Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum indiening
Eerste Kamer der Staten-Generaal1997-199825641 nr. 137b

25 641
Nadere wijziging van een aantal sociale zekerheidswetten en enige andere wetten, houdende wijziging/intrekking van de Wet Werkloosheidsvoorziening, eenvormige definiëring van de term gezamenlijke huishouding en technische alsmede enige andere wijzigingen (Veegwet SZW 1997)

nr. 137b
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 10 december 1997

1. Algemeen

Het wetsvoorstel Veegwet SZW 1997 geeft een aantal fracties aanleiding tot het stellen van nadere vragen die ik hierbij zal beantwoorden.

De leden van de VVD-fractie vragen zich af of in de memorie van toelichting niet een al te gemakkelijke uitleg wordt gegeven voor de technische onvolkomenheden die met de Veegwet SZW 1997 worden gerepareerd. Vragen zulke majeure ingrepen zoals die sinds 1995 zijn aangebracht in de socialezekerheidswetgeving nu juist niet om een grote mate van zorgvuldigheid bij de voorbereiding van de wetgeving, zo vragen zij. Daarnaast vragen zij of, in het geval dat voorbereiding van wetgeving langer duurt dan werd gedacht, het dan juist is dat wordt geprobeerd om de «verloren tijd» in te halen door het parlement onder druk te willen zetten – behoudens in echt spoedeisende gevallen.

De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat niet concreet is aangegeven welke maatregelen zijn genomen om een betere afstemming van de wetgevingstrajecten te verkrijgen. Zij vragen of dit bijvoorbeeld betekent dat de verschillende uitvoeringsorganisaties een wetstechnische en uitvoeringstoets voor de invoering van het wetsvoorstel uitvoeren en of dit bij het voorliggende wetsvoorstel en de nota van wijziging eveneens is gebeurd.

De wetgever dient naar het oordeel van de CDA-fractie te zorgen voor een sluitende aanpak. Een dergelijke aanpak verdraagt zich, naar de mening van deze leden, niet met het bij voorbaat al weer verontschuldigingen inbouwen voor tekortschietende wetgeving. Zij vragen of ik dit met hen eens ben.

Majeure wetgevingsoperaties in het kader van de socialezekerheid vragen inderdaad om een grote mate van zorgvuldigheid bij de voorbereiding van de wetgeving. De zorg daarvoor ligt in de eerste plaats bij mijn ministerie. Het maken van een concept-wetsvoorstel betreft evenwel mensenwerk waarbij, hoe groot de zorgvuldigheid ook is die betracht wordt, onvolkomenheden soms onontkoombaar zijn zeker als het een complexe operatie betreft. Om het aantal onvolkomenheden zo beperkt mogelijk te laten zijn is een aantal toetsen van belang. In de eerste plaats is dat het technisch commentaar dat bij de voorbereiding van wetgeving in het algemeen – formeel dan wel informeel – wordt gevraagd aan (ambtelijk) Lisv, Sociale Verzekeringsbank, VNG of Divosa. Bij dit wetsvoorstel is – dit in antwoord op de vraag dienaangaande van de leden van CDA-fractie – zowel aan het Lisv als de Sociale Verzekeringsbank, om technisch commentaar gevraagd voorzover het hun aangaande onderdelen betrof. Met de VNG en Divosa is de inhoud van de onderdelen besproken die hen betrof. Gezien de geringe omvang van de wijzigingen ten opzichte van de huidige uitvoeringspraktijk is besloten geen extra technische toets op deze onderdelen te laten plaatsvinden.

Vorenbedoeld verzoek om commentaar kan zowel leiden tot wetstechnisch- als tot uitvoeringstechnisch commentaar. Voorts wordt in het kader van de socialeverzekeringswetgeving het Ctsv verzocht om een toezichtbaarheidstoets. Daarna is er, voordat een concept-wetsvoorstel wordt aangeboden aan de ministerraad, de wetgevingstoets van het ministerie van Justitie en, nadat het voorstel door de ministerraad wordt geaccordeerd, het advies van de Raad van State. Het geleverde commentaar en het advies van de Raad van State zullen zich uiteraard in de eerste plaats richten op de inhoud van het betreffende wetsvoorstel. Daarnaast zal er in het algemeen wel aandacht zijn voor de afstemming met andere wetgevingstrajecten, maar deze aandacht zal – begrijpelijkerwijs – vooral op de inhoudelijke afstemming gericht zijn en minder op de technische afstemming.

