Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum ontvangst
Eerste Kamer der Staten-Generaal1999-200026411 nr. 61a

26 411
Wijziging van de Coördinatiewet Sociale Verzekering in verband met de aanpassing van het stelsel van bestuurlijke boeten

nr. 61a
MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 15 november 1999

Met belangstelling heeft de regering kennis genomen van het verslag van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de Eerste Kamer bij het voorliggende wetsvoorstel. Het wetsvoorstel strekt er toe het stelsel van bestuurlijke boeten, samenhangend met de administratieve verplichtingen van werkgevers ten behoeve van de heffing en inning van premies voor de werknemersverzekeringen, aan te passen aan de rechtswaarborgen die in internationale mensenrechtenverdragen worden voorgeschreven.

Het doet mij een genoegen dat de fracties van het CDA en de PvdA in hun schriftelijke inbreng in positieve zin gereageerd hebben op het voorstel en de noodzaak er van onderschrijven.

De leden van de CDA-fractie en van de fractie van de PvdA vragen waarom zo lang is gewacht met de aanpassing van het stelsel van bestuurlijke boeten voor werkgevers aan de rechtswaarborgen die in internationale mensenrechtenverdragen worden voorgeschreven.

De voorbereidingen van het onderhavige wetsvoorstel hebben een tijd stil gelegen in verband met de ontwikkelingen in de jurisprudentie. Met name het arrest van het Europees Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Saunders speelde hierbij een rol. Gelet op het feit dat de fracties van de VVD, het CDA en D66 in de Eerste Kamer in dit arrest aanleiding zagen om de verdere behandeling van het wetsvoorstel waarmee het fiscale boetestelsel herzien werd, op te schorten, zijn ook de voorbereidingen voor het onderhavige wetsvoorstel stil gelegd. Nadat op 15 december 1997 over dit punt duidelijkheid was ontstaan in uw Kamer zijn de voorbereidingen voor het onderhavige wetsvoorstel opnieuw ter hand genomen. Dit heeft ertoe geleid dat het wetsvoorstel op 3 maart 1998 kon worden voorgelegd aan het Lisv en het Ctsv voor advies en vervolgens op 1 december 1998 aan de Raad van State. Na afronding van deze adviesaanvragen kon het wetsvoorstel op 20 februari 1999 worden ingediend.

Hierbij kan worden opgemerkt dat de uitvoeringspraktijk bij de boete-oplegging overigens al in belangrijke mate in overeenstemming is met de verdragseisen.

De leden van de CDA-fractie vinden het nauwelijks voor te stellen dat er nog geen compleet beeld valt te geven van de aantallen opgelegdebestuurlijke boeten aan werkgevers en de daarmee gemoeide bedragen over de jaren 1996 en 1997. Zij vragen tot welke concrete maatregelen in dit verband het Ctsv-rapport «Sociale Verzekeringsfraude en administratieve sancties 1995» intussen met betrekking tot werkgevers heeft geleid. Hierbij achten zij tevens van belang wat er is gedaan met de conclusie uit het rapport dat op alle fronten grote verschillen tussen uitvoeringsinstellingen zichtbaar zijn. Zij merken op dat die verschillen ook in de Augustusrapportage Handhaving 1998 in beeld komen (aldaar in het kader van de uitvoering werknemersverzekeringen).

De mening van de leden van de fractie van het CDA deel ik niet. Uit de Augustusrapportage Handhaving 1999 van het Ctsv komt een beeld naar voren van het aantal opgelegde bestuurlijke boeten aan werkgevers over de jaren 1994 tot en met 1998. Deze rapportage is half september aan u verzonden. Voor 1996 ontbreken cijfers door de overdracht van de informatievoorzieningstaak van het Ctsv naar het Lisv in 1997. Uit de gegevens (zie de tabel) blijkt dat na een forse daling in 1995, het aantal administratieve boeten in de recente jaren fors is gestegen. Gerelateerd aan het aantal werkgevers komt het er op neer dat over de jaren 1994–1998 gemiddeld genomen jaarlijks 10 tot 20% van de werkgevers een administratieve boete kreeg opgelegd.

