25 621
Regels met betrekking tot de productie, het transport en de levering van elektriciteit (Elektriciteitswet 19..)

nr. 270c
MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 8 mei 1998

Hoofdstuk 1. Inleiding

Alvorens de vragen van de vaste commissie voor Economische Zaken van de Eerste Kamer te beantwoorden, spreek ik mijn waardering uit voor de snelheid waarmee de commissie het voorlopig verslag heeft uitgebracht. Uit het verslag leid ik af dat de hoofdlijnen van het wetsvoorstel worden ondersteund en dat op onderdelen behoefte bestaat aan nadere toelichting en verduidelijking.

In de reacties van een aantal fracties komt de vraag naar voren of behandeling van het wetsvoorstel wel kan plaatsvinden nu gebleken is dat er – zeker voorlopig – geen Grootschalig productiebedrijf (GPB) zal ontstaan. In hoofdstuk 3 ga ik expliciet in op deze vraag. Op deze plaats wil ik echter al benadrukken dat dit wetsvoorstel formeel los staat van het proces van herstructurering van de elektriciteitsproductiesector. Met het oog op een ordelijke overgang naar de door dit wetsvoorstel beoogde marktordening is in het voorstel echter wel rekening gehouden met de mogelijkheid dat het GPB niet tot stand zou komen. Gelet op een en ander kan de behandeling van het wetsvoorstel plaatsvinden. Spoedige behandeling is bovendien om verschillende redenen dringend gewenst. Het is namelijk van essentieel belang helderheid te bieden over het speelveld waarbinnen het liberaliseringproces zich afspeelt. De bestaande Elektriciteitswet van 1989 voorziet daarin onvoldoende en biedt geen ruimte voor liberalisering. Als er geen GPB tot stand komt brengt dit een aantal onzekerheden met zich mee. Zekerheid over het wettelijk kader is in die situatie extra noodzakelijk. In de vorm waarin het wetsvoorstel op 24 maart jl. door de Tweede Kamer is aanvaard, biedt het wetsvoorstel helderheid op cruciale punten zoals de positie van beschermde afnemers, de onafhankelijke positionering van de elektriciteitsnetwerken en de opzet van een toezichthouder. Behandeling van het wetsvoorstel is bovendien belangrijk met het oog op de verplichting die op Nederland rust om de Europese elektriciteitsrichtlijn nr. 96/92/EG tijdig te implementeren. Implementatie geschiedt door middel van dit wetsvoorstel en een daarop te baseren algemene maatregel van bestuur.

Ik spreek dan ook de hoop uit dat de afronding van de behandeling van het wetsvoorstel spoedig kan plaatsvinden, zodat voor het vervolg van het proces van liberalisering en herstructurering een duidelijk wettelijk kader zal gelden.

Hieronder beantwoord ik de vragen die door de leden van de verschillende fracties zijn gesteld. Vragen die betrekking hebben op hetzelfde onderwerp zal ik in één keer behandelen als dat in positieve zin bijdraagt aan de lijn van het betoog.

Hoofdstuk 2. Internationale ontwikkeling en marktaspecten

De leden van de CDA-fractie vroegen om vollediger informatie over de te verwachten ontwikkelingen op de Europese elektriciteitsmarkt en naar de factoren die bepalend zijn voor de concurrentiepositie van de Nederlandse producenten. Deze leden verzochten tevens om informatie over capaciteitsoverschotten en de mogelijkheid om onevenwichtigheid ten gevolge hiervan te voorkomen.

De ontwikkelingen op de Europese markt vinden in snel tempo plaats. Een centrale rol daarbij wordt gespeeld door de wijze waarop richtlijn nr. 96/92 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 december 1996 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit (PbEG 1997, L 27, hierna te noemen de richtlijn) door de verschillende landen in wetgeving wordt geïmplementeerd. Deze wetgeving bepaalt immers de toekomstige speelruimte voor de betrokken bedrijven.

Op dit moment is de precieze invulling van de richtlijn door de verschillende lidstaten nog niet in detail bekend. Evenals in Nederland, is in diverse landen het wetgevingsproces nog niet geheel afgerond. Op basis van de thans bekende gegevens is in ieder geval duidelijk dat in de meeste lidstaten sprake zal zijn van een mate van liberalisering die verder strekt dan waartoe de richtlijn in formele zin noodzaakt.

Naar verwachting zullen Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Zweden, Spanje en Finland kiezen voor 100% opening van hun markt. Het Verenigd Koninkrijk en Spanje kiezen daarbij voor een stapsgewijze opening, zoals dit wetsvoorstel dat ook doet. Duitsland, Zweden en Finland zijn voornemens de markt meteen volledig te openen.

Luxemburg heeft aangegeven ca. 40% van de markt te zullen openen. De verwachting is dat ook Frankrijk, Denemarken, Oostenrijk, Portugal en Italië voor een gedeeltelijke opening zullen kiezen. Frankrijk en Portugal hebben aangegeven niet verder te willen gaan dan hetgeen ingevolge de richtlijn verplicht is: 25,37%. De situatie in België, Griekenland en Ierland is op dit moment minder helder. Deze landen hebben namelijk uitstel van de plicht tot implementatie van de richtlijn gekregen.

In onderstaande tabel wordt de laatste stand van zaken kort samengevat.

lidstaatstand implementatie richtlijninhoud
Belgiënog geen voorstel, heeft 1 jaar uitstelnog niet bekend
Denemarkenherfst 1998 wetsvoorstel naar parlementonderhandelbare toegang tot net afnemers en distributiebedrijven met afname > 100 GWh vrij (leidt tot 90% marktopening)
Duitslandnieuwe wet in april in werking getredenonderhandelbare toegang tot net alle afnemers vrij (100% marktopening)
Finlandgeliberaliseerd sinds 1 juni 1995gereguleerde toegang tot net met point tariff hoogspanningsnet volledig afgescheiden alle afnemers vrij (100% marktopening)
Frankrijknog geen wetsvoorstel, nu discussie over beleidsnotitienog niet bekend
Griekenlandnog geen voorstel, heeft 2 jaar uitstelnog niet bekend
Italiënog geen voorstelnog niet bekend
Ierlandnog geen voorstel, heeft 1 jaar uitstelnog niet bekend
Luxemburgwetsvoorstel ingediendaanbesteding van productie • over toegang tot net nog niet besloten afnemers > 100 GWh vrij (leidt tot 40% marktopening)
Oostenrijkmaart 1998 wetsvoorstel naar Parlementtoegang tot net: exclusieve koper > 40 GWh vrij (27% marktopening)
Portugalmedio 1998 gaat markt open door uitvoeringsverordeningaanbesteding van productie gereguleerde toegang tot net > 40 GWh en distributiebedrijven voor 8% afname vrij (ca. 25% marktopening)
Spanje1 januari 1998 nieuwe wet in werking getredengereguleerde toegang tot net hoogspanningsnet volledig afgescheiden > 15 GWh vrij (30% marktopening), 2007 volledige marktopening
Zwedengeliberaliseerd sinds 1 januari 1996gereguleerde toegang tot net met point tariff hoogspanningsnet volledig afgescheiden alle afnemers vrij (100% marktopening)
Verenigd Koninkrijkeind 1998 volledige opening marktgereguleerde toegang tot net hoogspanningsnet volledig afgescheiden alle afnemers vrij vanaf eind 1998 (100% marktopening)

Bron: Verslag van de Europese Commissie aan de Raad van Ministers en het Europese Parlement over de stand van zaken bij de liberalisering van de energiemarkten (april 1998).

Vooral het feit dat de Duitse markt in één keer wordt geliberaliseerd zal als belangrijk effect hebben dat de Nederlandse en Duitse markten zich spoedig tot één groot marktgebied zullen ontwikkelen met onder meer één prijsniveau. Openstelling van de diverse markten is zeker geen theoretische zaak. De hoogspanningsverbindingen tussen Nederland en de buurlanden zijn van aanzienlijke capaciteit. De maximale capaciteit is zon 13 000 MW. Om technische redenen is het niet mogelijk om deze capaciteit gelijktijdig te benutten, maar dat neemt niet weg dat het mogelijk is om ruim 40% van de Nederlandse consumptie te importeren. Elektriciteit is bovendien wellicht het meest eenvoudig, en zeker het snelst, te transporteren product.

Op dit moment is niet exact te voorspellen op welke wijze de betrokken ondernemingen van de vrijere wetgeving gebruik gaan maken. Belangrijke indicaties zijn dat reeds nu diverse stroommakelaars en handelaren die zelf veel ervaring hebben op markten die al geliberaliseerd zijn (V.S., Scandinavië, V.K.), op de Nederlandse markt actief zijn en vestigingen in Nederland hebben geopend. Deze bedrijven zijn er van overtuigd dat de dynamiek in Europa zeer snel zal toenemen. Ook de opzet van een elektriciteitsbeurs waaraan thans wordt gewerkt zal deze dynamiek versterken. Op dit moment worden grote Nederlandse industriële afnemers al actief met aanbiedingen benaderd en is er al een aantal contracten gesloten.

Factoren die de concurrentiepositie van de Nederlandse producenten zullen bepalen liggen allereerst in de sfeer van kostprijs en efficiency. Daarnaast zijn uiteraard de internationale marketing en strategische allianties van belang. Op de concurrerende Europese markt die over een aantal jaren zal zijn ontstaan is de Nederlandse productiesector meer prijsvolgend dan prijsbepalend. De prijs zal door de markt worden bepaald en de verwachting bestaat dat dit prijsniveau lager zal liggen dan het huidige kostenniveau in Nederland. Dit betekent dat herstructurering van de bedrijven gericht op een lager kostenniveau essentieel is. Onderzoeken van o.a. het organisatie-adviesbureau McKinsey hebben laten zien dat een lager kostenniveau mogelijk is indien ingrijpende herstructurering plaatsvindt. Belangrijk feit daarbij is dat het technologisch niveau van de Nederlandse centrales gemiddeld genomen goed is.

De vier Nederlandse productiebedrijven zijn, individueel, betrekkelijk kleine spelers in een Europese markt. Dat was ook de belangrijkste reden om de opzet van een GPB te onderzoeken. Een directe vergelijking van omvang, kosten en concurrentiepositie tussen Europese partijen is moeilijk te maken. Over het algemeen is het zo dat de grotere bedrijven meer financiële slagkracht hebben en daardoor potentieel een betere uitgangspositie hebben in een liberale markt. Dit hangt echter niet alleen samen met de omvang van de ondernemingen, maar ook met de eigendomsstructuur en de mate waarin de bedrijven in het verleden in staat zijn geweest een sterke financiële positie op te bouwen. Daar staat tegenover dat juist veel kleinere, flexibele, producenten met warmte-krachtcentrales op dit moment op de Nederlandse markt concurrerend zijn. Nu het GPB naar verwachting niet tot stand zal komen zullen de Nederlandse producenten zich beraden op andere vormen van samenwerking. In hoofdstuk 3 van deze memorie kom ik daar nader op terug.

Wat betreft het beoordelen van het prijsniveau in andere landen is overigens voorzichtigheid op zijn plaats. In Duitsland is het niveau van de prijzen weliswaar op dit moment aanmerkelijk hoger, maar ook in Duitsland vinden zeer ingrijpende herstructureringen plaats. Op de hele Europese markt zal naar verwachting druk op het prijsniveau ontstaan.

Precieze gegevens over overcapaciteit in de lidstaten ontbreken. Dit geldt ook voor de resultaten van de enquête van de Europese Commissie naar de omvang van de overcapaciteit. Het algemene beeld is dat de Europese elektriciteitsmarkt een ruime productiecapaciteit kent, maar dat de economische groei en de sluiting van oude centrales als onderdeel van het streven naar grotere efficiency in een concurrerende markt deze ruimte sterk doen verminderen. «Overcapaciteit» is op de elektriciteitsmarkt een relatief begrip. Op een koude winterdag, midden in de zomer tijdens droogte en tijdens onderhoud en storingen blijken productiefaciliteiten, die de rest van het jaar als overcapaciteit te boek zouden kunnen staan, hard nodig te zijn om in de elektriciteitsbehoefte te voorzien. Met andere woorden, een zekere «overcapaciteit» heeft het karakter van reservecapaciteit die nodig is opdat de leveringszekerheid onder alle omstandigheden kan worden gegarandeerd.

Vervolgens vroegen de leden van de CDA-fractie naar de oorsprong van de verwachting dat Nederland elektriciteit zou kunnen exporteren alsmede naar de verwachte im- en exportbalans.

In zijn studie naar marktwerking in de energiesector komt professor Künneke (TU Delft) tot de conclusie dat, kijkend naar de technische en economische kenmerken van de Nederlandse elektriciteitssector, Nederland een exporteur van elektriciteit kan worden.

