Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal1998-199926020 nr. 104c

26 020
Aanpassing van de Wet op de loonbelasting 1964, de Wet op de inkomstenbelasting 1964, de Coördinatiewet Sociale Verzekering en in samenhang daarmee enige andere wetten naar aanleiding van de voorstellen van de werkgroep Fiscale behandeling pensioenen (Wet fiscale behandeling van pensioenen)

nr. 104c
NADER VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR FINANCIËN1

Vastgesteld: 12 april 1999

De memorie van antwoord gaf de commissie nog aanleiding tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.

1. Algemeen.

De leden van de VVD-fractie hadden met belangstelling kennis genomen van de memorie van antwoord. Zij wilden naar aanleiding daarvan nog een nog enkele aanvullende vragen stellen.

Kunnen de bewindslieden, naar aanleiding van de reactie op het artikel van P. van Yperen nog aangeven in welke orde van grootte moet worden gedacht in het kader van de sterke lastenstijging bij pensioenuitvoerders.

De leden van de CDA-fractie hadden met belangstelling kennis genomen van de memorie van antwoord. Zij betreurden het dat een aantal concrete vragen door de bewindslieden niet zijn beantwoord. In antwoord op de opmerkingen van deze leden over de zeer gedetailleerde regelgeving merken de bewindslieden op dat een koppeling van de pensioennorm aan maatschappelijke opvattingen weliswaar mogelijkheden biedt voor flexibiliteit en dynamiek maar weinig concrete aanknopingspunten geeft voor wat wel en niet acceptabel is, waardoor onduidelijkheid zou blijven bestaan over de grenzen van fiscale toelaatbaarheid van pensioenregelingen. Deze leden waren van mening dat de mogelijkheden voor flexibiliteit alsmede de – in algemene zin – bevredigende ervaring met algemene begrippen in het belastingrecht opwegen tegen een mogelijke tijdelijke onduidelijkheid. Zij kregen de indruk dat met name de verwachte budgettaire consequenties het zwaarst hebben gewogen.

Deze leden zouden gaarne antwoord hebben op de door hen gestelde vragen ten aanzien van de mindere positie van de directeur groot aandeelhouder in vergelijking met de werknemers die vallen onder een collectieve regeling. Voorzien de bewindslieden een verdere aanscherping van de bepalingen van de directeur groot aandeelhouder in het kader van de wetsvoorstellen voor de 21e eeuw? Is pensioenopbouw mogelijk over het bedrag dat op grond van artikel 12a Wet Loonbelasting '64 als fictief loon in de heffing is betrokken?

De leden van de PvdA-fractie maakten graag gebruik van deze mogelijkheid nog een aantal vooral technische zaken aan de orde te stellen. Zo immers kan zowel voorkomen worden dat er in de praktijk iets niet duidelijk zou zijn en bevorderd worden dat het plenaire debat vooral de hoofdlijnen zal kunnen betreffen. Op een punt – met betrekking tot de franchise-suggestie in de pensioenopbouw van het nabestaandenpensioen – hadden deze leden grote problemen met het antwoord in de memorie van antwoord.

De leden van de PvdA- fractie merkten op dat in de memorie van antwoord een aantal malen wordt gerefereerd aan de «budgettaire ruimte». Is er een berekening – globaal – gemaakt van de ruime die hiermee wordt bedoeld? Kan die berekening worden overlegd?

Bij de adviescommissie wordt in de memorie van antwoord gesteld (blz. 2) dat deze de bevoegdheid krijgt binnen de budgettaire kaders van het wetsvoorstel te adviseren over elementen die wettelijk niet zijn toegestaan maar maatschappelijk wenselijk worden geacht. Hoe moet dit worden verstaan? Wordt het advies bindend geacht als het binnen de budgettaire kaders past? Wordt een advies niet gehoord wanneer het wel maatschappelijk relevant is maar niet geheel past binnen de kaders (die onduidelijk zijn)?