Het bedrag aan administratieve boeten fluctueerde sterk van jaar op jaar. Dit komt doordat van jaar op jaar de zwaarte en de reden van de geconstateerde overtredingen en fraudes sterk verschillen, zowel binnen een uvi als tussen uvis.

 1994199519971998
aantal boeten43 42630 68855 78368 261
bedrag boeten (in miljoenen guldens)65,2119,922,650,7
aantal boeten per 100 000 werkgevers18 82212 85415 51218 012
verdeling boeten naar reden (in %):    
– jaaropgave18311816
– 5% afwijking van voorschotnota67175957
– looncontrole15522223

Bron: Ctsv, Augustusrapportage Handhaving 1999, Zoetermeer, augustus 1999, rapport R99/9, blz. 116–118.

In de Augustusrapportage Handhaving 1999 noemt het Ctsv een aantal belangrijke knelpunten, die zowel de statistische informatievoorziening door de uvi's aan het Lisv, als die door het Lisv aan het Ctsv betreffen. De knelpunten betreffen de tijdigheid van de informatievoorziening en de eenduidigheid, volledigheid en validiteit van de gegevens zelf.

Om deze problemen op te lossen, zijn verschillende trajecten gaande. De informatievoorziening in den brede is onderwerp van overleg in een breed platform Informatievoorziening Sociale Verzekeringen (FISV), waaraan producenten en afnemers van de (statistische) informatie deelnemen. Ook SZW participeert hierin. Meer specifiek wordt een plan van aanpak voor de verbetering van de informatievoorziening ontwikkeld door het Lisv in overleg met SZW en het Ctsv, dat in het FISV zal worden ingebracht. Juist met betrekking tot de handhavingsinformatie zijn in dit kader ook financiële middelen vrij gemaakt. In laatstgenoemd rapport geeft het Ctsv aan dat het Lisv reeds bezig is de statistieken te verbeteren. Ik verwacht dat de in gang gezette aanpak tevens zal leiden tot het wegnemen van de verschillen in informatievoorziening door de uvi's.

De leden van de CDA-fractie vragen of capaciteitsproblemen metterdaad een rol spelen, en zo ja, op welke wijze de uitvoering van het voorliggend wetsvoorstel dan kan worden verzekerd.

In de Ctsv-rapportages over handhaving, zo ook in de laatste Augustusrapportage 1999, wordt in veel gevallen niet eenduidig aangegeven wat de oorzaken zijn van bepaalde tegenvallende resultaten in het kader van de handhaving aan de collecterende kant van de sociale verzekeringen. In de toezichtacties naar aanleiding van het laatstgenoemd rapport kondigt het Ctsv aan de fraudebestrijding bij werkgevers aan een nader onderzoek te zullen onderwerpen. Het daaruit voortkomende inzicht in de oorzaken van de tegenvallende resultaten zal door mij benut worden ter bevordering van een goede uitvoering van het voorliggend wetsvoorstel.

De leden van de CDA-fractie vragen of nog moeilijkheden in de sfeer van de uitvoering en de uitvoeringskosten voorzien worden bij het inhoud geven aan het Boetebesluit werkgevers op basis van het voorliggende wetsvoorstel en op welke termijn van invoering wordt aangekoerst.

Op basis van het voorliggende wetsvoorstel is een conceptbesluit bestuurlijke boeten werkgevers ontwikkeld. De tekst van deze algemene maatregel van bestuur is, direct na afronding van de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer, voor een uitvoeringstechnische toets voorgelegd aan het Lisv en voor een toezichtstoets aan het Ctsv. Naar verwachting zal het Lisv medio december 1999 advies uitbrengen over het besluit. Het besluit zal vervolgens na instemming van de Ministerraad voor advies worden voorgelegd aan de Raad van State. Gelet op deze procedure wordt de inwerkingtreding van dit besluit en van het voorliggende wetsvoorstel daarom voorzien voor 1 maart of 1 april 2000.

De leden van de CDA-fractie gaan ervan uit dat de motie inzake de ophoging aangiftegrens zal worden uitgevoerd. In dit verband vragen de leden van de CDA-fractie hoe de gevreesde handhavingsongelijkheid in de fiscale en socialeverzekeringssfeer kan en zal worden voorkomen.

