nr. 105b
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 10 december 1998
Met belangstelling heb ik kennis genomen van het verslag waarin door de
vaste commissie voor ruimtelijke ordening en milieubeheer (hierna: de commissie)
een aantal vragen wordt gesteld over het wetsvoorstel rechtskracht diverse
planologische kernbeslissingen. Voorts wil ik mijn waardering uitspreken voor
de spoedige toezending van het verslag.
De commissie vraagt zich af of de regering van oordeel is, dat in alle
gevallen de planologische kernbeslissingen op een even sterk draagvlak stoelen
als ten tijde van de vaststelling het geval was. De commissie vraagt zich
tevens af of de regering uitsluit, dat in bepaalde gevallen dat draagvlak
inmiddels is aangetast of zelfs is weggevallen.
Als dat niet het geval blijkt te zijn, vraagt de commissie of het dan
wel terecht is, om plannen die verlopen zijn, opnieuw vast te stellen. De
commissie verwijst naar het nader rapport (pagina 2), waarin ik opmerk dat
«het niet de bedoeling is dat de inhoud van de betreffende pkb's gewijzigd
wordt».
De beleidsinhoud van de verschillende pkb's is inderdaad niet meer zo
actueel als op het moment waarop de pkb's werden vastgesteld. Er wordt daarom
op de beleidsterreinen van de onderhavige pkb's gewerkt aan een actualisering
daarvan. Om die reden heb ik tijdens de plenaire behandeling van het onderhavige
wetsvoorstel bij de Tweede Kamer ook aangegeven dat ik de motie van mw. Van
Dok-van Weele zie als een ondersteuning van mijn beleid. In deze motie wordt
gevraagd de actualisering van alle in het wetsvoorstel genoemde pkb's zeer
voortvarend ter hand te nemen en uiterlijk 1 januari 2000 in procedure te
brengen, met dien verstande dat de actualisering van de PKB Waddenzee met
voorrang moet worden aangepakt.
De actualisering van de pkb's zal plaatsvinden volgens de gebruikelijke
manier die in de Wet op de Ruimtelijke Ordening is aangegeven, waarbij de
Eerste Kamer uiteraard een rol speelt. In die procedure zal ook worden gekeken
naar het draagvlak van de eventuele beleidswijzigingen. Op dit moment acht
ik het niet opportuun daarop vooruit te lopen. Met het onderhavige wetsvoorstel
wordt slechts beoogd de formele status te herstellen van de pkb's. Het betreft
zuiver en alleen het herstellen van de juridische status van beleid waarvan
tot aan de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
van 8 januari jl. aangaande het luchtvaartterrein Maastricht Aachen
Airport (verder: MAA) werd aangenomen dat het nog steeds geldend pkb-beleid
betrof.
De commissie vraagt – gelet op de hiervoorgaande vraagstelling –
of de regering van oordeel is, dat zij gedurende de verlengingsperiode van
de pkb's besluiten kan nemen waaraan de in het geding zijnde pkb's ten grondslag
liggen. Voor het geval dat de regering voornemens is besluiten te nemen, vraagt
de commissie zich af welke majeure besluiten dat betreffen.
De concrete aanleiding voor de totstandkoming van het onderhavige wetsvoorstel
is de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
van 8 januari jl. aangaande het luchtvaartterrein MAA. ingevolge deze uitspraak
dient binnen één jaar na de datum van de openbaarmaking van
de uitspraak opnieuw op de bezwaren beslist te worden. Een dergelijke heroverwegingsbeslissing
van een concreet besluit in het geval van MAA stoelt alsdan op het Structuurschema
Burgerluchtvaartterreinen waarvan de werkingsduur met het onderhavig wetsvoorstel
met een periode van maximaal vijf jaar wordt verlengd. Mochten er zich daarnaast
in de periode tot aan de actualisering van de betreffende pkb nog majeure
besluiten aandienen, dan zal daar uiteraard op de gebruikelijke manier met
het parlement over worden gecommuniceerd.
De commissie vraagt vervolgens of op concrete beleidsbeslissingen die
de uitoefening en het genot van de rechten van de burgers raken zonder uitzondering
beroep bij de rechter openstaat.
Voorzover er sprake is van pkb's die concrete beleidsbeslissingen bevatten,
te weten de PKB Waddenzee en het Structuurschema Militaire Terreinen, heeft
ten aanzien van deze pkb's reeds een beroepsmogelijkheid opengestaan. Er behoeft
dan ook niet opnieuw rechtsbescherming te worden geboden.
Tot slot vraagt de commissie het antwoord op de motie Van Dok-van Weele
dat tijdens de plenaire behandeling in de Tweede Kamer is toegezegd als bijlage
bij de nota naar aanleiding van dit verslag te voegen.1
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
J. P. Pronk