Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum indiening
Eerste Kamer der Staten-Generaal1997-199825689 nr. 151b

25 689
Wijziging van enkele belastingwetten c.a. 1998 (fiscale milieuversterking)

nr. 151b
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 12 december 1997

Inleiding

De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat enerzijds het voorstel een groot aantal op zich zelf sympathieke elementen bevat, maar anderzijds niet bijdraagt aan de noodzakelijke vereenvoudiging van het belastingstelsel. Zoals in de nota naar aanleiding van het verslag is opgemerkt, ben ik van mening dat bij de afwegingen die aan de voorgestelde maatregelen ten grondslag liggen voldoende recht is gedaan aan de criteria doelmatigheid, doeltreffendheid, eenvoud en passend in de fiscale structuur. Nieuwe subsidieregelingen in plaats van de voorgestelde maatregelen leiden tot meer bureaucratie en extra administratieve lasten voor belanghebbenden en de overheid. Bovendien betekenen subsidies het rondpompen van geld. De voorgestelde benadering is voor zowel belanghebbenden als overheid per saldo voordeliger.

Wat betreft de effectiviteit van de maatregelen merk ik op dat een fiscale maatregel met een beperkt budget niet per definitie betekent dat deze niet effectief zou zijn. Voor het doel dat zij dienen, hebben zij naar mijn mening een gunstig effect. Gegeven de beschikbare financiële ruimte voor fiscale lastenverlichting en de wensen op de verschillende deelterreinen is gestreefd naar een optimale inzet van middelen.

Naar aanleiding van een desbetreffende vraag van deze leden merk ik op dat de in de memorie van toelichting voorspelde verdubbeling van het aantal verkochte zeer zuinige auto's naar mijn mening – in tegenstelling tot hetgeen zij hebben aangenomen – geheel zou zijn voortgevloeid uit de voorgestelde kortingsregeling. Met betrekking tot de vraag van deze leden hoe hoog het kabinet de groei in het marktaandeel van zuinige auto's inschat nu de kortingsregeling voor zuinige auto's door amendering is vervallen, merk ik op dat de personenauto in het algemeen zuiniger is geworden. Door de voortschrijdende techniek zal het aanbod van zuiniger auto's een autonome groei kennen. De voorgestelde kortingsregeling strekte er echter toe om binnen elk marktsegment een zeer zuinige auto fiscaal te bevoordelen om langs die weg het koopgedrag van de consument rechtstreeks te beïnvloeden. De extra groei van het aandeel zuiniger auto's in het wagenpark die als gevolg van een dergelijke stimuleringsmaatregel mag worden verwacht zal zich door het geen doorgang vinden van die maatregel niet voordoen.

Naar aanleiding van een opmerking van de leden van de CDA-fractie over het opnemen van het voorstel tot introductie van de belastingplicht van energiebedrijven voor de vennootschapsbelasting in het wetsvoorstel fiscale milieuversterking, wijs ik erop dat reeds in de Derde Energienota een budgettaire en beleidsmatige koppeling is gelegd tussen enerzijds de vennootschapsbelastingplicht voor energiebedrijven en anderzijds verschillende maatregelen ter ondersteuning van het milieubeleid. Vanwege deze koppeling is ervoor gekozen de desbetreffende maatregelen in hetzelfde wetsvoorstel op te nemen. De milieumaatregelen waarom het hierbij in dit wetsvoorstel gaat zijn de verhoging van het plafond in de energie-investeringsaftrek en de introductie van een nihiltarief in de regulerende energiebelasting voor groene stroom.

Stimulering ketenmobiliteit

In antwoord op de vraag van de leden van de fractie van het CDA welke bedragen van het openbaar-vervoerforfait worden verhoogd met f 200 in verband met stimulering van de ketenmobiliteit merk ik op, dat het daarbij gaat om de in de tabellen van artikel 8, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990 en artikel 17, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990 opgenomen bedragen.

In de in artikel 8, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990 opgenomen jaarbedragen van het reiskostenaftrekforfait ter zake van openbaar vervoer (voor afstanden van meer dan 10 km) kan de verhoging met f 200 zonder meer plaatsvinden. Met betrekking tot de in artikel 17, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990 opgenomen maand- en weekbedragen van het reiskostenaftrekforfait ter zake van openbaar vervoer (voor afstanden van meer dan 10 km) wordt de verhoging van f 200 herleid tot de desbetreffende perioden van een maand en een week. De in de desbetreffende tabellen opgenomen bedragen hebben betrekking op de situatie dat ten minste vier dagen per week naar dezelfde arbeidsplaats wordt gereisd. Ingeval op drie dagen, op twee dagen of op een dag naar dezelfde arbeidsplaats wordt gereisd is in vorengenoemde bepalingen voorzien in een evenredige korting van deze (verhoogde) tabelbedragen.

