26 200 IV
Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van Koninkrijksrelaties (IV) voor het jaar 1999

nr. 214b
BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 1 juli 1999

Bij de vergadering van 27 april jl. heeft de Staatssecretaris voor Koninkrijksrelaties u toegezegd het verslag van mijn recente reis aan de Nederlandse Antillen en Aruba te zullen doen toekomen. Om deze reden doe ik u hierbij verslag van mijn werkbezoek van 27 maart tot en met 2 april 1999 aan de Nederlandse Antillen en Aruba. Dit verslag is gelijkluidend aan het verslag dat ik toezond aan de Voorzitter van de Vaste commissie voor Nederlands Antilliaanse en Arubaanse zaken van de Tweede Kamer.

Het bezoek had tot doel het voeren van regulier tripartietoverleg en kennismaking in mijn functie van Minister van Justitie. Ik zal mij in dit verslag beperken tot de hoofdlijnen van mijn bezoek.

Op de agenda van het tripartietoverleg stonden de onderwerpen tijdelijke overdracht strafexecutie van gedetineerden in verband met bouwwerkzaamheden bij de gevangenis Koraal Specht, justitieel beleidsplan Kustwacht, uitleveringsregeling, Nederlandse regeling m.b.t. huwelijk en adoptie door personen van hetzelfde geslacht, voorstellen inzake toepassing van de voogdijregeling in de Nederlandse Antillen, wijziging van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen in verband met verhoging van de gevangenisstraffen en invoering van minimumstraffen, gecontroleerde aflevering van drugs en interregionale assetsharing bij de bestrijding van drugssmokkel en witwaspraktijken.

Het tripartietoverleg, dat in goede sfeer is verlopen, is in belangrijke mate gedomineerd door het verzoek van Minister Martha om medewerking bij het tijdelijk onderbrengen van een groep gevangenen in Nederland voor de duur van de voorziene nieuwbouw van de Koraal Specht gevangenis. Zoals ook reeds nader toegelicht bij zijn bezoek aan Nederland in februari jl., beoogt minister Martha in het bijzonder een substantiële groep Nederlanders (genoemd is een aantal van 170, waarvan er thans nog 117 in voorlopige hechtenis verblijven) onder te brengen in Nederlandse gevangenissen. Het betreft in de Nederlandse Antillen gevestigde Nederlanders, die allen betrokken zijn bij de drugshandel van de Nederlandse Antillen naar Nederland en aldus in enige relatie tot Nederland staan.

Het ten uitvoerleggen van Nederlands-Antilliaanse vonnissen kan, ingevolge artikel 40 van het Statuut in Nederland geschieden, zij het met inachtneming van de wettelijke bepalingen van Nederland. In de praktijk worden reeds vonnissen van de Nederlands Antilliaanse rechters in Nederland ten uitvoer gelegd. Het betreft hier echter personen die in Nederland gevestigd zijn, in die zin dat zij meer dan 5 jaar ingeschreven zijn bij de burgerlijke stand van een gemeente.

Met de tijdelijke overkomst van de genoemde groep gedetineerden beoogt de Nederlands-Antilliaanse regering de gevangenis-organisatie tijdens de nieuwbouw en reorganisatieperiode te ontlasten. Naar Minister Martha expliciet heeft vastgesteld is de maatregel nodig omdat het reeds in de praktijk toegepaste selectieve detentiebeleid en de deze maand opgeleverde extra capaciteit in de half open inrichting niet toereikend zijn. Daarbij heeft hij vastgesteld dat er verder geen doelmatige alternatieven voorhanden zijn. Zo is het voorstel tot kunstmatige vergroting van de capaciteit door plaatsing van containers gezien klimatologische- en bewakingsproblemen niet opportuun beoordeeld. Hetzelfde geldt voor het huren van hotel- of gevangenisschepen dan wel gebruikmaking van andere gebouwen te Curaçao of elders in de Nederlandse Antillen. Minister Martha heeft aangegeven dat hem voor ogen staat de regeling reeds per 1 mei a.s. te doen ingaan zijnde de voorziene datum van de start van de nieuwbouw.