Of dit praktisch ook het geval zal zijn hangt sterk af van het toekomstig prijsniveau en het herstructureringsproces. De ontwikkelingen in de open Scandinavische markt hebben aangetoond dat na liberalisatie een levendige interstatelijke handel in elektriciteit kan ontstaan. Dit kan ook in de rest van de Europese Unie gebeuren. Het is echter nu nog niet mogelijk de potentiële omvang hiervan aan te duiden.

De leden van de CDA-fractie wilden weten in hoeverre de richtlijn vergelijkbare maatstaven voorschrijft als de Nederlandse wet op het punt van onafhankelijkheid, non-discriminatie, capaciteit, verplichting tot aansluiting en transport en tarieftoezicht.

De richtlijn schrijft voor dat lidstaten het net voldoende onafhankelijk positioneren, dat producenten en vrije afnemers rechtstreeks contracten kunnen sluiten en dat zij daarnaast onder objectieve en niet discriminerende voorwaarden toegang krijgen tot het net. Voorwaarden ten aanzien van netwerken moeten de interoperabiliteit van de netten garanderen. Op grond van de richtlijn moeten lidstaten die voorwaarden notificeren bij de Europese Commissie met het oog op het voorkomen van technische handelsbelemmeringen. Tevens dient non-discriminatoire toegang tot de netten door middel van onafhankelijke geschillenbeslechting gewaarborgd te zijn.

De richtlijn houdt wat dit betreft minimumharmonisatie in. Lidstaten kunnen zelf de liberalisatie inhoud geven, binnen het kader van de resultaatverplichtingen die de richtlijn stelt ten aanzien van onafhankelijkheid, toegang tot het net door derden en scheiding van bijvoorbeeld administratie. Zoals reeds aangegeven, gaan de meeste lidstaten verder dan waartoe de richtlijn noodzaakt. Concluderend ben ik van mening dat zich naar reële verwachting geen onevenwichtigheden zullen voordoen.

De vraag van de leden van de CDA-fractie of het juist is dat alleen op grond van de reciprociteitsclausule import van elektriciteit kan worden tegen gehouden en niet om andere redenen, bijvoorbeeld twijfel omtrent de betrouwbaarheid van het transport, beantwoord ik bevestigend. Betrouwbaarheid van het transport zal via samenwerking tussen de netbeheerders in de verschillende Europese lidstaten worden gewaarborgd. Dat is overigens ook nu al het geval.

De leden van de CDA-fractie vroegen naar de mate waarin de overheid nog een verantwoordelijkheid draagt voor een betrouwbare, duurzame, voor ieder toegankelijke en doelmatige voorziening in de behoefte aan elektriciteit. Zij vroegen zich af of de overheid met dit wetsvoorstel voldoende bevoegdheden en instrumenten heeft om die verantwoordelijkheid te dragen, ook in omstandigheden die op dit moment misschien minder waarschijnlijk zijn. De leden van SGP-, RPF- en GPV-fractie waren van mening dat het voorgestelde stelsel onvoldoende garanties biedt voor de handhaving of verbetering van de sterke punten van de Nederlandse elektriciteitssector. De leden van de D66-fractie vroegen of door liberalisering en marktverbetering van de elektriciteitsvoorziening het in de afgelopen decennia met openbare middelen opgebouwde betrouwbare en betaalbare voorzieningssysteem niet teloor gaat.

Het wetsvoorstel doet op geen enkele wijze afbreuk aan het belang van een betrouwbare, duurzame en voor ieder toegankelijke en doelmatige voorziening van elektriciteit. Integendeel, het nieuwe stelsel is juist gericht op een belangrijke verbetering van de voorziening, vooral wat betreft de klantvriendelijkheid en de efficiency. Ervaringen in het buitenland geven aan dat deze verwachtingen reëel zijn. Het in de afgelopen jaren in Nederland opgebouwde, kwalitatief hoogwaardige systeem biedt juist een goede basis voor de overheid om terug te treden en meer ruimte te bieden aan marktpartijen. Daarbij verplaatst de verantwoordelijkheid van de overheid zich van een meer directe planmatige betrokkenheid bij de inrichting van de voorziening naar een meer voorwaardenscheppende en toetsende rol. Deze toetsende rol komt onder meer tot uitdrukking in het Energierapport dat op grond van artikel 2 van het wetsvoorstel elke vier jaar verschijnt.

Ook op de geliberaliseerde markt blijft sprake van een aantal «nutsfuncties», dat wil zeggen taken waarvoor de overheid een bijzondere verantwoordelijkheid houdt. Deze nutsfuncties zijn allereerst gelegen in het elektriciteitsnetwerk. Netbeheerders hebben een aansluit- en transportplicht en moeten aan een aantal op de wet gebaseerde eisen voldoen. Hierdoor bestaat de garantie dat iedereen in Nederland tegen redelijke voorwaarden over een aansluiting kan beschikken.

In dit kader is het toezicht op de netbeheerders van belang. De Dienst uitvoering en toezicht Elektriciteitswet (Dte) stelt de voorwaarden vast die de netbeheerders in acht nemen bij het in werking hebben van de netten, bij het voorzien in een aansluiting op het net en bij het uitvoeren van transport van elektriciteit over het net (artikelen 23 en 24). Daarbij staan criteria als betrouwbaarheid en doelmatigheid van de organisatie centraal. In het wetsvoorstel is ook een verplichting opgenomen op grond waarvan de netbeheerder aan de directeur van de Dte eenmaal in elke twee jaar zo nauwkeurig mogelijke ramingen verschaft van de totale behoefte aan capaciteit voor het transport van elektriciteit over de door hem beheerde netten in het eerste tot en met het zevende jaar na het jaar, waarin de ramingen worden vastgesteld. Op grond daarvan kan zonodig opdracht worden gegeven om in voldoende mate te voorzien in die transportcapaciteit. Ik meen dat met deze instrumenten een goede beschikbaarheid van netwerkdiensten is zekergesteld.

Wat betreft de levering van de elektriciteit zullen vrije afnemers contracten moeten sluiten met producenten of handelaren. Zij hebben daarmee zelf de verantwoordelijkheid voor hun eigen contractuele voorzieningszekerheid. Gelet op het feit dat sprake is van een goed ontwikkelde elektriciteitssector in Nederland en de rest van Europa, is daaraan naar mijn mening geen groter risico verbonden dan het geval zou zijn op andere markten voor grondstoffen en energie. Bovendien bestaat de mogelijkheid om zodanige contracten te sluiten dat ook het wegvallen van een bepaalde producent wordt gedekt. In andere landen met geliberaliseerde markten blijkt dat juist op dit vlak stroommakelaars en handelaren een belangrijke meerwaarde vervullen en aan klanten maatwerk leveren. Het zogenaamde «riskmanagement» is in die landen een goed ontwikkelde bedrijfstak.

In de overgangsperiode tot respectievelijk 2002 en 2007 is sprake van beschermde afnemers. Ook de bescherming van deze (nog) niet vrije klanten kan als een nutsfunctie worden beschouwd. Aan deze beschermde afnemers moet een vergunninghoudende leverancier elektriciteit leveren. De vergunninghouder verschaft op grond van artikel 46 van het wetsvoorstel de directeur van de Dte eenmaal in elke twee jaar zo nauwkeurig mogelijke ramingen van de totale behoefte aan elektriciteit van de beschermde afnemers aan wie de vergunninghouder verplicht is elektriciteit te leveren. Op grond daarvan kan zonodig opdracht worden gegeven extra voorzieningen te treffen teneinde steeds te kunnen voldoen aan die leveringsverplichting.

Ik ben van mening dat het wetsvoorstel aldus enerzijds voldoende garanties biedt dat aan maatschappelijke belangen op een goede manier invulling wordt gegeven en anderzijds de voordelen van meer marktwerking realiseert.

De leden van de PvdA-fractie wilden een nadere toelichting op de werking van de reciprociteitsvoorschriften bij de totstandkoming van een elektriciteitsbeurs.

De beurs kan worden gezien als een private organisatie die het sluiten van contracten tussen afnemers, handelaren en producenten faciliteert. Deze contracten moeten uiteraard voldoen aan de eisen van de wet, waaronder de reciprociteitsbepalingen. Binnen het kader van de reciprociteitsclausule in het wetsvoorstel kan een elektriciteitsbeurs de handel op verschillende manieren vormgeven. Indien de beurs alleen klanten toelaat die conform artikel 19 van de richtlijn «in aanmerking komende afnemers» zijn, is handel met alle lidstaten toegestaan. Wil de beurs alle vrije Nederlandse afnemers en distributiebedrijven toegang geven tot de handel, dan zal zij de deelname van de lidstaten moeten beperken tot die landen waarin alle vrije Nederlandse afnemers en distributiebedrijven ook vrij zijn, zoals bijvoorbeeld in Duitsland en Denemarken. Wil de elektriciteitsbeurs beide, dan zal zij moeten werken met aparte noteringen.

De leden van de PvdA-fractie vroegen ook naar de werking van de reciprociteitsclausule bij ingewikkelde verkoop- en handelscombinaties.

Bij de toepassing van de reciprociteitsclausule, zoals die is opgenomen in het wetsvoorstel, is het transportverzoek van de afnemer maatgevend voor de beoordeling. Dit verzoek moet de oorsprong en eindbestemming van de elektriciteit bevatten. Niet zozeer de commerciële maar de feitelijke oorsprong van de elektriciteit is daarbij het uitgangspunt.

De leden van de D66-fractie vroegen een reactie op enkele punten van kritiek op de Elektriciteitswet betreffende de mate van marktopening, de overheidsinvloed op de elektriciteitsvoorziening en de privatisering.

In het wetsvoorstel heeft de regering gekozen voor een uiteindelijk volledige marktopening in 2007. Daar loopt Nederland in Europa geenszins mee voorop. Tot 2007 is feitelijk sprake van een overgangssituatie waarin, naast elkaar, een vrije en een beschermde markt zullen bestaan. Zo lang dit het geval is heeft de overheid de taak beschermde afnemers ook daadwerkelijk te beschermen. Gezien de keuze in het wetsvoorstel voor een geleidelijke liberalisering van de elektriciteitsmarkt is het daarom vanzelfsprekend dat de overheid voorzieningen treft om in de overgangsfase haar invloed te behouden en op sommige punten zelfs te versterken. Wat betreft het beleid ten aanzien van de privatisering, is Nederland relatief terughoudend en voorzichtig. In de meeste lidstaten is de elektriciteitssector (gedeeltelijk) in private handen of vindt momenteel privatisering plaats.

De leden van de D66-fractie verzochten om een vergelijking met rechtssystemen en effecten in landen die Nederland in het proces van liberalisering zijn voorgegaan.

Bij de implementatie van de richtlijn heeft Nederland nadrukkelijk gekeken naar de ervaringen in Scandinavië en het Verenigd Koninkrijk. Voor een aantal ingewikkelde vraagstukken als toegang tot en tarief van het net, scheiding van het netbeheer, samenhang tussen privatisering en liberalisering, zijn in het wetsvoorstel de gemaakte keuzen in belangrijke mate ingegeven door positieve, maar ook door negatieve ervaringen in genoemde landen. Daarbij moet worden aangetekend dat specifieke Nederlandse omstandigheden zoals het ontbreken van staatseigendom in de elektriciteitssector en maatschappelijke verhoudingen een eigen inkleuring van de wetgeving noodzakelijk maken.

Het wetsvoorstel heeft overigens bij andere lidstaten ook aanleiding gegeven om zich nogmaals te bezinnen op de eigen ideeën. Een goed voorbeeld hiervan is het voorstel voor de invoering van een systeem van groene stroomcertificaten dat door andere lidstaten thans als een mogelijke optie wordt onderzocht.

De leden van de fracties van SGP, RPF en GPV waren van mening dat Nederland een fundamenteel andere benadering van de onafhankelijkheid van het netbeheer heeft gekozen dan andere lidstaten en dat dit in een interne markt nadelig kan uitwerken voor de energiebedrijven.

De uitgangspunten die gelden voor de organisatie van het netbeheer vloeien primair voort uit de richtlijn. Er zijn verschillen tussen de wijze waarop die uitgangspunten in wetgeving worden vertaald die te maken hebben met de verschillen tussen landen. Dit mag uiteraard niet leiden tot nadeel voor bedrijven in het ene land ten opzichte van bedrijven in een ander land. Dat zou niet stroken met de resultaatsverplichting die in de richtlijn is opgenomen. Ik deel de stelling van de leden van de SGP-, RPF- en GPV-fractie dan ook niet. Mochten er in de praktijk toch nadelige effecten optreden dan zal ik dat in communautair kader aan de orde stellen.