Vereenvoudiging meerijregeling

De leden van de CDA-fractie vragen voorts of de in de nieuwe meerijregeling voorgestelde individualisering van financiële prikkels niet tot minder consequent meerijgedrag zou kunnen leiden. Ik ben van mening dat eerder het tegendeel het geval zal zijn. Voor veel werknemers is de huidige meerijregeling vanwege knellende administratieve voorwaarden en verplichtingen niet aantrekkelijk. Hiervan gaat slechts een beperkte impuls voor het meerijden uit. Dit blijkt ook uit het aantal gebruikers van de huidige regeling Meer flexibiliteit – ook met betrekking tot het aantal verplichte meerijdagen – in de regeling en de extra financiële prikkel zullen met name die werknemers die thans op incidentele basis meerijden stimuleren om op meer structurele wijze – in ieder geval 120 werkdagen – te gaan meerijden. Met betrekking tot degenen die thans reeds van de regeling gebruik maken verwacht ik geen noemenswaardige wijziging in hun meerijgedrag als gevolg van de voorgestelde regeling. Hoe men het ook wendt of keert, meerijden blijft goedkoper dan zelf rijden.

De leden van de CDA-fractie vragen of de nieuwe meerijregeling in een aantal gevallen niet ongunstiger is dan de oude en zijn niet overtuigd door het cijfervoorbeeld dat in de nota naar aanleiding van het verslag van de Tweede Kamer is gegeven. Naar aanleiding van hun commentaar op dat voorbeeld merk ik op dat indien er sprake is van twee meerijders in de zin van de meerijregeling geen van beide meerijders onder de huidige regeling recht heeft op een onbelaste vergoeding. In theorie is het weliswaar mogelijk dat een werknemer twee andere belastingplichtigen laat meerijden waarvan de ene in het kader van de meerijregeling en de andere in onderling overleg, maar deze opzet is niet in overeenstemming met doel en strekking van deze regeling. Bovendien is het de vraag of en in hoeverre een werkgever bereid is aan deze opzet mee te werken. Voor de vergelijking van de oude regeling en de nieuwe regeling dienen dergelijke oude situaties derhalve buiten beschouwing te blijven.

Vennootschapsbelastingplicht Energiebedrijven

De leden van de CDA-fractie vragen hoe de stelling dat de invoering van de vennootschapsbelasting geen rechtstreekse doorwerking heeft in de tarieven, te verenigen is met de constatering dat de solvabiliteitspositie van de bedrijven dient te worden verbeterd.

Hierop kan ik antwoorden dat de verbetering van de solvabiliteitspositie van de energiebedrijven enerzijds geschiedt door middel van het vergroten van de efficiëntie binnen de bedrijven en anderzijds door het voeren van een terughoudend dividendbeleid. Daarmee investeren de aandeelhouders in de toekomstige waardestijging van de bedrijven. Het doorvoeren van deze maatregelen maakt het mogelijk dat de introductie van de vennootschapsbelasting geen rechtstreekse doorwerking heeft in de tarieven.

Anders dan deze leden zie ik geen tegenstelling tussen de gewenste verbetering van de solvabiliteitspositie van de energiesector en de voorgestelde aftrekbeperking van precariobelasting bij overheidsenergiebedrijven. Deze aftrekbeperking heeft immers juist ten doel te voorkomen dat er, met het oog op de invoering van de belastingplicht voor de overheidsenergiebedrijven, verhogingen van de door deze bedrijven te betalen precariobelastingen zouden optreden om de winst van deze bedrijven af te romen.

Met betrekking tot de vraag van deze leden of de precariorechten ten volle aftrekbaar zijn als deze voor de (aandeelhouders van de) energiebedrijven niet beïnvloedbaar zijn, merk ik het volgende op. Aan de voorgestelde aftrekbeperking ligt het uitgangspunt ten grondslag dat in veel gevallen de lokale overheden een belang hebben in de overheidsenergiebedrijven, en dat dit belang een reden zou kunnen zijn voor invoering of verhoging van precariobelastingen. Om praktische redenen is de aftrekbeperking ingevuld op basis van twee criteria, te weten of sprake is van een precariobelasting die na 1 januari 1998 wordt ingevoerd of van een precariobelasting die reeds voor die datum bestond maar nadien meer dan gemiddeld is verhoogd, en is niet uitdrukkelijk een uitzondering gemaakt voor situaties waarin zo'n belang niet of in geringe mate aanwezig is.

Met betrekking tot de vraag van deze leden naar precedenten op dit punt merk ik op dat de beperking van de aftrekbaarheid moet worden gezien tegen de achtergrond dat, zoals ook is aangegeven in de nota naar aanleiding van het verslag van de Tweede Kamer1, bedrijfsvreemde uitgaven bij de winstbepaling buiten beschouwing dienen te worden gelaten. In deze zin komt de aftrekbeperking dan ook overeen met de overigens in artikel 10 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 opgenomen aftrekbeperkingen.

Over het tempo waarin wordt toegegroeid naar volledige belastingplicht, de leden van de CDA-fractie vragen daarnaar, is nog overleg gaande met de energiesector. Naar verwachting zal op korte termijn duidelijkheid kunnen worden verschaft over de concrete invulling van de fasering van de belastingplicht van de energiebedrijven.

Instemming van de Europese Unie

Ten slotte stellen de leden van de CDA-fractie nog de vraag of al meer gemeld kan worden over de door deze leden bedoelde goedkeuring door de Europese Commissie van de aangemelde maatregelen. Dat is niet het geval. Officiële goedkeuring is nog niet verleend, zodat ook nu volstaan moet worden met het uitspreken van de verwachting dat er van Europese zijde geen bezwaren bestaan.

De Staatssecretaris van Financiën,

W. A. F. G. Vermeend


XNoot
1

Kamerstukken II 1997/98, 25 689, nr. 6, p. 18.