nr. 303
GEWIJZIGD VOORSTEL VAN WET
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de regeling
in de loonbelasting en vennootschapsbelasting ter zake van aandelenoptierechten
welke in het kader van de dienstbetrekking zijn verkregen, aan te passen en
een aanpassing in de Coördinatiewet Sociale Verzekering aan te brengen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der
Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en
verstaan bij deze:
ARTIKEL I
In de Wet op de loonbelasting 1964 worden de volgende wijzigingen aangebracht.
A. Na artikel 10 wordt ingevoegd:
Artikel 10a
1. Ingeval in het kader van de dienstbetrekking of vroegere dienstbetrekking
met de werknemer een aandelenoptierecht is overeengekomen, behoort mede tot
het loon hetgeen door hem wordt genoten ter zake van de uitoefening of vervreemding
van dat recht boven hetgeen in verband met dat recht reeds als loon in aanmerking
is genomen, ingeval de uitoefening of vervreemding geschiedt binnen drie jaren
na het overeenkomen van dat recht. Onder vervreemding wordt begrepen het formeel
of feitelijk tot voorwerp van zekerheid worden, het brengen in het vermogen
van een onderneming, alsmede het ontvangen van een schadeloosstelling in de
zin van artikel 334p, eerste lid, of artikel 320, eerste lid, van Boek 2 van
het Burgerlijk Wetboek. De overgang onder algemene titel van een aandelenoptierecht
wordt niet als een vervreemding aangemerkt.
2. Ingeval bij vervreemding van een aandelenoptierecht de tegenprestatie ontbreekt of is bedongen bij een niet onder normale omstandigheden
gesloten overeenkomst, wordt als genoten bedrag aangemerkt de waarde in het
economische verkeer welke ten tijde van de vervreemding aan het recht kan
worden toegekend.
3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een aandelenoptierecht
verstaan een recht om een of meer aandelen of daarmee gelijk te stellen rechten
te verwerven in de inhoudingsplichtige vennootschap of in een met de inhoudingsplichtige
verbonden vennootschap, of een daarmee gelijk te stellen recht.
4. Voor de toepassing van deze wet wordt onder een met de inhoudingsplichtige
verbonden vennootschap verstaan:
a. een vennootschap waarin de inhoudingsplichtige voor ten minste een
derde gedeelte belang heeft;
b. een vennootschap die voor ten minste een derde gedeelte belang heeft
in de inhoudingsplichtige;
c. een vennootschap waarin een derde voor ten minste een derde gedeelte
belang heeft, terwijl deze derde tevens voor ten minste een derde gedeelte
belang heeft in de inhoudingsplichtige.
5. Voor de toepassing van dit artikel wordt, indien een inhoudingsplichtige
vennootschap of een met de inhoudingsplichtige vennootschap verbonden vennootschap
is betrokken bij een splitsing of een fusie op de voet van artikel 334a onderscheidenlijk
artikel 309 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, onder die vennootschap
mede verstaan de verkrijgende vennootschap in de zin van die artikelen alsmede
de vennootschap die vóór de splitsing onderscheidenlijk fusie
werd aangemerkt als een met de inhoudingsplichtige vennootschap verbonden
vennootschap.
B. Aan artikel 13, tweede lid, wordt toegevoegd: Met betrekking tot de
waardering van niet ter beurze genoteerde aandelenoptierechten worden bij
ministeriële regeling regels gesteld.
C. In artikel 31 wordt, onder vernummering van het achtste lid in negende
lid, na het zevende lid ingevoegd:
8. Ingeval loon als bedoeld in het tweede lid, onderdeel f, wordt genoten
in de vorm van aandelenoptierechten als bedoeld in artikel 10a, derde lid,
wordt het bedrag genoemd in bedoeld onderdeel f verhoogd. De verhoging bedraagt
het in het tweede lid, onderdeel f, genoemde bedrag voor de toepassing van
de eerste volzin, verminderd met het niet in de vorm van aandelenoptierechten
gespaarde bedrag.
D. In artikel 32 vervalt het derde lid. Het vierde, vijfde, zesde en zevende
lid worden vernummerd in onderscheidenlijk derde, vierde, vijfde en zesde
lid.
ARTIKEL II
In artikel 9 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 worden de volgende
wijzigingen aangebracht.
1. In het eerste lid, onderdeel i, vervalt «zodanige». Voorts
wordt «artikel 34a» vervangen door: artikel 10a, vierde lid. Tenslotte
vervalt «, een en ander voor het bedrag dat bij het personeel ter zake
van die toekenning als loon in aanmerking wordt genomen of is vrijgesteld
ingevolge artikel 11, eerste lid, onderdeel h, van de Wet op de loonbelasting
1964» .
2. Aan het artikel wordt toegevoegd:
3. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel i, komt in aftrek
het bedrag dat bij de werknemer ter zake van die toekenning als loon in aanmerking wordt genomen of is vrijgesteld ingevolge artikel 11, eerste
lid, onderdeel h, van de Wet op de loonbelasting 1964 op het tijdstip waarop
dit loon voor de loonbelasting is genoten of is vrijgesteld, daaronder niet
begrepen het bedrag dat in aanmerking wordt genomen op grond van artikel 10a,
eerste lid, van die wet.
ARTIKEL III
Aan artikel 8, tweede lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering
wordt toegevoegd: Met betrekking tot de waardering van niet ter beurze genoteerde
aandelenoptierechten worden bij ministeriële regeling regels gesteld.
ARTIKEL IV
1. Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum
van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.
2. Met betrekking tot aandelenoptierechten die zijn overeengekomen vóór
de dag waarop deze wet in werking treedt, blijven:
a. de regels met betrekking tot aandelenoptierechten van de Wet op de
loonbelasting 1964 zoals die luidden op de dag voorafgaand aan de dag waarop
deze wet in werking treedt, van kracht;
b. de regels met betrekking tot aandelenoptierechten krachtens de Wet
op de loonbelasting 1964 zoals die luidden op de dag voorafgaand aan de dag
waarop deze wet in werking treedt, van kracht voor de duur van vijf jaren
met ingang van de dag waarop deze wet in werking treedt.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat
alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat,
aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven
De Staatssecretaris van Financiën,