De leden van de fracties van SGP, RPF en GPV concludeerden dat grootverbruikers betere mogelijkheden hebben voor import dan energieleveranciers.

Ik deel deze conclusie niet. Voor zover energieleveranciers de markt van grootverbruikers bedienen hebben zij dezelfde mogelijkheden voor import als de grootverbruikers zelf. Alleen daar waar het om de markt voor beschermde afnemers gaat, krijgen de energieleveranciers mogelijk te maken met een beperking van de vrijheid om te importeren. Op deze markt mogen grootverbruikers echter niet opereren en is een vergelijking met de mogelijkheden van grootverbruikers dan ook niet aan de orde.

Hoofdstuk 3. Grootschalig productiebedrijf (GPB)

De leden van de VVD-fractie vroegen of, nu er voorlopig geen sprake zal zijn van een GPB, moet worden terugvallen op de noodbevoegdheden van de artikelen 68a en 68b, die het mogelijk maken om nog een jaar na het in werking treden van de wet de Overeenkomst van Samenwerking (OvS) van kracht te laten blijven. Daarna, zo stelden deze leden, zal de samenwerking rechtstreeks in strijd zijn met de Nederlandse Mededingingswet en mogelijkerwijs nu al met artikel 85 van het EG-Verdrag. Deze leden vroegen of niet te verwachten is dat de Tweede Kamer er thans behoefte aan zal hebben om voor de productie extra regelingen te treffen. De vraag kan nu immers rijzen of het wetsvoorstel voldoende rekening houdt met de thans ontstane situatie. Ook de leden van de fracties van het CDA en de PvdA vroegen naar de gevolgen voor de samenwerking in Sep-verband. De leden van de PvdA-fractie wilden in dit verband weten of de bestaande wetgeving en de bestaande OvS ongewijzigd van kracht blijven en hoe de artikelen 76 en 77 van het wetsvoorstel zullen worden toegepast.

Ik neem aan dat waar de leden van de VVD-fractie spraken over de artikelen 68a en 68b, zij doelden op de artikelen 76 en 77 van het gewijzigde voorstel van wet zoals dat bij de Eerste Kamer is ingediend.

Wat betreft de relatie tussen het wetsvoorstel en het herstructureringsproces gericht op de vorming van een GPB, verwijs ik naar mijn recente brief aan u van 28 april jl. Daarin is in de eerste plaats aangegeven dat de nieuwe Elektriciteitswet formeel los staat van het herstructureringsproces in de elektriciteitsproductiesector. De belangrijkste punten uit deze brief vat ik hier nog eens samen. De nieuwe wet is gebaseerd op de richtlijn die begin 1999 geïmplementeerd moet zijn. De wet gaat uit van liberalisering van de elektriciteitsproductie. Met het oog op een zorgvuldige overgangssituatie houdt het wetsvoorstel wel rekening met de mogelijkheid dat het GPB onverhoopt niet tot stand zou komen. Juist daarom is via de nota van wijziging van 9 januari 1998 (kamerstukken II 1997/98, 25 621, nr. 9) een aantal specifieke voorzieningen in het wetsvoorstel opgenomen. Daartoe behoren ook de voorzieningen waar de leden van de VVD- en PvdA-fracties naar verwezen. In het debat met de Tweede Kamer is de mogelijkheid dat er geen GPB tot stand zou komen, expliciet aan de orde geweest. Daarvan uitgaande is er voor mij geen aanleiding te veronderstellen dat de Tweede Kamer thans extra regelingen zou willen treffen voor de productiesector.

Vooralsnog blijft de samenwerking tussen de betrokken productiebedrijven en de Sep geregeld in de OvS. Nu de fusie niet doorgaat zal, zodra de nieuwe Elektriciteitswet van kracht wordt, voor het beheer van het landelijk hoogspanningsnet een netbeheerder moeten worden aangewezen. Dit heeft gevolgen voor de structuur en statuten van de huidige Sep. De Sep is dan niet langer de «aangewezen vennootschap» in de zin van de Elektriciteitswet 1989 omdat deze functie in het nieuwe stelsel voor een belangrijk deel wordt overgenomen door de beheerder van het landelijk hoogspanningsnet (zie artikelen 10 en verder van het wetsvoorstel) en voor een ander deel komt te vervallen. Zodra de Elektriciteitswet 1989 wordt ingetrokken ontvalt de wettelijke grondslag aan deze overeenkomst en zal de OvS volledig onder de werking van de mededingingswetgeving vallen. Ik acht dit een juiste gang van zaken. Ook de elektriciteitssector zal aan deze wetgeving moeten voldoen.

Indien partijen er niet in zouden slagen de OvS tijdig aan te passen of te ontbinden kan het noodzakelijk zijn wat meer tijd te bieden voor het aanpassingsproces. Daartoe biedt artikel 77 van het wetsvoorstel de mogelijkheid bij ministeriële regeling te bepalen dat de overeenkomst nog maximaal een jaar na het intrekken van de Elektriciteitswet 1989 blijft gelden. Thans is niet aan te geven of het nodig zal zijn artikel 77 toe te passen.

Hetzelfde geldt voor artikel 76 van het wetsvoorstel. De daarin opgenomen vangnetbepaling strekt ertoe het betrouwbaar functioneren van de elektriciteitsvoorziening zo nodig veilig te stellen. Ik ga er overigens van uit dat partijen er zelf in zullen slagen om via het sluiten van contracten de leveringszekerheid te garanderen. De artikelen 76 en 77 van het wetsvoorstel geven voldoende basis om, ook in situaties waarin er geen GPB tot stand komt, zonodig het betrouwbaar functioneren van de elektriciteitsvoorziening zeker te kunnen stellen.

Aangezien in de nieuwe wet de productie van elektriciteit wordt vrijgelaten, vroegen de leden van de VVD-fractie waarom het structuurschema elektriciteitsvoorziening dan toch wordt gehandhaafd en welke betekenis na het van kracht worden van de nieuwe wet nog aan dat structuurschema moet worden toegekend.

Het geldende structuurschema elektriciteitsvoorzieningen (SEV) berust zowel op artikel 2a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) als op artikel 14 van de Elektriciteitswet 1989. Op grond van de WRO heeft het SEV een ruimtelijke reserveringsfunctie voor de aanleg van hoogspanningsverbindingen voor het transport van elektriciteit en voor productielocaties. Bij ruimtelijke besluitvorming (bestemmingsplannen) dient met het SEV rekening te worden gehouden. Door het handhaven van het SEV op basis van de WRO blijft deze ruimtelijke reserveringsfunctie behouden. Dat is de betekenis die na het van kracht worden van de nieuwe wet nog moet worden toegekend aan het bestaande SEV.

Daarnaast heeft het SEV tevens een normerende betekenis voor de besluitvorming op grond van de Elektriciteitswet 1989 over productieplanning. Deze functie van het SEV zal na het van kracht worden van de nieuwe wet verdwijnen, aangezien de nieuwe wet geen specifieke planningsregels stelt voor de productie van elektriciteit.

De leden van de CDA-fractie vroegen wat de gevolgen zijn van het mislukken van het GPB voor de positie van Nederland op de Europese elektriciteitsmarkt. Zij vroegen of de kansen groter zijn geworden dat de huidige bedrijven kandidaten worden voor overname door buitenlandse producenten. Tevens vroegen deze leden wat de gevolgen zijn voor het wetsvoorstel en voor de verhoudingen tussen productie, netbeheer en distributie. Voorts vroegen zij een nadere toelichting op een aantal geciteerde passages over het GPB uit de memorie van toelichting. De leden van de PvdA-fractie vroegen naar alternatieven voor het GPB. Zij wensten te weten welke andere samenwerkingsverbanden in Nederlands of internationaal verband mogelijk en aanvaardbaar worden geacht en of joint ventures of andere vormen van samenwerking in aanmerking komen, al dan niet vooruitlopend op vervreemding van aandelen. Ook vroegen zij welke relatie tot buitenlandse publieke elektriciteitsondernemingen acceptabel is, mede gezien de Europese regelgeving. De leden van de D66-fractie vroegen eveneens naar de effecten van het niet doorgaan van het GPB op de positie van de betrokken partijen op de Europese markt. Zijn er nog middelen om deze zaak in goede banen te leiden, zo vroegen zij.

Waar de leden van het CDA zeiden te citeren uit de memorie van toelichting ga ik ervan uit dat bedoeld is de nota naar aanleiding van het verslag, aangezien de desbetreffende citaten voorkomen in dit laatste document.

In mijn al genoemde brief aan u van 28 april heb ik aangeven dat het fusieproces de verantwoordelijkheid was en is van de betrokken aandeelhouders. Het ligt niet op mijn weg om in deze verantwoordelijkheid te treden. Bovendien ontbreken mij de juridische middelen om aandeelhouders tot een andere stellingname te brengen. Dit zou overigens neerkomen op een ongebruikelijk vergaande staatsbemoeienis met bevoegdheden die aandeelhouders krachtens het ondernemingsrecht toekomen, zonder dat daarvoor zwaarwichtige redenen als bijvoorbeeld dreigend gevaar van maatschappelijke ontwrichting aan ten grondslag liggen. Ik acht het uitoefenen van nadere druk ook niet verstandig omdat het voor een succesvolle toekomst van een bedrijf allereerst van belang is dat deze onderneming ten volle wordt gedragen door haar aandeelhouders. De aandeelhouders zijn bovendien niet over «één nacht ijs gegaan». Aan het besluit is een intensief proces voorafgegaan waarin is getracht tot overeenstemming te komen. Ik wees in dit verband o.a. naar de rol die de heren Langman en Kremers eind 1996 in dit proces hebben gespeeld.

Aangezien het betrouwbaar functioneren van de elektriciteitsvoorziening en de positie van afnemers, gelet op hetgeen daarover geregeld is in de nieuwe Elektriciteitswet, naar mijn overtuiging niet in gevaar komen, ligt de verantwoordelijkheid voor het vervolg expliciet bij de betrokken bedrijven. Ik acht het niet raadzaam te speculeren over mogelijke oplossingen.

Diverse andere vormen van samenwerking tussen productiebedrijven onderling en tussen distributiebedrijven en productiebedrijven zijn mogelijk. Toetsing van een nieuwe structuur zal zo nodig plaatsvinden door de Nederlandse Mededingingsautoriteit op basis van de Mededingingswet en door de Europese Commissie op grond van de artikelen 85 en 86 van het EG-verdrag en van de Concentratieverordening.

Samenwerking van Nederlandse producenten met buitenlandse bedrijven behoort uiteraard eveneens tot de mogelijkheden, bijvoorbeeld in de vorm van joint ventures. De Europese regelgeving verzet zich daar in beginsel niet tegen en ik zie daarin geen risicos voor de leveringszekerheid. Zodra de nieuwe Elektriciteitswet van kracht is zal op grond van artikel 71 tot en met 31 december 2002 iedere wijziging met betrekking tot de eigendom van de aandelen in een producent de instemming van de Minister van Economische Zaken behoeven. De minister kan zijn instemming onthouden, indien de eigendom van de aandelen in de producent zou worden overgedragen aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon buiten de kring van hen aan wie aandelen toebehoren in een producent die vergunninghouder was als bedoeld in artikel 1 van de Elektriciteitswet 1989 of zijn rechtsopvolger. Zolang nog geen zekerheid bestaat dat er garanties zijn voor een goede positionering van de netwerken en het belang van beschermde afnemers zal ik terughoudend zijn met het geven van deze toestemming.

De leden van de CDA-fractie vroegen waarop wordt gedoeld in de passage in de nota naar aanleiding van het verslag waarin wordt gesproken over de mogelijkheid dat indien het GPB onverhoopt niet tot stand mocht komen, bezien zal worden of de huidige structuur elementen bevat die zodanig bepalend zijn voor de waarborging van de Nederlandse elektriciteitsvoorziening dat hiervoor maatregelen getroffen moeten worden.

Gedoeld wordt hier op de problematiek die uiteindelijk is vervat in de artikelen 76 en 77 van het wetsvoorstel. Ten tijde van het uitbrengen van de nota naar aanleiding van het verslag was deze problematiek nog onvoldoende uitgekristalliseerd. Toen er begin januari jl. onvoldoende zekerheid was dat er een GPB tot stand zou komen heb ik besloten om bij nota van wijziging de huidige artikelen 76 en 77 op te nemen in het wetsvoorstel. Daarmee houdt het voorstel voldoende rekening met het niet tot standkomen van het GPB.

Ook vroegen deze leden naar de passage in de nota naar aanleiding van het verslag luidende «Als dit betekent dat dan gedurende een overgangsperiode de verhoudingen tussen netbeheer, productie en distributie gelijk zullen zijn aan de huidige situatie, met dien verstande dat de productie van elektriciteit vrij is.».