2. Relatie met belastingen in de 21e eeuw en het pensioenconvenant.

De leden van de VVD-fractie verwezen naar het antwoord op vragen van de leden van de fractie van D66 in het voorlopig verslag, waarin het kabinet stelt dat lijfrenteaftrek in de toekomst niet meer mogelijk zal zijn indien binnen een arbeidsrelatie een adequate pensioenvoorziening wordt opgebouwd. Het kabinet verwacht dat invoering van de oudedagsparaplu f 1.5 miljard zal opleveren, aannemende dat van de thans aan lijfrentepremies afgetrokken f 5 miljard, f 3 miljard onder de nieuwe regeling niet meer voor aftrek in aanmerking zal kunnen komen. Het verbond van verzekeraars stelt echter dat uit onderzoek blijkt dat het overgrote deel van de houders van lijfrentepolissen een pensioentekort heeft en dus ook in de toekomst de aftrekmogelijkheid zou moeten kunnen gebruiken. Hoe gaan de bewindslieden om met de mogelijkheid dat de besparing van f 1.5 miljard wellicht niet gehaald wordt? De vraag is ook wat het kabinet verstaat onder een adequate pensioenvoorziening. Terecht stelt de regering dat sociale partners belang hebben bij het beperkt houden van de pensioenkosten. Vaak zullen voor werknemers individueel mogelijkheden bestaan extra te doteren, maar niet altijd. Dan zal het lijfrenteregime uitkomst kunnen bieden naast de overeengekomen pensioenregeling. Gaarne een reactie van de regering op deze punten.

De bewindslieden stellen, zo merkten de leden van de CDA-fractie op, dat zij thans geen uitsluitsel kunnen geven over de door deze leden verzochte samenvatting van hun gedachten over een geruisloze overgang van de voorliggende wetsvoorstellen in de plannen voor de 21ste eeuw. Indien vermogensbestanddelen in de derde box worden geïntegreerd onder de oudedagsparaplu worden de mogelijkheden voor het faciliëren van oudedagsvoorzieningen in de vorm van een vermogensrendementsvrijstelling nauwkeurig afgestemd op de voor alle oudedagsvoorzieningen gezamenlijk te introduceren bovengrens onder de oudedagsparaplu teneinde een fiscaal gefacilieerde bovenmatige pensioenopbouw te voorkomen, aldus de bewindslieden.

Deze leden hadden begrepen dat de pensioennorm uit het voorliggende wetsvoorstel de hoogte van de oudedagsparaplu zal aangeven. In de kabinetsnota van december 1997 wordt de oudedagsparaplu immers omschreven als «een oudedagsplafond ten behoeve van de fiscale begeleiding van alle mogelijke oudedagsvoorzieningen: collectieve pensioenen, lijfrenten etc.». In het Belastingplan voor 1999 (Kamerstukken II, 26 245) is echter rekening gehouden met een opbrengst van 1.5 miljard voor de invoering van de oudedagsparaplu (door beperking van de aftrek van de lijfrentepremie). Uit een onderzoek van het NIPO is echter gebleken dat een overgrote meerderheid van de houders van lijfrentepolissen (77%) een pensioentekort heeft en dus beoogt gebruik te maken van de aftrekmogelijkheid. De ingeschatte budgettaire opbrengst zou hierdoor onder druk kunnen komen te staan.

De bewindslieden merken op in de memorie van antwoord dat samenloop van een adequate pensioenvoorziening met aanvullende opbouw op individuele basis niet meer mogelijk zal zijn onder de werking van de oudedagsparaplu. Is de conclusie juist, dat samenloop wel kan optreden indien sprake is van een pensioengat of tekort uit het verleden?

Deze leden zouden gaarne vernemen of een eventuele lagere schatting van de budgettaire opbrengst er toe zou kunnen leiden dat de uitgangspunten van het huidige wetsvoorstel worden beperkt tot de tweede pijler teneinde voor de derde pijler een beperkter regime te hanteren. Een dergelijke inperking zou in strijd zijn met het uitgangspunt dat er één oudedagsplafond zou komen ten behoeve van de fiscale begeleiding van alle mogelijke oudedagsvoorzieningen: collectieve pensioenen, lijfrenteverzekeringen etc. (nota Belastingen in de 21ste eeuw, Kamerstukken II, 25 810).

