (de opleiding met vrijstellingen wordt ook wel maatwerktraject genoemd). Daarnaast zijn er twee varianten waarbij de opleiding tot leraar geheel of gedeeltelijk onderdeel uitmaakt van de initiële opleiding: de afstudeerrichting gericht op het beroep van leraar binnen een initiële opleiding gevolgd door een universitaire eerstegraads lerarenopleiding met vrijstellingen, en de combinatie van een initiële opleiding en een duale universitaire eerstegraads lerarenopleiding (ook wel geïntegreerd traject genoemd).

De transparantie van deze twee laatste varianten voor de student zou overigens, zoals tijdens de plenaire behandeling in Tweede Kamer terecht is benadrukt, nog kunnen toenemen bij de mogelijke invoering van een bachelor-mastermodel, waarbij de lerarenopleiding kan worden vormgegeven als een aparte masteropleiding die volgt op de bachelorfase.

Ook van verschillende kwaliteiten in leraren zal naar mijn oordeel geen sprake zijn. Bij het behalen van het getuigschrift van de universitaire eerstegraads lerarenopleiding beschikt eenieder over de vereiste kennis en vaardigheden, slechts de route daar naar toe verschilt qua vormgeving en organisatie. Bij het geïntegreerde traject wordt de universitaire eerstegraads lerarenopleiding gecombineerd met de initiële opleiding in een tweejarig duaal traject (84 studiepunten) na drie jaar studie (126 studiepunten); bij de afstudeerrichtingvariant wordt een deel van de opleiding tot leraar tijdens en een deel na de initiële opleiding gevolgd. Een maatwerktraject wordt gevolgd binnen de universitaire eerstegraads lerarenopleiding, met vrijstellingen op basis van relevante werkervaring en vooropleiding.

De leden van de fracties van RPF/GPV en SGP willen een overzicht hebben van de verschillen in financiering van de verschillende opleidingsmogelijkheden en vervolgens per opleiding de kosten per student.

In antwoord op deze vraag wijs ik er op dat het niet mijn bedoeling is dat de financiering van de verschillende opleidingsmogelijkheden verschillend zal zijn. Daarom bevat het wetsvoorstel de basis voor een nieuwe bekostigingssystematiek voor de universitaire lerarenopleidingen. Deze systematiek zal, zoals indertijd reeds is overeengekomen in het Convenant lerarenopleidingen in het wetenschappelijk onder-wijs, een betekenisvolle output-oriëntatie kennen. Bij outputbekostiging op basis van het aantal opgeleide leraren vindt de financiering plaats ongeacht de gevolgde leerweg. Naar verwachting zal de nieuwe systematiek van bekostiging in 2001 in werking treden; hiertoe zal ik een wijziging van het Bekostigingsbesluit WHW bevorderen.

De leden van de fracties van RPF/GPV en SGP informeren welke onderlinge afstemming of vorm van samenwerking of samenhang er is tussen de verschillende opleidingsmogelijkheden.

In mijn visie is er een nauwe samenhang mogelijk tussen de verschillende opleidingsmogelijkheden. Alle opleidingsmogelijkheden leiden immers op tot dezelfde eindtermen van de universitaire eerstegraads lerarenopleiding; slechts de organisatie van de programma's en de vormgeving van de opleiding verschilt. Geredeneerd vanuit de vereiste kennis en vaardigheden is er sprake van één programma, dat flexibel kan worden toegepast binnen de verschillende opleidingsvarianten. Een belangrijk winstpunt van de grotere flexibiliteit die dit wetsvoorstel mogelijk maakt, is daarbij dat samenhang tussen de universitaire eerstegraads lerarenopleiding en de bijbehorende initiële opleiding wordt gestimuleerd, wat kan resulteren in synergie in het onderwijsproces. Zo vindt bij de afstudeerrichtingvariant een aanzienlijk deel van de opleiding tot leraar plaats binnen de initiële opleiding. Bij geïntegreerde trajecten wordt de opleiding tot leraar na drie jaar initiële opleiding (126 studiepunten) volledig verzorgd in een tweejarig geïntegreerd traject (84 studiepunten), zijnde een combinatie van het laatste jaar van de initiële opleiding en de universitaire eerstegraads lerarenopleiding.

De leden van de fracties van RPF/GPV en SGP vragen hoe binnen het wetsvoorstel een hoog kwaliteitsniveau van de eerstegraads leraar en een hoog maatschappelijk aanzien te garanderen of te bevorderen is.

Bij deze modernisering van de universitaire lerarenopleiding is het uitgangspunt dat het huidige kwaliteitsniveau gehandhaafd blijft, zowel van de universitaire eerstegraads lerarenopleiding als van de initiële opleiding. De kwaliteitseisen aan de initiële opleiding en de universitaire eerstegraads lerarenopleiding blijven ongewijzigd. In de kwaliteitsborging is voorzien door het kwaliteitszorgstelsel van de WHW waarbij alle opleidingen worden gevisiteerd en opleidingen van de verschillende universiteiten met elkaar kunnen worden vergeleken.

Wat betreft het maatschappelijk aanzien van het leraarsberoep is een breed pakket van maatregelen uit de nota «Maatwerk voor morgen» die het aanzien van het beroep ten goede komen, ontwikkeld. Vitale, moderne lerarenopleidingen zijn daarbinnen één manier om de toegang tot het leraarsberoep aantrekkelijker te maken, onder handhaving van de huidige kwaliteit. Daarbij wijs ik er met betrekking tot de betekenis van dit wetsvoorstel op dat de aanwezigheid van – ook – voldoende universitair geschoolde leraren een positieve invloed kan hebben op het maatschappelijk aanzien van het leraarsberoep in zijn geheel. De beleidsmatige doelstelling die met het wetsvoorstel wordt beoogd, is het aantal jaarlijks op te leiden academisch gevormde leraren ten opzichte de huidige situatie te verdubbelen.

Vanwege de noodzakelijkheid van een eenduidige beroepsopleiding zijn de leden van de fracties van RPF/GPV en SGP benieuwd naar de toekomstplannen van het kabinet inzake de opleiding van eerstegraads leraren.

Voor de opleiding tot leraar voorzie ik geen stelselwijziging, maar wil ik het huidige stelsel van lerarenopleidingen aan hogescholen en universiteiten handhaven en samenwerking tussen lerarenopleidingen bevorderen. Wel zal de rol van de lerarenopleidingen onder invloed van ontwikkelingen in het onderwijs wellicht veranderen. De aanzet hiervoorheb ik in 1999 gegeven met de nota «Maatwerk voor morgen». Een vervolg op deze nota met de nadere invulling van mijn ideeën over de ontwikkelingen rond het leraarsberoep verschijnt in juni van dit jaar. In deze vervolgnota zal ik ook de beleidsreactie geven op het recent uitgebrachte advies van de Onderwijsraad van 4 mei 2000, getiteld«Samenhangend geheel van lerarenopleidingen».

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

L. M. L. H. A. Hermans

Naar boven