Deze passage bevat een fout. Het woord «Als» moet vervallen, zodat deze passage luidt: Dit betekent dat dan gedurende een overgangsperiode de verhoudingen tussen netbeheer, productie en distributie gelijk zullen zijn aan de huidige situatie, met dien verstande dat de productie van elektriciteit vrij is.»

De leden van de CDA-fractie vroegen ook wat wordt bedoeld met de zin «De solvabiliteit van de bedrijven zal, indien het GPB niet tot stand komt, voor volledige verantwoordelijkheid komen van de afzonderlijke bedrijven zelf.». De leden van de PvdA-fractie vroegen of de regering blijft bij haar standpunt dat de niet-marktconforme kosten, dus met name van Demkolec en van stadsverwarmingsprojecten, na het mislukken van het GPB niet voor vergoeding door de overheid in aanmerking komen.

In onder meer mijn brieven aan de Tweede Kamer van 9 januari 1998 (kamerstukken II 1997/98, 25 097 en 25 621, nr. 21), 12 februari 1998 (kamerstukken II 1997/98, 25 621, nr. 54) en 18 maart 1998 (kamerstukken II 1997/98, 25 621, nr. 75) ben ik ingegaan op het proces rondom de vorming van het GPB. In mijn brief van 9 januari 1998 heb ik mij bereid verklaard om bij te dragen aan het oplossen van het probleem van de niet-marktconforme kosten. Dit zou mogelijk zijn via gebruikmaking van een daartoe in de het wetsvoorstel opgenomen voorziening (artikel 75) en via de inzet van het bedrag op de Sep-balans dat ter beschikking staat van de Minister van Economische Zaken. Zoals ook blijkt uit bedoelde brief was deze bereidheid gekoppeld aan het tot stand komen van het GPB. Uitgangspunt in de discussie daarover was immers dat de efficiencyverbetering die via het GPB gerealiseerd zou worden in een lager kostenniveau tot uitdrukking zou komen, hetgeen in het voordeel zou zijn van de eindverbruikers van elektriciteit.

Als het GPB niet tot stand komt, zullen de bedrijven dekking van deze kosten op een andere wijze moeten zien te realiseren. In dit verband benadruk ik nog eens dat de beschermde afnemers op grond van de nieuwe Elektriciteitswet geen nadeel mogen ondervinden van het ontbreken van vrijheid in leverancierskeuze. In het wetsvoorstel is op uitdrukkelijk verzoek van de Tweede Kamer bepaald dat de tarieven voor de inkoop van elektriciteit betrokken worden bij het vaststellen van de tarieven voor de beschermde afnemers. Dit betekent dat geldende marktprijzen van vrije afnemers als basis zullen dienen voor de beoordeling van de tariefvoorstellen voor levering aan beschermde afnemers en dat niet-marktconforme kosten dus niet op de beschermde afnemers mogen worden afgewenteld.

Uit de door de leden van de CDA-fractie aangehaalde zinsnede mag worden afgeleid dat de solvabiliteit naar mijn mening te wensen overlaat. Dit betekent dat de solvabiliteit niet door tariefsverhogingen op het gewenste niveau kan worden gebracht. Aangezien verwacht mag worden dat de prijsconcurrentie als gevolg van de liberalisering de komende jaren snel zal toenemen, betekent dit vermoedelijk dat zowel de niet-marktconforme kosten als de verbetering van de solvabiliteit voor een belangrijk deel de verantwoordelijkheid van de aandeelhouders zijn.

Hoofdstuk 4. Liberalisering en netbeheer

De leden van de VVD-fractie vroegen of elektriciteitsnetten die geheel zijn gelegen op particuliere gronden al dan niet als onderdeel van het net in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel i, moeten worden beschouwd en tevens of ik bereid ben voor deze netten een ontheffing te verlenen voor het aanwijzen van een netbeheerder. Voorts vroegen deze leden om aan te geven welke voorschriften aan een ontheffing ex artikel 15 kunnen worden verbonden en of ik bereid ben deze voorschriften in een beleidsregel vast te leggen. Ook de leden van de fractie van D66 vroegen meer duidelijkheid over dit onderwerp.

In de toelichting op artikel 1, eerste lid, onderdeel i, heb ik aangegeven dat «installatie» weliswaar ruim dient te worden opgevat, maar tevens dat hieronder aan afnemerszijde dient te worden verstaan alles wat in de woning of vestiging van een afnemer elektriciteit verbruikt en dat het net reikt tot aan de meter of een elektriciteit verbruikende installatie van de afnemer. Hieronder vallen niet alle leidingen die geheel zijn gelegen op particuliere gronden. Voor zover die leidingen wel als netten moeten worden aangemerkt, maar daarop slechts enkele afnemers zijn aangesloten en er geen maatschappelijk belang is gediend met het aanwijzen van een netbeheerder over deze netten, ben ik bereid te bezien of een ontheffing kan worden verleend van die aanwijzingsplicht. Op voorhand is het evenwel geen gegeven dat alle leidingen die volledig liggen in particuliere gronden aan deze criteria voldoen.

Een van de belangrijkste doelstellingen van dit wetsvoorstel is een heldere en non-discriminatoire nettoegang. Vandaar dat de voorschriften die aan het verlenen van een ontheffing kunnen worden verbonden, vooral hierop betrekking hebben. Als algemeen uitgangspunt voor aan een ontheffing te verbinden voorschriften geldt dat derden die zijn aangesloten, wanneer zij dit willen, via dit net toegang dienen te hebben tot de rest van het Nederlandse netwerk tegen vergelijkbare voorwaarden en tegen een tarief gebaseerd op dezelfde tariefstructuur. Per specifiek geval dient echter te worden beoordeeld op welke wijze dit het best kan worden uitgewerkt. Ik meen dat op deze wijze recht wordt gedaan aan de wens van bepaalde neteigenaren geen netbeheerder aan te hoeven wijzen, terwijl anderzijds via de aan een ontheffing verbonden voorschriften ook bij deze netten toegang tegen redelijke voorwaarden voor derden is gegarandeerd. Het is thans nog niet goed mogelijk om voor al deze gevallen een algemene formulering te vinden die kan worden neergelegd in een beleidsregel.

De leden van de VVD-fractie vroegen hoe ik de naleving denk te kunnen controleren en af te dwingen van het in de artikelen 11 en 16 opgenomen verbod op bemoeienis met het netbeheer door aandeelhouders van de rechtspersoon waarin het netbeheer is ondergebracht. Zij wezen in dat verband op de bevoegdheden die aandeelhouders op grond van het vennootschapsrecht hebben en die verzekeren dat de aandeelhouder invloed heeft op het functioneren van de rechtspersoon.

Teneinde het onafhankelijk functioneren van het netbeheer te waarborgen doorbreekt het wetsvoorstel nu juist het algemene model van het vennootschapsrecht waarin belangrijke benoemings- en goedkeuringsbevoegdheden toekomen aan aandeelhouders. Daartoe is in artikel 11 van het wetsvoorstel voorgeschreven dat de rechtspersoon waarin het netbeheer wordt ondergebracht een raad van commissarissen dient te hebben die in meerderheid onafhankelijk moet zijn en waaraan strategische bevoegdheden toekomen. Dergelijke bevoegdheden komen dus niet toe aan de aandeelhouders. Op de naleving daarvan zal worden toegezien bij het verlenen van instemming met de aanwijzing van netbeheerders. Indien bij het functioneren van de netbeheerders vervolgens zou blijken – op basis van actief verworven informatie of na klachten – dat een netbeheerder onvoldoende onafhankelijk functioneert, kan de netbeheerder worden opdragen de nodige voorzieningen te treffen. Zo nodig kan de aanwijzing van de netbeheerder vervangen worden door de aanwijzing van een andere vennootschap als netbeheerder.

Uit artikel 18 leidden de leden van de VVD-fractie af dat een netbeheerder onderdeel kan zijn van een groep als bedoeld in artikel 24b van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Zij wezen er op dat binnen een groep altijd centrale leiding aanwezig zal zijn en dat zich met het onafhankelijk netbeheer niet verdraagt dat een andere vennootschap een centrale instructiebevoegdheid heeft ten opzichte van de netbeheerder. Deze leden vroegen daarom of een netbeheerder slechts onderdeel van een groep kan zijn indien deze binnen de groep de rol van aansturende moedermaatschappij vervult.

Een groep pleegt te bestaan uit een dominerende rechtspersoon en een aantal afhankelijke rechtspersonen die ten dienste van de werkzaamheid van de dominerende rechtspersoon daarmee duurzaam zijn verbonden. Het wettelijk vereiste onafhankelijke netbeheer zal in het algemeen betekenen dat de rechtspersoon waarin het netbeheer is ondergebracht niet kan worden aangemerkt als een zodanig afhankelijke rechtspersoon. Of de rechtspersoon waarin het netbeheer wordt ondergebracht tot een groep kan worden gerekend hangt evenwel in hoofdzaak af van de feitelijke constellatie. Daarbinnen is een groepsverhouding ook mogelijk tussen twee of meer dominerende rechtspersonen.

De leden van de CDA-fractie stelden vragen ten aanzien van de nutsfunctie van het netbeheer en de rol van de netbeheerder om de voorzieningszekerheid te waarborgen in relatie tot de hem toebedeelde wettelijke taken. Deze leden vroegen zich af waarom de taak om vermogen in te kopen niet expliciet is opgenomen in artikel 16, waarom de netbeheerder hierover geen informatie aan de directeur van de Dte dient te verschaffen en waarom in de artikelen 25 e.v. van het wetsvoorstel niets is opgenomen over het toezicht op de tarieven die de beheerder als «handelaar» in rekening brengt. Voorts vroegen deze leden of de netbeheerder de interrupties als gevolg van goedkope inkoop door marktpartijen ongedaan maakt door deze met zelf ingekochte elektriciteit te compenseren. De leden van de fractie van de PvdA vroegen, mede denkend aan de stroomstoring in juni 1997 in Midden-Nederland, naar de mogelijkheden van de netbeheerder om reservecapaciteit te contracteren tegen aanvaardbare voorwaarden.

De nutsfunctie van het netwerk, waarop ik ook in hoofdstuk 3 ben ingegaan, bestaat er uit dat deze het karakter heeft van een natuurlijk monopolie dat ten dienste staat van de gehele elektriciteitsmarkt. Door dit karakter wijkt de netwerkfunctie af van alle andere functies binnen de elektriciteitssector. Vanwege de gevolgen voor milieu en ruimtelijke ordening maar ook vanuit het oogpunt van efficiency is het niet goed denkbaar dat naast het huidige elektriciteitsnet voldoende andere landelijke netten zullen worden aangelegd om concurrentie tussen netten mogelijk te maken. Derhalve zijn overheidsmaatregelen noodzakelijk om dit net aan een ieder tegen gelijke voorwaarden ter beschikking te stellen. Dit geldt niet alleen voor het net als zodanig, maar tevens voor het, hier rechtstreeks aan verbonden, beheer van de netten. Dit netbeheer kent drie onderdelen, te weten het verzorgen van aansluitingen op het net, het verzorgen van transport van elektriciteit en het verzorgen van de systeemdiensten. Met de systeemdiensten worden die diensten bedoeld die veiligheid en betrouwbaarheid van het net en haar functies waarborgen (artikel 16, eerste lid, onder b). Het inkopen van stroom om daarmee onbalans in het net te compenseren is een centraal onderdeel van deze taak en behoeft daarom geen afzonderlijke vermelding. Deze onbalans ontstaat omdat afnemers en producenten in hun feitelijk gedrag wat betreft hoeveelheid stroom en tijdstip, altijd enigszins afwijken van de gesloten contracten. De netbeheerder zorgt ervoor dat de invoer in het net «iedere miliseconde» identiek is aan de uitvoer. De netbeheersfunctie is dan ook meeromvattend dan alleen het verzorgen van aansluiting en transport. Dit komt ook tot uitdrukking in artikel 16 en in de op het wetsvoorstel te baseren algemene maatregel van bestuur. Naast de taken die iedere netbeheerder heeft op grond van artikel 16, eerste lid, heeft de landelijk netbeheerder nog een aantal speciale taken, op grond van het tweede lid van artikel 16. Zo dient hij technische voorzieningen te treffen voor het geval door storingen het transport van elektriciteit in (een deel van) het net belemmerd wordt. Deze technische voorzieningen treft hij niet alleen voor zichzelf maar voor alle netbeheerders.

