nr. 13b
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 25 november 1998
Met belangstelling heb ik kennis genomen van het verslag dat de vaste
commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport over het wetsvoorstel heeft
uitgebracht.
Hieronder zal ik, in overeenstemming met de Minister van Justitie, de
vragen beantwoorden die in dit verslag zijn gesteld.
De leden van de fractie van GroenLinks hebben de regering verzocht
geïnformeerd te worden ten aanzien van de voortgang van de procedure
omtrent de onderzoeksaanvragen voor de onderzoeken naar de geneeskrachtige
werking van marihuana.
De rol van het Ministerie van VWS bij het onderzoek naar medicinaal gebruik
van cannabis is bescheiden, zoals overigens in het algemeen bij geneesmiddelonderzoek
het geval is. Deze rol bestaat voornamelijk uit het verlenen van de benodigde
vergunningen. Ook kan het ministerie zo nodig faciliterend optreden, bijvoorbeeld
als bemiddelaar bij het verkrijgen van het plantenmateriaal uit de Verenigde
Staten.
Momenteel is een tweetal onderzoeksgroepen geïnteresseerd in het
doen van onderzoek naar de medicinale toepassing van cannabis. Een derde groep
heeft laten weten af te zien van het doen van onderzoek en heeft zijn aanvraag
voor een opiumverlof ingetrokken.
De beide andere groepen hebben hun aanvraag inmiddels ingediend. Op één
aanvraag zal binnenkort positief worden beslist, terwijl voor de andere aanvraag
nog nadere gegevens worden ingewacht. Overigens is mijn verwachting dat kort
na ontvangst daarvan ook deze aanvraag kan worden gehonoreerd.
Voorts wordt op of omstreeks het tijdstip van uitbrengen van deze nota
een verlof verleend aan een farmaceutisch bedrijf dat de hennep zal verwerken
tot een voor het onderzoek geschikte toedieningsvorm.
De notitie over de wenselijkheid van een Nederlands bureau voor de hennepteelt
is inmiddels besproken in de Ministerraad. In de Ministerraad is afgesproken
dat de notitie aan de Tweede Kamer zal worden toegezonden. Zij zal gelijktijdig
aan de Eerste Kamer worden toegezonden. In de notitie kondig ik aan dat ik
een wetsvoorstel zal opstellen om de Opiumwet zodanig te wijzigen dat de instelling
van een dergelijk bureau mogelijk wordt. Tegelijkertijd zal ik
een onderzoek laten instellen naar de meest wenselijke organisatievorm voor
dit bureau, dat in principe klein van omvang moet zijn en – na een aanloopperiode –
kostendekkend.
Overigens mogen de taken van het bureau zich slechts uitstrekken tot geneeskundige
doelen en niet tot de bevoorrading van coffeeshops. Er is dus geen sprake
van dat de oprichting van een bureau een eerste stap is op weg naar legalisatie
van de coffeeshops in het algemeen of bevoorrading ervan in het bijzonder.
In zijn advies «Marihuana als Medicijn» van 3 december 1996
heeft de Gezondheidsraad aangegegeven dat er te weinig onderzoek met marihuana
is gedaan om te concluderen dat het middel geschikt is als geneesmiddel.
Daarnaast concludeerde de Gezondheidsraad dat de beschikbare onderzoeksresultaten
in het algemeen verkregen zijn met producten waarvan de samenstelling onvoldoende
was gedefinieerd. Indien de samenstelling van het product niet of niet voldoende
vaststaat is het niet mogelijk uit de onderzoeksresultaten generaliseerbare
conclusies te trekken. Alleen bij een goed gedefinieerd product van constante
kwaliteit en samenstelling kan een goed resultaat bij de onderzoekspopulatie
gegeneraliseerd worden naar de totale patiëntenpopulatie. Daarom is het
noodzakelijk om toekomstig onderzoek uit te voeren met nauwkeurig gedefinieerde
henneprassen, althans henneprassen waarvan de herkomst en identiteit vaststaat.
Van in beslag genomen hennep kunnen herkomst en identiteit wisselen. Daarom
is in beslag genomen hennep in de praktijk niet geschikt voor onderzoek.
Naast deze praktische reden geldt overigens ook het juridische argument
dat het Enkelvoudig verdrag inzake verdovende middelen (Trb. 1963, 81; Trb.
1980, 184) niet toelaat dat zonder de tussenkomst van een dergelijk bureau
hennep wordt geteeld voor medicinale doeleinden.
De notitie van de fractie van GroenLinks in de gemeenteraad van Amsterdam,
waarin de gedachte wordt geopperd om het zelf telen van cannabis te gedogen
(Gemeenteblad afd. 1, Nr 490, pag 3155–3158) bevat nog geen concreet
voorstel.
De notitie is gericht op het tot stand brengen van een «gesloten
systeem» van productie en verkoop van nederwiet middels coffeeshops.
Waar de notitie het zelf telen van cannabis behandelt gaat het om telen in
het algemeen en dus niet slechts voor medicinale toepassing. Omdat het een
discussienotitie betreft en geen voorstel van de Gemeente Amsterdam is het
prematuur om nu al een reactie hierop te geven.
Tijdens de behandeling van de justitiebegroting in de Tweede Kamer heeft
de Minister van Justitie aangegeven dat het regeerakkoord duidelijk maakt
dat het bestaande beleid van het vorige kabinet ten aanzien van drugs zal
worden voortgezet. Tevens heeft hij aangegeven dat van hem geen initiatieven
te verwachten zijn ten aanzien van de zo genoemde «achterdeurproblematiek».
Ten overvloede vermeld ik u dat reeds de vorige Minister van Justitie
bij verscheidene gelegenheden aan uw Kamer heeft meegedeeld dat de regering
een gesprek zal voeren met gemeenten die overwegen iets te regelen voor de
zogenoemde achterdeurproblematiek van de coffeeshops, indien zij daarom verzoeken.
Dit standpunt is door de huidige regering overgenomen. Indien een dergelijk
gesprek tot afspraken of beleidsvoornemens zou leiden, zal de regering hierover
met uw Kamer in overleg treden. Tevens geldt nog steeds dat indien zich dergelijke
initiatieven voordoen, deze in elk geval ook aan het College van procureurs-generaal
moeten worden voorgelegd.
In dit verband merk ik op dat het telen van hennep niet strookt met de
thans geldende OM-richtlijnen en de op basis daarvan geldende landelijk vastgestelde
vervolgingsprioriteiten.
Zoals bekend is het strafvorderings- en vervolgingsbeleid inzake de Opiumwet
vastgelegd in de richtlijnen van het Openbaar Ministerie. In het driehoeksoverleg
wordt het lokale drugsbeleid vastgesteld met inachtneming van deze richtlijnen.
De vervolging van bedrijfsmatige teelt van hennep heeft hoge prioriteit; de
teelt van een geringe hoeveelheid hennep voor eigen gebruik door een meerderjarige
heeft echter geen vervolgingsprioriteit, derhalve ook niet indien deze teelt
bestemd is voor medicinaal gebruik.
Ik ben van oordeel dat hiermee alle vragen genoegzaam zijn beantwoord.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers