nr. 119c
NADER VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR JUSTITIE1
Vastgesteld: 20 april 1999
De memorie van antwoord gaf de leden van de commissie nog aanleiding tot
het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.
De leden van de CDA-fractie hadden met belangstelling kennis
genomen van de memorie van antwoord. Zij wilden nog een aantal vragen ter
beantwoording voorleggen.
Wat is bedoeld met de opmerking in de memorie van antwoord, blz. 3, dat
het amendement-Kalsbeek c.s. het Nederlandse soft-drugsbeleid onverlet laat?
Is het de minister bekend wanneer het eindoordeel van de Commissie-Kalsbeek
uit de Tweede Kamer is te verwachten? Maken ook anderen dan leden van de Tweede
Kamer deel uit van deze commissie? Kan de minister uiteenzetten hoe deze commissie
de gegevens verzamelt, op basis waar- van zij haar oordeel vormt?
Geeft de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam in de zaak tegen Etienne
U. de minister aanleiding om te overwegen of verdergaande opsporingsmethoden
noodzakelijk of wenselijk zijn, dan in het voorliggende wetsvoorstel zijn
geregeld? De leden van de fracties van VVD, PvdA en SGP, RPF en GPV sloten zich bij deze vraag aan.
De leden van de CDA-fractie vervolgden hun betoog met de verwijzing
naar een recent rapport van de Centrale Recherche Informatiedienst waaruit
blijkt dat een van de meest succesvolle opsporingsmethoden is gelegen in het
beroep op televisiekijkers in een aantal televisierubrieken. Wanneer wordt
ertoe overgegaan zo'n beroep te doen? Is daarvoor vereist dat andere opsporingsmethoden
reeds zonder succes zijn toegepast? Deze leden vroegen de minister een exemplaar
van het rapport aan de Kamer toe te zenden.
Waarom wordt in de memorie van antwoord herhaaldelijk gesproken over «het
grondrecht van de privacy»? De leden hier aan het woord zeiden van mening te zijn dat in het kader van de wetgeving in Nederland, indien
enigszins mogelijk, Nederlandse terminologie moet worden gebruikt, en dat
het daarom verre de voorkeur verdient dat de wetgever dit grondrecht, conform
de Grondwet, aanduidt als het grondrecht op bescherming van de persoonlijke
levenssfeer.
Wanneer dient het voorstel, eenmaal wet geworden, in werking te treden?
De leden van de fracties van SGP, RPF, en GPVzegden
de minister dank voor de in de memorie van antwoord gegeven reactie op de
hunnerzijds in het voorlopig verslag gestelde vragen.
Deze leden hadden er evenwel behoefte aan in dit stadium de inbedding
van de Koninklijke Marechaussee in deze wetsvoorstellen aan de orde te stellen,
aangezien aan dit aspect nog nauwelijks aandacht is besteed.
Allereerst stelden zij de vraag of de minister het met hen eens is dat
op grond van artikel 141 Wetboek van strafvordering moet worden uitgegaan
van het bestaan van een categorie opsporingsambtenaren, namelijk de algemeen
opsporingsambtenaren, te weten de officieren van justitie, de ambtenaren van
politie en de ambtenaren van de Koninklijke Marechaussee en dat het daarom
een misvatting is te menen dat de Koninklijke Marechaussee zijn opsporingsbevoegdheid
ontleent aan het duidelijk van artikel 141 Sv onderscheiden artikel 142 Sv,
dat de buitengewone opsporingsambtenaren alleen in de aldaar genoemde gevallen
opsporingsbevoegdheid verleent. Is voorts de informatie van deze leden juist
dat van de in artikel 6 van de Politiewet 1993 specifiek omschreven, zelfstandig
door de Marechaussee uit te voeren taken, nog slechts 15 procent van deze
taken in relatie staat tot Defensie en dat het merendeel van de taken wordt
uitgevoerd ten behoeve en onder het gezag van Justitie?
Indien deze informatie juist is, wijst dit er dan niet op dat de Marechaussee
voor de uitvoering van het totale takenpakket dezelfde opsporingsbevoegdheden
nodig heeft als de politie? Deze leden wezen op het feit dat uitvoering van
de politietaak op Schiphol, maar ook de opsporing van strafbare feiten in
gevallen waarin militaire verdachten in georganiseerd verband met burger-verdachten
opereren, de toepassing van bijzondere opsporingsbevoegdheden noodzakelijk
kan maken. Kan de minister deze conclusie op grond van de praktijk onderschrijven?
Is het geen misvatting om te menen dat de Marechaussee alleen opsporingsactiviteiten
onderneemt bij relatief geringe misdrijven? Wijst het gegeven dat de wetgever
in de recent gewijzigde Wet Politieregisters, waarin behalve de Nederlandse
politie ook de Koninklijke Marechaussee als bevoegde instantie is aangewezen
tot het aanleggen van een register zware criminaliteit, er niet op dat ook
de Marechaussee een rol is toebedeeld in de bestrijding van de georganiseerde
criminaliteit?
De leden van deze fracties uitten ernstige twijfel of het wetsvoorstel
bijzondere opsporingsbevoegdheden (25 403) wel evenwichtig genoemd kan
worden waar het betreft de toedeling van algemene én bijzondere opsporingsbevoegdheden
aan opsporingsambtenaren van politie én Marechaussee. Indien het (ook)
tot de taak van de Marechaussee behoort om zelfstandig onderzoeken naar georganiseerde
criminaliteit uit te voeren, moet dan om praktische (efficiëntie) en
principiële (één categorie algemeen opsporingsambtenaren)
redenen het onderscheid in het wetsvoorstel tussen de opsporingsambtenaar
genoemd in artikel 141 onderdeel b en de opsporingsambtenaar genoemd in artikel
141 onderdeel c niet opgeheven worden? Is het in dit licht bezien ook niet
inconsequent te noemen dat de uitvoering van infiltratiebevoegdheid exclusief
aan zogenoemde politie-infiltratieteams wordt opgedragen, terwijl het wetsvoorstel
in geval van infiltratie wél de wettelijke bevoegdheid aan alleopsporingsambtenaren
genoemd in artikel 141 onderdeel b toekent, maar de Marechaussee daarvan,
behalve in de gevallen dat men samenwerkt met de politie, uitsluit?
Deze leden stelden ook nog de vraag of het gebruik van bijzondere opsporingsbevoegdheden
door de Marechaussee, uiteraard onder gezag van het bevoegde openbaar ministerie,
aanleiding heeft gegeven tot klachten van de zijde van het openbaar ministerie.
Is de informatie van deze leden juist dat door de Marechaussee, evenals
door de politie (en soms in onderlinge samenwerking), wat betreft opleiding
en scholing wordt gewerkt aan de voorbereiding op de invoering van het wetsvoorstel
bijzondere opsporingsbevoegdheden?
Tot slot legden deze leden de vraag voor of het, indien het niet de bedoeling
is dat de Marechaussee zijn volledige politietaak, bijvoorbeeld op de luchthaven
Schiphol, «onder curatele» van de politie uitoefent, geen aanbeveling
verdient te komen tot volledige gelijkschakeling van bevoegdheden zoals genoemd
in de artikelen 126h, 126j, 126l, 126p, 126qa en 126s.
De voorzitter van de commissie,
Heijne Makkreel
De griffier van de commissie,
Hordijk