Bij het overleg heb ik aangegeven dat bij mij de bereidheid bestaat mee te denken aan het tijdelijk ten uitvoerleggen van gevangenisstraffen in Nederland. Echter aan het verzoek zijn de nodige haken en ogen verbonden, die het stellen van randvoorwaarden noodzakelijk maken. Allereerst zal voorkomen moeten worden dat criminele milieus uit Nederland en de Nederlandse Antillen zozeer met elkaar vermengd raken dat het als neveneffect voor de toekomst heeft, dat gezien mogelijke «handelscontacten» in de gevangenis de toestroom van drugs in Nederland toeneemt. Daarbij is de situatie bij het Nederlandse gevangeniswezen zo dat naar verwachting op niet al te lange termijn het bestaande cellenoverschot volledig zal zijn afgenomen; bij de gesloten capaciteit is er al geen sprake meer van feitelijke leegstand. Thans reeds dient rekening gehouden te worden met de situatie dat een te ruimhartige hulpverlening aan de Nederlands-Antilliaanse regering tot consequentie kan hebben dat in Nederland vervroegd overgegaan moet worden tot een heenzendbeleid. Voor het vrijmaken van geschikte ruimte geldt overigens een doorlooptijd van enkele maanden. Ook een aantal juridische implicaties manen tot voorzichtigheid, in die zin bijvoorbeeld, dat indien naar Nederland overgebrachte gedetineerden – ingevolge het recht op vervroegde invrijheidstelling – vrijgelaten moeten worden, een gedwongen terugkeer naar de Nederlandse Antillen niet mogelijk zal zijn omdat betrokkenen over de Nederlandse nationaliteit beschikken. Ik wijs verder op zaken als weekend verlof, recht op family life en het in Nederland geldende differentiatiebeleid binnen het gevangeniswezen. Gezien deze punten hebben wij tijdens het tripartietoverleg vastgesteld dat overkomst van gedetineerden tenminste op basis van vrijwilligheid zal dienen te geschieden. Ook bezien vanuit logistiek oogpunt is het noodzakelijk duidelijke afspraken te maken over wie nu precies verantwoordelijk is voor het transport en de begeleiding van de gedetineerden naar en weer van Nederland.

Tot slot vindt mijns inziens een welwillende opstelling eveneens zijn begrenzing in de financiële mogelijkheden. Het detineren van een persoon uit de genoemde doelgroep (waarvoor dus geen extra beveiligings- maatregelen nodig zijn) kost op jaarbasis f 109 500,–. Overkomst van 50 personen voor een periode van 15 maanden komt naar schatting, inclusief reis- en begeleidingskosten, met andere woorden neer op een goede 7 miljoen gulden aan extra lasten.

Afgesproken is om nader intern in eigen kring overleg te voeren alvorens de hoofdlijnen waarover is gesproken verder te concretiseren. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de periode voor overkomst, gelet op de duur van de nieuwbouw 14 a 16 maanden zal zijn en dat de gedetineerden voor de ingang van de voorwaardelijke invrijheidstelling dan wel de afloop van de afgesproken periode, terug zullen keren naar de Nederlandse Antillen. Ten aanzien van de kosten voor overbrenging is voorts vastgesteld dat Minister Martha zal zorgdragen voor een voor beide partijen aanvaardbare zekerheidsstelling voor vergoeding van de kosten.

Het aantal personen waarvoor de regeling geldt zal in nader overleg worden overeengekomen. Ten aanzien van de termijn heb ik voorts aangetekend ervan uit te gaan dat deze niet later ingaat dan 1 juli aanstaande.