Het voorkomen en herstellen van storingen in het netwerk blijft net als onder de huidige wetgeving de verantwoordelijkheid van de netbeheerder. Het is juist tegen deze achtergrond dat in het wetsvoorstel aan het netbeheer regels op dit punt zijn gesteld. Het voorkómen c.q. oplossen van storingen in het netwerk behoort tot de kerntaken van de netbeheerder, waarvoor een deel van het nettarief als vergoeding dient. Daarnaast zal een producent met een afnemer af kunnen spreken dat ten tijde van pieken in de vraag niet voor die bepaalde afnemer wordt geproduceerd. Deze afnemer zal dan de opdracht krijgen om gedurende een afgesproken tijd af te schakelen, waardoor onderbreking in de levering kan ontstaan. Hiervoor kan de netbeheerder uiteraard niet verantwoordelijk worden gesteld. Voor afnemers kan een dergelijke «storing» aantrekkelijk zijn wanneer voor het leveringstarief in zijn geheel een lagere prijs kan worden bedongen. Afnemers kunnen zo kiezen voor een contract met een minder grote leveringszekerheid tegen een lagere prijs. Overigens kan een afnemer altijd reservecontracten sluiten voor periodes waarin hij gevraagd wordt af te schakelen, terwijl hem dat niet uitkomt. Op deze wijze kan iedere afnemer een portfolio samenstellen toegesneden op zijn eigen situatie.

In antwoord op de vragen over de netbeheerder in zijn rol als inkoper merk ik het volgende op. Omdat artikel 16 taken omvat voor de landelijk netbeheerder die hij ook voor de andere netbeheerders uitvoert, is het hem, conform het bepaalde in artikel 17, onderdeel a, toegestaan ten behoeve van de systeemdiensten capaciteit in te kopen. Gezien de afwijkende functie van de elektriciteit die de landelijk netbeheerder inkoopt en die rechtstreeks voortvloeit uit zijn netbeheerstaken, kan dan ook niet worden gesteld dat de landelijk netbeheerder een «handelaar» is in de gebruikelijke zin van het woord, omdat hij met de door hem ingekochte elektriciteit niet met andere handelaren concurreert om afnemers. De uitgaven hiervoor worden meegenomen in de vaststelling van de tarieven, omdat ze rechtstreeks uit de netbeheerstaak voortvloeien. Het tarieftoezicht van de directeur van de Dte heeft hier dus mede betrekking op.

De leden van de CDA-fractie vroegen om een indicatie van de omvang van het transporttarief als percentage van het totale kleinverbruikerstarief. Gemiddeld genomen bedraagt dit aandeel 35 à 40% van het totale tarief.

Enkele fracties hebben vragen gesteld met betrekking tot de eigendom van de elektriciteitsnetten. Zo vroegen de leden van de CDA-fractie hoe de eigendom van de netten precies geregeld is en op wiens balans de waarde van de netwerken zal worden weergegeven. Voorts vroegen deze leden wat wordt bedoeld met de zinsnede dat de hoogte van tarieven moet voorzien in een redelijke vergoeding aan de eigenaars voor het gebruik van de netwerken. De leden van de PvdA-fractie vroegen eveneens of de netwerken op de balans van de netbeheerders zullen worden geplaatst en voorts of de neteigenaren ten aanzien van de eigendom van de netten het beleid kunnen voeren dat hen het beste past, met behoud van de wettelijk vereiste verantwoordelijkheid van de netbeheerder.

Ingevolge het wetsvoorstel is de netbeheerder verantwoordelijk voor de volledige en juiste uitvoering van de wettelijke netbeheerstaken en dient hij over de daarvoor benodigde bevoegdheden te beschikken. Indien het netbeheer ondergebracht zou worden in een vennootschap waaraan niet tevens het volledige eigendom van het net toekomt, vloeit daarom uit de wettelijke regeling voort dat wel de centrale zeggenschaps- en beheersrechten over het net (contractueel) dienen te worden ondergebracht bij de vennootschap waarin het netbeheer is ondergebracht. In de nota naar aanleiding van het verslag is aangegeven dat hieraan wordt voldaan indien op grond van een daartoe gesloten overeenkomst het economisch eigendom van het net bij de netbeheers-vennootschap zal liggen. Van economisch eigendom is sprake indien op grond van contractuele rechten en verplichtingen ten aanzien van een zaak, een ander dan de juridisch eigenaar van die zaak beheers- en zeggenschapsrechten ten aanzien daarvan heeft en in verband daarmee ook het risico draagt van waardeverandering van de zaak. De aanwezigheid van economisch eigendom wordt dus geconstateerd aan de hand van de inhoud van rechtsverhoudingen. Hierbij kan het bijvoorbeeld gaan om de inhoud van een zogenaamde beheersovereenkomst. Een beheersovereenkomst en economisch eigendom zijn dus géén elkaar uitsluitende alternatieven. Integendeel, uit de inhoud van een beheersovereenkomst kan onder omstandigheden juist worden afgeleid bij wie het economisch eigendom van de zaak berust.

Bij de aanwijzing van netbeheerders hanteer ik de hier geschetste benadering. Overigens merk ik nog op dat ingevolge het jaarrekeningrecht steeds een getrouw beeld moet worden gegeven van de economisch relevante vermogenspositie van de vennootschap. Vanuit dat oogpunt ligt het voor de hand dat de vennootschap die daadwerkelijk beschikt over het geheel van de netbeheerdersbevoegdheden het net op haar balans activeert.

In antwoord op de vraag wat precies wordt bedoeld met vergoedingen aan neteigenaren voor gebruik van het netwerk onderstreep ik dat het hierbij primair gaat om uitkeringen op de aandelen van deze neteigenaren.

De leden van de PvdA-fractie gaven aan een voorkeur te hebben voor een aparte, onafhankelijke organisatie die de zorg draagt voor het netbeheer. Deze leden stelden tevens de vraag of ook is gekeken naar alternatieven om de publiekrechtelijke sturing van netbeheerders te regelen. Tenslotte vroegen zij nog of het alsnog opleggen van de eisen van een structuur-NV, wanneer mocht blijken dat de huidige structuur onvoldoende leidt tot een onafhankelijke netbeheerder, niet gedwarsboomd kan worden door wetgeving gebaseerd op de bevindingen van de commissie-Peters. Ook de leden van de fractie van D66 vroegen aandacht voor de onafhankelijkheid van de netbeheerders. Zij vroegen of nog eens kort aangegeven kon worden waarom de huidige positionering van de netbeheerders de onafhankelijkheid van de netbeheerder waarborgt. Tevens vroegen deze leden naar het waarom van het instemmingsrecht van de minister bij de benoeming van leden van de raad van commissarissen van de landelijk netbeheerder.

Ik deel de mening van de fracties van PvdA en D66 dat een onafhankelijk netbeheer een van de peilers vormt van het voorliggende wetsontwerp. Dit is dan ook de reden voor het opnemen van bepalingen die deze onafhankelijkheid waarborgen. Achtereenvolgens gaat het hierbij om het volgende:

het beheer van de netwerken moet worden ondergebracht in afzonderlijke vennootschappen;

deze vennootschappen zullen een eigen raad van commissarissen (RvC) kennen die in meerderheid uit onafhankelijke leden zal bestaan, waarbij de Minister van Economische Zaken bij de benoeming van commissarissen van de landelijk netbeheerder een instemmingsrecht heeft;

doordat deze commissarissen de wettelijke bevoegdheid hebben om daartoe aangewezen besluiten goed te keuren, worden aandeelhouders van bemoeienis met deze besluiten uitgesloten;

het bestuur van de netbeheerder en de meerderheid van de RvC mogen noch direct noch indirect binding hebben met producenten, leveranciers of aandeelhouders;

producenten, leveranciers of aandeelhouders mogen op geen enkele wijze toegang hebben tot strategische informatie van de netbeheerder;

na aanwijzing van een aparte netbeheerder mogen producenten of leveranciers zelf geen netbeheer meer uitvoeren;

tevens mogen producenten, leveranciers en aandeelhouders op geen enkele wijze invloed hebben op de zelfstandige netbeheersbevoegdheid van de netbeheerder bij aanleg, gebruik en onderhoud van de netten;

de verplichting van netbeheerders om producenten en afnemers aan te sluiten en voor hen elektriciteit te transporteren alsmede netten onderling te koppelen;

netbeheerders mogen geen andere activiteiten verrichten dan het beheren van netten, waarbij een uitdrukkelijk verbod op discriminatie geldt;

geen oneigenlijke bevoordeling van producenten en energieleveranciers door de «eigen» netbeheerder;

toezicht op naleving van deze bepalingen door de toezichthouder;

geschillenbeslechting door de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) met betrekking tot de toegang tot de netwerken.

Uit contacten met de sector blijkt ook dat deze volop bezig is om, rekening houdend met deze bepalingen, het netbeheer vorm te geven. Met het geheel van de hierboven opgesomde eisen wordt overigens niet beoogd om synergiewinsten die kunnen worden bereikt op het operationele niveau, teniet te doen. Operationele taken hoeven dan ook niet in een aparte organisatie te worden ondergebracht. Ook hoeven op dit gebied taken voor gas, warmte, koude, water en elektriciteit niet te worden afgezonderd. Dit betekent dat onder hetgeen geregeld wordt op operationeel vlak synergie mogelijk is en blijft. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het feitelijke werk met betrekking tot het in werking hebben, het onderhoud en de aanleg van netten. Het grootste deel van de aan het netwerk gerelateerde activiteiten van de huidige distributiebedrijven is hiermee gemoeid, namelijk ruim 80 procent.

Het is het geheel van de hier genoemde maatregelen die maken dat de gewenste vrije toegang tot de netwerken naar mijn overtuiging op adequate wijze wordt gewaarborgd en dat verdergaande, absolute scheiding van de netwerken niet noodzakelijk is.

De leden van de PvdA-fractie stellen dat de consistentie binnen het leidinggebonden energie-systeem gediend is met eenzelfde organisatie van de netwerken voor gas en elektriciteit. De leden van de fracties van SGP, RPF en GPV stelden dat synergievoordelen van een gecombineerd infrastructuurbeheer verloren gaan door verschillen in benadering van de elektriciteits- en de gasvoorziening. Daarbij wezen deze leden in het bijzonder op de ongelijkheid die ontstaat tussen horizontaal geïntegreerde energiebedrijven en mono-gasbedrijven. Zij meenden dat horizontale integratie in het verleden nu juist terecht is gestimuleerd.

Ik ben van mening dat naast de consistentie andere factoren een rol spelen. Enerzijds is sprake van verschillen tussen de gassector en de elektriciteitssector. Dit wordt geïllustreerd doordat in Europees verband aparte richtlijnen zijn beoogd en door de mate waarin marktwerking op Europese schaal is ontwikkeld in de gassector. Met name dit laatste vraagt nadrukkelijker om aan te sluiten bij het tempo van liberalisering in concurrerende lidstaten. Anderzijds is het niet mijn bedoeling de zich ontwikkelde horizontale integratie tussen gas en elektriciteit bij de distributiebedrijven te doorkruisen. Ik heb na afweging van een en ander bewust gekozen voor een stapsgewijze aanpak bij de liberalisatie van de elektriciteits- en de gasvoorziening. Ik erken dat daardoor voor de horizontaal geïntegreerde distributiebedrijven met het wetsvoorstel gedurende enige tijd een gecompliceerde situatie kan ontstaan. Juist om synergievoordelen niet verloren te laten gaan is het ingevolge artikel 17 van het wetsvoorstel uitdrukkelijk toegestaan aan netbeheerders om ook activiteiten op het gebied van andere energie-infrastructuren te verrichten. Het wetsvoorstel heeft geen betrekking op mono-gasbedrijven en beperkt dus niet de mogelijkheid om desgewenst mono-gasactiviteiten te organiseren. Binnen de voorwaarden die het wetsvoorstel stelt aan het beheer van elektriciteitsnetten, zijn horizontaal geïntegreerde energiebedrijven vrij hun activiteiten zodanig te structureren dat er ten opzichte van mono-gasbedrijven geen ongelijkheid ontstaat in marktposities. Op termijn zal naar mijn oordeel overigens geen sprake zijn van een dergelijke ongelijkheid, gezien de voortgaande internationale beweging naar integratie tussen elektriciteits- en gasmarkten.