Met de Tweede Kamer ben ik van mening dat de aangiftegrens moet worden opgehoogd. Dat ik de motie heb afgeraden lag besloten in de door de Tweede Kamer gewenste ingangsdatum van de verhoging. Met de Minister van Justitie ben ik doende om te bezien wanneer de aangiftegrens dan wel kan worden verhoogd. Aangezien in de uitvoering vanwege de noodzakelijke voorbereidingen behoefte bestaat aan een redelijke overgangstermijn, ga ik ervan uit dat de vroegst mogelijke ingangsdatum rond 1 april 2000 ligt. Met die verhoging behoort de mogelijke handhavingsongelijkheid tot het verleden.

De leden van de CDA-fractie merken op dat in de memorie van toelichting is aangegeven dat bij het ontwikkelen van het stelsel van bestuurlijke boeten voor de collecterende zijde in de sociale verzekeringen zoveel mogelijk aansluiting gezocht is bij de distribuerende zijde. Deze leden vragen of kan worden aangegeven op welke onderdelen er nu wel sprake is van onderscheid.

In de Augustus rapportage Handhaving 1999 is door het Ctsv opgemerkt dat met het voorliggende wetsvoorstel het verschil met de Wet boeten op het punt van de discretionaire ruimte voor de uvi's is weggenomen. Ook als het gaat om de rechtswaarborgen, zoals deze in de internationale mensenrechtenverdragen worden voorgeschreven zijn de twee regimes op elkaar afgestemd. Zo zijn ten aanzien van het zwijgrecht, de cautieplicht, het recht op kennisgeving en de rechten van verdediging gelijkluidende formuleringen gebruikt.

Het nieuwe vierde lid van artikel 12 CSV waarin is vastgelegd dat de hoogte van de boete moet worden afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden is eveneens op gelijke wijze geformuleerd als de betreffende bepalingen in de Wet boeten. Het voorliggende wetsvoorstel wijkt op enkele punten af van de Wet boeten en maatregelen waar het de boetesystematiek betreft. De Wet boeten en maatregelen biedt het uitvoeringsorgaan de mogelijkheid om een boete dan wel een maatregel op te leggen. Bij het opleggen van een maatregel zijn de rechtswaarborgen niet van toepassing. Het voorliggende wetsvoorstel biedt de uitvoeringsinstellingen, in aansluiting op het fiscale boetestelsel en het vigerende boetestelsel, de mogelijkheid om een lichte boete van maximaal 10% op te leggen of een zware boete van maximaal 100%, indien sprake is van opzet of grove schuld. Indien sprake is van een lichte boete, waarbij geen opzet of grove schuld in het geding is, hoeft betrokken werkgever niet in de gelegenheid gesteld te worden om gehoord te worden. Op dit punt is eveneens aangesloten bij het fiscale boetestelsel. De ratio hierachter is dat een schuldvraag in dit soort zaken niet aan de orde is en er veelal sprake is van een eenvoudig vast te stellen rechtsfeit dat onafhankelijk van de visie van betrokkene aanwezig is (bijvoorbeeld het te laat inzenden van de jaaropgaaf). Het horen op verzoek is in die situaties achterwege gelaten, gezien de werklast die gemoeid is met de veelheid aan zaken en de mogelijkheid van bezwaar waarbij het recht van horen is gewaarborgd.

Een ander punt van verschil betreft de inkeerregeling. Indien sprake is van een boete, waarbij opzet of grove schuld in het geding, wordt geen zware boete meer opgelegd indien de werkgever alsnog juist en volledig voldoet aan zijn verplichtingen voordat hij redelijkerwijs kan vermoeden dat uitvoeringsorgaan met deze onjuistheid of onvolledigheid bekend is of zal worden. Een dergelijke beperkte inkeerregeling past alleen in een systematiek waarin het al dan niet aanwezig zijn van opzet of grove schuld bepalend is voor de strafmaat. Ook hier is aansluiting gezocht bij het vigerende boetestelsel en bij het fiscale boetestelsel dat eveneens een systematiek kent waarbij het al dan niet aanwezig zijn van opzet of grove schuld bepalend is voor de strafmaat.

