nr. 151a
VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR FINANCIËN1
Vastgesteld 11 december 1997
Het voorbereidend onderzoek gaf de leden van de CDA-fractie
aanleiding tot het formuleren van de volgende opmerkingen en vragen.
Inleiding
De leden behorende tot deze fractie hadden met gemengde gevoelens kennis
genomen van het voorliggende wetsvoorstel. Enerzijds bevatte het voorstel
een groot aantal op zichzelf sympathieke elementen. Anderzijds kan het voorstel
moeilijk als een bijdrage worden beschouwd aan de noodzakelijke vereenvoudiging
van het belastingstelsel. Het geheel maakt de indruk van een snoepwinkeltje
waarin tegen een bescheiden prijsje voor elk wat wils te vinden is. Veel kan
men natuurlijk niet verwachten als meer dan 25 maatregelen die beogen het
milieu te versterken uit een budget van f 135 mln. moeten worden betaald.
Hoe groot de positieve milieu-effecten zullen zijn is dan ook moeilijk te
schatten. Hier en daar maakt de memorie van toelichting (Kamerstukken II,
25 689, nr. 3) de indruk die effecten wat op te poetsen. Als voorbeeld
noemden zij de berekening (onderaan blz. 14) van de verminderde CO2
uitstoot als gevolg van een verdubbeld marktaandeel van zuinige auto's.
Zij namen aan dat deze verdubbeling niet alleen voortvloeide uit de voorgestelde
(doch inmiddels vervallen) korting bij de aanschaf van zuinige auto's maar
evenzeer uit het (brandstof) kostenbewustzijn van de kopers.
Nu de belastingkorting door amendering van de Tweede Kamer is vervallen
interesseerde het deze leden hoe hoog de regering de groei in het marktaandeel
van zuinige auto's nu inschat.
De leden behorende tot de CDA-fractie beschouwden de invoering van de
vennootschapsbelastingplicht voor energiebedrijven als een vreemde eend in
de bijt. Behoort dit voorstel echt tot de categorie voorstellen gericht op
«fiscale milieuversterking»? De motivering van deze belastingplicht
rust toch op andere dan milieudoelstellingen?
Na de uitvoerige behandeling in de Tweede Kamer wilden deze leden in dit
stadium volstaan met enkele vragen.
Stimulering ketenmobiliteit
Deze wordt in de memorie van toelichting (blz. 7) beschreven als een verhoging
van het O.V.-forfait met f 200. De leden hier aan het woord meenden te
weten dat het O.V. forfait onderscheid kent tussen het aantal reisdagen per
week en tussen maand- en jaarvergoedingen waarvoor verschillende bedragen
gelden. Welke daarvan worden met f 200 verhoogd?
Vereenvoudiging meerijregeling
De leden behorende tot de CDA-fractie waren het ermee eens dat de voorgestelde
meerijregeling flexibeler is en vriendelijker voor de begunstigden. Zij vroegen
zich evenwel af of de nu voorgestelde individualisering niet tot minder consequent
carpoolgedrag zou kunnen leiden. De bestaande regeling waarbij de bestuurder
de vergoeding ontvangt en de meerijders geen recht hebben op een onbelaste
vergoeding vormt toch een sterkere binding aan één voertuig
dan de voorgestelde nieuwe regeling waarbij elk het eigen, individuele reiskostenforfait
behoudt plus een individuele meerijvergoeding kan toucheren onder de (moeilijk
te controleren) voorwaarde dat tenminste 120 dagen per jaar wordt gecarpoold.
Het zou toch kunnen zijn dat het aantal carpoolers wel stijgt van 40 000
naar 135 000 maar dat zij minder consequent carpoolen en vaker elk hun
eigen auto gebruiken?
Deze leden vroegen zich ook af of de nieuwe regeling in een aantal gevallen
niet ongunstiger is dan de oude. Zij waren niet overtuigd door het cijfervoorbeeld
dat de bewindslieden op blz. 14–15 van de nota naar aanleiding van het
verslag van de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 25 689, nr. 6) gaven in
antwoord op een eerder gestelde vraag van dezelfde strekking. Het cijfervoorbeeld
betreft twee meerijders over een afstand van 40 km. Volgens de bewindslieden
is hier de maximale vergoeding f 10 800, zijnde de km-vergoeding
aan de bestuurder. Naar deze leden meenden te weten kan deze vergoeding al
worden genoten bij één meerijder. De tweede kan een individuele
onbelaste vergoeding van f 3 240 genieten en deze bijdragen als
meerijvergoeding waardoor het totaal aan vergoedingen f 14 040 bedraagt.
En dat is aanzienlijk meer dan de nu voorgestelde vergoeding van f 11 970.
Ook bij drie meerijders werkt de oude regeling voordeliger uit dan de nieuwe.
Vennootschapsbelastingplicht Energiebedrijven
Hoewel de gefaseerde invoering van de belastingplicht voor energiebedrijven
op zich deugdelijke gronden heeft, leefden bij deze leden omtrent deze zaak
nog een aantal vragen.
Allereerst zouden zij het op prijs stellen te vernemen hoe de stelling
dat het niet de bedoeling is dat de invoering van de vennootschapsbelastingplicht
een rechtstreekse doorwerking heeft in de tarieven (zie nota naar aanleiding
van het verslag, blz. 19) te verenigen is met de constatering op dezelfde
bladzijde dat een verbetering van de solvabiliteit ten opzichte van het huidige
niveau noodzakelijk is.
Deze gewenste verbetering zal evenmin gediend zijn met het niet aftrekbaar
maken van verhogingen van precariorechten. De motivering van deze beperking
steunt op het aandeelhoudersbelang van gemeenten en provincies. Betekent dit
dat in die gevallen waarin zulk belang niet aanwijsbaar is en de precariorechten
voor de (aandeelhouders van) energiebedrijven niet beïnvloedbaar zijn
de precariorechten ten volle aftrekbaar zijn? Kunnen de bewindslieden precedenten
noemen van deze beperking van de aftrekbaarheid?
Omtrent de fasering van de invoering van de belastingplicht vermeldt de
nota naar aanleiding van het verslag (blz. 18) dat de verwachting is dat op korte termijn duidelijkheid kan worden gegeven over het tempo waarin
wordt toegegroeid naar volledige belastingplicht. Is inmiddels met de betrokken
bedrijven over deze zaak overeenstemming bereikt? Wanneer kunnen beide Kamers
de ontwerp-amvb tegemoet zien?
Instemming van de Europese Unie
Op een aantal onderdelen van dit wetsvoorstel wordt vermeld dat de voorgestelde
regeling is aangemeld bij de EU. Kunnen de bewindslieden over de verwachte
c.q. ontvangen instemming op dit moment al meer mededelen dan zij reeds aan
de Tweede Kamer hebben gemeld?
Vertrouwende dat deze vragen tijdig zullen worden beantwoord, acht de
commissie de openbare beraadslaging over het onderhavige wetsvoorstel voldoende
voorbereid.
De voorzitter van de commissie,
Boorsma
De griffier van de commissie,
Hordijk