Ten aanzien van de bevindingen van de commissie-Peters ben ik het met de leden van de PvdA-fractie eens dat een inperking van de bevoegdheden van aandeelhouders ten gunste van de raad van commissarissen of het bestuur van een onderneming, in zijn algemeenheid strijdig is met deze bevindingen. In het belang van een onafhankelijk netbeheer beoogt het wetsvoorstel juist om het algemene model van het vennootschapsrecht waarin belangrijke benoemings- en goedkeuringsbevoegdheden toekomen aan aandeelhouders te doorbreken. Dit is noodzakelijk om het onafhankelijk functioneren van het netbeheer te kunnen waarborgen, rekening houdend met de bijzondere positie van de aandeelhouders. Zij hebben ten aanzien van het netwerk een dubbele verantwoordelijkheid en positie, omdat zij tegelijkertijd eigenaar zijn van de netten en concurrent met derden op de netten. Alternatieve mogelijkheden zoals door de leden van de PvdA-fractie aangegeven, heb ik intussen onderzocht. Na afweging van voor- en nadelen heb ik echter een voorkeur voor een voor iedereen heldere, wettelijke regulering, boven alternatieve mogelijkheden om een onafhankelijk netbeheer af te dwingen.

In antwoord op de vraag van de leden van de fractie van D66 over het instemmingsrecht van de Minister van Economische Zaken bij de benoeming van commissarissen in de RvC van de landelijk netbeheerder merk ik op dat de reden hiervoor is gelegen in het feit dat de positie van deze netbeheerder nog meer dan de overige netbeheerders cruciaal is voor een veilig en betrouwbaar functioneren van het netwerk en daarmee voor de voorzieningszekerheid. Dit wordt mede weerspiegeld in de extra bevoegdheden die de landelijk netbeheerder heeft op grond van artikel 16, tweede lid, die hij niet alleen ten behoeve van zichzelf uitoefent, maar mede ten behoeve van de andere netbeheerders.

De leden van de PvdA-fractie vroegen een reactie op het in de brochure «Warmte/kracht: kiezen voor de toekomst» gedane voorstel van het Projectbureau Warmte/Kracht (PW/K) om aan zowel producenten als afnemers de door hen veroorzaakte netkosten in rekening te brengen, omdat dit een meer correcte wijze van toerekening van kosten zou zijn.

Allereerst blijkt uit de inhoud van de brochure van PW/K dat dit een reactie is op een voorstel dat door de productie- en distributiebedrijven werd ontwikkeld voor een nieuwe tariefstructuur voor nettarieven. PW/K lijkt in zijn brochure ten onrechte bij voorbaat er van uit te gaan dat dit voorstel van de sector de basis voor de toekomstige tarieven zal zijn. Ik wijs erop dat het voorstel zal moeten voldoen aan de algemene maatregel van bestuur die op basis van artikel 27 nadere regels stelt voor de toekomstige tarieven en tariefstructuren. Ik heb in dit verband onderzoek laten doen naar de mogelijke principes die bij de tarifering van de netwerkdiensten een rol kunnen spelen en welke keuzes dienen te worden gemaakt. Met name wat betreft de vraag bij wie de tarieven in rekening dienen te worden gebracht worden op dit moment nog alternatieve mogelijkheden bezien. Ik zal hierover op korte termijn besluiten nemen en in verband met het ontwerp voor de desbetreffende algemene maatregel van bestuur. Voor deze maatregel geldt overigens overeenkomstig artikel 61 een zware voorhangprocedure.

Hoofdstuk 5. Liberalisering en beschermde afnemers

De leden van de fracties van SGP, RPF en GPV vroegen hoe de nieuwe wet inhoud geeft aan het aspect voorzieningszekerheid. Welke partij is aansprakelijk op een gegarandeerde elektriciteitslevering, zo vroegen zij, de landelijk netbeheerder of elke regionale netbeheerder?

Ten behoeve van de voorzieningszekerheid bevat de nieuwe wet bepalingen op grond waarvan een ongestoord transport van elektriciteit zeker gesteld moet worden en elektriciteit moet worden geleverd aan beschermde afnemers. Wat betreft het transport dient elke netbeheerder de veiligheid en betrouwbaarheid van de door hem beheerde netten te waarborgen en elektriciteitstransport over die netten te verrichten. Daarenboven is de landelijk netbeheerder verantwoordelijk voor het op voldoende spanning houden van het gehele netwerk en voor het regelen van een constante frequentie op dat netwerk. Ingeval van (dreigende) storingen dient de landelijk netbeheerder de spanning en frequentie te herstellen. Daartoe dient hij leveringscontracten te sluiten met producenten, op grond waarvan op elk door hem gewenst tijdstip elektrisch vermogen ter beschikking wordt gesteld. Het is echter evident dat alle netbeheerders zeer nauw en zeer goed moeten samenwerken. Dat is ook de reden dat, op grond van de artikelen 25 en 26 van het wetsvoorstel voorwaarden voor het netbeheer door de directeur van de Dte moeten worden vastgesteld op grond van een voorstel van de gezamenlijke netbeheerders.

Wat betreft de levering aan beschermde afnemers dient verzekerd te zijn dat die afnemers in geval van klachten over leveringsonderbrekingen steeds één enkel aanspreekpunt hebben, namelijk hun leveringsbedrijf. Dit bedrijf is aanspreekbaar op de nakoming van de wettelijke leveringsverplichting. Dat betekent dat een vergunninghouder zich ten opzichte van een beschermde afnemer niet dient te kunnen beroepen op onmogelijkheid van levering als gevolg van gebreken elders in de keten van de elektriciteitsvoorziening. Bij de verlening van leveringsvergunningen zal hierop in het kader van de leveringsvoorwaarden worden toegezien. Een en ander laat uiteraard onverlet dat het leveringsbedrijf in voorkomend geval een aansprakelijkheidsclaim kan hebben tegenover andere bij de elektriciteitsvoorziening betrokken partijen.

Verder stelden de leden van de VVD-fractie voor de kwestie van aansprakelijkheid voor schade als gevolg van stroomstoringen te regelen als onderdeel van de vergunningvoorwaarden. Het vaststellen van die aansprakelijkheid aan de hand van de regels van het Burgerlijk Wetboek zou volgens deze leden namelijk een onoverkomelijke bewijslast opleveren voor de beschermde afnemer.

Een goede wijze van afhandeling van klachten over de stroomvoorziening dient onderdeel te zijn van de algemene leveringsvoorwaarden van vergunninghouders. Met het oog daarop bepaalt artikel 37 van het wetsvoorstel dat een vergunning voor levering aan beschermde afnemers alleen wordt verleend indien de aanvrager genoegzaam aantoont dat voldoende voorzieningen zijn getroffen om te kunnen voldoen aan de leveringsverplichting jegens beschermde afnemers. Daarbij is uitdrukkelijk vastgelegd dat ook de leveringsvoorwaarden en de voorwaarden voor klachtenbehandeling tot die voorzieningen worden gerekend. Die voorwaarden dienen redelijk te zijn. Op het punt van de aansprakelijkheid is momenteel overleg gaande tussen EnergieNed en de Consumentenbond. De uitkomsten van dit overleg zullen worden meegenomen in de bij de vergunning op te stellen voorwaarden.

Naast de vergunningverlening zal op grond van de (technische) voorwaarden voor de uitvoering van het netbeheer toezicht worden gehouden op het waarborgen door netbeheerders van de veiligheid en betrouwbaarheid van netten en op het treffen van voorzieningen om storingen zoveel mogelijk te voorkomen en op te lossen.

Een en ander laat onverlet dat de aansprakelijkheid en de schadeplichtigheid bij het niet nakomen van wettelijke en contractuele verplichtingen, óók indien die betrekking hebben op het leveren van elektriciteit, naar mijn oordeel vastgesteld dienen te worden op basis van de regels die het Burgerlijk Wetboek daarvoor geeft. Ik verwijs in dit verband naar recente ervaringen met jurisprudentie over algemene leveringsvoorwaarden en aansprakelijkheid van energiebedrijven voor schade tengevolge van leveringsonderbrekingen. Zo heeft de Hoge Raad bij arrest van 16 mei 1997 de beslissing van het Gerechtshof Den Haag bevestigd waarin tegenover consumenten onredelijk bezwarend wordt geacht een voorwaarde waarmee aansprakelijkheid voor zaakschade als gevolg van stroomonderbreking volledig wordt uitgesloten. En recent heeft de Geschillencommissie openbare nutsbedrijven in de zaak betreffende de stroomstoring van eind juni 1997 in het leveringsgebied van energiebedrijf Remu beslist dat het bedrijf zich niet kan beroepen op overmacht bij een stroomstoring, als deze storing het gevolg is van tekortkomingen die aan de leverancier van Remu kunnen toegeschreven. Bovendien konden algemene voorwaarden waarbij een aftrek van f 300,– per schadegebeurtenis en omkering van de bewijslast wordt voorgeschreven als nietig worden aangemerkt, vanwege strijd met artikel 6:236 van het Burgerlijk Wetboek.

Daarvan uitgaande, ben ik van oordeel dat het niet noodzakelijk is terzake nadere regels te stellen, mede gelet op hetgeen op grond van de vergunningseisen omtrent aansprakelijkheid moet worden opgenomen in de leveringsvoorwaarden.

De leden van de CDA-fractie wensten meer duidelijkheid over de betekenis van de keuzevrijheid voor de individuele kleinverbruikers.

Vanaf 2007 zijn de individuele kleinverbruikers vrij in hun keuze van leverancier voor elektriciteit, ongeacht de locatie van de leverancier, aangezien voor het transport van elektriciteit sprake zal zijn van een afstandsonafhankelijk tarief. Dit betekent dat een klant die bijvoorbeeld een aansluiting heeft op het netwerk in Maastricht, kan kiezen voor een leverancier in Groningen zonder dat hij meer hoeft te betalen voor het transport. Deze keuze leidt er toe dat er daadwerkelijk sprake zal zijn van concurrentie tussen leveranciers.

In toenemende mate zal er bij het handelen in en leveren van elektriciteit sprake zijn van een «gewone» markt waarin verschillen tussen de aanbieders op de markt optreden. Het is in het belang van deze aanbieders om hun klanten duidelijk te maken wat zij te bieden hebben en welke meerwaarde zij menen te kunnen leveren ten opzichte van hun concurrenten. De klant zal op basis van informatie die hem wordt verstrekt een keuze kunnen maken. Als de klant ontevreden is over de geleverde diensten en prestaties staat het hem vrij na afloop van het bestaande contract, een contract te sluiten met een andere leverancier.

De leden van de CDA-fractie wensten meer informatie over de te verwachten voor- en nadelen voor de (klein)verbruikers van privatisering van energiebedrijven. Zij verwezen hierbij naar de in de memorie van toelichting genoemde efficiencyverbeteringen van f 450 mln tot f 1 mld. Zij vroegen zich hierbij af of ik nu zou kunnen aangeven welke bedrijven nog efficiencyverbeteringen nodig zouden hebben om een gezonde positie op de markt te kunnen innemen en waar die efficiencyverbeteringen zouden neerslaan.

De te behalen efficiencywinsten waar de CDA-fractie naar verwijst, zullen niet het gevolg zijn van privatisering, aangezien privatisering voorlopig nog niet aan de orde is. Op het moment dat privatisering mogelijk is, zal ik er op toezien dat dit geen nadelige effecten heeft op de positie van de kleinverbruikers. De efficiencyvoordelen die in de komende jaren optreden zullen het gevolg zijn van de introductie van marktwerking in de elektriciteitssector. De omvang van deze efficiencyvoordelen is vooraf niet exact te bepalen, aangezien dit van een groot aantal factoren afhankelijk is, zoals de snelheid waarmee het liberaliseringsproces op gang komt.

Momenteel wordt gewerkt aan het ontwikkelen van een systematiek voor tarieftoezicht. Uitgangspunt hierbij is dat de efficiencyvoordelen zullen worden doorberekend in de tarieven van de kleinverbruikers. Efficiencyverbeteringen zijn in meerdere of mindere mate nodig en mogelijk bij alle bedrijven in de energiesector.

De leden van de CDA-fractie vroegen zich af of de efficiencyvoordelen ook zouden kunnen neerslaan in de fiscale afdrachten, naast de in de memorie van toelichting genoemde mogelijkheden betreffende de tarieven en de winsten van de bedrijven.

Indien als gevolg van efficiency-verbeteringen een stijging van de winsten optreedt, betekent dit eveneens een verhoging van de fiscale afdrachten, aangezien de vennootschapsbelasting wordt geheven over de winst van de bedrijven.

De leden van de CDA-fractie vroegen of het zo is dat na 2007 de overheid niets meer te vertellen heeft over de prijzen, tarieven en winsten van onder meer leveranciers. Gedurende het liberaliseringsproces zal elektriciteit in toenemende mate een product worden als alle andere producten die via de markt worden verhandeld. In 2007 zal het liberaliseringsproces zijn voltooid. Daarbij past dan ook dat de overheid niet meer regulerend optreedt ten aanzien van de tarieven voor levering van elektriciteit. Prijzen voor elektriciteit zullen via de markt tot stand komen. Het systeem van maximumtarieven zal, zo leert ook de internationale ervaring, niet meer noodzakelijk zijn; bij toenemende mededinging zullen vanzelf marktconforme prijzen worden gerekend.