De leden van de CDA-fractie vragen in dit verband nog hoe het uitgangspunt, dat in geval van premiefraude geen milder en ook geen stringenter regime gehanteerd zal worden dan bij boete-oplegging aan uitkeringsgerechtigden, zich verhoudt tot de stellingname dat de invordering van een nog niet onherroepelijke vaststaande bestuurlijke boete niet mag leiden tot een zeer ernstige bedreiging van de bedrijfscontinuïteit van de onderneming totdat de rechter een uitspraak heeft gedaan. Deze leden vragen zich af of er niet toch sprake is van een onderscheid.

In de memorie van toelichting bij het voorliggende wetsvoorstel is aangegeven dat er goede gronden zijn om af te zien van een recht op schorsende werking in de fase van bezwaar en beroep («lik op stuk beleid» en het risico van aanzuigende werking van bezwaar met schorsende werking). Uit de tekst van artikel 6 EVRM en uit de jurisprudentie zijn onvoldoende argumenten te halen voor de stelling dat het ontbreken van schorsende werking in de fase van bezwaar en beroep strijdig is met het EVRM. Op grond van deze overwegingen is daarom zowel in de Wet boeten en maatregelen, als in het fiscale boetestelsel en in het onderhavige wetsvoorstel afgezien van een recht op schorsende werking tijdens de fase van bezwaar en beroep. Ook in de vakliteratuur wordt over het algemeen geconcludeerd dat artikel 6 EVRM geen schorsende werking eist. Daarbij wordt soms gesteld dat met enige voorzichtigheid a contrario uit het oordeel in de zaak Kalländer zou kunnen worden afgeleid dat invorderingsmaatregelen niet aanvaardbaar zijn wanneer ze bij een latere matiging of vernietiging van de boete niet meer ongedaan kunnen worden gemaakt. Van belang is daarom dat met het invorderen van een nog niet onherroepelijk vaststaande boete geen onomkeerbare stappen gezet worden.

In het onderhavige wetsvoorstel zijn naar mijn mening voldoende waarborgen gegeven dat door het ontbreken van schorsende werking geen onomkeerbare situatie gaat ontstaan. Zo is gewaarborgd dat betrokkene tenminste eenmaal in de gelegenheid is geweest om gehoord te worden, voordat een boete wordt opgelegd, waarbij sprake is van opzet of grove schuld. Daarnaast heeft belanghebbende in alle gevallen de mogelijkheid om een voorlopige voorziening te vragen. Los daarvan bestaat de mogelijkheid om een dergelijk verzoek tot de betreffende uitvoeringsinstelling zelf te richten. De uitvoeringsinstelling kan dan, mede afhankelijk van de gegeven argumenten beoordelen of gegronde redenen aanwezig zijn om schorsende werking te verlenen. De beoordeling of de executie van de boete een onomkeerbaar effect heeft, zal daarbij een belangrijke rol spelen. Deze beoordeling zal de uitvoeringsinstelling moeten maken op grond van de feitelijke omstandigheden van het individuele geval. Een dergelijke beoordeling dient het uitvoeringsorgaan te maken bij premiefraude, maar ook bij uitkeringsfraude. De voorstellen wijken in die zin niet van elkaar af.

De leden van de CDA-fractie vragen hoe dit wetsvoorstel zich verhoudt tot de evaluatie van de wetsvoorstellen inzake fiscale fraude en bestuurlijke boeten.

Bij de parlementaire behandeling van de wetgeving met betrekking tot de fiscale boeten is door de Staatssecretaris van Financiën destijds toegezegd de regelgeving voor 1 januari 2000 te evalueren. Deze evaluatie is, aangezien de evaluatieperiode nog kort is, niet omvangrijk en bestaat uit een enquête en interviews met boete-fraude-coördinatoren. Voor deze opzet is gekozen omdat nog niet zo veel andere informatie voorhanden is. Om die reden is afgezien van een extern gericht onderzoek waarbij belastingplichtigen gevraagd worden naar hun ervaringen. Volgens de planning zal deze evaluatie rond de jaarwisseling worden afgerond.