Bovendien zou dit kunnen leiden tot een ongelijke behandeling aangezien met name zelfstandigen en werknemers voor wie de werkgever geen pensioenregeling heeft getroffen. Deze groep is volledig aangewezen op de derde pijler. Aangezien dit niet de bedoeling kan zijn van de wetgever zouden deze leden gaarne de bevestiging ontvangen dat de in dit wetsvoorstel vastgelegde fiscale ruimte voor pensioenopbouw bij invulling van de oudedagsparaplu zal gelden voor de gehele pensioenopbouw inclusief de derde pijler.

De leden van de CDA-fractie zouden voorts gaarne specifiek antwoord willen ontvangen over de vragen die zij hebben gesteld over de toe te passen gangbaarheidstoets voor de directeur groot aandeelhouder en de consequenties van een overstap van volledig verzekeren naar eigen beheer tijdens de opbouwperiode.

Terzake van de mogelijke overgang op een middelloonstelsel (met een maximale pensioenruimte van 2% per dienstjaar) merken de bewindslieden op dat bij introductie van een nieuw regime alleen de aanspraken die onder dit nieuwe regime worden opgebouwd aan de nieuwe voorwaarden moeten voldoen. Deze leden vroegen wat een dergelijke overgang betekent voor werknemers die al onder een middelloonregeling vallen. De door hen opgebouwde pensioenrechten in het eerste deel van de carrière zijn veelal lager in vergelijking met die van werknemers die vallen onder een eindloonregeling. Het iets hogere opbouwpercentage bij middelloonregelingen van 2.35% compenseert ten dele het effect van een eindloonsysteem waar carrièrestappen en salarisstijgingen met terugwerkende kracht meetellen bij het vaststellen van pensioenrechten. Dit compenserende effect zou vervallen indien het opbouwpercentage gedurende het carrièreverloop zou worden verlaagd tot 2%. Deze leden zouden gaarne de visie van de bewindslieden vernemen. Zij waren met name geïnteresseerd te vernemen of zij bereid zijn om bestaande middelloonregelingen te eerbiedigen bij mogelijke inwerkingtreding van de «switchbox» bepaling.

De leden van de PvdA-fractie vroegen of kan worden verduidelijkt wat het zou kunnen betekenen wanneer – op grond van de «switchbox-bepaling – het wettelijk regime zou uitgaan van middelloon met een opbouw van 2% voor de reeds bestaande middelloonsystemen. Worden bestaande middelloonregelingen dan niet ernstiger geraakt dan bestaande eindloonregelingen?

3. Salaris-/diensttijdnorm.

De leden van de CDA-fractie hadden de bewindslieden gevraagd of diensttijd doorgebracht bij een buitenlands concernonderdeel, waarbij de werknemer wordt verplicht deel te nemen aan een basispensioenregeling in het buitenland (vergelijkbaar met de Nederlandse AOW- regeling) kan worden aangemerkt als binnenlandse diensttijd. De bewindslieden doen de toezegging om het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 op dit punt aan te passen door als voorwaarde te stellen dat buitenlandse concerndiensttijd als diensttijd in aanmerking wordt genomen voor zover bij het verbonden lichaam in het buitenland niet is deelgenomen aan een pensioenregeling.

Voor de buitenlandse concerndiensttijd waarin ten opzichte van de actuele pensioenregeling onvoldoende pensioenrechten zijn opgebouwd en in het buitenland niet de mogelijkheid bestaat tot waardeoverdracht, kunnen dan door de inhoudingsplichtige aanvullende pensioenaanspraken worden ingekocht waarbij rekening wordt gehouden met de in het buitenland opgebouwde rechten. Deze leden wilden weten of de daarmee verband houdende lasten fiscaal dienen te worden gedragen door het hoofdkantoor of de buitenlandse concernmaatschappij.

Ten aanzien van de vraag of fiscaal geruisloze waardeoverdracht van pensioenkapitaal naar een buitenlandse pensioenuitvoerder mogelijk is indien de werknemer een dienstbetrekking aanvaardt bij een buitenlandse concernmaatschappij merken de bewindslieden op dat dit slechts mogelijk is indien de desbetreffende werknemer Nederland metterwoon heeft verlaten en voorts voldaan wordt aan de voorwaarde van het Besluit van 2 december 1996 (nr. DB 196/113M). Zien de bewindslieden mogelijkheden om deze geruisloze overdracht ook toe te laten indien de betreffende werknemer in Nederland blijft wonen, aannemende dat overigens aan alle voorwaarden van voornoemd besluit is voldaan.

