nr. 388
GEWIJZIGD VOORSTEL VAN WET
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in verband
met de totstandbrenging en exploitatie van een vaste oeververbinding onder
de Westerschelde door een privaatrechtelijke rechtspersoon, bijzondere wettelijke
voorzieningen te treffen, waaronder de machtiging, bedoeld in artikel 29 van
de Comptabiliteitswet, voor de oprichting van de rechtspersoon;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der
Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en
verstaan bij deze:
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. In deze wet wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
b. de NV: de naamloze vennootschap, bedoeld in artikel 2, eerste lid;
c. de exploitant: de NV, of de rechtspersoon met wie de NV is overeengekomen
dat die rechtspersoon de tunnel met aansluitende wegen en bijbehorende werken,
of een deel ervan, zal exploiteren.
2. Op de in deze wet gebruikte woorden motorrijtuig, personenauto en motorrijwiel
zijn de artikelen 2 en 3 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 van
toepassing.
§ 2. Oprichting vennootschap
Artikel 2
1. Onze Minister wordt gemachtigd namens de Staat der Nederlanden een
naamloze vennootschap op te richten en deel te nemen in het bij de oprichting
door hem vast te stellen kapitaal, alsmede deel te nemen in verdere plaatsing
van het kapitaal.
2. De NV heeft als doel een tunnel onder de Westerschelde met aansluitende
wegen en bijbehorende werken tot stand te brengen, in stand te houden en als
rechthebbende te exploiteren of doen exploiteren.
§ 3. Wegenrechtelijke bepalingen
Artikel 3
1. Bij regeling van Onze Minister wordt aan de wegen door de tunnel en
aan de aansluitende wegen de bestemming van openbare weg gegeven, alsmede
de datum bepaald met ingang waarvan die wegen openbaar zijn.
2. Met ingang van de datum, bedoeld in het eerste lid, is de NV onderhoudsplichtige
van die wegen.
3. Met ingang van de datum, bedoeld in het eerste lid, berust bij het
Rijk het toezicht op het in goede staat verkeren van die wegen.
4. Waar in de Wegenverkeerswet 1994 en de daarop berustende bepalingen
voor wegen onder beheer van het Rijk de minister van Verkeer en Waterstaat
als bevoegd gezag wordt aangewezen, is in afwijking daarvan voor de wegen,
bedoeld in het eerste lid, het college van gedeputeerde staten bevoegd, met
dien verstande dat bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat
dit lid vervalt.
5. De bevoegdheid krachtens artikel 38 van de Waterstaatswet 1900 tot
het geven van bevelen tot de uitvoering van noodzakelijke waterstaatswerken
en voorzieningen komt wat de Westerscheldetunnel, de wegen door de tunnel
en de aansluitende wegen betreft toe aan Onze Minister.
Artikel 4
1. Met ingang van de datum, bedoeld in artikel 3, eerste lid, doet de
exploitant aan een ieder die met een motorrijtuig, onderscheidenlijk een voertuig
dat door een motorrijtuig wordt voortbewogen, gebruik wil maken van een weg
door de tunnel, een aanbod tot het sluiten van een overeenkomst, houdende
het gebruik van de weg door de tunnel.
2. In afwijking van artikel 14 van de Wegenwet is de exploitant bevoegd:
a. het gebruik van de wegen door de tunnel te ontzeggen aan degene die
met hem geen overeenkomst sluit over het gebruik;
b. voorzieningen op de aansluitende wegen aan te brengen die tot doel
hebben voor degene die de overeenkomst niet sluit, of niet nakomt, de verdere
doorgang onmogelijk te maken.
§ 4. Tarieven
Artikel 5
1. De exploitant stelt voor de vergoeding voor het gebruik van een weg
door de tunnel tarieven vast, en maakt deze bekend.
2. De tarieven kennen een referentietarief zijnde de hoogte van de vergoeding
voor het gebruik van een weg door de tunnel met een personenauto in de periode
dat geen bijzondere verhogingen van toepassing zijn.
3. De tarieven kennen geen tarief waarvan de hoogte wordt bepaald naar
gelang het aantal inzittenden.
Artikel 6
1. De hoogste vergoeding voor een rit met een personenauto bedraagt ten
hoogste twee keer het referentietarief.
2. De hoogste vergoeding voor een rit met een motorrijwiel bedraagt ten
hoogste het referentietarief.
3. De hoogste vergoeding voor een rit met een ander motorrijtuig dan een
personenauto of een motorrijwiel bedraagt ten hoogste vijf keer het referentietarief.
4. De hoogste vergoeding voor een rit met een voertuig dat door een motorrijtuig
wordt voortbewogen, bedraagt ten hoogste de hoogte van de vergoeding die verschuldigd
is voor de rit met het motorrijtuig dat het voertuig voortbeweegt.
Artikel 7
Het referentietarief mag over een periode van twaalf maanden ten hoogste
worden verhoogd met 10 % gedurende de eerste twee jaar met ingang van de datum,
bedoeld in artikel 3, eerste lid, 8 % gedurende het derde en het vierde jaar
na bedoelde datum, 6 % gedurende het vijfde en het zesde jaar na bedoelde
datum en 4 % gedurende het zevende jaar en de volgende jaren na bedoelde datum,
telkens vermeerderd met de percentuele stijging van de prijzen bij het onderhoud
van wegen met een gesloten verharding buiten de bebouwde kom over de jongste
vergelijkbare periode.
Artikel 8
Geen vergoeding is verschuldigd voor het gebruik met motorrijtuigen:
a. die zijn ingericht en uitsluitend worden gebruikt voor het vervoer
van zieken en gewonden en die als zodanig uiterlijk herkenbaar zijn;
b. die zijn ingericht en uitsluitend worden gebruikt voor het vervoer
van een stoffelijk overschot;
c. die uitsluitend worden gebruikt voor defensie, of
d. die uitsluitend worden gebruikt door politie en brandweer en als zodanig
uiterlijk herkenbaar zijn.
§ 5. Slotbepalingen
Artikel 9
1. Het referentietarief bedraagt op de datum, bedoeld in artikel 3, eerste
lid, ten hoogste het bedrag dat bij regeling van Onze Minister is vastgesteld.
2. De regeling, bedoeld in het eerste lid, treedt niet eerder in werking
dan acht weken na de datum van bekendmaking in de Staatscourant. Van de bekendmaking
wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal.
Artikel 10
1. Deze wet vervalt met ingang van het eenendertigste jaar na de datum,
bedoeld in artikel 3, eerste lid.
2. Indien de resultaten van de NV daartoe aanleiding geven, kan bij algemene
maatregel van bestuur de werkingsduur van deze wet worden verlengd tot een
totale periode van ten hoogste vijftig jaar.
Artikel 11
Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte
van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 12
Deze wet wordt aangehaald als: Tunnelwet Westerschelde.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat
alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat,
aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven
De Minister van Verkeer en Waterstaat,