Gelet op deze opzet van deze evaluatie verwacht ik niet dat hieruit informatie naar voren zal komen die noodzaakt tot eventuele wijzigingen in het voorliggende wetsvoorstel.

De leden van de CDA-fractie vragen of het voor de uitvoeringsinstellingen, gelet op de bezuinigingen op de uitvoeringskosten, mogelijk is voldoende aandacht te geven aan het terugdringen van het foutenpercentage bij het verstrekken van de uitkeringen en een correcte uitvoering van het voorliggende wetsvoorstel.

Uitgangspunt van deze bezuinigingstaakstelling die op grond van het regeerakkoord aan de uitvoeringsorganisaties van de sociale verzekeringen is opgelegd, is dat de kwaliteit en de rechtmatigheid van de uitvoering er niet onder mogen leiden. De bezuinigingstaakstellingen worden ingevuld met maatregelen die aan deze voorwaarde voldoen. Ik ga er dan ook vanuit dat de bezuiniging op de uitvoeringskosten ook in het onderhavige geval geen belemmering oplevert.

De leden van de PvdA-fractie gaan in op het evenredigheidsbeginsel en vragen een nadere toelichting op het nieuwe vierde lid van artikel 12 CSV, waarin is aangegeven dat de hoogte van de boete onder meer wordt afgestemd op de omstandigheden waarin de werkgever verkeert en dat het Lisv kan besluiten van een boete af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Deze leden vragen of het, gelet op de behandeling van de Wet boeten en maatregelen in de Eerste Kamer, niet voor de hand ligt nu ook de redactie van de Wet boeten en maatregelen aan te passen omdat het de bedoeling is, eenzelfde regime te hanteren.

Met de redactie van het vierde lid van artikel 12 CSV is aangesloten bij de in de jurisprudentie ontwikkelde criteria dat de hoogte van de boete in evenredigheid moet zijn met de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid van de overtreding en de omstandigheden van de betrokkene. Gelijkluidende bepalingen zijn ook opgenomen in het stelsel van bestuurlijke boeten aan de uitkeringszijde. De beide regimes zijn op dit punt dan ook volledig in overeenstemming met elkaar.

Op de vraag of ook persoonlijke omstandigheden een element kunnen vormen bij het bepalen van de mate van verwijtbaarheid kan ik bevestigend antwoorden. Persoonlijke omstandigheden kunnen naast andere omstandigheden in samenhang met de ernst van de gedraging en de mate van verwijtbaarheid onderdeel uitmaken van de afwegingen die tot een evenredige vaststelling van de hoogte van de boete moeten leiden. Deze persoonlijke omstandigheden kunnen, zoals terecht door de toenmalige staatssecretaris van SZW werd opgemerkt bij de behandeling van de Wet boeten en maatregelen, geen alibi zijn voor gedrag dat desalniettemin verwijtbaar is. Een voorbeeld hierbij is de casus waarin een administrateur vanwege ziekte de jaaropgave twee maanden te laat had ingediend. Het gaat in dit geval dus om persoonlijke omstandigheden van een derde. De Centrale Raad van beroep oordeelde in deze situatie dat de uitbesteding van de administratie betrokken administrateur echter niet ontslaat van zijn verantwoordelijkheid. Omdat betrokkene zijn werk reeds jarenlang adequaat had verricht en ieder oogmerk van eigen bevoordeling ontbrak, werd de boete op nihil gesteld omdat het een eerste verzuim betrof1. In deze casus zijn dus persoonlijke omstandigheden op zich geen alibi, maar worden meegewogen in samenhang met de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en andere omstandigheden.

De bepaling dat het Lisv kan besluiten af te zien van het opleggen van een boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn is in het onderhavige wetsvoorstel opgenomen met het oogmerk om zou nauw mogelijk aan te sluiten bij de formuleringen in de Wet boeten en maatregelen. In deze wet is met deze bepaling beoogd aan te geven dat de wet een algemene verplichting tot het opleggen van een boete voorop stelt. Daarnaast wordt echter tot uitdrukking gebracht dat van een absolute verplichting geen sprake is en dat om dringende redenen daarvan kan worden afgezien.

