25 913
Technische verbeteringen in de Wet inkomensvoorziening kunstenaars, in de Algemene bijstandswet, in de Wet op de ondernemingsraden en in de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid

nr. 296a
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 27 maart 1998

Het verheugt ons dat de leden van de PvdA-fractie instemmen met de in het onderhavige wetsvoorstel voorgestelde reparaties. Zij maken van de gelegenheid gebruik om enkele vragen te stellen over de vrijlating van vermogen in de Algemene bijstandswet (Abw). Zij vragen naar aanleiding van een casus of spaargeld tijdens de bijstand mag aangroeien tot boven de grens van het bescheiden vermogen. Tevens verzoeken zij antwoord op de vraag of het vermogen van een 18-jarig kind nog steeds tot het vermogen van de moeder (een één-oudergezin) moet worden gerekend.

In de Abw is bepaald dat de omvang van het vermogen bij aanvang van de bijstand bepalend is voor de vraag of recht op bijstand bestaat. Indien het vermogen op die datum onder het bescheiden vermogen ligt, mag het vermogen tijdens de bijstand aangroeien tot het niveau van het bescheiden vermogen. Bovendien is geregeld dat spaarzaam gedrag – met andere woorden, rente van het bescheiden vermogen of sparen uit de uitkering – niet in aanmerking wordt genomen voor de verdere bijstandsverlening. De ontstaansgeschiedenis van de vermogensaangroei is dus bepalend voor de vraag of het acceptabel is dat een bedrag op een spaarrekening de vrijstellingsgrens eigen vermogen te boven gaat (zie ook Kamerstukken II, 1992/93, 22 545, nr. 8, blz. 115).

In antwoord op de tweede door de leden van de PvdA-fractie gestelde vraag wordt opgemerkt, dat een 18-jarig kind voor de bijstand niet langer tot het gezin behoort. Het vermogen van dat kind behoort dan ook niet langer in aanmerking te worden genomen bij de bijstandsverlening aan de moeder.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. P. W. Melkert

Naar boven