Het justitieel beleidsplan voor de kustwacht van de Nederlandse Antillen en Aruba, dat ik u bijgaand ter informatie doe toekomen, is vastgesteld met de kanttekening dat het overleg van procureurs generaal verzocht wordt een nadere onderbouwing te geven van het aantal onder paragraaf 6 genoemde operaties. In het bijzonder dient daarbij bezien te worden of het genoemde aantal operaties niet verder uitgebreid kan worden. Het voorstel om op basis van beschikbare harde gegevens een criminele kaart op te stellen is voorts onderschreven.

De vergadering heeft vastgesteld dat de Rijkswet tot regeling van cassatie in Nederlands Antilliaanse en Arubaanse uitleveringszaken inmiddels is aangeboden aan de Raad van State. De regering van de Nederlandse Antillen heeft voorts kennisgenomen van het Nederlandse wetsvoorstel met betrekking tot het huwelijk en adoptie door personen van hetzelfde geslacht Omdat het hier handelt om ingrijpende wetgeving in de zin van artikel 39 van het Statuut is op verzoek van mijn collegae afgesproken dat de regeringen van de Nederlandse Antillen en Aruba in de gelegenheid zullen worden gesteld haar zienswijze over dit ontwerp kenbaar te maken. Om dezelfde reden is afgesproken bij volgend overleg, aan de hand van een notitie van Minister Martha, te spreken over het voornemen van de regering van de Nederlandse Antillen om de wettelijke minimumstraf te verhogen ten aanzien van een aantal delicten. Evenzo zal aan de hand van nadere stukken bij volgende gelegenheid inhoudelijk gesproken worden over de problematiek van de gecontroleerde aflevering van drugs en een onderlinge regeling voor assetsharing.

Bijgaand doe ik u toekomen het tijdens het overleg afgesloten Protocol inzake de samenwerking op het gebied van voogdijvoorzieningen tussen Nederland en de Nederlandse Antillen. Naar ik verwacht zal de maatregel tot gevolg hebben dat voorkomen wordt dat minderjarigen naar Nederland afreizen zonder dat is voorzien in een gezagsvoorziening. Het protocol treedt in verband met de noodzakelijk voorbereidingstijd in werking met ingang van 1 augustus 1999 en zal jaarlijks worden geëvalueerd. De regeling voorziet er in dat jongeren, die zich in Nederland willen vestigen en waarvan niet vaststaat dat zij onder enige vorm van wettelijk gezag vallen, in de toekomst hiervoor toestemming van de Voogdijraad van de Nederlandse Antillen nodig hebben. De Voogdijraad voert hiervoor (en met het uiteindelijke doel om in Nederland te voorzien in voogdij) overleg met de Raad van Kinderbescherming in Nederland.

Bij de diverse gesprekken die ik heb gevoerd is in het bijzonder aandacht gevraagd voor de toegenomen spanning tengevolge van de beperkt aanwezige middelen voor de rechtshandhaving en de toegenomen werkdruk. De Minister President van Aruba heeft in het bijzonder mijn aandacht gevraagd voor de onevenredige hoge belasting die de toegenomen internationale criminaliteit met zich brengt voor de relatief kleinschalige maatschappij van Aruba. Ook in Aruba is onder meer sprake van een capaciteitsprobleem bij de gevangenis. Tegen deze achtergrond wil ik hierbij van de gelegenheid gebruik maken om mijn waardering uit te spreken voor hetgeen de vele ambtenaren, waaronder de uitgezonden technische bijstanders, belast met justitiële rechtshandhaving soms onder moeilijke omstandigheden presteren. Ik heb daarbij kennis kunnen nemen van de vorderingen die worden gemaakt met de opbouw van de Kustwacht.

De toonzetting van het bezoek en het, in het verlengde van eerdere besprekingen in Nederland, gevoerde overleg is open van karakter geweest. De openhartige gedachtewisseling, geboden gastvrijheid en het geboden inzicht in delen van de samenlevingen van de Nederlandse Antillen en Aruba hebben naar mijn gevoel over en weer het respect en vertrouwen versterkt.

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

Naar boven