De leden van de PvdA-fractie vroegen of de voorgenomen wijziging van artikel 10a, eerste lid, onderdeel b van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 betekent dat uitsluitend het deelgenomen hebben aan een pensioenregeling in het buitenland – niet zijnde een «basispensioen» – los van de reële pensioenuitkomsten bepalend zal zijn voor het al dan niet meetellen, ongeacht de hoogte van het pensioen? Zou het niet vereisen dat er sprake is van een zekere mate van substantie van de inhoud van de pensioenregeling? Kan dit niet spiegelbeeldig worden gezien met de bepaling waar het de belastingheffing betreft, waar ook een inhoudelijke toetsing plaats zal vinden wanneer naar de Nederlandse opvatting te weinig belasting is geheven in het woonland (zie b.v. nieuwe belastingverdrag met de Oekraïne waar Nederland zich het recht voorbehoudt over uit te betalen pensioenen belasting te heffen omdat de Oekraïne niet heft over particulier geregelde periodieke uitkeringen)?

Kan worden toegelicht waarom waardeoverdracht op grond van het Besluit van 2 december 1996, nr. DB96/113M niet geruisloos zou kunnen geschieden wanneer een werknemer in Nederland blijft wonen en buiten Nederland (eventueel zelfs binnen de EU) gaat werken, pensioen is toch gebonden aan de werksituatie?

Kan er van worden uitgegaan dat de fiscale pensioenruimte op basis van dit wetsvoorstel ook zal gelden voor de «derde pijler»? Er blijkt in de praktijk grote onrust te gaan heersen over de mogelijkheden voor burgers (werknemers en directeuren groot aandeelhouders) om een pensioentekort, of het volledig ontbreken van pensioenopbouw, te kunnen oplossen door individuele lijfrentes.

4.Toetsing aan de 100%-grens.

De leden van de CDA-fractie memoreerden dat de bewindslieden ten aanzien van de toetsing aan de 100%-grens stellen dat de 100% toets niet tot problemen leidt bij eindloon- en middelloon systemen. Voor deze regelingen vindt de toets aan de 100%-norm op grond van art. 18a, vierde lid, plaats indien na het bereiken van een vol pensioen van 70% alsnog wordt besloten om door te werken. Deze stelling lijkt alleen juist indien deze pensioenen zijn toegezegd en verzekerd in de vorm van een uitgestelde rente. In de praktijk komt het echter meer en meer voor dat ook salaris diensttijd regelingen worden verzekerd in de vorm van een kapitaalverzekering met pensioenclausule die gebaseerd zijn op eindloon- of middelloonregelingen. Via een eindloon systeem wordt een beoogd ouderdomspensioen bepaald van bijvoorbeeld 2% per dienstjaar. Dit beoogde ouderdomspensioen wordt dan vertaald naar een verzekerd kapitaal dat op de pensioendatum moet worden aangewend om een ouderdomspensioen te kopen. Via winstdeling kan ook hier de situatie ontstaan dat het kapitaal op enig moment meer is dan noodzakelijk is om een pensioen ter grootte van 100% van het laatste salaris aan te kopen. Dit is zeker het geval indien sprake is van een beleggingsverzekering.

Deze leden merkten op dat deze problematiek niet alleen maar voorkomen bij beschikbare premieregelingen maar dat er ook kapitaalverzekeringen met pensioenclausule bestaan die gebaseerd zijn op eindloon- of middelloonregelingen. De door de bewindslieden in de laatste alinea's van hoofdstuk 4 geschetste bezwaren voor beschikbare premieregelingen in beleggingsverzekeringen zijn echter onverkort ook van toepassing bij kapitaalverzekeringen met pensioenclausule welke zijn gebaseerd op eindloon- of middelloonregelingen. Kunnen de bewindslieden expliciet bevestigen dat de bepalingen van artikel 18a, negende lid ook van toepassing zijn op kapitaalverzekeringen met pensioenclausule die zijn gesloten ter dekking van eindloonof middelloontoezeggingen?