Tenslotte wordt het wetsvoorstel ter goedkeuring aangeboden aan het parlement.

Ondanks vorenstaande procedure, die naar mijn oordeel een sluitende aanpak kan worden genoemd, komen op het moment dat een wetsvoorstel voor behandeling bij het parlement ligt dan wel na goedkeuring door dat parlement – met name vanuit de uitvoering – soms technische onvolkomenheden naar voren. Ook kunnen uit hoofde van toezeggingen jegens het parlement gedaan, wijzigingen noodzakelijk zijn die veelal in een kort tijdsbestek tot stand moeten worden gebracht. Indien dat mogelijk is worden die onvolkomenheden gerepareerd respectievelijk die wijzigingen aangebracht door middel van een nota van wijziging, zoals ook in het kader van het voorliggende wetsvoorstel is gebeurd. Die nota van wijziging is overigens niet voor commentaar voorgelegd aan de uitvoeringsorganisaties. Dit komt enerzijds voort uit het feit dat het deels ging om verwerking van – nagekomen – technisch commentaar van die organisaties en anderzijds om wijzigingen die niet van die aard zijn dat een dergelijk commentaar een toegevoegde waarde zou hebben.

Indien het niet mogelijk is om onvolkomenheden weg te nemen respectievelijk wijzigingen aan te brengen door middel van een nota van wijziging zal dat op een later moment via een wijziging van de betrokken wet dienen te geschieden. Een veegwet is naar mijn oordeel een goed middel om dat laatste voor een aantal wetten tegelijk te realiseren.

In antwoord op de vraag van de leden van de VVD-fractie over het inhalen van «verloren tijd» wil ik opmerken dat waar het wetsvoorstellen van mijn ministerie betreft het parlement alleen om een zeer spoedige afhandeling wordt verzocht waar dat naar het oordeel van mij of de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid noodzakelijk is.

De leden van de VVD-fractie vragen zich af of het verstandig is, de WWV nu goeddeels op te heffen. Zij zien de noodzaak om bepaalde artikelen te handhaven wel in, maar is het dan niet beter om de wet intact te laten totdat die artikelen zijn uitgewerkt? Het wordt allemaal zo rommelig en ondoorzichtig, menen deze leden.

Ik heb voor de gedachtegang van deze leden wel enig begrip. Niettemin wil ik in dit verband herhalen wat ik in de nota naar aanleiding van het verslag (kamerstukken II 1997/98, 25 641, nr. 6) op een soortgelijke vraag van de leden van de VVD-fractie heb opgemerkt.

Ook al kunnen er in het kader van de WWV nog uitkeringen lopen, en ook al kunnen er in dat kader nog beroepszaken aanhangig zijn, van de genoemde wet kan worden gezegd dat zij inmiddels grotendeels zijn werking heeft verloren. Reeds in het kader van andere regelgeving diende gekomen te worden tot aanpassingen door wetgeving. Deze wetgeving wordt in de Veegwet SZW 1997 gerealiseerd. Het leek mij uit een oogpunt van economie bij de wetgevende arbeid beter, intrekking van de WWV reeds bij deze wet «mee te nemen». Hiermee wordt voorkomen dat zodra de WWV ook feitelijk kan worden ingetrokken, daartoe op dat moment alsnog een eigenstandig wetgevingsproces moet worden gestart.

Daarnaast merk ik op dat ik het bezwaar van ondoorzichtigheid dat deze leden hebben niet deel. In dit verband wijs ik erop dat, zoals ik reeds op pagina 3 van de Memorie van toelichting bij de onderhavige wet heb opgemerkt, een na 31 december 1991 ingediende aanvraag niet meer tot WWV-uitkering kan leiden. Deze duidelijkheid bestaat reeds sinds de Wet van 6 juni 1991, Stb. 1991, 318.

In de memorie van toelichting wordt melding gemaakt van enkele nota's van het Tica, het Lisv en de Sociale Verzekeringsbank. Zijn nu alle technische onvolkomenheden meegenomen, zo vragen de leden van de CDA-fractie.Voorts vragen zij voor welke beleidsmatige knelpunten nog aanpassing van de wet- en regelgeving noodzakelijk is.

