nr. 148
GEWIJZIGD VOORSTEL VAN WET
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Algemene
bijstandswet te wijzigen met het oog op de voortgang van de bestrijding van
armoede en sociale uitsluiting;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der
Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en
verstaan bij deze:
ARTIKEL I
De Algemene bijstandswet wordt gewijzigd als volgt:
A. Artikel 30 wordt gewijzigd als volgt:
1. In de aanhef wordt «21 jaar of ouder» vervangen door: 21
jaar of ouder, doch jonger dan 65 jaar.
2. In onderdeel c wordt «gehuwden» vervangen door: gehuwden
waarvan beide echtgenoten jonger zijn dan 65 jaar.
3. Onder plaatsing van de aanduiding «1.» voor de tekst wordt
een nieuw tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
2. Voor belanghebbenden van 65 jaar of ouder is de bijstandsnorm per kalendermaand,
indien het betreft:
a. een alleenstaande: f 1423,70;
b. een alleenstaande ouder: f 1823,21;
c. gehuwden waarvan beide echtgenoten 65 jaar of ouder zijn: f 2030,90;
d. gehuwden waarvan een echtgenoot 65 jaar of ouder is en de andere echtgenoot
21 jaar of ouder, doch jonger dan 65 jaar: f 2009,47.
B. In artikel 33, eerste lid, wordt «een alleenstaande, of een alleenstaande
ouder, van 21 jaar of ouder» vervangen door: een alleenstaande, jonger
dan 65 jaar, of een alleenstaande ouder, van 21 jaar of ouder doch jonger
dan 65 jaar,.
C. In artikel 34 wordt na «gehuwden» ingevoegd: , waarvan
beide echtgenoten jonger zijn dan 65 jaar,.
D. In artikel 35, eerste lid wordt «de bijstandsnorm of de toeslag,
bedoeld in artikel 33» vervangen door: de bijstandsnorm, bedoeld in
de artikelen 29 en 30, eerste lid, of de toeslag, bedoeld in artikel 33.
E. Artikel 38, tweede lid, wordt vervangen door:
2. In de verordening bedoeld in het eerste lid stelt het gemeentebestuur
in elk geval vast dat:
a. onverminderd artikel 35, 36 en 37, de toeslag bedoeld in artikel 33
voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende
kinderen in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt bepaald
op het in dat artikel genoemde maximumbedrag;
b. jegens een belanghebbende niet gelijktijdig gebruik gemaakt wordt van
de bevoegdheden bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid.
F. In artikel 54 vervalt het tweede lid en de aanduiding «1».
G. In artikel 56, eerste lid, onderdeel a, wordt «artikel 30»
vervangen door: artikel 30, eerste lid,.
H. Na artikel 56 wordt een artikel ingevoegd, dat luidt als volgt:
Artikel 57
Onze Minister herziet de bedragen genoemd in artikel 30, tweede lid, met
ingang van de dag waarop het netto ouderdomspensioen en de daarbij behorende
vakantie-uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet wijzigen, met het percentage
van die wijziging.
I. In artikel 61 vervalt «, eerste en tweede lid,».
J. Aan artikel 63 wordt een nieuw derde lid toegevoegd, dat luidt als
volgt:
3. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat bijstand
aan een belanghebbende zonder adres als bedoeld in artikel 1 van de Wet gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens wordt verleend door burgemeester en wethouders
van bij die maatregel aan te wijzen gemeenten.
K. Na artikel 110 wordt een artikel ingevoegd, dat luidt als volgt:
Artikel 110a
Burgemeester en wethouders verbinden aan de verlening van bijstand aan
een belanghebbende zonder adres als bedoeld in artikel 1 van de Wet gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens de verplichting dat hij aangifte doet
van een door hen ter beschikking gesteld briefadres als bedoeld in artikel
1 van die wet.
L. Aan artikel 118, eerste lid, wordt onder schrapping van het woord «en»
tussen de onderdelen a en b, alsmede onder vervanging van de punt aan
het slot van onderdeel b door «; en» een nieuw onderdeel c toegevoegd,
luidende:
c. de realisatie en de vormgeving van cliëntenparticipatie bij de
uitvoering van de wet met inachtneming van artikel 150 van de Gemeentewet.
ARTIKEL II
Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt gewijzigd als volgt:
A. Artikel 475d, eerste lid, wordt gewijzigd als volgt:
1. In onderdeel a wordt «artikel 30, onderdeel c» vervangen
door: artikel 30, eerste lid, onderdeel c, respectievelijk artikel 30, tweede
lid, onderdeel c en d.
2. In onderdeel b wordt na «21 jaar of ouder» ingevoegd: ,
doch jonger dan 65 jaar en wordt «artikel 30, onderdeel a en b»
steeds vervangen door: artikel 30, eerste lid, onderdeel a en b.
3. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b door een
puntkomma wordt een nieuw onderdeel c toegevoegd, luidende:
c. een alleenstaande en een alleenstaande ouder van 65 jaar of ouder:
negentig procent van de bijstandsnorm genoemd in artikel 30, tweede lid, onderdeel
a en b, van die wet.
B. In artikel 598a, eerste lid, vervalt de aanduiding «(Stb. 1973,
395)».
ARTIKEL III
In artikel 5, tweede lid, onderdeel a, van de Wet op het consumentenkrediet
wordt «artikel 30, onderdeel c» vervangen door: artikel 30, eerste
lid, onderdeel c.
ARTIKEL IV
De Huursubsidiewet wordt gewijzigd als volgt:
A. In artikel 17, eerste lid, onderdeel a, wordt «artikelen 30,
onder a» vervangen door: artikelen 30, eerste lid onder a.
B. In de artikelen 17, eerste lid, onderdeel b, en 27, tweede lid, wordt
«artikel 30, onder c» steeds vervangen door: artikel 30, eerste
lid, onder c.
ARTIKEL V
In artikel 35, vijfde lid, van de Wet op de rechtsbijstand wordt «artikel
30, onderdeel c» vervangen door: artikel 30, eerste lid, onderdeel c.
ARTIKEL VI
Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid herziet met ingang
van de datum van inwerkingtreding van deze wet de bedragen genoemd in artikel
30, tweede lid, van de Algemene bijstandswet, zoals dit artikel komt te luiden
na de inwerkingtreding van deze wet, op de wijze als voorgeschreven
in artikel 57 van de Algemene bijstandswet, zoals dat artikel komt te luiden
na de inwerkingtreding van deze wet, een en ander voor zover de ontwikkelingen
van alle daarin bedoelde bedragen, gerekend vanaf 1 juli 1997, daartoe aanleiding
geven.
ARTIKEL VII
Deze wet treedt in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan
verschillend kan worden gesteld.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat
alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat,
aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,