nr. 17e
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAPPEN
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Zoetermeer, 1 maart 1999
Tijdens de mondelinge behandeling van het wetsvoorstel tot wijziging van
de Mediawet in verband met de privatisering van het Nederlands Omroepproduktie
Bedrijf N.V. (25 312) op dinsdag 23 februari jl. is toegezegd over twee
onderwerpen de opvattingen van de regering in een nadere brief uiteen te zetten.
Het ene onderwerp betreft het inbouwen van een waarborg dat opvolgende kopers
van de aandelen NOB zich zullen houden aan de voorwaarden zoals die zullen
worden gehanteerd bij de eerste verkoop door de Staat, waaronder de continuïteit
van de onderneming en het behoud van een voor de publieke omroep en audiovisuele
sector in Nederland essentiële dienst die van algemeen belang wordt geacht.
Ten aanzien van dit onderwerp heeft uw Kamer mij gevraagd een en ander in
een nadere brief uiteen te zetten.
Het andere onderwerp betreft de positionering en financiering van de uitzendstraat.
Voor beide onderwerpen heeft het geachte lid de heer Jurgens in het debat
bijzondere aandacht gevraagd.
Ik zal hierna, mede namens de minister van Financiën, ingaan op beide
onderwerpen.
Ik wil er nog eens op wijzen dat de uitvoering van taken van publiek belang
via publiekrechtelijk weg is gewaarborgd. Ten eerste blijft ook na de privatisering
op het NOB de wettelijke plicht rusten om die publieke taken, waaronder het
verzorgen van de uitzendstraat voor de publieke omroep, uit te voeren. In
aanvulling op die wettelijke plicht is het publiekrechtelijke middel van bestuursdwang
op het NOB van toepassing, opdat indien nodig de naleving van de wettelijke
plicht kan worden afgedwongen. De zorgen die in het debat met de Eerste Kamer
aan de orde zijn geweest betroffen dan ook niet zozeer de waarborgen voor
goede uitvoering van de publieke taak door het NOB.
Ik denk dat ik verder mag constateren dat er evenmin verschil van mening
bestaat over het belang van een serieuze en expliciete toetsing van de verkoop
aan de criteria zoals deze in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel
zijn geformuleerd. Kernpunt van de aarzelingen die in de Kamer bij monde van
het geachte lid de heer Jurgens naar voren zijn gebracht betreft de vraag
hoe je voorkomt dat het bedrijf in, gemeten naar aan de criteria, ongewenste
handen komt doordat de aandelen NOB na de verkoop kunnen worden doorverkocht.
Zijn zorg gaat daarbij onder meer uit naar, zo bleek in het gevoerde debat,
de continuïteit van het NOB en de beschikbaarheid van facilitaire diensten
ten behoeve van de wettelijke opdracht van de publieke omroep, waartoe met
name het brengen van Nederlandstalige programma's behoort. Wat betreft de
continuïteit ben ik niet zeer bevreesd dat in de toekomst een aandeelhouder
zijn invloed op een wijze zal uitoefenen die tegen de belangen van de onderneming
ingaat, althans die een bedreiging zou kunnen vormen voor de continuïteit.
Dit zou immers ingaan tegen zijn eigen economische belang. Wat betreft de
facilitaire dienstverlening aan de publieke omroep ben ik er van overtuigd
dat het in de eerste plaats in het belang van het NOB zelf is, en daarmee
van zijn aandeelhouders, om een goede dienstverlening ten behoeve van de uitvoering
van de bovengenoemde wettelijke opdracht van de publieke omroep beschikbaar
te hebben. Het belang van de publieke omroep – voldoende aanbod van
facilitaire diensten – loopt in deze parallel met het belang van het
NOB en zijn aandeelhouders. Overigens wijs ik er op dat, voor zover het niet
de publieke taken van het NOB betreft welke wettelijk en met de mogelijkheid
van bestuursdwang zijn geborgd, de publieke omroep niet afhankelijk is van
het NOB. In de markt voor facilitaire diensten zijn er alternatieven voor
het NOB; er is sprake van werkelijke concurrentie in deze markt. Bovendien
is het sinds de wijziging van de Mediawet in 1997 aan de publieke omroep toegestaan
om facilitaire diensten in eigen beheer uit te voeren.
Op grond van bovenstaande overwegingen acht ik de verwachting niet gerechtvaardigd
dat eventuele doorverkoop van aandelen een bedreiging zal zijn voor de continuïteit
van het NOB of voor de beschikbaarheid van facilitaire diensten voor de publieke
omroep. In het met uw Kamer gevoerde debat en de aldaar geuite zorgen zie
ik evenwel aanleiding om een nadere toezegging te doen. Ik meen dat uw Kamer
tegemoet wordt gekomen als bij de verkoop met de koper nadere afspraken worden
gemaakt die er toe strekken dat bij eventuele doorverkoop toetsing aan bovengenoemde
criteria zo goed mogelijk is verzekerd. Dit past in het voornemen van de regering
om, zoals reeds in de schriftelijke stukken is aangegeven, bij de verkoop
te bezien of nadere regelingen nodig zijn. De Staat beoogt derhalve bij de
verkoop van de aandelen terzake tot goede afspraken met de koper te komen.
Voor de goede orde merk ik op dat van regelingen alleen sprake zal kunnen
zijn in het geval van verkoop aan identificeerbare partijen, bijvoorbeeld
bij verkoop aan financiële investeerders. Zoals reeds opgemerkt in de
memorie van toelichting is zulks niet goed mogelijk in geval van anonieme
aandeelhouders bij een beursgang.
Met betrekking tot de positionering van de uitzendstraat is gediscussieerd
over het overhevelen van de uitzendstraat naar de publieke omroepen en over
het omleggen van de financieringsstroom. Ten aanzien van het eerste punt heb
ik reeds aangegeven dat dit – afgezien van de technische problematiek –
moeilijk te verenigen is met het wetsvoorstel. Immers, men kan niet in de
wet een wettelijk taak, te weten het uitzendgereed maken van de programma's
van de omroep, aan het NOB opdragen en tegelijkertijd beslissen dat de faciliteiten
waarmee die taak wordt uitgevoerd uit het NOB worden losgemaakt.
Met betrekking tot de omlegging van de geldstroom heb ik de bestuurders
van de het NOB en de NOS gevraagd uit te werken in hoeverre dit voordelen
biedt boven de huidige situatie. Ik zie ruimte voor zo'n omlegging
indien er tussen het NOB en de NOS tot overeenstemming kan worden gekomen
over meerjarige afspraken omtrent de afname van de diensten van het NOB door
de publieke omroep, die aan beide partijen zekerheid biedt.
Ik hoop uw Kamer met deze brief voldoende te hebben ingelicht, zodat spoedige
afronding van het wetsvoorstel mogelijk is.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
F. van der Ploeg