Met betrekking tot de nota van het Tica van 16 oktober 1996 merk ik op dat de daarin opgenomen concrete aanbevelingen voor wetswijziging zijn overgenomen in de onderhavige wet, met uitzondering van die welke beter kunnen worden meegenomen in andere wetgevingstrajecten en een waarbij het Tica de bedoeling van de wetgever had misverstaan.

In de nota van 14 mei 1997 heeft het Lisv aandacht gevraagd voor de problematiek van situaties van samenloop van AAW/WAO- met een WW-uitkering. Door het Lisv worden zowel knelpunten met een technisch karakter als knelpunten met een beleidsmatig karakter gesignaleerd. Zoals ik in de nota naar aanleiding van het verslag heb aangegeven betreft het een gecompliceerde problematiek die diepgaand bestudeerd dient te worden. Uiteraard zal ik u hier te zijner tijd nader over informeren.

De door de Sociale Verzekeringsbank aangedragen technische knelpunten zijn meegenomen. Voor de volledigheid zij nog vermeld dat thans de Raad van State adviseert over een wetsvoorstel dat de ANW op enkele punten verzacht.

De leden van de fractie van het CDA stellen dat artikel LXIX meer een wijziging van inhoudelijke aard bevat en stellen een aantal vragen.

Ik kan de zienswijze van deze leden, dat de wijziging die artikel LXIX aanbrengt van meer inhoudelijke aard is, delen. Ik acht een dergelijke wijziging, gezien de verantwoordelijkheid van ouders voor hun kinderen, echter alleszins gerechtvaardigd.

De betekenis van de WIW voor de AKW zie ik als volgt. Arbeidsvoorziening en gemeente stellen na de verplichte inschrijving een traject op voor de jongere, gericht op toeleiding naar de arbeidsmarkt. Het traject moet na een jaar bestaan uit een dienstbetrekking (van in principe 32 uur), tenzij een andere voorziening meer perspectief biedt op uitstroom naar reguliere arbeid. Deze andere voorziening moet dan wel een tijdsbeslag hebben van minimaal 19 uur per week.

Zolang het kind werkloos is en geen scholing volgt in de zin van de AKW zal in beginsel recht bestaan op kinderbijslag op titel van werkloosheid. Er zal in de nieuwe situatie geen sprake meer zijn van «wachtkwartalen», zoals in de oude situatie (met betrekking tot de JWG) het geval was. Er kan op titel van werkloosheid tot het 18e jaar recht op kinderbijslag bestaan.

Zodra een kind een dienstbetrekking wordt aangeboden, is het kind niet langer werkloos in de zin van de AKW en zal het recht op kinderbijslag op titel daarvan vervallen. Gesteld kan worden dat voor een 16- en 17-jarige vrijwel alle arbeid als passende arbeid moet worden aangemerkt. Het weigeren van passende arbeid leidt tot het vervallen van het recht op kinderbijslag. Ook als een dienstbetrekking door toedoen van het kind niet aangeboden wordt of beëindigd wordt, zal geen recht kunnen bestaan op kinderbijslag. Alleen als een kind zijn dienstbetrekking kwijtraakt, zonder dat hem dit kan worden aangerekend, zal weer recht kunnen bestaan op kinderbijslag op titel van werkloosheid (uiteraard tot uiterlijk 18 jaar).

In de WIW is in artikel 22, tweede lid, bepaald dat de gemeente bevoegd is uit eigen beweging of verplicht op verzoek aan bestuursorganen kosteloos informatie te verschaffen die noodzakelijk is voor de bij of krachtens wet aan dat bestuursorgaan opgedragen taak.

Het is dus zaak dat de Sociale Verzekeringsbank en gemeenten afspraken maken over de verstrekking van informatie door de gemeenten.

Zodra een kind scholing wordt aangeboden, is het afhankelijk van de vorm of recht op kinderbijslag op titel van werkloosheid moet worden uitgekeerd of recht op kinderbijslag op titel van onderwijs.