De leden van de PvdA-fractie vragen waarop de veronderstelling is gestoeld dat de systematiek die aan de Wet boeten en maatregelen ten grondslag ligt, op termijn wél zal gaan werken, in de zin dat zij zal bijdragen aan de beoogde doelen van de wet (strengere en meer uniforme handhaving), nu het Ctsv constateert dat de gegevensverzameling gebrekkig is en niet wordt gebruikt om de uitvoering van de wet te volgen en waar nodig bij te sturen. Ook vragen zij op welke wijze het kabinet zich voorziet van informatie over de werking van de wet in de praktijk teneinde te kunnen beoordelen of een meer fundamentele wetswijziging noodzakelijk is.

In mijn brief d.d. 2 september jl. aan de Tweede Kamer over de stand van de evaluatie van de Wet Boeten (Kamerstuk 26 200 XV, nr. 88), heb ik aangegeven dat het nog te vroeg is om beleidsmatige conclusies over de Wet Boeten zélf te trekken. De evaluatie van de Wet Boeten heeft betrekking op het gehele gebied van de socialezekerheidsregelingen. Over de uitvoering van de wet in de bijstandssector heb ik echter nog onvoldoende gegevens en wat betreft de uitvoering in de SV-sector heb ik nog niet alle rapporten binnen. Ik vind dat te weinig basis om eindconclusies te kunnen trekken over de Wet Boeten en naar aanleiding daarvan adequate maatregelen te treffen.

Dat de tot nu toe verzamelde gegevens niet worden gebruikt om de uitvoering van de wet te volgen en waar nodig bij te sturen, spreek ik tegen. In laatstgenoemde brief d.d. 2 september heb ik vermeld welke tussentijdse maatregelen ik nodig acht naar aanleiding van de tot nu toe verzamelde gegevens. De maatregelen zijn enerzijds gericht op de verbetering van de uitvoering van de Wet Boeten in de bijstandssector, en anderzijds op de herziening van de verschillende boete- en maatregelbesluiten in de bijstands- en sociale verzekeringssector tezamen, bij welke herziening hoofddoel is: meer uniformiteit, meer proportionaliteit tussen overtreding en sanctie en de afstemming op het strafrecht (waarbij bij dit laatste de zwaarte van de sanctie in relatie tot het inkomen of de draagkracht van betrokkene, en de criteria die in dat verband in het strafrecht gehanteerd worden, ook aan de orde komen).

De veronderstelling dat de systematiek die aan de Wet Boeten ten grondslag ligt, op termijn wél zal werken, ontleen ik aan het feit dat de knelpunten voor volledige realisatie van de beoogde scherpere en meer uniforme handhaving, hun voedingsbodem niet zozeer in de systematiek van de wet lijken te vinden, maar vooral in het feit dat de gemeenten nog onvoldoende toegesneden waren op de invoering van de Wet Boeten en het feit dat de boete- en maatregelbesluiten voor de socialeverzekerings- en de bijstandssector inhoudelijk van elkaar verschillen. Daarnaast speel mee dat in die besluiten onvoldoende is uitgewerkt de mogelijkheden die de wet biedt om een sanctie op de maat van het individu af te stemmen.

Wat betreft de vraag op welke wijze het kabinet zich voorziet van informatie over de werking van de wet in de praktijk teneinde te kunnen beoordelen of een meer fundamentele wetswijziging noodzakelijk is, kan ik antwoorden dat afgezien van de reeds beschikbare rapporten in het kader van de evaluatie van de Wet Boeten, het kabinet zich op de volgende wijze van informatie voorziet.

Wat betreft de bijstandssector:

1. Door invoering van de verplichte aanlevering van gegevens ten behoeve van een debiteurenstatistiek kan worden gevolgd in hoeverre het opleggen van een boete en/of maatregel heeft geleid tot het daadwerkelijk incasseren van deze boete en/of maatregel en binnen welke termijn dit heeft plaatsgevonden.