Deze leden hadden gevraagd om het «afroombedrag»(bij beleggingsverzekeringen) uit te keren bij wijze van afkoop. Zijn de bewindslieden bereid een wijziging van de Pensioen- en Spaarfondsenwet te bevorderen op grond waarvan afkoop mogelijk wordt indien sprake is van een bovenmatige regeling waarbij toetsing van de 100%-norm heeft plaatsgevonden?

De bewindslieden menen dat art. 18, negende lid uitsluitend van toepassing is op de beschikbare pensioenregeling. Het tiende lid (toetsing bij emigratie) van hetzelfde artikel verwijst naar het negende lid. Betekent dit dat het tiende lid ook alleen van toepassing is bij emigratie en beschikbare premieregeling?

Gaarne ontvangen deze leden antwoord op hun vraag of het financieren van een backservice koopsom gebaseerd op een rekenrente van 4% in de opbouwfase en een rekenrente van 4% in de uitkeringsfase acceptabel is, waarna voor de premieberekening wordt uitgegaan van een eindloonpensioen dat maximaal gebaseerd is op een opbouw van 2% per dienstjaar.

Met betrekking tot de 100%-grens kan er, aldus de leden van de PvdA-fractie, van worden uitgegaan dat de specifieke toets uitsluitend bedoeld is voor beschikbare premieregelingen en (wel genoemd in het amendement De Vries/ Van Zijl stuk nr. 20, maar niet bij de beantwoording van de gestelde vraag) kapitaalverzekeringen met niet gegarandeerde winstbijschrijving. Graag een bevestiging dat ook bedoelde kapitaalverzekeringen onder deze behandeling zullen vallen. Deze leeswijze(r) betekent overigens dat de wettekst niet geheel conform de bedoeling is. Zijn de bewindslieden bereid deze onvolkomenheid op een passend moment even bij te stellen?

Wanneer een pensioen uit zou komen boven de 100% zal dus het meerdere- na inhouding van de belasting – aan de gerechtigde worden uitbetaald. Is te voorzien wanneer de wijziging van de Pensioen- en spaarfondsenwet die deze gedeeltelijke afkoop mogelijk moet maken naar de Raad van State zal worden geleid?

Bij de afkoop aan «gerechtigde» speelt natuurlijk de vraag wie er eigenlijk gerechtigd is. Wanneer een man en een vrouw – overigens in gelijke functies en van dezelfde leeftijd – beide een pensioen opbouwen op basis van een beschikbaar premiestelsel zal de werkgever toch een hogere premie ter beschikking moeten stellen aan de vrouw wil de pensioenuitkomst voor man en vrouw gelijk zijn. Zou nu de beschikbare premie beter renderen dan verwacht, dan kan bij beide een pensioenteveel ontstaan. Echter het meerdere voor de vrouw zal een hoger bedrag zijn dan het meerdere voor de man. En het is betaald door de werkgever. Zou dan een deel moeten terugvallen aan de werkgever? Zou wellicht bij uitbetaling aan betrokkenen een kwestie kunnen ontstaan van ongelijke beloning ten nadele van de man?

5. Pensioendefinitie.

De leden van de PvdA-fractie wilden weten waarom het begrip «pensioengevend loon» niet is gedefinieerd in de wet? Deze leden hadden het echt beter en begrijpelijker gevonden wanneer «pensioengevend loon» wel gelijk zou zijn aan het gebruikelijke en begrijpelijker begrip «pensioengrondslag». De uitzondering van inbouw – waar komt dat overigens eigenlijk voor? – verdraagt zich moeilijk met invoering van een onduidelijk begrip.

6. Snel slijtende beroepen.

Bij een aantal snel slijtende beroepen, aldus de leden van deVVD-fractie, is sprake van een pensioenleeftijd beneden de 60 jaar. Het is mogelijk, ook in die gevallen, dat het ouderdomspensioen blijft beneden het fiscale maximum, terwijl een relatief ruim overbruggingpensioen bestaat, waarop actuarieel gekort zou moeten worden. Indien de combinatie van een (ruim) overbruggingspensioen en een ouderdomspensioen in totaliteit bezien niet leidt tot pensioen dat gaat boven de grenzen van 2% eindloonsysteem, is de staatssecretaris dan bereid een aanwijzing als pensioenregeling te doen?