De leden van de fractie van D66 vroegen om informatie over het toegezegde overleg over de levering van elektriciteit aan beschermde afnemers door gasdistributiebedrijven.

Een eerste overleg heeft inmiddels plaatsgevonden. Daarbij is namens mij nog eens duidelijk gemaakt dat de ontwikkeling van kleine warmtekrachtcentrales (WKK) door onder meer gasdistributiebedrijven zeer wel mogelijk is. De elektriciteit die daarmee wordt opgewekt mag evenwel niet rechtstreeks worden geleverd aan beschermde afnemers. Daarbij is op grond van artikel 36 van het wetsvoorstel tussenkomst van een vergunninghouder nodig. Zolang de WKK-installaties vallen onder de definitie van beschermde afnemer in artikel 1 van het wetsvoorstel, zal de Minister van Economische Zaken op grond van artikel 51 de tarieven van deze teruglevering vaststellen. Conclusie in het overleg was dat veel afhankelijk zal zijn van de wijze waarop deze tarieven zullen worden vastgesteld. Ik blijf overigens van mening dat in het wetsvoorstel een evenwichtig stelsel van rechten en plichten met betrekking tot de levering van elektriciteit aan beschermde afnemers is opgenomen.

Hoofdstuk 6. Privatisering en vennootschapsbelasting

De leden van de VVD-fractie wilden weten waarom niet is gekozen voor een langzamere invoering van vennootschapsbelasting dan thans is voorgestaan. Daarbij vroegen zij of ik alsnog bereid ben om via artikel 68 van het wetsvoorstel te bewerkstelligen dat gedurende een langere periode geen vennootschapsbelasting behoeft te worden betaald.

De vennootschapsbelasting voor energiebedrijven richt zich zowel op de monopolie-activiteiten als op activiteiten die in concurrentie worden uitgevoerd. De wijze waarop de fasering van de vennootschapsbelasting wordt vormgegeven is neergelegd in het wetsvoorstel. In het kader van een gezonde overgangssituatie werd het niet wenselijk geacht al in 1998 volledige belastingheffing te introduceren. Uitgangspunt is geweest dat de fasering zoveel mogelijk moet aansluiten bij de mate van liberalisering van de elektriciteitssector en dat zo snel mogelijk een marktconforme situatie zou moeten worden bereikt. Ik acht het derhalve niet wenselijk over te gaan tot een verlenging van de periode waarover door de bedrijven geen belasting hoeft te worden betaald over hun winst.

De leden van de CDA-fractie wilden weten hoe hoog de afdrachten uit de vennootschapsbelasting zullen zijn zodra de belasting volledig is ingevoerd.

De afdrachten uit de vennootschapsbelasting zijn afhankelijk van de gerealiseerde winst van de bedrijven. Onlangs gemaakte winstprognoses leiden tot een afdracht op termijn van ongeveer 600 miljoen gulden per jaar voor de productie- en distributiesector tezamen.

De leden van de PvdA-fractie wilden weten of het redelijk is om ook het vervreemden van kleine aandelenpakketten tegen te gaan, mede bezien vanuit de positie van de lagere overheden.

Het toestaan van de vervreemding van een bepaald percentage van de aandelen heeft een aantal nadelen. In de eerste plaats is het lastig een grens te trekken wat betreft de omvang van het deel van de aandelen dat vervreemd mag worden. Verder creëert de mogelijkheid een percentage te vervreemden onrust tussen aandeelhouders; wie mag wel verkopen en wie niet? Daarom ben ik van mening dat het ten behoeve van de helderheid en van een geordende overgangssituatie te verkiezen is om iedere vervreemding van aandelen in de netbeheerder en in leveranciers aan beschermde afnemers tot 2003 en maximaal tot 2007 alleen na instemming van de Minister van Economische Zaken te laten geschieden. Overigens is het voor gemeenten die geen aandeelhouder meer willen blijven mogelijk hun aandelen te vervreemden binnen de huidige kring van aandeelhouders. Dat wil zeggen dat een gemeente haar aandelen mag overdragen aan een andere gemeente, een provincie die thans al aandeelhouder is in een energiebedrijf of de uitgever van de aandelen. het energiebedrijf zelf.

Daarnaast vroegen de leden van de PvdA-fractie hoe stringent de artikelen 71 en 72 dienen te worden uitgelegd.

Ten behoeve van het beoordelen van verzoeken om instemming met vervreemding van aandelen zal een aantal toetsingscriteria worden ontwikkeld, die als richtlijn bij te behandelen verzoeken zullen gelden. Aan de hand daarvan dient te kunnen worden beoordeeld in welke mate de overdracht van aandelen zou leiden tot een wijziging in de zeggenschapsverhoudingen die een nadelig effect kan hebben op de positie van beschermde afnemers en op de non-discriminatoire toegang tot de netwerken.

Verder wensten de leden van de PvdA-fractie opheldering over de ratio achter de leden 1 en 2 van artikel 72. Zij vroegen zich af of terugwerkende kracht hier een te rechtvaardigen middel is. Deze leden en de leden van de D66-fractie wilden ook weten of het verbod op de vervreemding van aandelen niet in strijd is met het Europese recht.

Het eerste en tweede lid zijn bedoeld voor eigendomswijzigingen tussen 1 juli 1996 en de datum van aanwijzing van de netbeheerder respectievelijk de datum waarop de aanvraag van een leveringsvergunning wordt ingediend. De datum van 1 juli 1996 is gekozen in verband met het tijdstip waarop ik bekendgemaakt heb privatisering van elektriciteitsbedrijven in de overgangsperiode onwenselijk te achten, hetgeen is gebeurd in de 4 juli 1996 gepubliceerde notitie «Stroomlijnen naar een markt voor elektriciteit».

Indien een vervreemding van aandelen in die periode zou hebben plaatsgevonden, is voor de aanwijzing van de netbeheerder en verlening van de leveringsvergunning de instemming van de Minister van Economische Zaken vereist in die zin dat er geen bedenkingen zijn tegen de aandelenvervreemding. Deze regeling acht ik gerechtvaardigd aangezien tijdig bekendheid is gegeven aan hetgeen daarin is opgenomen en de regeling noodzakelijk is om te voorkomen dat aandeelhouders snel voor het van kracht worden van de nieuwe wet zouden trachten hun aandelen te vervreemden.

Artikel 52 van het EG-verdrag garandeert bedrijven de vrijheid van vestiging. Hierop kan een beperking worden aangebracht indien het algemeen belang dit noodzakelijk maakt en de beperking niet verder gaat dan nodig is dat belang. Ik acht de voorgestelde tijdelijke vereiste instemming met vervreemding noodzakelijk vanuit het gezichtspunt van het garanderen van leveringszekerheid en een goede marktwerking, teneinde een geordende overgang van een nutssector naar een marktsector te kunnen bewerkstelligen. Daarvan uitgaande, is de regeling naar mijn oordeel in overeenstemming met het proportionaliteits- en noodzakelijkheidscriterium en derhalve niet strijdig met het EG-recht.

Hoofdstuk 7. Duurzame elektriciteitsvoorziening en besparing

De leden van de D66-fractie vroegen of de minister de mening deelt dat het wetsvoorstel de grootschalige productie van elektriciteit bevoordeelt boven WKK en opwekking van duurzame energie.

Onder de Elektriciteitswet 1989 hadden grootschalige producenten andere rechten en plichten dan kleinschalige producenten. Met het wetsvoorstel wordt beoogd op korte termijn gelijke uitgangsposities te creëren voor alle producenten van elektriciteit in Nederland. Alleen voor kleinschalige opwekking zullen, zolang afnemers beschermd zijn, producenten beschermd zijn. Deze bescherming komt tot uitdrukking in artikel 51 van het wetsvoorstel, op grond waarvan de minister de tarieven voor teruglevering vaststelt. Uitgangspunt hierbij is dat kleinschalige producenten niet onder nadeliger voorwaarden of tegen een structureel slechtere prijs stroom opwekken dan andere producenten. Er is derhalve geen sprake van bevoordeling van grootschalige productie.

Ook vroegen de leden van de D66-fractie naar de rol van de minister bij de vaststelling van de tariefstructuur en het stimuleren van alternatieve energie.

Het wetsvoorstel introduceert met het systeem van groene stroomcertificaten een ontkoppeling tussen de fysieke levering van elektriciteit aan afnemers en het verkopen van groene stroomcertificaten. Er ontstaan daardoor twee separate markten. Producenten van groene stroom verkopen hun stroom op de gewone elektriciteitsmarkt, waar ook andere producenten actief zijn, tegen gangbare marktprijzen. Stroom die duurzaam is opgewekt verschilt als eindproduct immers niet van andere elektriciteit. De algemene maatregel van bestuur over de tariefstructuur behoeft wat dat betreft dan ook geen specifieke regeling te treffen voor groene stroom. Dit geldt voor de structuur van het nettarief, die de directeur van de Dte vaststelt, en voor de structuur van de terugleververgoeding die de Minister van Economische Zaken vaststelt. Met het systeem van groene stroomcertificaten hebben producenten die op duurzame wijze elektriciteit opwekken, in tegenstelling tot «gewone» producenten, de mogelijkheid certificaten te verkopen. Op deze manier kunnen zij extra inkomsten genereren ter dekking van de hogere productiekosten voor duurzame elektriciteit.

De leden van de D66-fractie vroegen hoe een systeem van groene stroomcertificaten zich verhoudt tot de import van bijvoorbeeld Noorse waterkracht.

Als het systeem van groene stroomcertificaten wordt ingevoerd, kunnen ook producenten van duurzame elektriciteit uit het buitenland in Nederland onder bepaalde voorwaarden groene stroomcertificaten aanvragen. De eisen aan de productie en levering door buitenlandse producenten zijn dan dezelfde als die waaraan producenten in Nederland moeten voldoen. Dit betekent dat bijvoorbeeld alleen Noorse waterkracht uit centrales kleiner dan 15 MW in aanmerking komt voor certificaten, conform artikel 53, tweede lid, onderdeel b, van het wetsvoorstel. Bovendien moet de Noorse producent een contract hebben met leveranciers of afnemers in Nederland voor de levering van de stroom waarvoor hij een certificaat vraagt. Dit laatste is geregeld om de mogelijkheid in te perken dat de producent van groene stroom meerdere malen het verschil in kosten tussen duurzame opwekking en andere opwekking kan incasseren. Voor grootschalige waterkracht – het overgrote deel van de elektriciteitsopwekking in Noorwegen – worden geen certificaten verstrekt. Dat is niet nodig omdat deze technologie ook nu al zonder meer rendabel is en geen stimulering behoeft.

Tot slot vroegen de leden van de D66-fractie naar mijn visie op de veranderingen in het instrumentarium voor energiebesparing als gevolg van de liberalisering.

Ook in een geliberaliseerde markt is energiebesparingsbeleid belangrijk. In de wet is daarom een aantal voorzieningen opgenomen om de voortgang van de energiebesparing in de geliberaliseerde markt te waarborgen. Ten eerste hebben producenten en leveranciers tot taak besparing te bevorderen, ook bij de afnemers (artikel 50). Zij moeten om het jaar verslag doen van daarop gerichte activiteiten. Bovendien is in genoemd artikel de mogelijkheid opgenomen een heffing op het transport in te voeren, indien uit de verhoging van de regulerende energiebelasting (REB) geen extra geld beschikbaar komt voor het na 2000 voortzetten van activiteiten zoals bedoeld in milieu-actieplannen (MAP) van distributiebedrijven. Deze regeling kan energiebesparing in een geliberaliseerde markt waarborgen. De heffingsmogelijkheid heeft het karakter van een zogenaamde «kan-bepaling» en aan invoering van de heffing is een aantal voorwaarden verbonden. De eerste voorwaarde is dat zon heffing niet tot een cumulatie van heffingen mag leiden. Daarom zal, indien de heffing wordt ingevoerd, de in de Wet energiedistributie geregelde MAP-bijdrage op hetzelfde moment verdwijnen. De tweede voorwaarde is dat de heffing pas kan worden ingevoerd als is gebleken dat andere heffingen en toeslagen, zoals de REB, onvoldoende effectief zijn gebleken. Daardoor heeft de bepaling over de heffingsmogelijkheid een vangnet-karakter.