Betreft de aangeboden scholing onderwijs in de zin van de AKW, dan zal recht op kinderbijslag bestaan op titel van onderwijs. Het betreffende kind wordt dan niet langer aangemerkt als werkloos werkzoekend en is dan geen jongere in de zin van de WIW.

Betreft de aangeboden scholing geen onderwijs in de zin van de AKW, dan bestaat in beginsel recht op kinderbijslag op titel van werkloosheid. Het kind moet immers doorlopend ingeschreven blijven staan bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.

Tijdens de plenaire behandeling van de WIW op 25 november en 2 december jl. is de vraag aan de orde geweest in hoeverre 16- en 17-jarigen financieel kunnen worden gestimuleerd tot deelname aan activiteiten gericht op het verkrijgen van voldoende vaardigheden om op een reguliere dan wel gesubsidieerde arbeidsplaats te kunnen werken, waarbij een vergelijking is getrokken met de vergoeding die aan jongeren wordt verstrekt voor deelname aan voorbereidingsfase in het kader van de JWG.

In het debat is aangegeven dat een dergelijke vergoeding uit het WIW-budget voor scholing- en activering aan deze jongeren kan worden toegekend. Het beleid dat onder de JWG voor deze jongeren gangbaar was, kan door de gemeente bij inwerkingtreding van de WIW dus worden voortgezet. De middelen die onder de JWG hiervoor bij het rijk werden gedeclareerd zijn ook aan het WIW-scholings- en activeringsbudget toegevoegd.

Omdat inmiddels duidelijk is geworden dat gemeenten onvoldoende bekend zijn met de mogelijkheden die de WIW op dit onderdeel biedt, zullen zij hierover medio december bij brief nader worden geïnformeerd.

Tevens wordt opgemerkt dat per 1 oktober 1997 krachtens de AKW een nieuwe ministeriële regeling (Staatscourant 108) van kracht is, die regelt dat alleen met inkomsten uit arbeid rekening wordt gehouden bij de vaststelling van het recht op kinderbijslag. Het verstrekken van een incentive aan bedoelde jongeren zal daarom geen invloed hebben op de kinderbijslag.

De leden van de PvdA-fractie vragen waarom de voorgestelde wettekst door mij is ondertekend en de memorie van toelichting door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, waarbij vervolgens de verdere behandeling aan mij zou zijn overgelaten.

Anders dan deze leden menen is het voorstel van wet niet ondertekend. Dat is nimmer het geval met een voorstel van wet dat ter behandeling aan het parlement wordt aangeboden. De memorie van toelichting is ondertekend door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid die, wegens mijn afwezigheid op dat moment, met het nader rapport van 26 september 1997 Hare Majesteit namens mij heeft verzocht het voorstel van wet en de memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

De leden van de fracties van de PvdA en D66 vragen om nogmaals in te gaan op het punt van de gezamenlijke huishouding en de daar geformuleerde onweerlegbare rechtsvermoedens. De leden van de PvdA-fractie refereren daarbij naar de gedachtewisseling met betrekking tot dit onderwerp in het kader van de behandeling van de Abw en de Anw. De leden van de D66-fractie stellen een aantal vragen over de algemene maatregel van bestuur waarin nadere regels worden gesteld met betrekking tot de registraties die in aanmerking worden genomen.

Met de harmonisatie van de leefvormbepalingen in deze veegwet is een in hoge mate technische aanpassing beoogd. Door de harmonisatie van leefvormbepalingen wordt de uitwisselbaarheid van gegevens verbeterd en voorkomen dat men zich, afhankelijk van het te behalen voordeel, al dan niet als ongehuwd samenwonend kan presenteren voor uitvoeringsorganen. Tevens wordt de bewijslastpositie van de uitvoeringsorganen verbeterd. Personen die op het zelfde adres wonen en die bij een ander uitvoeringsorgaan reeds als ongehuwd samenwonend staan geregistreerd, worden zonder mogelijkheid van verweer aangemerkt als samenwonend. Met deze harmonisatie wordt het zogeheten «regelwinkelen» voorkomen.

De personele werkingssfeer van betreffende socialezekerheidswetten wordt er echter niet door gewijzigd. Immers in alle socialezekerheidswetten waren ongehuwd samenwonenden al gelijkgesteld met gehuwden. Ook in de werknemersverzekeringen, bijvoorbeeld de Ziektewet, kwam een dergelijke gelijkstelling al voor in de bepalingen met betrekking tot de overlijdensuitkering.