Ten aanzien van snelslijtende beroepen hadden de leden van deCDA-fractie een vraag over de verplichte korting op het overbruggingspensioen. Bij een aantal (snel) slijtende beroepen is sprake van een pensioenleeftijd beneden de 60 jaar. Als gevolg van het voorliggende wetsvoorstel zou het overbruggingspensioen actuarieel gekort moeten worden onder gelijktijdige verhoging van het ouderdomspensioen. Deze leden wilden weten of pensioenregelingen met een pensioenleeftijd beneden de 60 jaar en een volledig overbruggingspensioen geaccepteerd zullen worden indien wordt aangetoond dat de (actuariële) combinatie van ouderdoms- en overbruggingspensioen binnen de grenzen van het 2%-eindloonsysteem blijft.

De leden van de PvdA-fractie vroegen of de opmerking met betrekking tot de snelslijtende beroepen zo kan worden verstaan dat bijvoorbeeld besluit B 71/2450 96 van 30–11–72 inzake pensioenopbouw van voetballers en beroepswielrenners ongewijzigd kan blijven?

7. Nabestaandenpensioen.

In artikel 18, eerste lid, onder 2 wordt, aldus de leden van deCDA-fractie, als voorwaarde gesteld voor het nabestaandenpensioen dat er geen bloed- of aanverwantschap mag bestaan in de eerste graad. Tot nu toe wordt in artikel 11, derde lid, onderdeel a gesproken over bloed- of aanverwantschap in de rechte lijn. Door deze wijziging zou een grootvader nu een nabestaandenpensioen ten behoeve van zijn kleindochter kunnen krijgen. Dat lijkt niet de bedoeling. Kunnen de bewindslieden uitsluitsel geven?

De leden van de PvdA-fractie voelden zich bovendien op het verkeerde been gezet. Zij meenden dat beoogd werd de bestaande pensioenpraktijk met betrekking tot b.v. de nabestaandenpensioenvoorziening niet te verslechteren en hadden dit ook zo begrepen. Temeer waar ook expliciet uitgegaan is van een aansluiting bij de bestaande uitvoeringspraktijk. Door het rekenvoorbeeld ontstaat echter nu het beeld dat de bovengrens voor het nabestaandenpensioen wel is gesteld op 70% van het ouderdomspensioen maar de ondergrens kennelijk niet. Want, ware dat het geval geweest, dan was immers pensioengevend loon en pensioengrondslag wel hetzelfde geweest.

Het rekenvoorbeeld in de memorie van antwoord – gegeven in het kader van de AOW- inbouw- is wat dit onderdeel betreft onvolledig. Er is immers geen berekening gegeven voor het nabestaandenpensioen, maar uit het voorbeeld genoemd in de brief aan de Tweede Kamer van 24 november 1998 maakten deze leden op dat het wetsvoorstel kan leiden tot een aanzienlijke inkomensachteruitgang voor nabestaande betrekkingen. In het daar gegeven voorbeeld staat dat, uitgaand van een arbeidsinkomen van f 100 000,-, bij een franchise voor het ouderdomspensioen van de enkelvoudige gehuwden AOW (grofweg f 20 000), het ouderdomspensioen zou uitkomen op ruim f 56 000,- en het nabestaandenpensioen op ruim f 35 000,-. In de huidige praktijk, waar het nabestaandenpensioen wordt berekend als percentage (70%) van het ouderdomspensioen, zou de uitkomst ruim f 39 000,- zijn. Een verschil van ruim f 4000,-.

Dat vonden deze leden, zeker nadat ze eerst bij aanvaarding van de Algemene nabestaandenwet ervan uit moesten gaan dat werknemers zelf op dit terrein meer verantwoordelijkheid zouden moeten (kunnen) dragen, echt onbegrijpelijk.

Zij hadden steeds begrepen dat het nabestaandenpensioen (en het wezenpensioen), zoals ook thans gebruikelijk, na de laatste nota van wijziging (stuk nr. 22) gewoon zou worden afgeleid van het ouderdomspensioen en daarvan dan 70% zou kunnen bedragen. Deze leden zouden graag zien dat hier sprake zou blijken te zijn van een misverstand. Zij hechtten er sterk aan de bestaande situatie met betrekking tot het nabestaandenpensioen en het wezenpensioen ongewijzigd te laten. Een negatieve verandering in de hoogte van deze pensioenen als «neveneffect» van een verruiming van de fiscale facilitering vonden zij onacceptabel.

