nr. 153a
VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR FINANCIEN1
Vastgesteld 11 december 1997
Het voorbereidend onderzoek gaf de leden van de fracties van CDA en PvdA aanleiding tot het formuleren van de volgende opmerkingen
en vragen.
De leden van de CDA-fractie hadden met belangstelling kennis
genomen van de voorstellen die een fiscale structuurversterking beogen. Zij
achtten met name de faciliteiten voor successie- en schenkingsrecht bij bedrijfsopvolging
van groot belang voor het midden- en kleinbedrijf, landbouw en visserij en
de grotere familie BVs en NV's. Het betreft hier met name de fiscale faciliteit
voor de vererving van ondernemingsvermogen. Enerzijds voorziet het voorstel
in de (gedeeltelijke) kwijtschelding van successie- en schenkingsrecht dat
betrekking heeft op verkregen ondernemingsvermogen, anderzijds wordt een verruiming
in het vooruitzicht gesteld van een reeds bestaande renteloze betalingsregeling.
In dit verband hadden deze leden nog een aantal technische vragen.
De gewijzigde renteloze betalingsregeling in de nieuwe uitstel- en kwijtscheldingsfaciliteit
hebben onder meer betrekking op vermogen van IB-ondernemers. Kan de staatssecretaris
nog eens toelichten waarom deze faciliteiten niet van toepassing zijn voor
het recht van overgang dat aan verkregen ondernemingsvermogen kan worden toegerekend.
Is het mogelijk dat dubbele heffing gedurende de 10 jaar optreedt?
Zou het in strijd met het Europees Verdrag kunnen zijn om de erfgenamen
van een Nederlander die in België woont en binnen de tien jaar overlijdt
de faciliteit te ontzeggen?
Naar het oordeel van de staatssecretaris zijn de faciliteiten niet van
toepassing op schuldvorderingen (ab-vennootschappen) omdat er een wezenlijk
verschil bestaat tussen aandelen en winstbewijzen in een vennootschap en schuldvorderingen.
De waarde van de eerste zou worden bepaald door de waarde van de bezittingen
van de vennootschap en de mate waarin de vennootschap er in slaagt om winst
te genereren, de waarde van de tweede daarentegen niet. Kan de staatssecretaris
toelichten, waarom hij deze redenering dan niet gevolgd heeft bij de redactie
van artikel 20a, vierde lid IB?
De kwijtscheldingsfaciliteit zal niet van toepassing zijn op erfgenamen
die onderbedeeld zijn bij de verdeling van een nalatenschap en uit dien hoofde
een vordering op de «ondernemende» erfgenamen hebben. Dat lijkt
deze leden niet logisch en zal in de praktijk leiden tot aanpassing van menig
testament, omdat erflaters over het algemeen erfgenamen gelijke delen (na
aftrek successierecht) willen geven. Op deze manier «verdampt»
ook een deel van de faciliteit. Bovendien lijkt het ook niet consequent, want
voor de renteloze betalingsregeling trekken de erfgenamen (ondernemers en
degenen die slechts een vordering hebben) wel gelijk op. Het verweer van de
staatssecretaris lijkt niet juist. In het voorbeeld in de Nota naar aanleiding
van het verslag gaat hij ervan uit dat de voortzettende ondernemer over een
bedrag van f 1 000 000 de kwijtscheldingsfaciliteit onder opschortende
voorwaarde (25%) krijgt, terwijl zijn aandeel in de nalatenschap f 800 000
bedraagt. De erfgenaam die een onderbedelingsvordering heeft van f 200 000
zou om die reden de faciliteit niet moeten krijgen, anders inderdaad dubbel.
Is het niet zo dat de voortzettende ondernemer de kwijtscheldingsfaciliteit
over f 800 000 zou moeten krijgen en verdampt er alsdan niet f 200 000
als de erfgenaam met vordering niet de faciliteit krijgt.
Kan de staatssecretaris nader toelichten hoe de uitsplitsing overtollige
liquiditeiten en ondernemingsgebonden vermogen moet plaats hebben? Op geconsolideerde
of enkelvoudige basis? Deze leden begrijpen dat de faciliteit niet van toepassing
is op de typische beleggingsvennootschappen (artikel 7, tweede lid, onderdeel
c VB juncto artikel 8, zevende lid, onderdeel b VPB). Ziet de staatssecretaris
geen gevaar dat er weer gecompliceerde etiketteringsvraagstukken worden opgeroepen?
Kan de staatssecretaris toelichten wat hij verstaat onder vervreemding
van AB-aandelen? Het verruimde vervreemdingsbegrip van de AB? (zie artikel
20 a, zesde lid IB). Wellicht zou een verwijzing hier uitkomst kunnen bieden.
Deze leden waren van mening dat de schenkingsfaciliteit bij schenking
van AB-aandelen geen uitkomst zal bieden. Want schenking is een vervreemding
voor het AB, dus afrekenen tegen 25% (= inkomstenbelasting), maar wel een
betalingsfaciliteit ingevolge artikel 25, zevende lid Invorderingswet juncto
artikel 3 Uitvoeringsbesluit Invorderingswet. Echter waarom is hier nu een
onderscheid aangebracht? Ziet de staatssecretaris mogelijkheden in de uitvoeringssfeer
in het AB-regime een doorschuivingsfaciliteit bij schenking van AB-aandelen
mogelijk te maken onder precies dezelfde voorwaarden, zoals die voor de kwijtschelding
gaat gelden. Is het verweer van de staatssecretaris dat zulks onderwerp van
onderzoek is geweest bij het AB-wetsontwerp niet achterhaald. Het resultaat
zou zijn dat menig bedrijfsopvolger dan niet hoeft te wachten op het overlijden
van de erflater. Op die manier kan er al fiscaal gefacilieerd ondernemingsgebonden
AB-vermogen kunnen overgaan van de «oude» naar de «nieuwe»
generatie. Toekomstige meerwaarden blijven dan ook buiten de claim van het
successierecht, ook de gefacilieerde. Deze leden vernamen graag de visie van
de staatssecretaris.
Is het juist dat de regeling van de kwijtscheldingsfaciliteiten ook geldt
bij certificaten van aandelen (Stichting Administratiekantoor) waarbij verder
voor het AB alles mutatis mutandis hetzelfde is?
Kan de staatssecretaris toelichten waarom de kwijtscheldingsfaciliteiten
niet gelden in broers/zussen situatie? Relevant bij familiebedrijven waarbij
één van de aandeelhouders geen kinderen heeft, maar in het geval
van overlijden de AB-aandelen aan de broers/zussen mede-aandeelhouders toescheidt. Voor de continuïteit van de onderneming zou een dergelijke
faciliteit zeker van belang zijn.
De leden van de PvdA-fractie hadden slechts een technische
vraag met betrekking tot scholingsvoorziening in de marktsector. Als de kosten
van scholing kunnen worden afgetrokken van de fiscale winst, heeft dat dan
ook betrekking op de hoogte van de WAZ-premie?
Vertrouwende dat deze vragen tijdig zullen worden beantwoord, acht de
commissie de openbare beraadslaging over het onderhavige wetsvoorstel voldoende
voorbereid.
De voorzitter van de commissie,
Boorsma
De griffier van de commissie,
Hordijk