Bij de introductie van het begrip onweerlegbaar rechtsvermoeden in de Abw heeft de Raad van State in zijn advies gesteld dat voor het opnemen van een dergelijk middel zwaarwegende argumenten moeten kunnen worden aangevoerd.

Het kabinet onderkent de bezwaren die kleven aan het opnemen van een onweerlegbaar rechtsvermoeden. Aan de legitimiteit van de bijstand/uitkering zou immers afbreuk worden gedaan als de wetgeving ertoe kan leiden dat personen ten onrechte worden geacht een gezamenlijke huishouding te voeren. De mogelijkheid van tegenbewijs en dus het weerlegbaar rechtsvermoeden, zou echter een onvoldoende antwoord geven op de problematiek van de partnerfraude. Dat brengt het risico met zich dat in de praktijk ontwijkingsmogelijkheden ontstaan. Bovendien zou door de mogelijkheid van tegenbewijs onvoldoende antwoord worden gegeven op het verschijnsel dat betrokkenen zich – naar gelang de te behalen voordelen – voor de ene regeling als partners laten aanmerken en voor de andere als alleenstaanden. Teneinde de bewijslastverdeling voor de gemeente te verlichten is dan ook gekozen voor een onweerlegbaar rechtsvermoeden.

De jurisprudentie bood onvoldoende uitkomst in de vermelde situaties. Ondanks het feit dat een gemeente in een bepaalde situatie een gezamenlijke huishouding kan aantonen, is het niet zo dat een rechter daarmee eveneens een gezamenlijke huishouding aanwezig acht. Als voorbeeld moge dienen een uitspraak, waarin ondanks het bestaan van een samenlevingscontract, waarin betrokkenen verklaren een gemeenschappelijke huishouding te voeren, de Hoge Raad geen gezamenlijke huishouding aanwezig acht.(JABW 1993/48, HR 27 november 1992, rek. nr. 8093).

Het kabinet acht dit ongewenst. In het kader van de handhaving en de fraudebestrijding is er dan ook voor gekozen ten aanzien van een aantal evidente situaties het onweerlegbaar rechtsvermoeden te introduceren. Het weerlegbaar rechtsvermoeden zou hier immers tot eenzelfde gevolg leiden als het oude partnerbegrip. Het kabinet is dan ook van mening dat het onweerlegbaar rechtsvermoeden een wezenlijke functie heeft in het kader van de handhaafbaarheid en de legitimiteit van de wet.

Op grond van de sluitstukfunctie van de Abw heeft de wetgever voor een onweerlegbaar rechtsvermoeden in deze wet gekozen. Deze sluitstukfunctie is ook van belang voor de socialeverzekeringswetten. Indien een persoon wordt afgewezen vanwege het feit dat zich een situatie van onweerlegbaar rechtsvermoeden voordoet, bestaat uiteraard altijd de mogelijkheid bijstand aan te vragen. De gemeente is in de beoordeling van de situatie gehouden dezelfde criteria te hanteren. Bij de afweging van de omstandigheden kan evenwel het in de Abw opgenomen individualiseringsbeginsel uitkomst bieden indien het gaat om zeer onbillijke situaties.

In de gevallen dat een registratie elders leidt tot het aanmerken als gezamenlijke huishouding bestaat evenmin de mogelijkheid van tegenbewijs. Het is echter een beginsel van behoorlijk bestuur om betrokkenen een administratieve vergissing niet tegen te werpen. Betrokkenen hebben te allen tijde de mogelijkheid om de foutieve registratie te laten corrigeren bij de registratiehouder. De uitkeringsinstantie is dan gehouden uit te gaan van de gewijzigde, juiste registratie.

Met het amendement van het lid Kalsbeek-Jasperse c.s. (kamerstukken II 95/96, 24 169, nr. 9.) zijn de leefvormbepalingen ook in de Anw opgenomen. In de toelichting bij dit amendement wordt het opnemen van de als onweerlegbare rechtsvermoedens geformuleerde bepalingen door de indieners als volgt toegelicht: «In een aantal gevallen wordt een gezamenlijke huishouding aangenomen indien mensen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en: zij eerder gehuwd zijn geweest of een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd; uit hun relatie een kind is geboren; zij een geldend samenlevingscontract hebben, zij op grond van een registratie elders zijn aangemerkt als een gezamenlijke huishouding. De uitvoeringsinstantie kan in dergelijke gevallen zonder nader onderzoek de gezamenlijke huishouding aannemen.»