2. Er is een nieuwe fraudestatistiek in ontwikkeling die – in vergelijking met de reeds bestaande fraudestatistiek – beter aansluit bij de informatiebehoefte van SZW en de uitvoeringsorganen (gemeenten, OM). Aan de hand van deze gegevensstroom in relatie met bovengenoemde debiteurenstatistiek zal beter kunnen worden beoordeeld in welke mate de Wet Boeten adequaat wordt uitgevoerd.

3. In het jaar 2000 zal het onderzoek ten behoeve van de evaluatie van de Wet Boeten in de bijstandssector plaatsvinden. Met dit kwalitatief onderzoek zal worden beoordeeld in hoeverre zich nog knelpunten in de uitvoering voordoen en in hoeverre in voorkomende gevallen de Wet Boeten niet adequaat wordt uitgevoerd.

4. De ontvangsten op de boeten worden, via de financiële verantwoording door gemeenten, in de vorm van kwartaaldeclaraties, gemonitored. Aan de hand van de gegevens van de kwartaaldeclaraties, zal per gemeente worden beoordeeld in hoeverre sprake is van een groei in ontvangsten van boeten.

Wat betreft de SV-sector:

1. Jaarlijks wordt door het Ctsv gerapporteerd over de ontwikkelingen op het terrein van de handhaving van de sociale verzekeringen (in de zogenoemde Augustusrapportage Handhaving). De uitvoering van de Wet Boeten door het Lisv en de SVb is een onderdeel daarvan. Het Ctsv gaat daarbij (grotendeels) uit van de gegevens die het Lisv en de SVb opleveren.

2. Het Lisv publiceert daarnaast jaarlijks globale statistische gegevens (de zogenoemde Kerncijfers Wet Boeten).

3. Met het Lisv is afgesproken dat het Lisv jaarlijks ook uitgesplitste statistische gegevens zal publiceren (op basis van de zogenaamde CDF-statistiek). Van het Lisv heb ik vernomen dat het verwacht een eerste rapportage op basis van de CDF-statistiek in het najaar van 2000 gereed te hebben.

De leden van de PvdA-fractie hebben oog voor de argumentatie van de Lisv-voorzitter dat vanwege de opdrachtgever-opdrachtnemerrelatie tussen werkgever en uvi de sanctioneringsbereidheid van de uvi's richting werkgevers geringer zou zijn dan in de richting van uitkeringsgerechtigden. Zij achten de consequenties daarvan volstrekt onacceptabel en vragen of de verschillende rollen niet beter gescheiden zouden kunnen worden.

Met de leden van de PvdA-fractie ben ik van mening dat het opleggen van een sanctie niet mag worden beïnvloed door eventuele opdrachtgever-opdrachtnemerrelatie tussen werkgever en uvi. In het kader van de nadere uitwerking van een nieuwe organisatiestructuur sociale verzekeringen (SUWI) heeft dit aspect dan ook mijn volle aandacht en zal een dergelijke ongewenste ontwikkeling zich niet voor kunnen doen.

Deze leden vragen voorts of garanties geven kunnen worden dat het thans voorliggende wetsvoorstel vanaf de datum van inwerkingtreding voluit wordt nageleefd en uitgevoerd.

Het is in beginsel de formele verantwoordelijkheid en bevoegdheid van het Lisv om te zorgen voor een correcte en uniforme uitvoering vanaf de inwerkingtreding van het voorliggende wetsvoorstel. Het Ctsv dient hierop toe te zien en eventueel bijsturingsacties te ondernemen.

Het Ctsv heeft naar aanleiding van de Augustusrapportage handhaving 1999 aangekondigd een onderzoek in te zullen stellen naar de uitvoeringspraktijk van de handhaving van de collecterende functie en geeft daarmee invulling aan zijn formele verantwoordelijkheid en bevoegdheid. Naar mijn mening is hiermede het toezicht op de uitvoering van het onderhavige wetsvoorstel voldoende gewaarborgd en verdient het aanbeveling om de resultaten van dit onderzoek af te wachten.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

J. F. Hoogervorst


XNoot
1

CRvB 9 november 1994, RSV 1995/86.