Daarnaast is in de recente Energiebesparingsnota de keuze voor de inzet van instrumenten gemaakt tegen de achtergrond van de komende liberalisering. Meerjarenafspraken over energiebesparing zullen ook in de toekomst belangrijk zijn. Op sommige punten zal het instrumentarium echter een meer verplichtend karakter krijgen. Ik denk daarbij bijvoorbeeld aan de Energieprestatiekeuring die op termijn tot wettelijke normen voor de energie-efficiency van bestaande woningen kan leiden. Ook spreek ik in de Energiebesparingsnota de verwachting uit dat marktpartijen door de liberalisering actief zullen worden in het aanbieden van besparingsdiensten als onderdeel van het servicepakket dat zij bieden bij levering van elektriciteit.

De leden van de fracties van SGP, RPF en GPV vreesden dat op termijn, wanneer kleinschalige producenten niet langer beschermd zullen zijn, nieuwe, nog relatief dure technologieën de markt niet meer zullen halen.

Zoals hiervoor is aangegeven voorziet het wetsvoorstel in de introductie van een systeem van groene stroomcertificaten om de relatief duurdere duurzame opwekkingstechnologie te stimuleren. Bij het uitgeven van groene stroomcertificaten wordt echter geen verschil gemaakt tussen de verschillende duurzame technologieën. De doelstelling is dan ook om bij het opwekken van duurzame energie een stimulans te bieden om zo efficiënt mogelijke opwekking van duurzame elektriciteit te realiseren. Dat is economisch uiteraard de meest wenselijke situatie. Om echter ook duurdere duurzame technologie een kans van slagen te geven, kan het noodzakelijk zijn de ontwikkeling en introductie van dergelijke nieuwe technologieën te stimuleren op de wijze waarop dat nu ook gebeurt, onder meer door middel van subsidies. Dit kan wenselijk zijn indien deze extra kosten alleen in de beginfase optreden als aanloop naar een rendabele grootschaliger toepassing.

Daarnaast waren de leden van de SGP, RPF en GPV fracties van mening dat de verplichting te veel aan de zijde van de afnemer wordt gelegd, waar deze verplichting, volgens deze fracties primair bij de bron, dat wil zeggen de producenten, zou moeten liggen.

Bij de beoordeling van dit vraagstuk is aan de orde vanuit welk perspectief «de bron» bezien moet worden. Bij besparing en duurzame opwekking van elektriciteit is de afnemer belangrijk als vraagbron. De verplichting voor het gebruik van groene stroom ligt dan ook bij de afnemers omdat op deze wijze een vraaggestuurde markt kan ontstaan naar duurzame elektriciteit. Deze markt zal de ontwikkeling van efficiënte en concurrerende duurzame elektriciteit meer stimuleren dan het opleggen van de verplichting tot duurzame productie aan een gewone elektriciteitsproducent. Overigens regelt het wetsvoorstel in artikel 50 wel ook verplichtingen bij de productiebron.

Hoofdstuk 8. Diverse opmerkingen

De leden van de VVD-fractie zouden graag vernemen of en zo ja, wanneer, de verplichte aanmelding van het wetsvoorstel in het kader van richtlijn 83/189/EEG heeft plaatsgevonden. Tevens wilden zij geïnformeerd worden over de vindplaats van de aankondiging van het wetsvoorstel.

In het kader van richtlijn 83/189/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 maart 1983, betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften, is de Europese Commissie op 13 juli 1997 in kennis gesteld van het wetsvoorstel (notificatienr. 97/0366/NL). Een aankondiging van het wetsvoorstel is gepubliceerd in Stcrt. 1997, nr. 170.

De leden van de D66-fractie wilden geïnformeerd worden over het overleg tussen de VNG en het Ministerie van Financiën inzake inkomstenderving die voor gemeenten zou optreden tengevolge van het niet langer heffen van precariorecht en inzake het daarvoor bieden van compensatie.

Tussen de VNG en het Ministerie van Financiën is overleg gevoerd in het kader van de totstandkoming van de Telecommunicatiewet. In dat wetsvoorstel is geregeld dat geen precario meer mag worden geheven door gemeenten op kabels en leidingen die zich in of op openbare grond bevinden. In aanvulling daarop is erin voorzien dat de kosten van het verleggen van deze kabels en leidingen dan ook niet meer voor rekening komen van gemeenten maar voor die van de telecombedrijven. Dit wordt aangeduid als het principe «liggen om niet, verleggen om niet». Naar mij is gebleken is overeengekomen dat gemeenten structureel zullen worden gecompenseerd voor de bedoelde inkomstenderving. Daarnaast is voorzien in afspraken over de financiële gevolgen die aan de geschetste regeling verbonden zijn, gelet op privaatrechtelijke overeenkomsten die in het verleden zijn gesloten tussen gemeenten en telecombedrijven. De ontwerp-Telecommunicatie wet is inmiddels door de Tweede Kamer aangenomen.

Bij de behandeling van het voorliggende wetsvoorstel is vanuit de Tweede Kamer voorgesteld het leggen en verleggen van elektriciteitsleidingen analoog aan de ontwerp-Telecommunicatie wet te regelen. Zoals ik toen heb aangegeven steun ik de gedachte achter dat voorstel maar acht ik het noodzakelijk dit zorgvuldig voor te bereiden, onder meer met het oog op de omvang van de financiële gevolgen die verbonden zijn aan het opnemen van een dergelijke regeling. Zo mogelijk bij gelegenheid van de in voorbereiding zijnde gaswetgeving zou die regeling dan vastgesteld kunnen worden. Ik heb de Tweede Kamer toegezegd daartoe op korte termijn in overleg te treden met betrokken partijen om de financiële aspecten van het regelen van het voornoemde beginsel «liggen om niet, verleggen om niet» in kaart te brengen. Dit overleg is inmiddels gestart.

Hoofdstuk 9. Artikelen

Artikel 1

De leden van de CDA-fractie gaven aan moeite te hebben met het vaststellen van de betekenis waarin het begrip «afnemer» in het wetsvoorstel en de toelichting erop wordt gebruikt. Zij vroegen of het een juiste interpretatie is artikel 1, eerste lid, onderdeel c, zo te lezen dat zowel gebruikers als producenten van elektriciteit als «afnemer» aangemerkt worden. Daarbij wordt het begrip «afnemer» dus niet gebruikt in de zin van «afnemer van elektriciteit» maar in die van «afnemer van diensten van een net». Dit zou volgens deze leden echter niet te rijmen zijn met de vele malen dat «afnemers» en «producenten» als afzonderlijke partijen in de toelichting worden opgesomd. Ook stelden zij dat uit artikel 1, eerste lid, onderdeel b, volgt dat netbeheerders ook afnemers kunnen zijn.

De aangegeven interpretatie is juist, gelet op de omschrijving van het begrip «afnemer» in artikel 1, eerste lid, onderdeel c. Daarin is immers niet als beperkend element aangebracht dat naast het beschikken over een aansluiting op het net tevens sprake moet zijn van het afnemen van elektriciteit. Het begrip afnemer moet derhalve worden begrepen in de betekenis van «afnemer van diensten van het net» en een afnemer kan dus tevens producent zijn in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel g. Dit is naar mijn oordeel overigens wel te rijmen met de vele malen dat «afnemers» en «producenten» als afzonderlijke partijen in de toelichting worden opgesomd. Dat is namelijk steeds gebeurd waar sprake is van voorschriften die betrekking hebben op de functionele hoedanigheid van «afnemer» repectievelijk «producent». De definitie in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, heeft betrekking op het begrip «aansluiting» en niet op het begrip «afnemer». Een netbeheerder kan voor zijn eigen vestiging uiteraard wel afnemer van elektriciteit zijn.

De leden van de CDA-fractie constateerden dat in het wetsvoorstel het begrip «vrije afnemer» als zodanig niet gedefinieerd is en vroegen of de interpretatie juist is volgens welke elke afnemer die niet onder het begrip «beschermde afnemer» valt, «vrije afnemer» is in de betekenis van dit wetsvoorstel.

Deze interpretatie is juist, gelet op de in het wetsvoorstel gedefinieerde begrippen «afnemer» en «beschermde afnemer».

Ook merkten de leden van de CDA-fractie op dat het de begrijpelijkheid van het wetsvoorstel zou hebben bevorderd indien het begrip «in aanmerking komende afnemer» inhoudelijk zou zijn gedefinieerd en niet zou zijn volstaan met verwijzing naar de richtlijn, temeer omdat dit begrip in artikel 31 is gebruikt zonder die verwijzing.

Naar mijn oordeel kan er geen misverstand over bestaan dat ook in artikel 31 onder een «in aanmerking komende afnemer» moet worden verstaan «een in aanmerking komende afnemer als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de richtlijn», gelet op het geheel van de artikelen betreffende de invoer en uitvoer van elektriciteit (artikelen 28 tot en met 33). De categorie van zodanige afnemers zal overeenkomstig artikel 29 van het wetsvoorstel bij ministeriële regeling specifiek worden aangewezen.

Artikelen 2–4

De leden van de CDA-fractie zouden graag een duidelijke interpretatie ontvangen van de in artikel 4 gebezigde woorden «het energierapport geldt...». Volgens deze leden is namelijk niet geheel duidelijk wie tot wat gebonden wordt en in welke mate en tot welk tijdstip. Zij vroegen of deze woorden zo moeten worden uitgelegd dat de binding aan een eenmaal vastgesteld Energierapport blijft bestaan zolang nog geen nieuw rapport is vastgesteld, hoezeer de situatie in de tussenliggende periode ook veranderd zou kunnen zijn. Ook vroegen zij of tussentijdse wijzigingen op onderdelen mogelijk zijn zonder dat een geheel nieuw Energierapport wordt vastgesteld.

Met de integrale beleidsvisie in het Energierapport dient rekening te worden gehouden bij van rijkswege te nemen beslissingen die het belang van het betrouwbaar, duurzaam, doelmatig en milieuhygiënisch verantwoord functioneren van de energievoorziening raken. Rekening houden met het Energierapport betekent dat beslissingen worden bezien in het licht van de in dat rapport neergelegde hoofdlijnen van beleid en dat daarvan slechts gemotiveerd wordt afgeweken. De binding aan een eenmaal vastgesteld Energierapport voor van rijkswege te nemen beslissingen die energie-relevantie hebben is dus niet absoluut in de zin dat bij die beslissingen op geen enkele wijze rekening gehouden zou kunnen worden met veranderingen in beleidsopvattingen of marktontwikkelingen. Indien dergelijke veranderingen zouden leiden tot van het Energierapport afwijkende beslissingen dient dat echter wel gemotiveerd te gebeuren. Het formeel vaststellen van tussentijdse wijzigingen op onderdelen van het Energierapport is daarvoor niet vereist.

Artikel 5

De leden van de CDA-fractie vroegen welke betekenis moet worden toegekend aan de formuleringen in artikel 5, derde en vierde lid, op grond waarvan de dienst tot taak heeft «werkzaamheden te verrichten ten behoeve van» (.....) het toezicht op de naleving van de wet terwijl ambtenaren van de dienst belast worden met het toezicht op de naleving van de wet.

In het derde lid is de taakopdracht van de dienst vastgelegd. In onderling verband met het vierde lid dient daarin niet te worden gelezen dat de dienst niet met het toezicht zelf zou zijn belast. De model-formulering in het vierde lid strekt er namelijk toe – zoals ook is aangegeven in de memorie van toelichting (blz. 25) – dat ten behoeve van het toezicht op de naleving van de wet de toezichtsbevoegdheden van afdeling 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht ter beschikking staan aan de met het toezicht belaste ambtenaren.

De leden van de PvdA-fractie gaven aan benieuwd te zijn of de regering inderdaad het voornemen heeft de Dienst uitvoering en toezicht Elektriciteitswet (Dte) onder te brengen bij de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa). De leden van de D66-fractie vroegen of het de bedoeling is om van de Dte een aparte Kamer van de NMa te maken. In dat verband vroegen zij naar de onafhankelijkheid van de Dte en naar de situatie waarin van de NMa een zelfstandig bestuursorgaan zou worden gemaakt. Is de minister er voorstander van de Elektriciteitswet op dit punt te wijzigen, zo vroegen zij.

Een goede afstemming tussen beide toezichthouders is van groot belang. Voor zover het betreft onderwerpen waarbij mededingingsbegrippen een rol spelen is daarom in het wetsvoorstel betrokkenheid van de NMa geregeld (artikel 8). Bovendien is de NMa bevoegd tot beslechting van geschillen over de toegang tot het net (artikel 34).

Thans streef ik ernaar de zogenaamde kamermodaliteit voor de Dte meer concreet uit te werken. De invulling van die modaliteit wordt mede in een breder verband bezien. Indien de NMa de status van zelfstandig bestuursorgaan zou krijgen, zou in dat geval voor de Dte eenzelfde lijn voor de hand liggen.

De Minister van Economische Zaken,

G. J. Wijers

Naar boven