Tijdens de behandeling van de Anw in de Eerste Kamer in december 1995 is dit punt aan de orde geweest.

Op 14 augustus 1996 heeft het kabinet op basis van de uitkomsten van het interdepartementaal onderzoek naar de harmonisatie van wettelijke bepalingen terzake van leefvormen, zijn standpunt met betrekking tot dit onderwerp naar voren gebracht (kamerstukken II 1995/96, 22 700, nr. 21.). In het rapport van de interdepartementale commissie is naar voren gebracht dat in de jurisprudentie een groot aantal criteria ontwikkeld is met het behulp waarvan de rechter kan vaststellen of er sprake is van een gezamenlijke huishouding. Een aantal van deze criteria blijkt van zodanige aard dat indien daaraan wordt voldaan er wel sprake moet zijn van een gezamenlijke huishouding. De werkgroep adviseerde derhalve om deze criteria onderdeel te doen uitmaken van het geharmoniseerde leefvormbegrip. Indien de omschreven situaties zich voordoen kunnen de uitvoeringsorganen zich hierop beroepen zonder dat dit verder onderzoek behoeft. De omschreven situaties leiden naar de mening van de werkgroep onweerlegbaar tot het aannemen van het bestaan van een gezamenlijke huishouding. Gezien het specifieke karakter van de sociale zekerheid was de werkgroep van mening dat de leefvormbepaling in de sociale zekerheid aanvulling behoeft en ook de leefvormregistratie van betrokkene in een andere regeling waarbij zij worden aangemerkt als gezamenlijke huishouding, als onweerlegbaar rechtsvermoeden geldt. Het kabinet heeft ingestemd met de voorstellen van deze werkgroep om ten behoeve van de consistentie, het gebruik van eenduidige leefvormbepalingen te bevorderen. Voorts heeft het kabinet aangegeven dat de Aanwijzingen voor de regelgeving op dit punt zullen worden aangepast.

Gelet op het voorgaande en gezien het feit dat met de voorgestelde harmonisatie van leefvormbepalingen geen wijzigingen in de personele werkingssfeer van de betrokken wetten wordt gerealiseerd en het een in hoge mate technische uitwerking van het hiervoorgenoemde kabinetsstandpunt betreft, ben ik van mening dat de behandeling van dit onderwerp in deze veegwet zeker op z'n plaats is.

Met betrekking tot de vraag van de D66-fractie naar de inhoud van de algemene maatregel van bestuur waarin nadere regels worden gesteld met betrekking tot de registraties die in aanmerking worden genomen, kan ik mededelen dat een voorstel voor een dergelijke algemene maatregel van bestuur aan de Raad van State is voorgelegd ter advisering. Het besluit regelt welke registraties worden betrokken bij de vaststelling of er sprake is van een situatie van ongehuwd samenwonenden. Voor de Abw, de IOAW, de IOAZ en de Anw was dit reeds nader uitgewerkt in het Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding en het Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding Anw. Met het concept-besluit dat aan de Raad van State is voorgelegd worden deze twee laatstgenoemde besluiten ingetrokken en vervangen door één besluit voor alle socialezekerheidswetten. Naar inhoud en strekking wijkt dit nieuwe besluit niet af van de nu reeds van kracht zijnde besluiten op grond van de Abw en de Anw.

Voorts vragen de leden van de D66-fractie zich af wie er registreert, of er beroep mogelijk is en hoe het staat met de rechtsgelijkheid.

Naar aanleiding van deze vragen kan ik mededelen dat de registratie plaats vindt door de uitvoeringsorganen van de in het besluit genoemde wetten en dat juist door de harmonisatie van leefvormbepalingen uniformiteit bereikt wordt.

