nr. 4
VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR BINNENLANDSE ZAKEN EN DE HOGE COLLEGES
VAN STAAT2
Vastgesteld 21 september 1999
Het voorbereidend onderzoek gaf de commissie aanleiding tot het maken
van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.
De leden behorende tot de PvdA-fractie hadden op zichzelf waardering
voor het feit dat het kabinet de lasten van huishoudens met f 680 miljoen
wil blijven verlichten. Zij hadden echter enige twijfels over de kwaliteit
van het daarbij gevoerde beleid dat vorm krijgt in het voorliggende wetsvoorstel.
Deze leden hadden begrepen dat de ratio voor het wetsvoorstel daarin is gelegen
dat het kabinet lasten voor huishoudens, ontstaan door het feit dat de gemeenten
door milieuwetgeving genoopt zijn geweest bepaalde gemeentelijke belastingen
en rechten te verhogen, wil verlichten. Dit leidde in 1997 tot de per 1-1-2000
aflopende wetgeving waarbij gemeenten verplicht werden om een bedrag van totaal
f 680 miljoen, dat door de regering extra werd gestort in het Gemeentefonds,
ten goede te laten komen aan huishoudens via een uitkering van f 100
per huishouden. Het onderhavige wetsvoorstel wil deze gang van zaken voor
onbepaalde tijd continueren.
De twijfels bij deze leden over de kwaliteit van deze wetgeving spitsen
zich toe op de volgende punten.
De gemeentelijke milieuheffingen (zoals voor afvalstoffen) zijn door de
wetgever bedoeld om het beginsel «de vervuiler betaalt» te benadrukken.
Wordt door ongericht f 100, (de zgn. «Pepermeier») terug
te storten bij deze huishoudens geen inbreuk gemaakt op dit beginsel?
Het wetsvoorstel schept excepties op een aantal artikelen van de Gemeentewet
inzake de gemeentelijke belastingen, excepties die de gemeenten machtigen
om kortingen op deze belastingen te geven («De raad kan bepalen...»).
Als echter gemeenten dit geld op andere, meer indirecte wijze aan hun burgers
ten goede willen laten komen – b.v. door zorgvoorzieningen te versterken –
of als gemeenten inkomensbeleid willen voeren, dan staat deze bepaling daaraan
niet in de weg. Dit is niet consistent.
Het kabinet zal toezicht willen houden op de uitvoering van deze wet.
Hoe stelt het kabinet zich dit voor nu het preventief toezicht op de gemeentelijke
belastingheffing welbewust is afgeschaft? Wil het kabinet gebruik maken van
haar vernietigingsbevoegdheid ex artikel 268? Zo ja, is dat middel niet erg
bewerkelijk en bovendien overzwaar?
De gemeentelijke autonomie wordt geschonden doordat het rijk, buiten de
gemeenten om, kortingen oplegt op gemeentelijke belastingen die tot uitvoering
strekken van zijn eigen milieuwetgeving. In de mondelinge behandeling in de
Tweede Kamer beschreef de minister zelf deze aanpak als «niet moeders
mooiste qua bestuurlijke verhoudingen».
Eerst int het rijk f 680 miljoen om deze vervolgens via de gemeenten
aan huishoudens ten goede te laten komen via de uitkering van 6,8 miljoen
Pepermeiers. Kan het rijk dan niet beter zelf aan belastingplichtigen zo'n
meier uitreiken, en zulk «rondpompen van geld» daarmee voorkomen?
Er zijn administratieve kosten verbonden aan het uitreiken van f 100
aan 6,8 miljoen huishoudens. Welke zijn deze kosten, gerelateerd aan de bescheiden
uitkering zelf? Is de overheid in feite niet veel meer kwijt is dan f 680
miljoen?
Bij nota van wijzigingen (stuk nr. 7) is, op aandrang van de Tweede Kamer,
bepaald dat de regering bij koninklijk besluit mag bepalen dat het wetsvoorstel
vervalt, mits niet vóór 1-1-2002. In welke relatie staat deze
bevoegdheid tot het recht van de Staten-Generaal als medewetgever en als medevaststeller
van de begroting?
De leden behorende tot de PvdA-fractie vroegen, gezien bovengenoemde diskwaliteiten
van het wetsvoorstel maar ook vanwege de autonomie van gemeenten, of het niet
beter zou zijn het bedrag van f 680 miljoen eenvoudig te storten in het
Gemeentefonds. In dat geval kunnen gemeenten ofwel beslissen om de Pepermeier
aan de huishoudens van hun burgers te doen toekomen, of deze op een andere
manier aan de huishouding van de gemeente ten goede te laten komen. Daarvoor
is geen wetsvoorstel nodig. Als overigens dit wetsvoorstel wordt verworpen,
terwijl in de rijksbegroting wél f 680 miljoen extra aan het Gemeentefonds
wordt uitgekeerd, zou daarmee dan niet de gemeentelijke autonomie beter worden
gediend, zo vroegen deze leden.
De leden van de SP-fractie hadden met waardering kennis genomen
van het wetsvoorstel. Zij wensten echter op een enkel onderdeel van het wetsvoorstel
een aantal vragen ter beantwoording aan de bewindslieden voor te leggen.
In het wetsvoorstel wordt in artikel 229d, eerste lid van de Gemeentewet
de formulering: «De Raad kan bepalen» gebruikt. Zou het niet beter
zijn hier de formulering «bepaalt» te hanteren, zodat de gemeenten
daadwerkelijk verplicht worden de beoogde lastenverlichting ten aanzien van
alle inwoners te effectueren?
Bestaat er naar de mening van de bewindslieden, indien de formulering
«kan bepalen» wordt gehandhaafd, een garantie dat alle gemeenten
met betrekking tot de lastenverlichting zich aan de wetsbepaling houden en
conform de wet en de bedoeling van de wetgever zullen handelen?
Bestaat enig inzicht in de wijze waarop onder het regime van de huidige
wet in de afgelopen periode de gemeenten zich hebben gehouden aan de bedoeling
van de wet en de wetgever? En zo ja, welke conclusie wordt daaruit getrokken?
Zijn ten aanzien van de afgelopen periode voorbeelden bekend van gemeenten
die de wet niet danwel niet naar behoren of niet volledig hebben uitgevoerd?
En zo ja, welke?
Bestaat het voornemen, indien de formulering «kan bepalen»
wordt gehandhaafd, na te gaan en te controleren of de gemeenten de lastenverlichting
conform de bedoeling van de wet en de wetgever zullen uitvoeren? Zo ja, zijn
de bewindslieden bereid de Kamer daarover tussentijds te rapporteren?
Vertrouwende, dat deze vragen tijdig zullen worden beantwoord, acht de
commissie de openbare beraadslaging over het onderhavige wetsvoorstel voldoende
voorbereid.
De voorzitter van de commissie,
Witteveen
De griffier van de commissie,
Hordijk