8. AOW-inbouw.

De leden van de CDA-fractie merkten op dat volgens de bewindslieden de AOW-inbouw moet worden gebaseerd op de aftrek methode, dan wel een 10/7 franchise. Het voorbeeld in hoofdstuk 9 klopt op zich wel. Echter, de 8/7 franchise is indertijd geaccepteerd omdat de AOW in 50 jaar wordt opgebouwd en een pensioen doorgaans in 40 jaar. De factor 40/50 maal de factor 10/7 leidt tot de factor 8/7. In deze uitgangspunten is niets veranderd. De argumentatie waarom 8/7 niet meer mag lijkt mitsdien oneigenlijk. Uitgaande van de grondslagen van het onderhavige wetsvoorstel, waarin in 35 jaar een pensioen van 70% kan worden opgebouwd, zou het te verdedigen zijn om de factor 10/7 te vermenigvuldigen met 35/50, waardoor een 7/7 franchise ontstaat. Hetgeen de bewindslieden stellen in hoofdstuk 9 kan volgens de leden hier aan het woord mitsdien niet worden gebruikt als onderbouwing voor de stelling dat de 8/7 franchise niet meer geoorloofd is. Kunnen de bewindslieden deze conclusie onderschrijven?

Bij werknemers die een parttime dienstbetrekking vervullen mag via de toepassing van een deeltijdfactor de AOW- inbouw slechts eenmaal plaatsvinden. Is het ook toegestaan de AOW- inbouw volledig toe te passen bij één dienstbetrekking en deze bij een andere dienstbetrekking achterwege te laten?

9. Pensioenregelingen in eigen beheer.

Volgens de leden van de CDA-fractie wordt het inbrengen van het extern verzekerde pensioen in de eigen beheersituatie op grond van artikel 19b gelijkgesteld met afkoop indien het pensioen niet voldoet aan de voor eigen beheer gestelde aanvullende voorwaarden genoemd in artikel 10c. In artikel 19b, tweede lid wordt aangegeven dat van een gefacilieerde overgang alleen sprake kan zijn indien de eigen beheerder een pensioentoezegging uitvoert conform art. 2 Pensioen- en Spaarfondsenwet. Betekent dit nu, dat alle deelnemers aan een verplicht beroepspensioenfonds nooit de opgebouwde pensioenaanspraken kunnen overbrengen naar eigen beheer, aannemende dat het pensioenfonds zijn medewerking verleent? Afgezien van civiele wetgeving lijkt dit niet de bedoeling van het wetsvoorstel te zijn gezien de doelstelling van flexibilisering en individualisering. Kunnen de bewindslieden uitsluitsel geven?

De leden van de PvdA-fractie vroegen waarom – in artikel 10c – bij de tijdelijke overbruggingsregeling voor directeuren groot aandeelhouders met een pensioenregeling in eigen beheer niet ook wordt uitgegaan van compensatie van de te betalen premies volksverzekeringen?

10. Internationale aspecten.

Terzake van de uitleg van belastingverdragen heeft de staatssecretaris van Financiën, aldus de leden van de CDA-fractie, te kennen gegeven de zgn. dynamische methode voor te staan, d.w.z. ficties in nationale wetgeving b.v. ten aanzien van pensioenen in aanmerking te nemen. In de memorie van antwoord merken de bewindslieden op dat deze methode tot op heden niet heeft geleid tot overlegprocedures met verdragspartners. Moet hieruit worden afgeleid dat deze methode voorshands niet kan worden toegepast, aangezien deze in het algemeen tot op heden niet wordt onderschreven door de verdragspartners bij toepassing van belastingverdragen?

De leden van de PvdA-fractie vroegen waarom bij pensioenopbouw ter reparatie van pensioenverlies geleden door verblijf in het buitenland per definitie de AOW als franchise zou moeten worden gehanteerd; in het buitenland wordt toch geen AOW opgebouwd?