Een goede uniforme uitvoering van het partnerbegrip in de wetten waarop dit besluit ziet is gediend met de mogelijkheid gebruik te maken van de toepassing van dezelfde of overeenkomstige begrippen in andere regelingen ten aanzien van de gezamenlijke huishouding. In dit besluit zijn alleen die registraties opgenomen die materieel eenzelfde partnerbegrip kennen. In dat geval kan de kwalificatie als partner uit een andere regeling worden overgenomen. Dit betekent een aanzienlijke verlichting van de bewijslast voor de belanghebbende en het uitvoeringsorgaan. De registratie heeft alleen dit gevolg indien belanghebbenden hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben.

Met betrekking tot de mogelijkheden van beroep verdient het opmerking dat, zoals hiervoor al aangegeven, het uiteraard niet zo kan zijn dat een registratie die berust op een administratieve vergissing de betrokkenen tot samenwonende partners maakt. Op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal een verzoek tot wijziging van de registratie door de belanghebbende bij de registratiehouder tot gevolg hebben dat deze de registratie in overeenstemming brengt met de werkelijkheid. In de Wet persoonsregistraties is bepaald dat een belanghebbende een verzoek kan doen tot verbetering of wijziging van de registratie bij de registratiehouder. Hieraan zal veelal gevolg worden gegeven. Zo dit niet gebeurt, dan kan de belanghebbende een verzoek indienen bij de rechtbank tot aanpassing van de registratie. Indien de rechtbank oordeelt dat wijziging aan de orde is, dient de registratiehouder niet alleen zorg te dragen voor aanpassing van zijn registratie, maar ook alle derden aan wie gegevens uit de registratie zijn verstrekt in het verstreken jaar mededeling te doen van de inmiddels opgetreden wijziging. Dit laatste geldt evenzeer indien de registratiehouder deze wijziging zelf aanbrengt op verzoek van de belanghebbende. De Sociale Verzekeringsbank, een uitvoeringsinstelling of het gemeentebestuur kan in deze situatie vervolgens uitgaan van de juiste registratie.

Met betrekking tot de Anw geven de leden van de D66-fractie aan dat de voorgestelde regeling extra zorg vereist.

Zij wijzen op de gevolgen van het voeren van een gezamenlijke huishouding door een nabestaande. De uitkering eindigt dan. In dit verband is het van belang dat het kabinet heeft besloten de bepalingen omtrent het eindigen van het recht op nabestaandenuitkering door het gaan voeren van een gezamenlijke huishouding te wijzigen. Deze wijziging houdt de introductie van de zogenaamde herlevingsbepaling in. Dit betekent dat de nabestaandenuitkering eindigt bij het gaan voeren van een gezamenlijke huishouding door de nabestaande; indien echter de gezamenlijke huishouding weer beëindigd wordt binnen zes maanden, kan het recht op nabestaandenuitkering vanaf dat moment weer herleven. Deze wijziging is opgenomen in het wetsvoorstel wijziging Anw, dat ter advisering aan de Raad van State is voorgelegd.

Uiteraard zal in de evaluatie van de Anw, zoals toegezegd in de toelichting bij het Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding Anw ook aandacht worden besteed aan de uitwerking van dit besluit in de praktijk.

2. Artikelsgewijs

Art. XXIII

De leden van de fractie van de PvdA vroegen zich af welke wijziging de Anw nog heeft ondergaan na de wetswijziging van 26 september, Stb. 478.

Er heeft in januari van dit jaar nog een wetswijziging van zowel de Anw als de AKW plaatsgevonden in verband met geconstateerd onbillijkheden rond het gebruik van het klokurenbegrip.

Daarnaast stellen de leden van deze fractie een vraag over een mogelijke discrepantie tussen de definitie van gezamenlijke huishouding in dit wetsvoorstel en de brief van de Staatssecretaris van SZW van 15 september jl.

Deze leden constateren terecht dat de voornemens met betrekking tot de samenwoonsituatie van een nabestaande, die een gezamenlijke huishouding met een meerderjarig stiefkind voortzet, nog niet zijn neergeslagen in het voorliggende wetsvoorstel. Het kabinet heeft er bewust voor gekozen om de wijzigingen met betrekking tot de Anw, waarover het debat met de Tweede Kamer nog moest worden gevoerd op het moment dat de indiening van de Veegwet SZW 1997 plaatsvond, te concentreren in één apart wetsvoorstel tot aanpassing van de Anw. Dit wetsvoorstel is inmiddels voor advies voorgelegd aan de Raad van State.

Artikel XXXIV, onderdeel F

De leden van de PvdA-fractie vragen om een nadere uitleg met betrekking tot de regeling, opgenomen in het voorgestelde nieuwe lid 3 van artikel 40 WAO.

Deze regeling voorziet in het opnieuw, dan wel alsnog toekennen van een loondervingsuitkering, indien betrokkene in toegenomen mate arbeidsongeschikt raakt tijdens het ontvangen van een vervolguitkering op grond van de WAO. De regeling komt erop neer, dat betrokkene recht krijgt op een loondervingsuitkering indien de leeftijd op moment van toename van de arbeidsongeschiktheid recht geeft op een langere loondervingsuitkering dan de loondervingsuitkering die betrokkene al heeft gehad. De duur van de loondervingsuitkering die betrokkene in dat geval krijgt, wordt verminderd met de duur van de loondervingsuitkering die betrokkene eerder al ontvangen heeft. Voorwaarde voor het recht op een nieuwe loondervingsuitkering is, dat betrokkene aan het werk was voordat hij toegenomen arbeidsongeschikt raakte.

De leden wijzen in dit verband meer specifiek op de positie van degene die voor zijn 33ste levensjaar arbeidsongeschikt is geraakt, en dus op dat moment uitsluitend recht kan hebben op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op basis van het vervolgdagloon. Ook voor deze personen geldt, dat bij toegenomen arbeidsongeschiktheid de leeftijd op het moment van die toename bepalend wordt voor de duur van de alsnog toe te kennen loondervingsuitkering. Aangezien betrokkene in die situatie niet al eerder een loondervingsuitkering heeft genoten, komt de duur van de alsnog toe te kennen loondervingsuitkering exact overeen met de duur van de loondervingsuitkering waarop hij ingevolge artikel 21a van de WAO recht heeft. Ook het voorbeeld dat de leden schetsen valt derhalve onder de nieuwe regeling. De 32-jarige gedeeltelijk arbeidsongeschikte die zijn resterende verdiencapaciteit waarmaakt heeft dus, als hij tien jaar later toegenomen arbeidsongeschikt raakt, alsnog recht op een loondervingsuitkering van een jaar.

De leden van de PvdA-fractie stellen voorts de consequenties aan de orde van het feit dat het WW-dagloon het WAO-(vervolg)dagloon volgt. Indien een betrokkene tijdens het ontvangen van een WAO-uitkering, berekend op basis van het vervolgdagloon WAO, in aanmerking komt voor een WW-uitkering, wordt laatstgenoemde uitkering gebaseerd op het vervolgdagloon WAO. Het vorenstaande vloeit voort uit de Dagloonregels Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid, die de SVr destijds heeft vastgesteld. Het Lisv heeft mij onlangs gewezen op deze, en andere probleemsituaties bij de samenloop van WAO en WW-uitkering. Zoals ik eerder heb aangegeven vereist dit onderwerp nadere studie en zal ik hier te zijner tijd op terugkomen.

Artikel XXXVI, onderdeel O, eerste en tweede lid

De leden van de PvdA-fractie zijn benieuwd naar de frequentie van aanvragen voor een second opinion, uitgesplitst in aanvragen van werkgevers en werknemers. Voorts wensen zij geïnformeerd te worden over de mate van kostentoerekening aan werknemers en werkgevers en over de vraag of die (partiële)kostentoerekening mede afhankelijk gesteld wordt van de vraag wie er bij een second opinion «gelijk krijgt» van de uitvoeringsinstelling.

Volgens informatie is tot dusver in ca 2000 gevallen, alle uitvoeringsinstellingen bijeen genomen, een second opinion verricht. Bij het gros hiervan was de aanvraag afkomstig van werknemers. Wat de kostentoerekening betreft heeft het Lisv de richtlijn uitgevaardigd dat per aanvraag voor een second opinion 50 gulden bij de aanvrager in rekening wordt gebracht. Voor het overige, genoemde leden wijzen daar al op, worden de kosten van een second opinion door de uitvoeringsinstellingen gedeclareerd bij de wachtgeldfondsen.