11. Uitvoeringsaspecten.

Volgens de leden van de CDA-fractie menen de bewindslieden dat bij invoering van aanvaardbare tabellen of een uniforme hoogtevaststelling van de beschikbare premiepercentages onvoldoende rekening kan worden gehouden met de diverse individuele omstandigheden (zoals bijvoorbeeld carrièreverloop en verschil in sterftekansen). Deze leden hadden echter vernomen dat de markt behoefte heeft aan een staffel waarvan bij voorbaat vaststaat dat deze fiscaal acceptabel is. Is het toch niet mogelijk een zodanige staffel te maken dat men niet bovenmatig kan uitkomen? Dat houdt onvermijdelijk in dat er werknemers zullen zijn die niet aan hun maximale pensioen komen. Hiervoor zou dan een omgekeerde bewijslast opgelegd kunnen worden: als men meer wil hebben aan beschikbare premie, moet men aantonen daardoor niet bovenmatig uit te komen. Zijn de bewindslieden bereid daartoe een voorstel te doen c.q. in overleg te treden met het veld?

De leden van de PvdA-fractie deelden de opvatting dat er – uitgaande van maatwerk en individualisering – evenveel premiestaffels kunnen ontstaan als er personen zijn die deelnemen aan een beschikbare premieregeling. Dat zou dus betekenen – zeker de eerste jaren – dat voor iedere beschikbare premieregeling er overleg plaats moet vinden tussen de pensioenuitvoerder en de belastinginspecteur. Dit werkgelegenheidsproject leek deze leden uiterst ondoelmatig. Het moest, zo meenden zij, mogelijk zijn een indicatief model aan te geven dat geldend kan zijn voor acht van de tien gevallen; wie daarvan afwijkende modellen ontwikkelt/ moet ontwikkelen om een passende regeling te treffen voor een specifiek individueel geval kan zich altijd ook nog alsdan verstaan met de inspecteur. Daaruit zal al werk genoeg voortvloeien voor beide kanten. Deze leden vroegen dus nogmaals aan de staatssecretaris een indicatief model snel te ontwikkelen – in overleg met uitvoeringspraktijk en fiscus – opdat al die individuele toetsingen vooraf een beetje binnen de perken kunnen worden gehouden.

12. Overgangsbepaling.

De leden van de VVD-fractie vroegen of de bewindslieden zich realiseren, naar aanleiding van de beantwoording van de vragen inzake het toe te passen overgangsrecht in een situatie van gebruikmaking van de bevoegdheid om nadere maatregelen te treffen, dat versobering voor werknemers die reeds onder een middelloonregeling vallen ten opzichte van werknemers die onder een eindloonregeling vallen erg nadelig is. Is het de bedoeling hiermee een vorm van ongelijkheid te laten ontstaan, juist voor werknemers die al vallen onder het (gematigde) middelloonsysteem?

13. Budgettaire gevolgen.

De leden van de CDA-fractie hadden enkele concrete vragen gesteld ten aanzien van de budgettaire gevolgen omdat deze in belangrijke mate worden genoemd als reden voor het kiezen van zeer gedetailleerde regelgeving. De bewindslieden vermelden het risico dat een goedverdienende werknemer zou kunnen benutten om individueel bij te storten. Deze leden zouden gaarne specifiek willen horen welke bedragen met dit specifieke risico zijn gemoeid, wat het budgettaire kader is in dit verband en hoe zich dit verhoudt met de mogelijkheden voor werknemers om extra ruimte te benutten via het lijfrenteregime. Deze vragen zijn niet specifiek beantwoord in de memorie van antwoord.

Deze leden zouden voorts gaarne vernemen of er samenhang bestaat tussen de budgettaire besparingen op grond van de zgn. Pensioenconvenant en op grond van de zgn. pensioenparaplu als voorzien in het plan voor het Belastingstelsel 21e eeuw.

De voorzitter van de commissie,

Boorsma

De griffier van de commissie,

Hordijk


XNoot
1

Samenstelling: Boorsma (CDA) (voorzitter), de Boer (GL), van Dijk (CDA), Stevens (CDA), Schuyer (D66), Hilarides (VVD), Rensema (VVD), van den Berg (SGP), Wöltgens (PvdA) (plv. voorzitter), ter Veld (PvdA), de Haze Winkelman (VVD).